id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.322 Rolnummer: A. 218326/IX-8805 Zaak: Arrest 244322 - ION - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-09 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 22:53 Fiche Arrest nr 244.322 van 30 april 2019 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 244.322 van 30 april 2019 in de zaak A. 218.326/IX-8805 In zake : Patrick PERPÊTE woonplaats kiezend te 2000 Antwerpen Nationalestraat 126 bus 5 tegen : de NATIONALE INSTELLING VOOR RADIOACTIEF AFVAL EN VERRIJKTE SPLIJTSTOFFEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van 25 januari 2016 van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) om de kandidatuur van Patrick Perpête voor de functie van directeur-generaal van de NIRAS niet in aanmerking te nemen voor het vervolg van de selectieprocedure daar zijn kandidatuur niet beantwoordt aan de minimumvereisten voor deze functie; - de toekomstige aanstelling van een nieuwe directeur-generaal van de NIRAS. De verzoekende partij vraagt tevens “om de benoeming te bekomen”. IX-8805-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld overeen- komstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emma Holleman, die loco advocaat Jan Bouckaert verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2015 wordt een vacature bekendgemaakt voor de betrekking van directeur-generaal van de NIRAS. IX-8805-2/10 3.
- Verzoeker stelt zich op 4 november 2015 kandidaat. 3.
- Bij brief van 9 november 2015 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat zijn kandidatuur wordt voorgelegd aan het selectiebureau dat belast is met de evaluatie van de kandidaten. Verzoeker wordt gevraagd het bijgevoegde kandidatuurstellingsformulier in te vullen en dit per aangetekende brief in te dienen vóór 4 december 2015 om 24 uur. Met een aangetekende zending van 17 november 2015 maakt verzoeker het ingevulde kandidatuurstellingsformulier over aan de verwerende partij. 3.
- Op 25 januari 2016 wordt aan verzoeker meegedeeld wat volgt: “Verwijzend naar uw sollicitatiebrief van 3 november 2015 voor de functie van directeur-generaal van NIRAS en naar onze brief van 9 november 2015 kenmerk VV/sd/2015-2952, delen wij u mee dat uw kandidatuur niet in aanmerking wordt genomen voor het vervolg van de selectieprocedure. Overeenkomstig de selectieprocedure worden kandidaten die niet beant- woorden aan de minimumvereisten voor de functie van directeur-generaal van NIRAS als niet-conform beschouwd en uitgesloten voor het vervolg van de selectieprocedure. In uitvoering van de volmacht die de raad van bestuur van NIRAS in zijn buitengewone zitting van 29 mei 2015 heeft verleend aan het directiecomité om de door de raad van bestuur goedgekeurde selectieprocedure toe te passen en op te volgen, teneinde hem, als uitgangspunt, maximaal zeven kandidaten voor te dragen voor finale selectie en beslissing over de benoemingsvolgorde, heeft het directiecomité in beperkte zitting van 13 januari 2016, na grondig onderzoek van het conformiteitsrapport, samengesteld door het extern selectiebureau op basis van een grondige CV-screening aan de hand van CV, motivatiebrief, bijbehorende documenten en het kandidatuurstellingsformulier en van de door u ingezonden kandidatuur, inzonderheid met betrekking tot de minimumvereisten om in aanmerking te komen voor de functie van directeur-generaal van NIRAS, formeel vastgesteld dat uw kandidatuur niet beantwoordt aan alle minimale functie- en kwalificatievereisten voor de functie. Het directiecomité heeft vastgesteld dat uw kandidatuur aan geen enkele van de minimumvereisten beantwoordt. […]” Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-8805-3/10 3.
- In zijn verzoekschrift stelt verzoeker tevens dat hij “een annulatieverzoek [wil] indienen tegen de benoeming van de toekomstige aanstelling van de nieuwe directeur-generaal”. Deze toekomstige aanstelling van een nieuwe directeur-generaal van de NIRAS maakt aldus de tweede bestreden beslissing uit. In fine van zijn verzoekschrift stelt verzoeker nog dat het “[zijn] doel is om de benoeming te bekomen”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Na een memorie van wederantwoord te hebben ingediend en nog voordat het auditoraat een verslag heeft opgesteld, heeft verzoeker met een aangetekende zending van 28 juni 2017 een ‘laatste memorie zaak Perpête-NIRAS’ ingediend waarin hij repliceert op de door de verwerende partij in haar memorie van antwoord opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) voorziet niet in de mogelijkheid om, nadat een memorie van wederantwoord is ingediend, nog een dergelijk processtuk neer te leggen. In de mate dat verzoeker in dat stuk nog repliceert op een door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep, moet worden opgemerkt dat verzoeker daartoe de gelegenheid heeft gekregen in het kader van de memorie van wederantwoord. Verzoekers argumentatie in de bewuste ‘laatste memorie’ bevat geen elementen die hij niet in zijn memorie van wederantwoord had kunnen uiteenzetten. Het op 28 juni 2017 ingediende stuk dient derhalve uit het debat te worden geweerd. IX-8805-4/10 V. Toepassing kortedebattenprocedure a. De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen de toekomstige aanstelling van een nieuwe directeur-generaal van de NIRAS (de tweede bestreden beslissing)
- In de mate dat het beroep gericht is tegen de toekomstige aanstelling van een nieuwe directeur-generaal van de NIRAS, wordt ambtshalve opgemerkt dat een dergelijke beslissing op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift nog niet bestond. Een beroep tegen een nog te nemen beslissing is evenwel voorbarig en bijgevolg onontvankelijk. b. De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het ertoe strekt “om de benoeming te bekomen” Exceptie van de verwerende partij
- De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre verzoeker ermee beoogt “de benoeming te bekomen”, daar de Raad van State niet bevoegd is om benoemingen te verlenen of om de betrokken overheid daartoe een injunctie te geven. Beoordeling
- In zijn verzoekschrift stelt verzoeker dat het “[zijn] doel is om de benoeming te bekomen”. In de mate dat verzoeker hiermee aan de Raad van State zou vragen om hem tot directeur-generaal van de NIRAS te benoemen, dan wel de betrokken overheid te bevelen om hem te benoemen, moet samen met de verwerende partij worden opgemerkt dat de Raad van State zich niet in de plaats van de overheid mag stellen en verzoeker dus niet kan benoemen tot directeur-generaal van de NIRAS. Evenmin kan de Raad van State een injunctie geven aan de betrokken overheid om over te gaan tot de benoeming van verzoeker. IX-8805-5/10 Het beroep is dienvolgens onontvankelijk in zoverre het ertoe strekt “om de benoeming te bekomen”. c. Onderzoek van de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan middelen Standpunt van de partijen
- Verzoeker heeft zijn verzoekschrift als volgt geredigeerd: “Ik verwijs naar de brief van 25/01/2016 van NIRAS waarin mij de mogelijkheid geboden wordt beroep aan te tekenen tegen de administratieve beslissing van NIRAS jegens mezelf (Perpête Patrick geboren op 28 februari 1955 te Mortsel) Ik betwist dat ik onvoldoende zou beantwoorden aan de minimumvereisten om in aanmerking te komen voor de functie van directeur-generaal. In geen enkele aangelegenheid ben ik gehoord geworden om mij te kunnen verdedigen. Er is dus ook een éénzijdige administratieve beslissing genomen. Ik wil dan ook de vernietiging tegen de uitspraak van NIRAS bekomen en een annulatieverzoek indienen tegen de benoeming van de toekomstige aanstelling van de nieuwe directeur-generaal. Mijn doel is om de benoeming te bekomen.”
- De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan middelen. Zij argumenteert dat het verzoekschrift geen enkele rechtsregel bevat die geschonden zou zijn en evenmin een uiteenzetting waarom een bepaalde regel geschonden zou zijn. Verzoeker geeft louter aan dat hij niet akkoord gaat met de beslissing van de verwerende partij en dat hij meent wel te beantwoorden aan de minimumvereisten van de vacature, zonder te preciseren waarom dan wel aan deze vereisten is voldaan. Volgens de verwerende partij kunnen deze beschouwingen van verzoeker niet als middel worden beschouwd en voldoet het verzoekschrift bijgevolg niet aan artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement.
- In zijn memorie van wederantwoord laat verzoeker gelden: IX-8805-6/10 “In de memorie van antwoord van NIRAS (9.05.2016) wordt gesteld dat de diploma’s burgerlijk ingenieur en dat van doctor in de wetenschappen niet gelijkwaardig zouden zijn met dat van handelsingenieur. Het gevolg daarvan is dat op die manier mij het recht aanspraak te maken op betreffende benoeming van directeur-generaal bij NIRAS ontnomen wordt. Een beginnende rechtsregel daaromtrent, nl. dat gelijkwaardige diploma’s geaccepteerd dienen te worden voor een functie bij de overheid, is daardoor geschonden. Ik wens dan ook de te nemen eindbeslissing van NIRAS te voorkomen door ze met deze memorie van wederantwoord bijtijds tot voorwerp van een vordering tot nietigverklaring te maken. Derhalve wens ik de inwilliging van mijn beroep nl. het voordeel van de benoeming te verkrijgen, en ze actueel te maken en de nietigverklaring en/of annulatie te vorderen van de benoeming van een andere kandidaat.” Beoordeling
- Artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. Onder ‘middel’ in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement wordt verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de rechtsregel of het rechtsbeginsel waarvan de schending wordt ingeroepen, alsook van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden. “Voldoende duidelijk” betekent dat geen veronderstellingen moeten worden gemaakt over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en nadien de Raad van State ertoe worden gebracht in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift te redigeren. Opdat een door haar aangevoerd middel ontvankelijk zou zijn, dient een verzoekende partij niet alleen duidelijk te maken welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht, maar ook op welke wijze, naar haar IX-8805-7/10 oordeel, die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt miskend. Het verzoekschrift dient ten minste één ontvankelijk middel te bevatten. Het ontbreken van een middel in het verzoekschrift heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg.
- Te dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn verzoekschrift niet duidelijk de rechtsregel(s) en/of rechtsbeginsel(en) aanduidt die volgens hem door de bestreden beslissing wordt/worden geschonden, minstens dat hij onvoldoende aanduidt op welke wijze deze rechtsregel(s) en/of rechts- beginsel(en) door de bestreden beslissing zou(den) zijn geschonden. Verzoeker beperkt er zich immers in wezen toe te stellen dat hij betwist dat hij onvoldoende zou beantwoorden aan de minimumvereisten om in aanmerking te komen voor de functie van directeur-generaal en dat hij niet werd gehoord om zich te kunnen verdedigen, zonder meer. Een dergelijke summiere en algemene uiteenzetting kan geenszins worden aanzien als een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement.
- Zoals reeds uiteengezet, valt het niet aan de Raad van State toe om in de plaats van verzoeker een middel te redigeren. Dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, aan de hand van veronderstellingen van wat verzoeker bedoeld zou kunnen hebben, een poging heeft gedaan om in verzoekers uiteenzetting een middel te ontwaren en dit te beantwoorden, doet evenmin afbreuk aan het gebrek dat aan het verzoekschrift kleeft. Ten slotte kunnen ook eventuele aanvullingen en verduidelijkingen in de memorie van wederantwoord de initiële onontvankelijkheid van het verzoekschrift niet verhelpen.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat het verzoekschrift geen ontvankelijk middel bevat. Bijgevolg dient het beroep tot nietigverklaring als onontvankelijk te worden verworpen. IX-8805-8/10
- Het auditoraat heeft terecht geoordeeld dat het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het algemeen procedurereglement. VI. Rechtsplegingsvergoeding Verzoek van de verwerende partij
- De verwerende partij vraagt om de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Beoordeling
- Te dezen geniet verzoeker juridische tweedelijnsbijstand. De rechtsplegingsvergoeding ten laste van verzoeker als in het ongelijk gestelde partij dient derhalve op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot het in artikel 67, § 1, eerste lid, van het algemeen procedurereglement vastgestelde minimumbedrag van 140 euro. Uit niets blijkt dat er in casu sprake is van een “kennelijk onredelijke situatie” die het verantwoordt van dat minimum af te wijken. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-8805-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 april 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-8805-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.