← België

Arrest 244349 - Milieuvergunningen - 02/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.349 Rolnummer: A. 218625/VII-39627 Zaak: Arrest 244349 - Milieuvergunningen - 02/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-13 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:45 Fiche Arrest nr 244.349 van 2 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.349 van 2 mei 2019 in de zaak A. 218.625/VII-39.627. In zake : de GEMEENTE HEERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Bernard Vanheusden kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Robijn DE BOCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Peeters kantoor houdend te 3545 Halen Bloemendaalstraat 186 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 december 2015 waarbij het ministerieel besluit van 15 juli 2015 wordt ingetrokken en waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 25 februari 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Jan Schalenbourg voor het verder VII-39.627-1/33 exploiteren en veranderen van een varkenshouderij, gelegen Steenweg 292 te Heers, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 mei 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nick Parthoens, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Toon Denayer, die loco advocaat Kris Peeters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.627-2/33 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 27 december 2010 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers aan de toenmalige exploitant Jan Schalenbourg een milieuvergunning voor het exploiteren van een varkensbedrijf, gelegen te 3780 Heers, Steenweg 292. De inrichting is volgens het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren deels gelegen in agrarisch gebied en deels in woongebied met landelijk karakter. Deze milieuvergunning heeft onder meer betrekking op het houden van 968 varkens (3 beren, 130 zeugen, 800 vleesvarkens en 35 jonge zeugen). 3.2. Op 7 juli 2014 dient de exploitant bij de deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in om enerzijds de milieuvergunning voor het exploiteren van een varkenshouderij vroegtijdig te hernieuwen en anderzijds het bedrijf te veranderen door uitbreiding van de varkensaantallen gekoppeld aan het bouwen van een nieuwe stal die voorzien is van een ammoniakemissie-arm stalsysteem S-3 (biofilter/biobed). De aanvraag behelst onder meer: - hernieuwing, wijziging en uitbreiding tot 2.944 vleesvarkens (rubriek 9.4.1.c.2 - klasse 1); - uitbreiding en wijziging van opslag voor dierlijke mest tot 4.462 m³ (rubriek 28.2.c.1 - klasse 3); - uitbreiding debiet grondwaterwinning tot 20 m³ per dag en 6.712 m³ per jaar (rubriek 53.8.2 - klasse 2); VII-39.627-3/33 In de aanvraag wordt volgende niet-technische samenvatting gegeven: “De milieuvergunningsaanvraag heeft als doel een milieuvergunning te bekomen voor stallen met plaatsen voor 2944 vleesvarkens. Er zullen hiervoor bestaande stallen buiten gebruik worden gesteld die kort tegen de Steenweg lagen, nl. de oude zeugenstallen, een bestaande stal wordt omgebouwd tot een stal met plaatsen voor 832 vleesvarkens en een nieuwe stal met plaatsen voor 2112 vleesvarkens zal worden gebouwd. Deze nieuwe stal wordt aangesloten op een biofilter/biobed die 70% van de NH3 reduceert en 85% van de geuremissie van deze stal reduceert. Na het realiseren van de huidige aanvraag zal er een vermindering zijn in geuruitstoot van 13% t.o.v. de huidige vergunde situatie”. 3.3. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers verleent op 27 oktober 2014 een ongunstig advies. De afdeling Milieuvergunningen verleent op 5 november 2014 een ongunstig advies omdat blijkt, uit de effectbepaling via het Immissie Frequentie Distributie Model (IFDM-model), dat zich ter hoogte van vijf relevante woningen in het woongebied met landelijk karakter een geurconcentratie van meer dan 20 OUE/20 m³ voordoet, wat als “zeer negatief” wordt aanzien. De afdeling Milieuvergunningen besluit in dat advies dat de geurconcentraties in de beoogde situatie weliswaar dalen, maar in onvoldoende mate om de geurimmissie van het varkensbedrijf aanvaardbaar te maken. De afdeling Milieuvergunningen zet vervolgens haar visie uiteen “dat in zulk geval niet enkel het bedoeld bedrijf, maar elk clusterbedrijf op zich maatregelen dient te nemen om de vooropgestelde saneringsdoelstellingen m.b.t. geur te bekomen. Gelet op het feit dat er binnen de contour van 0,5 OUE/m als 98P nog andere veeteeltbedrijven zijn gelegen, werd er tevens een beperkte clusterberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn visueel weergegeven in de screeningsnota maar brengen volgens de deskundige te weinig bij om een werkelijke impactbeoordeling te maken. [...] Uit ons onderzoek moeten we evenwel concluderen dat de geurimpact van het varkensbedrijf van de heer Schalenbourg in de geplande situatie verbetert maar nog steeds onaanvaardbaar is”. VII-39.627-4/33 Op 27 november 2014 wijzigt de afdeling Milieuvergunningen het advies naar gunstig onder voorwaarden. Dit advies stelt: “Op basis van aanvullende gegevens is door het milieuadviesbureau SBB een nieuwe geurmodellering uitgevoerd waarbij de geurimpact in de gewenste toestand als aanvaardbaar wordt ingeschat. De aangevraagde toestand met biobed betekent een verbetering inzake geuremissies en -immissies indien de geplande installatie van het biobed op de nieuw te bouwen vleesvarkensstal zal worden gedimensioneerd, geëxploiteerd en opgevolgd conform de voorwaarden beschreven voor AEA-systeem S-3”. Als bijzondere voorwaarde adviseert de afdeling Milieuvergunningen: “voor de behandeling van de ventilatielucht van de nieuw te bouwen vleesvarkensstal (2.112 stuks) wordt gebruik gemaakt van een biofilter (AEA-systeem S-3) met reductiepercentages van 70% voor de parameter ammoniak en 85% voor de parameter geur. De installatie dient te worden gedimensioneerd, geëxploiteerd en opgevolgd conform de voorwaarden zoals beschreven voor systeem S-3”. 3.4. De deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 25 februari 2015 de gevraagde milieuvergunning. 3.5. Hiertegen tekent de huidige verzoekende partij op 2 april 2015 administratief beroep aan bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. 3.6. De volgende adviezen worden ingewonnen: - de afdeling Gebieden en Projecten van het departement Ruimte Vlaanderen verleent op 11 mei 2015 een gunstig advies; - de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie adviseert op 18 mei 2015 gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel Waterbeheer, verleent op 21 mei 2015 een gunstig advies. VII-39.627-5/33 3.7. Op 26 mei 2015 wordt de exploitant door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) gehoord. Hij dient tevens een nota in. 3.8. De GMVC verleent op 26 mei 2015 een unaniem gunstig advies. 3.9. Op 15 juli 2015 verwerpt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep van de verzoekende partij. Deze beslissing vormt het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, gekend onder nummer A. 216.958/VII-39.481. 3.10. Bij besluit van 23 december 2015 trekt de minister de beslissing van 15 juli 2015 in en verklaart zij het beroep opnieuw ongegrond. Dit is de thans bestreden beslissing. De intrekking is het gevolg van de vernietiging, wegens ontoereikende motivering met betrekking tot de project-milieueffectenrapport (hierna: MER)-plicht, in een arrest van de Raad van State nr. 231.335 van 26 mei 2015. Met betrekking tot de geurhinder luidt de motivering van de bestreden beslissing: “Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de lijst van bijlage III van het project-m.e.r-besluit, meer bepaald in de categorieën 1,

  1. e)„intensieve veeteeltbedrijven‟ en 10,
  2. j)„werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater‟; dat de aanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota bevat en werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage II bij het DABM, namelijk aan de kenmerken van het project en de kenmerken van het potentiële effect, zoals hierna zal worden toegelicht; VII-39.627-6/33 […] Overwegende dat de project-m.e.r.-screeningsnota een geurstudie bevat waarin de impact van het individueel bedrijf en de cumulatieve geureffecten, rekening houdende met andere bedrijven in de buurt, worden beschreven; dat door het gebruik van een biobed op de grootste stal de geuremissie met 13% daalt en de geurimmissie ter hoogte van de woningen met 20% tot 30% daalt ten opzichte van de vergunde artikel 5.9.4.4 van titel II van VLAREM; dat het bedrijf gelegen is in agrarisch gebied en in woongebied met landelijk karakter; dat in beide gewestplanbestemmingen landbouw, en dus intensieve veeteelt, mogelijk is; dat ten opzichte van bewoning in deze gebieden een hogere graad van hinder kan worden aanvaard; dat op basis van deze overwegingen kan gesteld worden dat er geen aanzienlijke effecten zijn op het vlak van geur; […] Overwegende dat de huidige geuremissie 38.678,4 OUe/s bedraagt; dat de gewenste emissie daalt tot 33.544,96 OUe/s (-13%); dat voor de zuivering van de geurbeladen lucht met een S3-biobed wordt gerekend met een geurreductie van 85%; dat op basis van de algemene gegevens van een biobed zoals opgenomen in de lijst met luchtzuiveringstechnieken, opgesteld door het BBT-kenniscentrum van de VITO, blijkt dat het verwijderingsrendement voor geur van een biobed tussen 75% en 95% ligt; dat in de geurmodellering werd gerekend met de ondergrens; dat in de studie „Beste Beschikbare Technieken voor de veeteeltsector‟ (VITO, 2006) wordt gesteld dat met een biobed een geurreductierendement van 85% mogelijk is; dat op basis van deze gegevens een geurreductierendement van 85% voor een biobed kan worden aanvaard; Overwegende dat in de geurstudie van de m.e.r.-screeningsnota de geurimmissie afkomstig van het individueel bedrijf is bepaald bij 17 woningen in de buurt: Woning Gebied Huidige Gewenste Verschil immissie immissie (OUe/
  3. s)(OUe/
  4. s)1 2,01 1,28 -0,73 2 4,75 3,48 -1,27 3 6,2 3,97 -2,23 4 Agrarisch gebied 6,91 4.63 -2,28 5 7,39 4,8 -2,59 6** 29,74 20,83 -8,91 7 22,81 15,66 -7,15 8** 43,5 31,49 -12,01 9* 77,87 60,38 -17,49 10** 43,02 29,06 -13,96 11** Woongebied met 37,86 25,29 -12,57 12** landelijk karakter 32,35 21,26 -11,09 13** 30,98 20,1 -10,88 14** 22,97 14,89 -8,08 15 17,65 11,19 -6,46 16 15,08 9,66 -5,42 17 13,02 8,32 -4,7 VII-39.627-7/33 *: bedrijfseigen woning **: woningen gelegen binnen een straal van 100m Overwegende dat voor de 9 bedrijfsvreemde woningen hoge tot zeer hoge immissiecijfers worden gemodelleerd in de huidige situatie; dat in de gewenste situatie er een (zeer) significante daling wordt gemodelleerd; Overwegende dat in een geurstudie een inschatting wordt gemaakt van de te verwachten geurhinder afkomstig van de exploitatie; dat deze inschatting wordt gemaakt aan de hand van een aantal modelmatige aannames en inputgegevens (emissiekengetallen, gemiddelde meteogegevens); dat het gebruikte model zijn deugdelijkheid heeft bewezen voor woningen gelegen op een zekere afstand van de bron; dat echter op basis van ervaringsgegevens is gebleken dat voor woningen gelegen binnen een straal van 100 m de foutenmarge van het model groot is, zodat het trekken van duidelijke conclusies op basis van de outputgegevens moeilijk is; dat echter, op basis van de gemodelleerde immissie bij woningen gelegen binnen een straal van 100 m, een aanzienlijke daling van de geurimmissie verwacht wordt van circa 20% tot 30% ten opzichte van de huidige immissie zoals vergund bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers van 27 december 2010; dat de emissie 13% daalt ten opzichte van de vergunde situatie; dat het emissiepunt, zijnde het biobed, zich zo ver mogelijk van de woningen bevindt; dat er geen officiële geurklachten bekend zijn bij de milieudienst van de gemeente Heers; Overwegende dat in de geurstudie ook een cumulatieve geurstudie is toegevoegd; dat er 5 naburige bedrijven zijn meegenomen; dat het bedrijf met de grootste overlap in geurpluim een bedrijf is dat gelegen is op 150 m noordwestwaarts; dat dit een rundveebedrijf is met een geuremissie van 12.211 OUe/s; dat de andere 4 bedrijven verder van het bedrijf van Jan Schalenbourg gelegen zijn zodat de impact afkomstig van deze 4 bedrijven eerder beperkt moet worden beoordeeld; dat op basis van de vergelijking van de geurcontouren van de cumulatieve geurstudie en de geurcontouren van de individuele studie kan gesteld worden dat de impact van de cumulatieve geurstudie in grootteorde gelijk is aan de impact van de individuele geurstudie; dat het aantal gehinderde woningen hetzelfde blijft”. De beslissing bevat volgende formele motivering waarom verzurende en vermestende effecten ten gevolge van ammoniakemissie tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt: “Overwegende dat de inrichting gelegen is op circa 275 m van een natuurgebied; dat dit natuurgebied niet omschreven is als VEN-gebied of habitatrichtlijngebied; dat het ook niet erkend is als natuurreservaat, of bosreservaat; dat het natuurgebied een klein bosje is van circa 10 ha; dat volgens de biologische waarderingskaart het bosje bestaat uit volgende types habitat: - Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of VII-39.627-8/33 eiken-haagbeukbossen; - Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei; dat het natuurgebied volledig is omgeven door agrarisch gebied; dat uit de geurstudie blijkt dat er slechts een beperkt aantal andere landbouwbedrijven in de onmiddellijke omgeving gelegen zijn met een beperkte uitstoot van ammoniak; dat bijgevolg een overschrijding van de kritische lasten voor verzuring en vermesting ter hoogte van dit natuurgebied niet aannemelijk is; dat het Agentschap voor Natuur en Bos in beroep een stilzwijgend gunstig advies heeft gegeven; dat bijgevolg kan gesteld worden dat de verzurende en vermestende effecten tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt”. Inzake de planologische verenigbaarheid en de goede ruimtelijke ordening bevat de bestreden beslissing volgende motieven: “Overwegende dat de inrichting deels gelegen is in agrarisch gebied; dat agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden alleen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven, mogen bevatten; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met een industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts opgericht mogen worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstanden van 300 m en 100 m niet gelden in het geval van een uitbreiding van een bestaand bedrijf; dat het hier een varkenshouderij betreft; dat dit een agrarische activiteit is; dat alle varkensstallen gelegen zijn in agrarisch gebied; Overwegende dat de inrichting deels gelegen is in een woongebied met landelijk karakter; dat woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven; dat de woning horende bij het bedrijf en een aantal aanhorigheden gelegen zijn in het woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat de nieuwe stal parallel wordt ingeplant met de bestaande bedrijfsgebouwen; dat de schaal van de nieuwe stal aansluit bij de bestaande configuratie; dat de indringing van het achterliggende landbouwareaal beperkt blijft; dat uit bovenstaande overwegingen blijkt dat hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt”. 3.11. Op 7 mei 2015 wordt een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning toegekend aan Jan Schalenbourg. Bij arrest RvVb/A/1718/0381 van 19 december 2017 verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep VII-39.627-9/33 van de gemeente Heers tegen de toekenning van een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning. 3.12. Eind 2015 neemt de tussenkomende partij de vergunde inrichting over van Jan Schalenbourg. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verzoekende partij heeft uiteraard geen belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing in zoverre deze het ministerieel besluit nr. AMV/00037356/1001 van 15 juli 2015 intrekt. Het beroep is niet ontvankelijk wat deze intrekking betreft. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunten van de partijen 5. De verzoekende partij roept in het eerste middel de schending in van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van de zorgvuldigheidsplicht en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het eerste onderdeel betoogt zij dat de bestreden beslissing de adviezen van de adviesinstanties bijtreedt, maar de bijzondere voorwaarden er niet mee in opneemt. Het betreft in het bijzonder het advies van de afdeling Gebieden en Projecten inzake een groenbuffer rond het erf en het indienen van een regularisatieaanvraag voor de niet-vergunde constructies. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens haar niet waarom het advies op dat punt niet wordt VII-39.627-10/33 gevolgd. In het tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing onvoldoende antwoordt op haar argumenten. Zo zou de minister niet antwoorden op haar argumentatie dat het toevoegen van een geurstudie onderworpen had moeten worden aan het openbaar onderzoek en dat zij, als adviesverlenende instantie, hierover advies had moeten kunnen uitbrengen. Evenmin zou de minister antwoorden op de kritiek in verband met de berekeningsmethode voor geurhinder in een straal van 100 meter. In een derde onderdeel stelt zij dat de bestreden beslissing onvoldoende motiveert hoe uit de project-MER-screeningsnota blijkt dat geen aanzienlijke effecten ten aanzien van het leefmilieu kunnen ontstaan. 6. De verwerende partij wijst er met betrekking tot het tweede onderdeel op, aangaande de schending van de formelemotiveringsplicht in relatie tot de nieuwe geurstudie die niet aan het openbaar onderzoek werd onderworpen, de onvolkomenheden van de IFDM-methode, en de invloed op het natuurgebied, dat de bestreden beslissing steunt op de geurstudie die in de project-MER-screeningsnota werd opgenomen, waaruit een aanzienlijke daling van de geurhinder blijkt ten opzichte van de bestaande situatie, zowel op het vlak van emissie als immissie. Het nieuwe model was volgens haar niet essentieel en niet relevant in het kader van het openbaar onderzoek. Voorts wijst zij erop dat het besluit de grote foutenmarge voor woningen gelegen binnen een straal van 100 meter van de inrichting in rekening brengt, maar tot de conclusie komt dat het desondanks niet onmogelijk is om op basis daarvan te oordelen dat de geurhinder hoe dan ook zal afnemen in de gewenste situatie. Ook houdt het besluit volgens haar rekening met de cumulatieve geurstudie. VII-39.627-11/33 De verzoekende partij kan volgens haar ook niet voorhouden dat het onredelijk zou zijn een vergunning te verlenen, gelet op de geurhinder, terwijl van de bestaande exploitatie, vergund door hetzelfde college van burgemeester en schepenen, een grotere hinder uitgaat, die destijds als aanvaardbaar werd beoordeeld. Ook op het beroepsargument dat er geen inschatting zou zijn gemaakt van de invloed van de inrichting op het 275 meter verder gelegen natuurgebied, bevat de bestreden beslissing volgens de verwerende partij een afdoende antwoord dat onderbouwd wordt door het administratief dossier. Met betrekking tot het derde onderdeel citeert de verwerende partij meerdere overwegingen uit de bestreden beslissing over de screening van de milieueffectbeoordeling, die volgens haar geenszins als kennelijk onredelijk kunnen worden beschouwd. Het bestreden besluit heeft volgens de verwerende partij wel degelijk oog gehad voor de geurhinder die uitgaat van de inrichting ten aanzien van de woningen in het woongebied voor landelijk karakter, en voor het gegeven dat slechts één van de twee aanwezige traditionele stallen buiten werking zal worden gesteld, terwijl enkel de nieuwe stal met een biobed zal worden uitgerust, maar komt tot de vaststelling dat de geurhinder in de gewenste situatie hoe dan ook zal afnemen. 7. De tussenkomende partij werpt in de eerste plaats een exceptie van belang op bij het eerste onderdeel van het middel. Zij stelt dat de verzoekende partij in essentie het gebrek aan het opleggen van een aantal voorwaarden in verband met de stedenbouwkundige aspecten viseert. In de stedenbouwkundige vergunning van de deputatie van 7 mei 2015 werd evenwel als bijzondere voorwaarde opgenomen dat het groenadvies integraal deel uitmaakt van de vergunning en dat zowel dit groenadvies als het voorwaardelijk gunstig advies van het Vlaams Agentschap Wegen en Verkeer van 2 oktober 2014 strikt moet worden gevolgd. Bovendien wordt de enige niet vergunde constructie op de site afgebroken. Voorts zou het middel niet kunnen leiden tot een voordeel voor de VII-39.627-12/33 verzoekende partij aangezien de gewenste bijzondere voorwaarden reeds zijn opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning. Zij wijst er, ten gronde, op dat de verzoekende partij, wat betreft de argumentatie dat de berekeningsmethode niet afdoende zou zijn om geurhinder te beoordelen in een straal van 100 meter, geen kritiek uit op de motivering in de bestreden beslissing, maar enkel citeert uit de eerste beslissing, die werd ingetrokken. De minister vermeldt in de thans bestreden beslissing duidelijk de cijfergegevens van de geurstudie en geeft ook omstandig aan dat, niettegenstaande de foutenmarge, met stellige zekerheid kan worden besloten dat voor de woningen binnen een straal van 100 meter sprake is van een aanzienlijke daling van de impact ten opzichte van de reeds vergunde situatie. De deskundigheid of correcte beoordeling van de afdeling Milieuvergunningen wordt niet op concreet onderbouwde wijze in vraag gesteld. Wat de negatieve impact op het natuurgebied betreft, toont de verzoekende partij, steeds volgens de tussenkomende partij, niet aan dat er een significant effect te verwachten is en wordt er in de bestreden beslissing rekening gehouden met de installatie van het biobed, de geurstudie en het stilzwijgend gunstig advies van het Agentschap Natuur en Bos. De tussenkomende partij meent dat alle aspecten van de aanvraag beoordeeld zijn op hun milieueffecten. De affirmatie dat de MER-screeningsnota voor stal 1 geen maatregelen bevat die tot een verbetering van de milieueffecten zou leiden, is volgens haar niet relevant voor de beoordeling van het al dan niet aanzienlijk karakter. Een negatief effect betekent nog geen “aanzienlijk” effect. De verzoekende partij toont niet aan dat de beoordeling van de minister kennelijk onredelijk is. VII-39.627-13/33 Wat betreft het aantal stallen is het aanvraagdossier volgens haar glashelder, en laten ook de plannen geen ruimte voor interpretatie. De verzoekende partij verwijst inzake de MER-plicht naar rubriek 21, c), van bijlage I, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage waarvoor steeds een MER verplicht is, maar beperkt zich volgens de tussenkomende partij tot gratuite speculaties. Het houden van meer dieren dan toegelaten, is volgens de tussenkomende partij een kwestie van handhaving. 8. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij in essentie toe dat het bestreden besluit uitgaat van een relatieve benadering, waarbij als uitgangspunt op gebied van geurhinder de toestand wordt genomen bij het verlenen van de vergunning door het college van burgemeester en schepenen op 27 september 2010. Aangezien die toestand reeds aanvaardbaar was en er sprake is van een verbetering, is de nieuwe toestand volgens haar eveneens aanvaardbaar. De geschatte daling van de geurhinder steunt op een gemodelleerde immissie bij zeventien woningen die in de screeningsnota worden onderzocht. De tabel uit de screeningsnota bevat volgens de tussenkomende partij dezelfde gegevens als de tabel in de aanvullende studie, op basis waarvan de afdeling Milieuvergunningen een gunstig advies afleverde. Die laatste tabel bevat alleen nog een bijkomende kolom. 9. De kritiek in de laatste memorie van de verwerende partij op het standpunt van de verzoekende partij aangaande de geurhinder, sluit in essentie aan bij deze van de tussenkomende partij. Wat het derde onderdeel betreft verwijst de verwerende partij naar haar uiteenzetting in verband met de geurhinder in het kader van de milieutechnische beoordeling. VII-39.627-14/33 Beoordeling Eerste onderdeel 10. De stedenbouwkundige vergunning staat in principe los van de milieuvergunning. De verzoekende partij kan het belang bij het middel niet worden ontzegd, om de enkele reden dat de kwestieuze voorwaarden opgenomen zijn in de stedenbouwkundige vergunning. De exceptie is niet gegrond. 11. De afdeling Gebieden en Projecten heeft op 11 mei 2015 geoordeeld dat een gunstig advies mogelijk was mits een deugdelijke uitvoering en perceelsinkleding met een groenbuffer rond het erf, werkzame toegangen tot de stal en de opslag en het regulariseren van de niet vergunde constructies op het terrein, onder voorbehoud dat een wettelijke afweging naar aanleiding van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning niet anders zou besluiten. Reeds tijdens de procedure in eerste aanleg was duidelijk geworden welk gevolg aan de aanbevelingen van de afdeling Gebieden en Projecten zou worden gegeven: dit blijkt uit de beslissing van de deputatie en uit de hoorzitting bij de de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC): de niet-vergunde laadkaai zal worden afgebroken en een groenbeplantingsplan maakt deel uit van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. Op die wijze wordt tegemoet gekomen aan de vragen van de afdeling Gebieden en Projecten, zoals verwoord in het advies. Bij het nemen van de bestreden beslissing zelf was deze vraag dan ook niet meer aan de orde. Het gegeven dat het advies dateert van na deze “voornemens” en de betreffende “voorwaarden” nog eens worden hernomen, maakt geen verschil. De minister heeft niet in strijd met de redelijkheid of onzorgvuldig gehandeld door geen bijzondere voorwaarden meer op te nemen in VII-39.627-15/33 de milieuvergunning. Zij moest evenmin motiveren waarom zij die achterwege liet. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede en derde onderdeel 12. De vergunningverlenende overheid onderschrijft enerzijds de kritiek van de verzoekende partij met betrekking tot de grote foutenmarge van het IFDM-model voor woningen binnen een straal van 100 meter en stelt dat het trekken van duidelijke conclusies op basis van de outputgegevens moeilijk is. Anderzijds overweegt zij dat wel een “aanzienlijke daling” van de geurimmissie van 20 tot 30% te verwachten is ten opzichte van de huidige immissie. Het is niet duidelijk op welke objectieve gegevens die percentages steunen en evenmin of kan worden gecontroleerd of die “aanzienlijke daling” te vereenzelvigen valt met het niveau van “aanvaardbare” hinder, bij gebrek aan nadere informatie omtrent de “foutenmarge” en gelet op de precies in twijfel getrokken representativiteit van de “gemodelleerde immissie” voor woningen gelegen binnen een straal van 100 meter. De pogingen in de laatste memories van de tussenkomende en de verwerende partij om deze kritiek te ontkrachten, overtuigen niet. 13. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de vergunningverlenende overheid bij haar beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke effecten de via het IFDM-model vastgestelde negatieve effecten op een aantal woningen “compenseert” door te wijzen op de daling van de geuremissie met 13% en de geurimmissie ter hoogte van de woningen met 20 à 30% ten opzichte van de vergunde situatie. Het is onduidelijk hoe die daling te interpreteren valt en waarop deze precies steunt, gelet op de twijfels die de overheid zelf eerder heeft geuit met betrekking tot het IFDM-model voor woningen op korte afstand. Bijgevolg kan niet worden ingeschat of die daling beantwoordt aan het niveau “aanvaardbare VII-39.627-16/33 hinder”, in het bijzonder wat betreft de meest nabije woningen. Uit de motivering van de milieueffecten kan evenmin voldoende worden opgemaakt waarom de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat er zich geen aanzienlijke effecten voordoen op het vlak van geur, ondanks de negatieve effecten op een aantal woningen, zoals vastgesteld in de screeningsnota, mede gelet op de hoger aangehaalde kritiek. Het feit dat de vergunningverlenende overheid er in haar formele motivering op wijst dat de inrichting voldoet aan de verbods- en afstandregels, dat het bedrijf gelegen is in agrarisch gebied en in woongebied met landelijk karakter waar intensieve veeteelt mogelijk is en dat bijgevolg een hogere graad van hinder kan worden aanvaard, doet daaraan geen afbreuk nu er precies onduidelijkheid blijft over de “graad van hinder”. Het gegeven dat de vergunningverlenende overheid de geurhinder weliswaar vanuit de inrichting in zijn totaliteit als uitgangspunt neemt en in dat opzicht stal 1 en stal 2 niet als afzonderlijke entiteiten behandelt, verandert niets wat betreft de vastgestelde tekortkomingen in de formele motivering inzake de milieueffectrapportage en de aanzienlijke effecten inzake geur. De argumentatie in de laatste memories van de verwerende en de tussenkomende partij doet hieraan niets af. Beide middelonderdelen zijn gegrond. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 14. In het tweede middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 21, § 2, 2°, en 29, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), artikel 8 van het koninklijk besluit van VII-39.627-17/33 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het materieelmotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partij heeft de minister de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening niet afdoende beoordeeld. Zo werd onder meer het advies van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar in de stedenbouwkundige procedure dat bij het beroepschrift was gevoegd, niet beantwoord. De motivering in de bestreden beslissing is volgens haar beperkt tot een beschrijving van de constructies en een beoordeling van de planologische verenigbaarheid ervan. Beoordeling 15. De bestreden beslissing stelt onder meer dat de nieuwe stal parallel wordt ingeplant met de bestaande bedrijfsgebouwen en dat de schaal van de nieuwe stal aansluit bij de bestaande configuratie. Hieruit kan de verzoekende partij afleiden waarom haar argumentatie omtrent een te grote dimensionering niet wordt aangenomen. Wat de verschillende vormen van hinder betreft, kan uit de milieuhygiënische beoordeling worden afgeleid waarom de overheid van mening is dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Ook inzake de mesttransporten bevat de bestreden beslissing een antwoord op de grieven van de verzoekende partij. Het advies van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar werd ingewonnen in het kader van de stedenbouwkundige procedure en dient in de eerste plaats de overheid die beslist over de stedenbouwkundige vergunning voor te lichten. In het kader van de milieuvergunningsprocedure is het advies van de afdeling Gebieden en Projecten betreffende de stedenbouwkundige implicaties van de milieuvergunning primordiaal. Dat advies bevatte geen fundamentele bezwaren VII-39.627-18/33 en was gunstig. Uit dat advies blijkt evenmin dat het zich de motieven van de stedenbouwkundig ambtenaar zou eigen maken. Het gegeven dat de verzoekende partij het advies van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar in de stedenbouwkundige vergunning bij haar bezwaarschrift heeft gevoegd, impliceert niet dat de milieuvergunnende overheid stap voor stap moet motiveren waarom ze de betrokken argumenten niet volgt. Te dezen kan de verzoekende partij uit de motivering afleiden waarom haar bezwaren niet worden aanvaard: als elementen worden hierbij de parallelle inplanting, het aansluiten bij de bestaande configuratie en de beperkte ingreep in het bestaande landbouwareaal aangehaald. De bestreden beslissing bevat wel degelijk een formele motivering inzake de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. De verzoekende partij toont niet aan dat de grenzen van de redelijkheid werden overschreden en wijst evenmin de concrete elementen aan die ten onrechte niet in ogenschouw zouden zijn genomen. Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel Standpunten van de partijen 16. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 1, 2 en 4 van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, artikel 4.3.2, §§ 2 en 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna milieubeleidsdecreet) en van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit). Het voorwerp van de aanvraag ressorteert volgens haar onder bijlage II van dit besluit, en niet onder bijlage III, zodat minstens een ontheffingsverzoek moest worden ingediend. VII-39.627-19/33 De aanvraag betreft volgens de verzoekende partij de exploitatie van de stallen gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter en dus in een ander gebied dan “agrarisch gebied in de ruime zin”. Volgens haar zal de nieuwe, moderne stal weliswaar in agrarisch gebied liggen, maar een deel van de activiteit zal nog plaatsvinden op een perceel in woongebied met landelijk karakter. Zij argumenteert dat, om te bepalen of een projectcategorie van bijlage II of van bijlage III van het project-MER-besluit van toepassing is, moet worden gekeken naar de vergunde inrichting, waarbij de installatie als de eenheid van de activiteiten en processen moet worden gezien, en niet naar de plaats waar de betrokken stal is gelegen. Voor zover de Raad van oordeel zou zijn dat er onduidelijkheid bestaat “van de projectmatige beoordeling in de Richtlijn 2011/92/EU”, dringt zich volgens de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie op over de schending van voormelde Richtlijn door artikel 2, §§1 en 2, van het project-MER-besluit, samengelezen met bijlage II van datzelfde besluit. 17. De verwerende partij acht het middel onontvankelijk in de mate dat het “nalaat uiteen te zetten op grond waarvan het bestreden besluit de Richtlijn 2011/92/EU […] zou schenden”. 18. In haar laatste memorie acht de verzoekende partij het onredelijk om van haar “te verwachten dat zij aanduidt welk deel van de activiteit er precies in het woongebied zal plaatsvinden”. Volgens haar houdt “deze stelling” in dat zij “verantwoordelijk wordt gesteld voor de al dan niet bewuste onduidelijkheid in de milieuvergunningsaanvraag”. Beoordeling 19. De verzoekende partij geeft duidelijk aan dat haar kritiek erin bestaat dat de inrichting van de verzoekende partij ten onrechte wordt beschouwd als een project dat thuishoort onder bijlage III van de geschonden geachte VII-39.627-20/33 Richtlijn, en dat de inrichting moet worden omschreven als een project uit bijlage II van die Richtlijn. Zij duidt daarbij aan waarom de aanvrager volgens haar overeenkomstig artikel 4.3.2 van het milieubeleidsdecreet en artikel 2 van het project-MER-besluit, rekening houdend met het aantal varkens en de ligging van de stallen, een ontheffing had moeten vragen in plaats van alleen een MER-screeningsnota voor te leggen. De exceptie van de verwerende partij is niet gegrond. 20. Volgens de bestreden beslissing heeft de aanvraag “betrekking op activiteiten die voorkomen op de lijst van bijlage III van het project-m.e.r.-besluit, meer bepaald in de categorieën 1,
  5. e)„intensieve veeteeltbedrijven‟ en 10,
  6. j)„werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater‟”, en dat de aanvraag een project-MER-screeningsnota bevat en werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage II bij het milieubeleidsdecreet, namelijk aan de kenmerken van het potentiële effect. De verzoekende partij voert aan dat de aanvraag ressorteert onder bijlage II van het project-MER-besluit, meer bepaald
  7. e)intensieve veeteeltbedrijven: stal met 2.000 tot 3.000 plaatsen voor varkens andere dan zeugen en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan “agrarisch gebied in de ruime zin”, aangezien (de stallen van) het varkensbedrijf deels geëxploiteerd wordt (worden) in woongebied met landelijk karakter en niet enkel in agrarisch gebied. Bovendien gaat de MER-regelgeving volgens haar steeds uit van de volledige activiteit, inrichting of installatie, waarbij de installatie als een eenheid van activiteiten en processen moet worden gezien. Bijlage II van het project-MER-besluit voert artikel 4.3.2, §§ 2 en 3, van het milieubeleidsdecreet uit. Het duidt de categorieën van projecten aan waarvoor een project-MER of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing moet worden opgesteld: “1. Landbouw, bosbouw en aquacultuur VII-39.627-21/33 […]
  8. e)Intensieve veeteeltbedrijven : […] ° Stal met 2.000 tot 3.000 plaatsen voor varkens andere dan zeugen en geheel of gedeeltelijk gelegen in een ander gebied dan „„agrarisch gebied in de ruime zin‟‟. [...]. ° Gemengde inrichting voor varkens van meer dan 20 kg als de verhouding van het aantal plaatsen voor zeugen t.o.v. de drempel van 900 + het aantal plaatsen voor varkens andere dan zeugen t.o.v. de drempel van 3.000 groter dan 1 is. […]”. Uit deze bepaling volgt dat wat de categorie “intensieve veeteeltbedrijven” betreft, er een project-MER of minstens een gemotiveerd verzoek tot ontheffing moet worden opgesteld, indien het project een “stal met 2.000 tot 3.000 plaatsen voor varkens andere dan zeugen” omvat met als bijkomend criterium de gehele of gedeeltelijke ligging ervan in een ander gebied dan “agrarisch gebied in de ruime zin”. De regelgever hanteert specifiek het begrip “stal” als aanknopingspunt voor het bepalen van de bijlage van het project-MER-besluit waaronder het project valt. Te dezen kan de omschrijving van stal uit de destijds geldende rubriek 9.4 van bijlage I van Vlarem I worden gehanteerd: “één of meer gebouwen en /of installaties waarin varkens gefokt of gehouden worden, met inbegrip van - de installatie(
  9. s)voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval - de installatie(
  10. s)voor de compostering van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest met groenafval afkomstig van de eigen inrichting en de bij de inrichting horende gronden
  11. a)in een ander gebied dan deze vermeld onder
  12. b)en
  13. c)1° met plaatsen voor meer dan 5 tot en met 1000 varkens ouder dan 10 weken […]”. VII-39.627-22/33 Ook de bestreden beslissing omschrijft als voorwerp van de aanvraag onder meer: “varkensstal in een agrarisch gebied, met inbegrip van de installatie(
  14. s)voor de bewerking of verwerking van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest, zonder bijmenging van afval en met inbegrip van de installatie(
  15. s)voor de compostering van dierlijke mest afkomstig van de op die plaats geproduceerde dierlijke mest met groenafval afkomstig van de eigen inrichting en de bij de inrichting horende gronden, met plaatsen voor het houden van 2.944 vleesvarkens”. In het kader van de aanvraag tot uitbreiding-hernieuwing wordt eveneens als voorwerp varkensstal, intensieve varkenshouderij, op die wijze aangeduid. De verzoekende partij zet uiteen dat, vermits de stallen van het varkensbedrijf, met een capaciteit boven de 2.000 varkens anders dan zeugen, worden geëxploiteerd gedeeltelijk in een ander gebied dan “agrarisch gebied in de ruime zin”, het project onder bijlage II van het MER-besluit ressorteert in plaats van onder bijlage III. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk vermeld dat het voorwerp van de aanvraag een varkensstal in agrarisch gebied betreft en zowel de verwerende als de tussenkomende partij repliceert dat de varkensstallen zich in agrarisch gebied situeren. De verzoekende partij voert in dat kader tevens aan dat een deel van de vergunde “activiteit” zal plaatsvinden op perceel 320 V: “dat betekent in casu dat de nieuwe moderne stal weliswaar volledig in agrarisch gebied zal liggen, maar dat een deel van de activiteit, nog op perceel 320V zal plaatsvinden (zoals ook blijkt uit de opgegeven percelen in de milieuvergunningsaanvraag) en dus dat een deel van de exploitatie (van
  16. de)vergunde inrichting zeker zal plaatsvinden in woongebied met landelijk karakter”. Zij verduidelijkt niet welke “activiteit” precies zal plaatsvinden op perceel 320 V in woongebied met landelijk karakter en of die “activiteit” past VII-39.627-23/33 binnen het begrip stal uit Vlarem I waarnaar zij verwijst: een infrastructuur waarin de dieren zijn gehuisvest en de mestverwerking. De verwerende partij betoogt bovendien dat op perceel 320 V zich enkel het woonhuis met aanhorigheden bevindt. De verzoekende partij toont het tegendeel niet aan. Aldus toont zij niet aan dat de stallen met tussen 2.000 en 3.000 dierplaatsen zich geheel of gedeeltelijk situeren in ander gebied dan agrarisch gebied in de ruime zin en dat de aanvraag om die reden onder bijlage II, 1
  17. e)van het project-MER-besluit valt. Anders dan de verzoekende partij in haar laatste memorie suggereert, is het niet onredelijk dat zij aanduidt welk deel van de activiteit in het woongebied plaatsvindt. Er is geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie te stellen, temeer nu de verzoekende partij zelf in het middel definiëert wat zij onder “stal” begrijpt. Het derde middel is niet gegrond. Vierde middel Standpunten van de partijen 21. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Het middel houdt in essentie in dat de bevindingen in de MER-screeningsnota dat de exploitatie van de inrichting en van stal 1 een negatieve impact heeft op de woningen in de onmiddellijke omgeving, niet toelaten te besluiten dat de geurhinder beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau. VII-39.627-24/33 De verzoekende partij wijst daarbij op de plicht van de vergunningverlenende overheid om rekening te houden met de Beste Beschikbare Technieken (hierna: BBT) om het aanvaardbaar karakter van de hinder daadwerkelijk te kunnen inschatten. Bij haar besluit dat de hinder aanvaardbaar is, lijkt de minister vooral te steunen op een daling van de geurhinder voor woningen binnen de 100 meter. De overheid gaat er echter aan voorbij dat er in de MER-screeningsnota nog steeds sprake is van een negatieve geurimpact op de omgeving, ondanks de verbetering die gepaard gaat met de installatie van een biobed. De MER-screeningsnota doet nochtans besluiten dat de exploitatie nog steeds een te hoge geuremissie verspreidt om aanvaardbaar te worden geacht. De verwerende partij motiveert niet waarom deze hinder, ondanks de uitdrukkelijke aanduiding als “negatief”, als aanvaardbaar wordt beschouwd. Het probleem van de geurhinder ligt vooral bij stal 1. Er wordt in de bestreden beslissing niet onderzocht welke BBT kunnen worden toegepast ten aanzien van stal 1. Deze geurhinder kan nochtans worden vermeden. 22. De verwerende partij repliceert, met verwijzing naar haar antwoord op het eerste middel, dat het bestreden besluit wel afdoende gemotiveerd is wat de beoordeling van de geurhinder betreft, en dat daarbij wel rekening wordt gehouden met de geurhinder van de inrichting voor de omliggende bewoning zoals deze blijkt uit de MER-screeningsnota, zowel wat de huidige als wat de gewenste situatie betreft. Dat het bestreden besluit geen expliciete motivering bevat inzake de geurhinder afkomstig van stal 1 vormt geen schending van de motiveringsplicht. De verzoekende partij had daaromtrent geen beroepsargument aangevoerd, en het is volgens de verwerende partij afdoende dat de inrichting als geheel wordt beoordeeld. Ook verduidelijkt het aanvraagdossier dat het uitrusten van een bestaande stal met een ammoniakemissie-arm systeem niet als BBT kan worden beschouwd, terwijl er wel milderende maatregelen worden genomen. VII-39.627-25/33 23. Volgens de tussenkomende partij zet de verzoekende partij niet uiteen waarom de motivering uit het bestreden besluit onredelijk zou zijn. De verzoekende partij zou zich beperken tot een verwijzing naar de aanduiding “negatief” en de stelling dat een uitdrukkelijke motivering ontbreekt, maar niet uitleggen waarom de minister aan de hand van de voorliggende gegevens niet heeft kunnen besluiten dat de geurhinder aanvaardbaar is. Een nadere motivering omtrent de aanvaardbaarheid van de geurhinder in het licht van de aanduiding “negatief” in de screeningsnota is niet vereist. Wat stal 1 betreft, rust op de vergunningverlenende overheid niet de verplichting om na te gaan of eventuele hinder maximaal kan worden beperkt: enkel het aanvaardbare niveau is van belang. Dit blijkt uit artikel 30, § 7, van Vlarem I. Voorts belicht de verzoekende partij ten onrechte enkel de geuremissie van stal 1, terwijl het duidelijk is dat de geurstudie en de cumulatieve geurstudie de effecten beogen van de inrichting als geheel. 24. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij toe dat het motiveren waarom het negatief effect toch als aanvaardbaar mag worden beschouwd, neerkomt op het weergeven van de motieven van de motieven, en op een miskenning van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. 25. De verwerende partij acht het middel ongegrond om dezelfde redenen als aangehaald bij de weerlegging van de kritiek op de motivering in verband met de milieutechnische beoordeling van de geurhinder. VII-39.627-26/33 Beoordeling 26. Uit de motivering blijkt dat de vergunningverlenende overheid de geurhinder heeft bekeken vanuit de inrichting in haar totaliteit. Zij overweegt daarbij dat de nieuwe stal 2 zal worden uitgerust met een biobed, dat is opgenomen in de lijst van luchtzuiveringstechnieken, opgesteld door het BBT-kenniscentrum van het VITO, en dat voor een geurreductierendement van 85 % zou kunnen zorgen. Zij stelt ook vast op basis van de geurstudie in de MER-screeningsnota, dat een significante daling van de geurimmissie is gemodelleerd in de gewenste situatie ten opzichte van de huidige situatie waarin hoge tot zeer hoge immissiecijfers zijn gemodelleerd voor negen bedrijfsvreemde woningen. Vervolgens overweegt zij, als antwoord op de beroepsargumentatie van de verzoekende partij, dat voor woningen gelegen binnen een straal van 100 meter, niettegenstaande de foutenmarge van het model het trekken van duidelijke conclusies op basis van de outputgegevens bemoeilijkt, een aanzienlijke daling van de geurimmissie wordt verwacht van circa 20 % tot 30 % ten opzichte van de huidige immissie vergund door het besluit van 27 december 2010 en een daling van de emissie met 13 %. Mede gelet op het ontbreken van officiële geurklachten bij de gemeente komt de vergunningverlenende overheid tot de conclusie dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. De vergunningverlenende overheid spitst haar motivering toe op de “significante daling” van de geurhinder in de gewenste situatie ten opzichte van de vroegere situatie. Zij gaat echter voorbij aan de immissiecijfers op zich, die als negatief werden geduid. De verwerende partij gaf in de memorie van antwoord reeds aan dat de minister zich in essentie op deze tabel heeft gebaseerd. Uit de motivering valt niet af te leiden hoe de overweging dat de hinder “aanvaardbaar” is te verzoenen valt met de negatieve cijfers in de screeningsnota. De overweging omtrent een mogelijke daling van de immissie met 20 tot 30 % is niet voldoende draagkrachtig, gelet op de onduidelijkheden die de vergunningverlenende overheid zelf bevestigt omtrent de berekeningen van het IFDM-model voor woningen binnen een straal van 100 meter. De conclusie dat de hinder aanvaardbaar is, kan VII-39.627-27/33 niet voldoende worden geverifiëerd. Uit het onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag door de overheid blijkt te dezen niet duidelijk of de maatregelen voorgesteld door de exploitant -waaronder het biobed voor de nieuwe stal- volstaan om de geurhinder te beperken tot een aanvaardbaar niveau. De motivering van de bestreden beslissing is niet afdoende om daaruit af te leiden dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Het motiveren waarom een negatief effect toch als aanvaardbaar wordt beschouwd, staat niet gelijk met het weergeven van de motieven van de motieven. Het vierde middel is in die mate gegrond. Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partij 27. In het vijfde middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 11 en 12 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), van artikel 5, § 7, van Vlarem I en artikel 2.1.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties (hierna: Vlarem III), van de zorgvuldigheidsplicht en “het formeel en het materieel motiveringbeginsel” als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing zonder enig onderzoek of afdoende motivering lijkt uit te gaan VII-39.627-28/33 van de conformiteit van de installatie voor “Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging” (hierna: GPBV-installatie) met artikel 5, § 7, van Vlarem I. Het tweede onderdeel heeft betrekking op het feit dat de bestreden beslissing de BBT enkel koppelt aan het gebruik van de nieuw te bouwen stal. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing zonder enig onderzoek of afdoende motivering lijkt uit te gaan van de conformiteit van de GPBV-installatie met artikel 2.1.1 van Vlarem III. Zij formuleert een prejudiciële vraag aangaande de verenigbaarheid van artikel 5.9.2.1bis, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) met de Europese Richtlijn 2010/75/EU. 28. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat, door te oordelen dat de BBT niet bij de aanvraag zelf moeten worden onderzocht maar slechts tijdens het exploiteren moeten worden geïmplementeerd, een vacuüm wordt gecreëerd waarbinnen een exploitant vanaf de vergunning tot een eerste handhavingscontrole niet aan Europese verplichtingen gehouden zou zijn. Dit standpunt kan volgens haar niet worden gevolgd, aangezien het toelaat dat een vergunningverlenende overheid, in strijd met de algemeen geldende zorgvuldigheidsplicht, een vergunning afgeeft voor een inrichting waarvan meteen geweten is dat niet aan de BBT is voldaan. Beoordeling 29. De overheid heeft volgens de verzoekende partij niet onderzocht of de aanvraag beantwoordt aan artikel 5, § 7, van Vlarem I met betrekking tot de stukken die moeten deel uitmaken van het aanvraagdossier GPBV, in het bijzonder wat betreft de bestaande stal. Het is vooral onduidelijk welke technieken in stal 1 VII-39.627-29/33 worden gebruikt ter preventie van ammoniak-emissie, stofhinder en geurhinder. Dit staat evenmin vermeld in bijlage D6 bij het aanvraagdossier. Het blijkt niet dat de oude stal voldoet aan artikel 2.1.1 van Vlarem III op het gebied van BBT. Artikel 5, § 7, van Vlarem I bepaalt welke stukken een vergunningsaanvraag voor een GPBV-installatie dient te bevatten. De beoordeling of een vergunningsaanvraag volledig is, gebeurt in de fase waarin de aanvraag al dan niet ontvankelijk wordt verklaard. De overheid in beroep heeft ter zake geen opmerkingen gemaakt en de aanvraag zonder meer opnieuw onderzocht. Hiermee geeft zij impliciet aan dat zij het aanvraagdossier eveneens volledig acht, ook wat betreft artikel 5, § 7, van Vlarem I. Een nadere formele motivering is niet vereist. Wat de inhoudelijke toetsing van de aanvraag aan 5, § 7, van Vlarem I betreft, kan worden verwezen naar de omschrijving van een GPBV-installatie in artikel 1, 16°, van Vlarem I als “een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging”. Uit de bijlage D6 bij het aanvraagdossier blijkt dat de exploitant in zijn beschrijving de GPBV-installatie als (technische) eenheid als uitgangspunt neemt. Hij heeft de verschillende, relevante aspecten vermeld in artikel 5, § 7, van Vlarem I vanuit het bedrijf in zijn totaliteit bekeken. Afhankelijk van de rubriek worden de bestaande stal 1 of de nieuwe stal 2 soms apart vermeld. Die werkwijze blijkt niet onverenigbaar met artikel 5, § 7, van Vlarem I, nu dit artikel handelt over de stukken die een GPBV-installatie als “technische eenheid” moet bevatten. Uit artikel 5, § 7, van Vlarem I kan men niet afleiden dat de bijgevoegde stukken of toelichtingen telkens de “afsplitsbare” componenten moeten beschrijven zoals elk van de stallen. VII-39.627-30/33 Zo maakt de exploitant in bijlage D6 enkel gewag van een biobed als emissieverlagende maatregel wat de nieuwe stal betreft, aangezien deze techniek enkel in de nieuwe stal wordt toegepast. Punt 3 (preventie en beheer van afvalstoffen) en punt 5 van bijlage D6 “emissies en immissies van de inrichting […]” slaat niet enkel op de nieuwbouwstal maar op de ganse activiteit. Op die wijze komt de aanvrager tegemoet aan de voorschriften van artikel 5, § 7, van Vlarem I, wat betreft de stukken die bij de aanvraag voor een GPBV-installatie moeten worden bijgevoegd. De verzoekende partij toont niet aan hoe de veronderstelde hiaten in bijlage D6 hebben geleid tot een “onzorgvuldige” beslissing. Wat de toepassing van de BBT in relatie tot artikel 2.1.1 van Vlarem III betreft voert de verzoekende partij aan dat dit artikel het gebruik van BBT oplegt voor de hele milieutechnische eenheid, en voor alle activiteiten en processen ervan: de verzoekende partij acht het gegeven dat voor de oude stal 1 geen BBT werd toegepast in strijd met dat artikel. De vergunningverlenende overheid stelt in de bestreden beslissing vast dat de inrichting een GPBV-bedrijf betreft waarvoor in toepassing van artikel 2.1.1 van Vlarem III uitdrukkelijk is gesteld dat alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging moeten getroffen worden door toepassing van de BBT, zodat geen belangrijke verontreiniging kan worden veroorzaakt. Artikel 11 van Richtlijn 2010/75/EU bevat de “algemene beginselen van de verplichtingen van de exploitant” en legt de lidstaten op de nodige maatregelen te treffen opdat de installaties worden geëxploiteerd overeenkomstig de in het artikel opgesomde beginselen. Dat artikel werd in het interne recht vertaald als artikel 2.1.1 van Vlarem III. VII-39.627-31/33 Dit artikel bevat dus “algemene voorschriften of milieuvoorwaarden” voor de “exploitatie” van de installatie, die moeten worden gevolgd door de exploitant tijdens het exploiteren van zijn inrichting. Het artikel richt zich dus op de eerste plaats tot de exploitant die over een vergunning beschikt. De vergunningverlenende overheid diende in de bestreden beslissing geen verdere (formele) motivering te wijden aan de problematiek van de BBT in relatie tot stal 1 dan wel stal 2, waarbij zij de in artikel 2.1.1 van Vlarem III opgesomde punten overloopt. Een schending van artikel 2.2.1 van Vlarem III is niet aan de orde. Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden en de prejudiciële vraag moet niet worden gesteld. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 december 2015 waarbij het ministerieel besluit van 15 juli 2015 wordt ingetrokken en waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 25 februari 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Jan Schalenbourg voor het verder exploiteren en veranderen van een varkenshouderij, gelegen Steenweg 292 te Heers, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, behoudens wat betreft de genoemde intrekking van het ministerieel besluit nr. AMV/00037356/1001 van 15 juli 2015. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-39.627-32/33 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.627-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.