id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.338 Rolnummer: A. 227196/X-17421 Zaak: Arrest 244338 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 30/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-21 22:54 Fiche Arrest nr 244.338 van 30 april 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 244.338 van 30 april 2019 in de zaak A. 227.196/X-17.
- GEMEENTERAADSVERKIEZING VAN 14 OKTOBER 2018 TE BILZEN In zake:
- Johan SAUWENS
- Guy SILLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen belanghebbende partijen :
- Bruno STEEGEN,
- Wouter RASKIN
- Guido SWENNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Jo Rams kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen derde : de STAD BILZEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Jo Rams kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Met een op 14 januari 2019 ingediend verzoekschrift stellen Johan Sauwens en Guy Sillen beroep in tegen het arrest van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van 3 januari 2019 waarbij hun bezwaar tegen de X-17.421-1/23 gemeenteraadsverkiezing van 14 oktober 2018 te Bilzen ongegrond wordt verklaard. Zij vragen in hoofdorde de gemeenteraadsverkiezing ongeldig te verklaren en in ondergeschikte orde een hertelling van de uitgebrachte stemmen te bevelen. II. Verloop van de rechtspleging
- De Raad voor Verkiezingsbetwistingen heeft het dossier van de zaak ingediend. Bruno Steegen, Wouter Raskin, Guido Swennen, respectievelijk de stad Bilzen hebben een memorie van antwoord ingediend. Eerste auditeur Iris verheven heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 april 2019, waarna de zaak in voortzetting is uitgesteld naar de zitting die heeft plaatsgevonden op 26 april
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaten Frank Judo en Tim Souverijns, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaten Jan Ghysels en Jo Rams, die verschijnen voor Bruno Steegen, Wouter Raskin, Guido Swennen en de stad Bilzen, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.421-2/23 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Er nemen aan de gemeenteraadsverkiezing van 14 oktober 2018 te Bilzen zes lijsten deel, waaronder lijst 2 N-VA, lijst 4 Groen, lijst 7 Bilzen Bruist, lijst 8 ToB en lijst 9 Beter Bilzen. Lijst 2 N-VA behaalt zes zetels, lijst 4 Groen één zetel, lijst 7 Bilzen Bruist drie zetels, lijst 8 ToB twaalf zetels en lijst 9 Beter Bilzen zeven zetels. Indien Groen vijf stemmen méér had behaald, zou de laatste (31ste) gemeenteraadszetel niet naar Bilzen Bruist maar naar Groen zijn gegaan. Verzoekers zijn verkozen kandidaten van lijst 8 TOB (Trots Op Bilzen). Ook Bruno Steegen (Beter Bilzen), Wouter Raskin (N-VA) en Guido Swennen (Bilzen Bruist) zijn verkozen als gemeenteraadslid. Verzoekers vragen op 27 november 2018 aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, in hoofdorde, de gemeenteraadsverkiezing te Bilzen ongeldig te verklaren en, in ondergeschikte orde, een hertelling van de uitgebrachte stemmen te bevelen. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen verklaart op 3 januari 2019 het bezwaar ongegrond en de gemeenteraadsverkiezing van 14 oktober 2018 te Bilzen geldig. Dit is het voorwerp van het voorliggende beroep.
- Ook twee kandidaten van lijst 4 Groen hebben bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezwaar ingediend. In die zaak, waarin de huidige eerste verzoeker geen partij was, heeft de voorzitster van stembureau 18 een schriftelijke getuigenverklaring bezorgd. Het bezwaar is door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen als ongegrond verworpen bij arrest van 21 december X-17.421-3/23
- Tegen die beslissing is geen beroep ingesteld. IV. Regelmatigheid van de aanvullende memories na het auditoraatsverslag
- Bruno Steegen, Wouter Raskin, Guido Swennen en de stad Bilzen dienen op 12 april 2019 een zogenaamde “nota met opmerkingen” in. Daarin noemen zij het toepasselijke procedurereglement – het koninklijk besluit van 15 juli 1956 – onwettig “voor zover het niet toelaat om op ontvankelijke wijze schriftelijk te reageren op het in artikel 8 bedoelde auditoraatsverslag”. Zij lichten toe dat, ofschoon kiesrechtzaken “inderdaad tot een spoedige afhandeling” nopen, het vanwege het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces niettemin nodig is dat “op de in dit verslag vervatte argumenten die de mening van de rechter kunnen beïnvloeden, kan worden gereageerd”.
- De berechting van de geschillen over de gemeenteraadsverkiezing is uit de aard dringend. Er moet, gelet op artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet’ (hierna: het koninklijk besluit van 15 juli 1956), binnen zestig dagen uitspraak worden gedaan over het bij de Raad van State ingestelde beroep. Deze legitieme spoedeisendheid verantwoordt het zeer summiere karakter van de procedure en de erg korte termijnen waarin ze voorziet. Zoals de procedureregeling niet in de mogelijkheid voorziet voor de verzoekers om in een memorie van wederantwoord dupliek te geven op de memories van antwoord die door Bruno Steegen, Wouter Raskin, Guido Swennen en de stad Bilzen werden toegestuurd, voorziet ze ook niet in de mogelijkheid voor de partijen om met een laatste memorie te reageren op het auditoraatsverslag. Dat wil overigens nog hoegenaamd niet zeggen dat het de partijen onmogelijk zou zijn zich met betrekking tot een en ander ten overstaan X-17.421-4/23 van de Raad van State te verdedigen en er hun standpunt over te doen kennen. Dat moet dan echter wel (mondeling) gebeuren op de terechtzitting waarop de zaak is vastgesteld.
- Hoe dan ook is door de Raad van State ter terechtzitting van 5 april 2019 aan de partijen toegezegd dat zij in een aanvullende nota mogen reageren op het auditoraatsverslag.
- In zoverre Bruno Steegen, Wouter Raskin, Guido Swennen en de stad Bilzen met hun “nota met opmerkingen” van 12 april 2019 van die gelegenheid gebruik maken en er effectief mee reageren, zoals zij zeggen te willen doen, op het verslag van de eerste auditeur, wordt het stuk als ontvankelijk beschouwd. Niet ontvankelijk is het, en bijgevolg geen acht wordt erop geslagen, in de mate waarin het stuk meer inhoudt dan een reactie op het auditoraatsverslag. Dat geldt inzonderheid voor de vijf bladzijden waarop de betrokkenen voor het eerst doen gelden dat de Raad van State onbevoegd is en dat de bestreden beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen geacht moet worden definitief te zijn – zulks hoewel zij, zoals door de eerste auditeur in haar verslag goed vastgesteld, in hun memories van antwoord de ontvankelijkheid van de vordering niet betwistten. Integendeel vroegen zij daarin (op p. 23) aan de Raad van State expliciet het beroep van verzoekers “ontvankelijk” te verklaren.
- Ook voor verzoekers geldt dat hun aanvullende memorie van 19 april 2019 slechts door de Raad van State in aanmerking wordt genomen in zoverre ze een reactie op het auditoraatsverslag (of op het verweer van de belanghebbende partijen ter zake) behelst. X-17.421-5/23 V. Bevoegdheid van de Raad van State
- De bevoegdheid van de Raad van State raakt de openbare orde. In voorkomend geval dient de Raad van State zich desnoods ambtshalve onbevoegd te verklaren.
- Op grond van artikel 160, eerste lid, van de Grondwet is het aan de federale wetgever dat het toekomt de bevoegdheid en de werking van de Raad van State te bepalen. Die federale wetgever heeft in artikel 16, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling Bestuursrechtspraak bevoegd gemaakt om met volle rechtsmacht uitspraak te doen over de beroepen in hoogste aanleg in kiesrechtzaken. In overeenstemming hiermee is – door de vervanging van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI) bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 ‘houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen’ – de bevoegdheid inzake de verkiezing van de gemeentelijke en binnengemeentelijke territoriale organen overgedragen aan de gewesten, met uitzondering van – aldus artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 4°, eerste lid, b), BWHI – “de exclusieve bevoegdheid van de Raad van State om bij wijze van arresten op de beroepen in hoogste aanleg uitspraak te doen in kiesrechtzaken”. Zoals de voorbereidende werken aangeven, wordt deze laatste beperking expliciet verantwoord door de bevoegdheid in volle rechtsmacht die artikel 16, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan de afdeling Bestuursrechtspraak toekent (memorie van toelichting, Parl.St., Senaat, 2000-2001, 2-709/1, pp. 10 en 11).
- Conform het voorgaande bepaalt artikel 3 van het decreet van 8 juli 2011 ‘houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen […]’ (hierna het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011) dat het decreet de toepassing behoudt van onder meer de regeling vermeld in artikel 6, X-17.421-6/23 § 1, VIII, eerste lid, 4°, eerste lid, b), BWHI. Artikelen 216 en 217 van het decreet behandelen de “Beroepsprocedure bij de Raad van State” tegen de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Thans zijn die artikelen 216 en 217 opgeheven door het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ en is hun inhoud hernomen in de artikelen 28 en 29 van dit decreet.
- De Raad van State ziet geen reden om zijn volle rechtsmacht te dezen te betwijfelen. VI. Tussenkomst van de stad Bilzen in de procedure
- De stad Bilzen betwist het standpunt in het auditoraatsverslag dat zij geen belanghebbende partij is die een memorie van antwoord mag indienen. In de eerste plaats wijst zij erop dat volgens artikel 6 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 gerechtigd zijn een memorie van antwoord in te dienen: degenen aan wie kennis moet worden gegeven van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Welnu artikel 26 van het decreet van 4 april 2014 verplicht tot de betekening van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen aan de betrokken gemeente; die verplichting wordt hernomen in artikel 122, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014). Voorts meent de stad Bilzen dat de omstandigheid dat een procedure in kiesrechtzaken niet tegen de gemeente wordt gevoerd, niet belet dat de gemeente wel degelijk een rechtmatig belang kan doen gelden. Het arrest van de Raad van State nr. 53.397 van 19 mei 1995 zou dat staven. X-17.421-7/23 Ten slotte argumenteert zij dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen haar steevast als een “betrokken partij” heeft beschouwd, zo ook in het bestreden arrest. Haar uitsluiting in het debat in hoger beroep miskent dan ook het recht op een eerlijk proces omdat zij “alsdan in de globale procesvoering niet dezelfde processuele middelen zou kunnen aanwenden als haar tegenstrevers in eerste aanleg”.
- Artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 luidt: “Degenen aan wie van de beslissing van de bestendige deputatie of van de afwezigheid van enige beslissing binnen de voorgeschreven termijn kennis moet worden gegeven krachtens artikel 76, eerste lid, van de gemeentekieswet, de twee aftredende raadsleden bedoeld in artikel 23, § 1, eerste lid, of de drie ondertekenaars bedoeld in artikel 23, § 1 derde lid, van dezelfde wet, de gewone en plaatsvervangende verkozenen ten aanzien van wie de geldigverklaring van de geloofsbrieven betwist wordt, de plaatsvervangers, wier verkiezingsrang voor wijzigingen vatbaar is, alsmede al wie van een belang kan doen blijken, zijn gerechtigd om een memorie van antwoord aan de Raad van State te sturen.”
- De verplichting waarvan sprake in artikel 26 van het decreet van 4 april 2014, tot kennisgeving van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen aan de gemeenteraad, is niet nieuw. Ook al artikel 76, eerste lid, van de gemeentekieswet voorzag in de kennisgeving van de beslissing (van de deputatie) aan de gemeenteraad. Het gaat om een mededeling die louter beoogt de gemeente(raad) in staat te stellen de ontwikkelingen bij te houden en die niet van aard is haar (hem) de hoedanigheid te verschaffen om in het geding over de beslissing tussen te komen. De betrokken kennisgeving is voor de Raad van State dan ook nooit een reden geweest – en is dat nu nog steeds niet – om de gemeente gerechtigd te achten met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 een memorie van antwoord in te dienen. X-17.421-8/23
- Voorts blijft de Raad van State bij de zienswijze, die hij eerder ook al in bijvoorbeeld het arrest nr. 93.325 van 16 februari 2001 aannam, dat als zodanig een gemeente er geen belang bij heeft een rechtsvordering in te stellen voor of tegen de geldigverklaring van een gemeenteraadsverkiezing en dat het niet aan de organen van de gemeente staat om in dat verband een standpunt in te nemen. Het argument dat het organiseren van nieuwe verkiezingen veel geld zou kosten is niet relevant in het kader van het specifieke contentieux van de geldigverklaring van gemeenteraadsverkiezingen en kan geen toereikend rechtstreeks belang in hoofde van de stad verantwoorden. In dit verband zoekt de stad Bilzen tevergeefs steun in het arrest nr. 53.397 van 19 mei
- Anders immers dan zij lijkt te menen, wordt het college van burgemeester en schepenen in het arrest juist niét als procespartij toegelaten, meer bepaald omdat een gemeente geen partij kan kiezen in een proces over de geldigverklaring van een gemeenteraadsverkiezing en dus evenmin haar college van burgemeester en schepenen dat, door te argumenteren dat nieuwe verkiezingen veel geld zou kosten, duidelijk opkomt voor de gemeente. Hetzelfde geldt voor het argument van de stad Bilzen dat een spoedige bevestiging van het resultaat van de verkiezingen rechtszekerheid kan bieden over de rechtshandelingen van haar verkozen organen, des te meer nog omdat niet wordt toegelicht, noch spontaan duidelijk is, in welk opzicht dan wel de rechtszekerheid van de rechtshandelingen van de gemeenteorganen gevaar loopt door de betwisting van de verkiezing.
- Blijft het betoog van de stad Bilzen dat zij in het debat in hoger beroep moet kunnen tussenkomen vermits zij in eerste aanleg als een “betrokken partij” werd beschouwd. Het betoog wordt verworpen. Naar het oordeel van de Raad van State werd de stad Bilzen ten onrechte toegelaten om in het debat voor de Raad X-17.421-9/23 voor Verkiezingsbetwistingen tussen te komen en een nota in te dienen. Artikel 19 juncto 107, derde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 wijst uit dat de betrokken gemeente inzake verkiezingsbetwistingen en mandaatgeschillen voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen weliswaar een afschrift van het verzoekschrift betekend moet krijgen, maar dat zij als zodanig niet wordt beschouwd als behorend tot de zogenaamde “belanghebbenden bij de zaak”. Ook wordt de gemeente – anders dan de kandidaat van wie de verkiezing(srang) betwist wordt en die blijkens artikel 19 juncto 107, derde lid, evenmin behoort tot de “belanghebbenden bij de zaak” – niet als zodanig vermeld in artikel 108 bij degenen die in de procedure voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen een nota kunnen indienen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat er reden is om de stad Bilzen buiten de zaak te stellen en de memorie van antwoord die zij heeft ingediend uit het debat te weren. Onder belanghebbende partijen wordt hierna dan ook enkel Bruno Steegen, Wouter Raskin en Guido Swennen verstaan. Louter volledigheidshalve is nog op te merken dat dit niet meebrengt dat de Raad van State geen kennis zal nemen van de argumenten die de stad in haar memorie van antwoord naar voor wilde brengen. Dezelfde argumenten worden immers ook aangevoerd in de identieke memorie van antwoord die Bruno Steegen, Wouter Raskin en Guido Swennen toestuurden. X-17.421-10/23 VII. Onderzoek van het beroep A. Zevende middel Standpunt van de partijen
- In een zevende middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 156 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, volgens hetwelk het proces-verbaal van het telbureau tijdens de telverrichtingen wordt opgemaakt en de resultaten van de telling in het proces-verbaal worden vermeld overeenkomstig een modeltabel die onder meer het aantal stembiljetten vermeldt dat in elke stembus is gevonden. Uit die bepaling volgt, aldus verzoekers, dat er in elk telbureau een proces-verbaal moet worden opgesteld waarin het correcte aantal stembiljetten wordt vermeld. Echter blijkt uit het overzicht van de cijfers van de verschillende telbureaus “dat er bij verschillende telbureaus verschillen zijn tussen het aantal getelde stembiljetten en het aantal stembiljetten dat vermeld is én/of verschillen tussen het aantal getelde stembiljetten en het controlecijfer opgenomen in het proces-verbaal van het stembureau”. Voor stembureaus 30, 6 en 16 heeft het telbureau meer stembiljetten geteld dan vermeld in het proces- verbaal van het stembureau; voor stembureaus 36, 5, 21 en 35 heeft het telbureau minder stembiljetten geteld dan vermeld in het proces-verbaal van het stembureau. Die verschillen kunnen volgens verzoekers de zetelverdeling beïnvloeden: “Zo kan het feit dat er meer stembiljetten geteld zijn dan vermeld, betekenen dat er ten onrechte (een) stem(men) aan de partij Bilzen Bruist werden toegewezen. Uit het [...] overzicht blijkt dat er vijf stembiljetten meer geteld zijn dan vermeld, terwijl het volstaat dat drie stemmen van Bilzen Bruist overgaan naar Groen om de zetelverdeling te beïnvloeden. Het feit dat er minder stembiljetten geteld zijn dan vermeld kan wijzen op ontbrekende stemmen. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen erkent dit X-17.421-11/23 overigens uitdrukkelijk in het bestreden arrest. Uit het […] overzicht blijkt dat er zes stembiljetten minder geteld zijn dan vermeld, terwijl slechts één bijkomende stem aan Groen moet worden toegewezen om de zetelverdeling te beïnvloeden.”
- De belanghebbende partijen werpen in hun memorie van antwoord in de eerste plaats tegen dat het middel de bewijskracht schendt van het proces-verbaal van het hoofdbureau, aangezien daarin geen opmerkingen voorkomen met betrekking tot door verzoekers aangevoerde verschillen voor meerdere telbureaus. In de tweede plaats merken de belanghebbende partijen op dat verzoekers geen onregelmatigheden aanvoeren omtrent de eigenlijke telverrichtingen door de telbureaus. Ook bevat geen enkel proces-verbaal van een telbureau een opmerking in die zin. De niet-betwisting van de processen-verbaal van de telbureaus impliceert dat verzoekers moeten aantonen of aannemelijk maken “dat de stembureaus ten onrechte gebruikte stembiljetten niet hebben overgemaakt aan de betrokken telbureaus en, of dat kiezers niet in de mogelijkheid waren om hun stem uit te brengen voor de gemeenteraadsverkiezingen”. Volgens de belanghebbende partijen slagen verzoekers daar evenwel niet in.
- In de “nota met opmerkingen” benadrukken de belanghebbende partijen dat, bij ontstentenis van enige opmerking in de processen-verbaal van de stembureaus over de werkwijze en de kiesverrichtingen, deze kiesverrichtingen vermoed worden rechtsgeldig verlopen te zijn. De processen-verbaal van de verschillende stembureaus zijn niet vals. Evenmin worden in de verschillende processen-verbaal van de telbureaus onregelmatigheden aangevoerd omtrent de eigenlijke telverrichtingen. Ook die processen-verbaal en het proces-verbaal van het hoofdbureau zijn naar de mening van de belanghebbende partijen niet vals. X-17.421-12/23 Hoe dan ook kan het middel naar het oordeel van de belanghebbende partijen slechts aanleiding geven tot een hertelling van de stemmen: “Het aantal stembrieven dat tijdens de gemeenteraadsverkiezingen werd geteld is […] nog steeds voorhanden en kan dan ook te allen tijde worden herteld om de [in het auditoraatsverslag] vastgestelde discrepanties recht te zetten.” Beoordeling
- Het middel focust op het verschil tussen, enerzijds, het aantal in de stembureaus in de stembus aangetroffen stembiljetten en, anderzijds, het aantal stembiljetten dat in de telbureaus werd geteld. In sommige gevallen zouden er meer stembiljetten zijn gebruikt dan er geteld werden, in andere zouden er net minder zijn gebruikt dan geteld. Hierdoor kan het zijn dat – in het eerste geval – voor lijst 4 Groen geen rekening is gehouden met stemmen die nochtans op haar werden uitgebracht, terwijl ze slechts vijf bijkomende stemmen behoefde opdat de 31ste gemeenteraadszetel naar haar in plaats van naar Bilzen Bruist zou gaan.
- In haar verslag is de eerste auditeur aan de hand van de processen-verbaal van de stembureaus en de telbureaus tot de volgende tabel gekomen: Proces-verbaal stembureau Proces-verbaal Formulier A45a van de Rubriek 11 telverrichtingen Formulier G61a Rubriek 8 stembureau gebruikte onbruikbaar niet getelde stembiljetten gemaakte gebruikte stembiljetten stembiljetten stembiljetten 1 578 3 170 579 X-17.421-13/23 2 760 3 130 760 4 758 5 129 758 5 770 1 118 769 6 780 1 106 783 9 763 0 127 763 10 Niet Niet Niet 424 ingevuld ingevuld ingevuld 11 419 Niet 58 419 ingevuld 16 677 6 94 678 17 667 3 107 667 (voorbeeld) 18 646 _ 83 557 21 369 3 43 369 22 670 0 99 + 669 3 model 24 466 0 56 466 27 618 0 119 618 30 675 1 143 678 34 761 0 96 761 35 509 0 75 (incl. 506 model) 36 503 3+1 73 502 37 462 65 462 De (volgens de stembureaus) gebruikte en (door de telbureaus) getelde stembiljetten vergelijkend, concludeert de eerste auditeur dat voor negen stembureaus de aantallen niet overeenstemmen. Rekening houdend met de verklaring van 10 december 2018 die de voorzitster van stembureau 18 aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezorgde (in de sub randnummer 4 vermelde zaak) en de daaruit volgende X-17.421-14/23 verbetering van het aantal gebruikte stembiljetten in ‘559’, zijn er voor dat stembureau twee stembiljetten minder geteld door het telbureau dan er gebruikte stembiljetten zijn. Voor de stembureaus 5, 22, 35 en 36 gaat het om respectievelijk één, één, drie en één stembiljet minder. Voor de stembureaus 1, 6, 16 en 30, dan weer, werden er respectievelijk één stembiljet, drie stembiljetten, één stembiljet en drie stembiljetten méér geteld door het telbureau dan er volgens het stembureau gebruikt waren.
- Die vaststellingen en gevolgtrekkingen worden door geen van de partijen betwist en worden door de Raad van State juist bevonden.
- Het proces-verbaal van het gemeentelijk hoofdbureau betreft de algemene telling van de stemmen en zeteltoewijzing, na de ontvangst van de resultaten van de telling in de verschillende telbureaus. Uit de afwezigheid in dat proces-verbaal van opmerkingen over een uit de vergelijking van de processen- verbaal van de stembureaus en de telbureaus blijkende discrepantie zijn geen gevolgtrekkingen te maken met betrekking tot het bestaan van een dergelijke discrepantie.
- In zoverre de belanghebbende partijen verzoekers verwijten dat zij in gebreke blijven aan te tonen of aannemelijk te maken dat er zich onregelmatigheden hebben voorgedaan bij de telverrichtingen in de telbureaus of bij de stembureaus, gaan zij eraan voorbij dat de aperte discordantie tussen de vermeldingen in de processen-verbaal van deze bureaus, waarvoor geen afdoende verklaring voorhanden is, op zichzelf een onmiskenbare aanwijzing van een onregelmatigheid uitmaakt. Het mag dan waar zijn dat, bij ontstentenis van opmerkingen en bezwaren in de processen-verbaal van de tel- en stembureaus, het vermoeden bestaat dat de tel-, respectievelijk stemverrichtingen regelmatig zijn verlopen, het X-17.421-15/23 is een vermoeden dat niet logisch stand kan houden bij de vaststelling, juist op grond van deze processen-verbaal in hun samenhang gelezen, dat er voor sommige stembureaus stembiljetten niet geteld zijn die nochtans werden gebruikt en dat er voor andere stembureaus stembiljetten geteld zijn die niet werden gebruikt. Dat er geen sprake van vervalsing of bedrog zou zijn, maar alleen van een “menselijk falen (letterlijk en figuurlijk)”, spreekt de realiteit van de onregelmatigheid niet tegen.
- Of de onregelmatigheid, die onder meer inhoudt dat acht gebruikte stembiljetten niet zijn geteld terwijl het voor een wijziging in de zetelverdeling tussen de verschillende lijsten volstaat dat lijst 4 Groen vijf stemmen meer behaalt, de ongeldigverklaring van de verkiezing dient mee te brengen dan wel alleen een hertelling van de stemmen verantwoordt, mag geredelijk buiten beschouwing blijven. Zoals hierna blijkt, doen verzoekers ook onregelmatigheden aannemen, van aard om de zetelverdeling tussen de lijsten te beïnvloeden, die beslist niet middels een hertelling van de stemmen kunnen worden rechtgezet. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoekers leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 138 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011: “Doordat, het proces-verbaal van het stembureau nr. 37 vermeldt dat er voor vier oproepingsbrieven die bestemd waren voor de gemeenteraadsverkiezingen werd gestemd voor de provincieraadsverkiezingen in plaats van voor de gemeenteraadsverkiezingen, Terwijl, artikel 138 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 voorschrijft dat de kiezer voor elke verkiezing waarvoor hij kiesgerechtigd is, een stem moet uitbrengen én zijn oproepingsbrief moet X-17.421-16/23 laten afstempelen door de voorzitter van het stembureau of een door hem aangesteld lid.” Verzoekers lichten toe dat vier met naam genoemde kiezers geen stem hebben uitgebracht voor de verkiezing van de gemeenteraad, ondanks het feit dat zij zich regelmatig hebben aangemeld. Voor de betrokken oproepingsbrieven, bestemd voor de gemeenteraadsverkiezingen, “werd gestemd voor de provincieraadsverkiezingen in plaats van voor de gemeenteraadsverkiezingen”.
- De belanghebbende partijen brengen daartegen alleen in dat het middel “op zich” niet tot de ongeldigheid van de gemeenteraadsverkiezing kan leiden en dat verzoekers niet verduidelijken “met welke middelen samen de in het middel opgeworpen schending tot de ongeldigheid van de gemeenteraadsverkiezingen leidt”. Beoordeling
- Blijkens het proces-verbaal van stembureau 37 hebben vier niet-Belgische kiezers, die als zodanig niet mogen stemmen voor de provincieraadsverkiezing maar wel voor de gemeenteraadsverkiezing, niettemin een stembiljet gekregen en gestemd voor de provincieraadsverkiezing en niet voor de gemeenteraadsverkiezing. Ofschoon zij zich regelmatig hebben aangemeld, hebben zij niet voor de gemeenteraadsverkiezing kunnen stemmen. Terecht betwisten de belanghebbende partijen niet dat het een onregelmatigheid betreft.
- Hun verweer dat, aangezien de onregelmatigheid slechts op vier kiezers betrekking heeft, het middel op zich niet de ongeldigverklaring van de verkiezing kan meebrengen, is juist. X-17.421-17/23 Onjuist daarentegen, want zonder feitelijke grond, is dat verzoekers niet verduidelijken met welke andere middelen samen de aangevoerde schending wel de ongeldigverklaring van de gemeenteraadsverkiezing kan verantwoorden. Het volstaat daartoe randnummers 44 en 50 van het verzoekschrift, in verband met het zesde, respectievelijk zevende middel, te lezen. C. Zesde middel Standpunt van de partijen
- Verzoekers leiden een zesde middel af uit de schending van artikel 142 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, volgens hetwelk de voorzitter van het stembureau het aantal onbruikbaar gemaakte, niet- gebruikte en gebruikte stembiljetten in het proces-verbaal vermeldt. Onder meer wordt toegelicht dat blijkens het proces-verbaal van stembureau 18 “exact hetzelfde aantal stembiljetten” gebruikt is bij de gemeenteraads- én de provincieraadsverkiezing: “De opmerking ‘Gemeenten en provincie hebben exact zelfde aantal stembiljetten gebruikt’ inzake het stembureau nr. 18 (Eigenbilzen) is […] een onregelmatigheid. Vermits EU-onderdanen die niet de Belgische nationaliteit hebben en niet-EU-onderdanen enkel kunnen stemmen voor de gemeenteraadsverkiezingen, maar niet voor de provincieraadsverkiezingen, moet het aantal stembiljetten voor de provincieraadsverkiezingen steeds lager liggen dan het aantal biljetten voor de gemeenteraadsverkiezingen, en kan het dus nooit gelijk zijn. In het bestreden arrest verwijst de Raad voor Verkiezingsbetwistingen naar de verklaring van de voorzitter van het stembureau nr.
- In die verklaring wordt echter enkel een verantwoording gegeven voor de ‘170 stembiljetten die meer “gebruikt, onbruikbaar en niet-gebruikt” zijn dan het aantal dat geteld is’, maar niet voor het gelijke aantal stembiljetten voor de gemeente- en de provincieraadsverkiezingen. De Raad stelt weliswaar ook nog dat ‘er geen indicatie is dat niet EU- onderdanen niet zouden hebben gestemd voor de gemeenteraad en dat de verzoekende partijen in gebreke blijven om dit aan te tonen’. Het is voor de verzoekende partijen echter onmogelijk om dat bewijs te leveren. Het kan hen dan ook niet worden verweten een dergelijk bewijs niet aan te brengen. Het enige dat hierover uitsluitsel kan brengen is een nieuwe verklaring van X-17.421-18/23 de voorzitter van het stembureau. Uw Raad dient dus de voorzitter van het stembureau nr. 18 op te roepen om een verklaring hierover af te leggen.”
- In de memorie van antwoord reageren de belanghebbende partijen dat de voorzitster van het stembureau 18 in haar “door verzoekende partijen niet betwiste schriftelijke getuigenverklaring” voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, in de sub randnummer 4 bedoelde zaak, uitdrukkelijk verklaarde: “Alles is in ons bureau regelmatig verlopen. Wij hebben alle personen die zich hebben aangeboden correct laten stemmen, na voorleggen van de identiteitskaart”. Hieruit blijkt dat niet alleen een verantwoording wordt gegeven voor het feit dat er 170 stembiljetten meer “gebruikt, onbruikbaar en niet- gebruikt” zijn dan er initieel geteld werden, maar ook dat alle personen die zich hebben aangeboden correct hun stem hebben kunnen uitbrengen. Naar de mening van de belanghebbende partijen maken verzoekers niet aannemelijk dat die getuigenverklaring, waarvan zij de inhoud niet betwisten, vals is en dat niet EU- onderdanen niet tot de stemming voor de gemeenteraadsverkiezing werden toegelaten. Er is voor de belanghebbende partijen geen noodzaak tot een bijkomend getuigenverhoor. Beoordeling
- Volgens het proces-verbaal van stembureau 18 werden er voor de gemeenteraadsverkiezing en de provincieraadsverkiezing telkens 646 gebruikte stembiljetten in de stembus aangetroffen en 83 stembiljetten niet gebruikt, terwijl er volgens de telling van de ontvangen stembiljetten bij de aanvang van de stemverrichtingen 559 stembiljetten voor de gemeenteraadsverkiezing werden geteld, met andere woorden 170 minder. Eensdeels eindigde men er dus voor de gemeenteraadsverkiezing met 170 stembiljetten méér dan er bij de aanvang van de stemverrichtingen geteld waren; anderdeels zou het aantal in de stembus gevonden gebruikte stembiljetten gelijk zijn geweest voor de gemeenteraads- én voor de provincieraadsverkiezing, de niet-Belgische keizers die alleen aan de X-17.421-19/23 gemeenteraadsverkiezing mochten deelnemen ten spijt.
- In een schriftelijke verklaring van 10 december 2018 voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, in de sub randnummer 4 vermelde zaak, legt de voorzitster van het stembureau uit dat er bij het invullen van het proces- verbaal blijkbaar vergissingen zijn gebeurd “doordat het zeer druk en hectisch was en door de stress om alles goed te doen”, en tevens door een gebrek aan duidelijkheid van de bewoordingen op het proces-verbaal. Ook moet men zich,volgens de verklaring, bij de telling van de ontvangen stembiljetten hebben “vergist in 1 biljet”. Niettemin verzekert de voorzitster: “Alles is in ons bureau regelmatig verlopen. Wij hebben alle personen die zich hebben aangeboden correct laten stemmen, na voorleggen van de identiteitskaart. […] In ieder geval is er niets verkeerd gelopen in ons stembureau en hebben wij alle 559 stembrieven in de verzegelde zak gestoken en naar Bilzen gebracht.” Volgens het proces-verbaal van het betrokken telbureau nr. 7 bedraagt het effectief ontvangen aantal (gebruikte) stembiljetten twee minder:
- In het thans bestreden arrest begrijpt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uit de verklaring van 10 december 2018 dat het aantal gebruikte stembiljetten dus niet 646 bedraagt, maar “in werkelijkheid 559”. Voor het overige is er, aldus de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, “geen indicatie dat niet-EU-onderdanen niet zouden gestemd hebben voor de gemeenteraad, minstens blijven de verzoekende partijen in gebreke om dit aan te tonen”. Wat verzoekers, bovenop hun argument van het gelijke aantal gebruikte stembiljetten voor zowel de gemeenteraadsverkiezing als de X-17.421-20/23 provincieraadsverkiezing, nog meer moesten hebben bijgebracht om een probleem in verband met de toegang van niet-Belgische kiezers tot de gemeenteraadsverkiezing aannemelijk te maken, wordt door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen niet aangegeven.
- Ook de belanghebbende partijen geven dat niet aan. Volgens hen volstaat de (bewijskracht van de) verklaring van 10 december 2018 van de voorzitster van het stembureau om de onregelmatigheid te verwerpen. Wat er zo bijzonder is aan die verklaring dat ze geacht zou moeten worden om de vraag of iedereen die zich in het stembureau heeft aangeboden correct heeft kunnen stemmen – de niet-Belgische gemeenteraadskiezers inbegrepen – beslissend af te doen, is de Raad van State niet duidelijk. Rekening gehouden met de drukte en de stress die de voorzitster zegt ondervonden te hebben en met de vergissingen die zij in haar verklaring toegeeft, is er geen speciale geloofwaardigheid toe te kennen aan haar loutere loochening van enige tekortkoming (“Alles [...] regelmatig”, “niets verkeerd”) in het stembureau.
- De Raad van State is van mening dat het inwinnen van een nieuwe verklaring van de voorzitster van het stembureau, zoals door verzoekers gevraagd, niet alsnog tot een definitief uitsluitsel kan leiden.
- Zinvoller ter beslechting van het bezwaar is een nazicht van de aanstiplijsten en de toetsing van het resultaat hiervan aan het aantal in de stembus aangetroffen stembiljetten. Indien immers de niet-Belgische kiezers regelmatig hun stem hebben kunnen uitbrengen, moeten hun namen in de door het stembureau gehanteerde kiezerslijsten zijn aangestipt en moeten in voorkomend geval hun stembiljetten deel uitmaken van de stembiljetten die in de stembus gevonden zijn. X-17.421-21/23 Volgens de beide aanstiplijsten hebben 564 kiezers in stembureau 18 hun stem uitgebracht, onder wie zes niet-Belgische kiezers. Evenwel zijn er in de stembus door het stembureau slechts 559 stembiljetten gevonden. Finaal zijn er door het telbureau zelfs maar 557 geteld. Dit spreekt tegen dat, zoals de voorzitster van het stembureau nochtans beweert, alle personen die zich hebben aangeboden correct hebben kunnen stemmen. Het staaft integendeel de juistheid van de in het middel aangevoerde onregelmatigheid. D. Conclusie
- Uit het voorgaande volgt dat er zich bij de gemeenteraadsverkiezing van 14 oktober 2018 te Bilzen verschillende onregelmatigheden hebben voorgedaan die, alleszins tezamen genomen, van aard geacht moeten worden de zetelverdeling tussen de verschillende lijsten te kunnen beïnvloeden. Er is reden de gemeenteraadsverkiezing te Bilzen ongeldig te verklaren. BESLISSING
- De Raad van State stelt de stad Bilzen buiten de zaak.
- De Raad van State vernietigt het arrest van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van 3 januari 2019 waarbij het bezwaar van Johan Sauwens en Guy Sillen tegen de gemeenteraadsverkiezing van 14 oktober 2018 te Bilzen als ongegrond wordt verworpen.
- De Raad van State verklaart de gemeenteraadsverkiezing van 14 oktober 2018 te Bilzen ongeldig. X-17.421-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig april 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.421-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div