← België

Arrest 244334 - Varia (justitie) - 30/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.334 Rolnummer: A. 227945/XIV-38028 Zaak: Arrest 244334 - Varia (justitie) - 30/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-02 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 01:48 Fiche Arrest nr 244.334 van 30 april 2019 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 244.334 van 30 april 2019 in de zaak A. 227.945/XIV-38.028 In zake: Michaël DEWEERDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Van Noorbeeck kantoor houdend te 3290 Diest Leuvensestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 24 april 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “tuchtbeslissing genomen door de FOD Justitie, Directoraat Generaal Penitentiaire Inrichtingen, Strafinrichting Leuven Centraal waarbij verzoeker een tuchtsanctie werd opgelegd voor het bezit of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties van 18 april 2019 tot en met 1 mei 2019 en hij het ‘tussenregime’ opgelegd werd tot en met 25 juli 2019”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april 2019 om 10.00 uur. XIV-38.028- 1/9 Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annelies Vodderie, die loco advocaat Thierry Van Noorbeeck verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Leuven. 3.
  5. Bij vonnis van 15 april 2019 kent de strafuitvoeringsrechtbank verzoeker elektronisch toezicht toe. Het vonnis wordt uitvoerbaar op het ogenblik dat verzoeker effectief kan starten met het voorziene werk of vrijwilligerswerk en betrokkene in de tijdsvoorwaarden verkeert. 3.
  6. Op 14 april 2019 wordt door de penitentiair beambte over verzoeker een observatienota gericht aan de directeur van de penitentiaire inrichting waar hij verblijft. Op 15 april 2019 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat na onderzoek van het genoemde rapport een tuchtprocedure wordt opgestart conform artikel 144 van de basiswet. Hij wordt uitgenodigd om te worden gehoord op 17 april
  7. XIV-38.028- 2/9 De hoorzitting waarop verzoeker wordt bijgestaan door zijn raadsman en waarvan verslag wordt opgesteld, vindt plaats op 17 april
  8. Op 17 april 2019 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte” voor een periode van 14 dagen, van 18 april 2019 tot en met 1 mei
  9. De sanctie wordt opgelegd omwille van “het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”. Verzoeker wordt er tevens van in kennis gesteld dat ingevolge de voornoemde beslissing 10 punten werden toegevoegd aan zijn saldo betreffende het “tussenregime”. Hij wordt eraan herinnerd dat een saldo van 10 of meer punten een verblijf van 3 maanden in het “tussenregime” als gevolg heeft, te dezen tot en met 25 juli
  10. Dit zijn de bestreden beslissingen. IV. De schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting door verzoeker
  12. Onder de titel “II. Nopens de ontvankelijkheid” haalt verzoeker volgende elementen aan. Hij stelt dat “ingevolge de bestreden beslissing verzoeker meteen een tuchtsanctie werd opgelegd en hij hiervan de gevolgen dient te XIV-38.028- 3/9 ondergaan, los van de verdere discussie ten gronde. Verzoeker werd in uitvoering van de tuchtmaatregel “op tussenregime geplaatst […], waardoor hij geen gebruik kan maken van uitgangen om zich naar het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: het CGG) te begeven, noch kan gaan solliciteren of werken met het oog op de verdere uitwerking van zijn reclassering nu verzoeker een elektronisch toezicht werd toegestaan door de strafuitvoeringsrechtbank”. Dit is “zeer nadelig” voor verzoeker nu zijn reclassering hierdoor in het gedrang komt. Verzoeker voert nog aan dat hij het zeer moeilijk heeft met het gegeven dat hij op individueel regime wordt geplaatst nog voor hij enig nuttig rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden. Hij meent dan ook dat de gewone annulatie- en schorsingsprocedure geen nuttig resultaat zou opbrengen. Verzoeker betwist de feiten te hebben gepleegd waarvoor hem een tuchtsanctie werd opgelegd, zonder dat een grondig onderzoek werd gevoerd. Hij stelt dat de tuchtsanctie reeds in uitvoering is en vermeld wordt op zijn detentiefiche. Zijn reclassering komt in het gedrang, te meer daar ook nog eens bijkomende punten aan verzoeker worden toegekend, welke zijn invloed hebben op zijn penitentiair regime. Verzoeker dient immers lang “op tussenregime” te blijven waardoor hij geen gebruik kan maken van het opendeur - regime, en hem heel wat faciliteiten worden ontzegd. Verzoeker loopt aldus het risico voor voldongen feiten te worden geplaatst, reden waarom de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing wordt gevorderd. Enkel deze procedure kan verhinderen dat verzoeker zijn tuchtsanctie reeds integraal zou dienen te ondergaan in afwachting van de procedure ten gronde. Tot slot vermeldt hij nog dat hij de nodige diligentie aan de dag heeft gelegd. Beoordeling
  13. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. XIV-38.028- 4/9 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een XIV-38.028- 5/9 toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  14. Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoeker in zijn verzoekschrift een uiteenzetting moet opnemen die de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt. Het komt een verzoeker toe duidelijk aan de hand van concrete en precieze gegevens duidelijk te maken dat hij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure of de procedure ten gronde niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Niettegenstaande het belang ervan, bevat het verzoekschrift geen afzonderlijke titel met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid waarin een uiteenzetting wordt gegeven van de feiten die het vervuld zijn van dat vereiste zouden kunnen rechtvaardigen. Uit het gedeelte dat betrekking heeft op de ontvankelijkheid kunnen de in punt 5) vermelde elementen worden afgeleid. Tevens brengt verzoeker het in punt 3.
  15. vermelde vonnis bij.
  16. Uit wat hiervoor is uiteengezet (cfr. punt 6), volgt dat de enkele omstandigheid dat de tuchtstraf reeds uitvoering kent en dat, gelet op de doorlooptermijn, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gewone schorsingsprocedure dan ook te laat zou komen, op zich niet volstaat opdat zou zijn voldaan aan de wettelijke voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. Evenmin volstaat de enkele bewering dat een latere vernietiging geen voldoende rechtsherstel biedt om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te rechtvaardigen. Voorts is diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste, maar het enkel voldoen aan deze eis volstaat op zich niet. De eventuele ernst van de middelen toont evenmin de uiterst dringende noodzakelijkheid aan, vermits het voormelde artikel 17, §§ 1 en 4, twee afzonderlijke voorwaarden inhoudt. Verzoekers argument dat, hoewel hij de feiten XIV-38.028- 6/9 betwist, de tuchtsanctie werd opgelegd zonder dat een grondig onderzoek werd gevoerd waarbij hij in wezen refereert aan een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dat in het tweede middel aan bod komt, wijst niet uit dat de zaak voor verzoeker urgent zou zijn. Die gebeurlijke onwettigheid betreft immers een andere en afzonderlijke voorwaarde waaraan moet zijn voldaan opdat tot een schorsing kan worden besloten. Verzoeker verwijst voorts naar de voor hem “zeer nadelige” gevolgen van de uitvoering van de tuchtmaatregel doordat hij in uitvoering ervan “op tussenregime” werd geplaatst. Hij stelt dat hem hierdoor allerhande faciliteiten worden ontzegd. Hij kan geen gebruik maken “van uitgangen om zich naar het CGG te begeven, noch gaan solliciteren of werken met het oog op de verdere uitwerking van zijn reclassering” hoewel hem een elektronisch toezicht werd toegestaan. Verzoeker is zeer karig en vaag met informatie over de impact van het “tussenregime” op zijn penitentiaire toestand, zijn reclassering of zoals hij het noemt de “verdere uitwerking” ervan. Verzoeker beweert niet noch toont aan dat het elektronisch toezicht zou vervallen. Hij stelt louter dat dit pas kan worden opgestart als verzoeker opnieuw over uitgangen beschikt. Verzoeker zet hierbij niet uiteen dat hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Hij geeft bijvoorbeeld geen verduidelijking over de mogelijkheid op een arbeidsovereenkomst in het kader van de doorlopen stage. Evenmin rept hij in zijn verzoekschrift met een woord wanneer het elektronisch toezicht ingaat. Verzoeker beweert niet noch toont aan dat de begeleiding en het solliciteren niet kunnen worden hervat na de uitwerking van het tussenregime. Integendeel, uit de uiteenzetting ter terechtzitting van de verwerende partij blijkt dat de reclasseringsprocedure verder loopt en verzoeker daartoe, bijvoorbeeld op 26 april 2019, nog steeds over uitgangen beschikt, evenals, op 9 mei 2019 om zich naar het CGG te begeven. Verzoekers reclasseringsdossier is bijna afgerond en wordt verder geconcretiseerd, wat verzoeker niet tegenspreekt. Er is vanuit dit perspectief dan ook geen sprake van een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen. XIV-38.028- 7/9 In de mate dat verzoeker nog aanvoert dat hij “het zeer moeilijk heeft met het gegeven dat hij op individueel regime wordt geplaatst nog voor hij enig nuttig rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden”, betreft het een moreel nadeel dat in de regel kan worden hersteld door de morele genoegdoening die een vernietiging van de bestreden beslissingen met zich meebrengt. Verzoeker zet niet uiteen, laat staan dat hij aannemelijk maakt, waarom dit te dezen anders zou zijn. Het argument tot slot dat verzoeker op individueel regime wordt geplaatst nog vóór hij enig rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden, kan de Raad van State er niet toe brengen een andere invulling te geven aan het wettelijk vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Dat vereiste houdt immers in dat verzoeker in concreto aantoont dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, tot onherroepelijke schadelijke gevolgen leidt, wat hij, zoals uit hetgeen voorafgaat blijkt, niet doet.
  17. Verzoeker brengt geen andere concrete elementen aan, zodat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt de vordering.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.028- 8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig april tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.028- 9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.