← België

Arrest 244311 - Varia (openbaar ambt) - 29/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.311 Rolnummer: A. 226928/IX-9475 Zaak: Arrest 244311 - Varia (openbaar ambt) - 29/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-07 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-21 22:46 Fiche Arrest nr 244.311 van 29 april 2019 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.311 van 29 april 2019 in de zaak A. 226.928/IX-9475 In zake: Victor SOENS woonplaats kiezend te 1853 Grimbergen Acacialaan 4A tegen: de NV NATIONALE BANK VAN BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Cilia Mathieu kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld bij verzoekschriften van 26 november 2018 en 8 december 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoer- legging van “de benoeming van [S.V.] tot directeur van de Nationale Bank van België”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op- gesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 maart
  3. IX-9475-1/6 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cilia Mathieu, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Voorwerp van de vordering en aanduiding van de verwerende partij
  5. De verwerende partij doet in haar nota gelden dat het verzoek- schrift “totaal onsamenhangend en onleesbaar” is en dat “het onduidelijk [is] welke beslissing nu juist aangevochten wordt”. Zij merkt daarbij op dat in de mate dat verzoeker niet bepaalde voorbereidende handelingen van de Nationale Bank van België, maar het koninklijk besluit van 6 december 2018 „tot benoeming van een directeur van de Nationale Bank van België‟ zou viseren, de bestreden be- slissing dan “zou […] uitgaan van een andere verwerende partij”.
  6. Gelet op wat hierna wordt besloten met betrekking tot de ont- vankelijkheid van de vordering, behoeft die opmerking van de verwerende partij, om proceseconomische redenen, geen nader onderzoek. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  7. Met een aangetekende brief van 28 november 2018 heeft de griffie van de Raad van State verzoeker erop gewezen dat zijn op 26 november 2018 ingediende verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 1 tot 3 en 3bis van het besluit van de Regent van 23 au- IX-9475-2/6 gustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedureglement). Zij heeft verzoeker tevens verzocht om zijn verzoekschrift binnen een termijn van vijftien dagen na de ontvangst van die brief in overeenstemming te brengen met de be- doelde voorwaarden.
  8. Verzoeker heeft daarop gereageerd met het indienen van een nieuw verzoekschrift, dat hij met een aangetekende zending van 8 december 2018 aan de Raad van State heeft bezorgd.
  9. Buiten beschouwing gelaten of het laatstgenoemde verzoek- schrift wél voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 1 tot 3 en 3bis van het algemeen procedurereglement en in de plaats is gekomen van het oorspronkelijke verzoekschrift, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat beide ingediende ver- zoekschriften als opschrift vermelden: “Verzoekschrift in kort geding voorafgaand het verzoekschrift ten gronde dat zal ingediend worden op 10 januari 2019, binnen de 60 dagen, waarbij toevoeging van extra stukken inzake dezelfde feiten met behoud van onderhavig verzoekschrift en stukken”. Verzoeker heeft géén “verzoekschrift ten gronde” ingediend.
  10. In haar verslag van 26 februari 2019 over de voorliggende zaak leidt de auditeur-verslaggeefster onder meer uit het voorgaande af dat de vordering niet ontvankelijk is. Zij betoogt in dit verband: “De ontvankelijkheidsvoorwaarden van vorderingen tot schorsing zijn op duidelijke en voorzienbare wijze bepaald in artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit voormeld artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt meer bepaald dat, ook al moet de vordering tot schorsing niet in het beroep tot nietigverklaring zelf worden opgenomen, een dergelijk beroep tot nietigverklaring moet zijn ingediend om de schorsing te kunnen laten bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, „vatbaar voor nietig- IX-9475-3/6 verklaring‟, evenals om „alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de be- langen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak‟. Artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor- ziet dat „[i]n geval van uiterst dringende noodzakelijkheid‟ de schorsing of voorlopige maatregelen kunnen worden bevolen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend. Hieruit volgt dat buiten de gevallen van uiterst dringende noodzakelijkheid, de vorderingen tot schorsing niet kunnen worden ingesteld vóór de indiening van een beroep tot nietigverklaring. Zoals ook reeds in arrest nr. 237.512 van 28 februari 2017 werd geoor- deeld, doen de voormelde vereisten geen afbreuk aan het recht van verzoeker op toegang tot de rechter, aangezien deze zich op nuttige wijze kan verdedigen in kort geding. Het volstaat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen, zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend, of, bij gebrek aan hoogdringendheid, een gewone vordering tot schorsing in te stellen op het ogenblik van de indiening van een beroep tot nietigverklaring, of zelfs nadat het beroep tot nietigverklaring reeds is ingesteld. Verzoeker verduidelijkt in zijn verzoekschriften niet in het minst om welke redenen hij niet kon voldoen aan de voormelde voorwaarden vereist voor het handelen in kort geding. In de mate dat de voorliggende verzoekschriften tot schorsing werden in- gesteld vóór de indiening van een beroep tot nietigverklaring [en] ze niet werden ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, voldoen de vorderingen [...] niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor- zien in artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De vorderingen zijn [...] om de voormelde reden eveneens onontvankelijk. De omstandigheid dat de (quasi identieke) verzoekschriften de titel „Ver- zoekschrift in kort geding voorafgaand het verzoekschrift ten gronde dat zal ingediend worden op 10 januari 2019, binnen de 60 dagen, waarbij toevoeging van extra stukken inzake dezelfde feiten met behoud van onderhavig verzoek- schrift en stukken‟ dragen en bij wijze van besluit stellen dat „de benoeming van [S.V.] dient te worden geannuleerd‟, doet aan voormelde vaststellingen [...] geen afbreuk. Er dient vastgesteld te worden dat de voormelde titel slechts een vordering tot schorsing inhoudt, maar niet kan beschouwd worden als een „enig verzoekschrift‟ waarin eveneens de vernietiging van de bestreden beslissing wordt gevorderd[…].”
  11. Verzoeker was op de terechtzitting, waarvan hij regelmatig in kennis was gesteld, niet aanwezig, noch vertegenwoordigd. Hij heeft aldus de procedurele mogelijkheid niet benut om het voormelde standpunt van het auditoraatsverslag desgevallend tegen te spreken. IX-9475-4/6
  12. De Raad van State ziet, na eigen onderzoek, geen redenen die de redenering van het auditoraatsverslag vermogen te ontkrachten en hij sluit zich daarbij aan. Nog buiten beschouwing gelaten dat verzoeker, in tegenstelling tot wat hij in het opschrift van zijn beide verzoekschriften aankondigde, helemaal géén verzoekschrift tot nietigverklaring heeft ingediend, kon hij hoe dan ook niet op een ontvankelijke wijze een verzoekschrift volgens de gewone schorsingspro- cedure “voorafgaand het verzoekschrift ten gronde” indienen.
  13. De voorliggende vordering is alleen al om die reden onontvan- kelijk en dient te worden verworpen.
  14. Ten overvloede kan er nog op worden gewezen dat ook ver- zoekers niet verschijnen, noch vertegenwoordigd zijn ter terechtzitting, overeen- komstig artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ tot de af- wijzing van zijn vordering dient te leiden. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt de vordering.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. IX-9475-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 april 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9475-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.311 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.