id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.346 Rolnummer: A. 226599/VII-40421 Zaak: Arrest 244346 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-02 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:43 Fiche Arrest nr 244.346 van 2 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 244.346 van 2 mei 2019 in de zaak A. 226.599/VII-40.
- In zake : Bjorn VANSTRAELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 augustus 2018 houdende de bevestiging van de bestuurlijke maatregel van de toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. VII-40.421-1/4 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag overeenkomstig artikel 59 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Massoels, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Afstand van het geding
- Verzoeker deelt bij brief van 19 maart 2019 aan de Raad van State mee dat hij afstand doet van zijn beroep. IV. Rechtsplegingsvergoeding
- Verzoeker vraagt om geen rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan de verwerende partij, minstens deze te herleiden tot het minimumbedrag van 140 euro, “aangezien de procedure zich nog in een prille fase bevindt”. VII-40.421-2/4
- Op de terechtzitting betoogt de verwerende partij dat er geen enkele reden is om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Beoordeling
- Artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij”. Er is te dezen grond om met toepassing van deze bepaling aan de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, nu zij door de afstand van het beroep tot nietigverklaring door verzoeker als in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: “De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie”. Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. VII-40.421-3/4 Luidens artikel 67, § 1, eerste lid, van het algemeen procedurereglement bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro.
- Er is geen reden om het door de verwerende partij gevorderde basisbedrag van 700 euro te beperken zoals gevraagd door verzoeker. De verwerende partij is immers genoodzaakt geweest een memorie van antwoord in te dienen en is verschenen op de zitting. BESLISSING
- De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Patricia De Somere VII-40.421-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.346 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div