← België

Arrest 244351 - Milieuvergunningen - 02/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.351 Rolnummer: A. 220749/VII-39837 Zaak: Arrest 244351 - Milieuvergunningen - 02/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 23:06 Fiche Arrest nr 244.351 van 2 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.351 van 2 mei 2019 in de zaak A. 220.749/VII-39.

  1. In zake : de VZW AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de LV VAN SCHIL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Peeters kantoor houdend te 3545 Halen Bloemendaalstraat 186 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 17 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 13 september 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 februari 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de LV Van Schil voor het verder exploiteren en veranderen van een kippenbedrijf, gelegen aan de VII-39.837-1/35 Groesaard 8 te Poederlee, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 243.309 van 20 december 2018 is het debat heropend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Kris Peeters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging Standpunt van de partijen 3.
  5. In haar schriftelijke opmerkingen na de heropening van het debat verzoekt de verwerende partij om het auditoraat te gelasten om een aanvullend schriftelijk verslag op te stellen waarin het vierde middel wordt besproken. Zij stelt dat het mondeling gegeven verslag ter terechtzitting van 13 december 2018 neerkomt op “een nieuw verslag dat bijgevolg eveneens schriftelijk opgesteld dient VII-39.837-2/35 te worden”. De mogelijkheid die met het tussenarrest werd geboden aan de partijen om schriftelijke opmerkingen te formuleren op het mondeling uitgebrachte advies kan niet in de plaats komen van een geschreven auditoraatsverslag waarna een laatste memorie kan worden ingediend. De mogelijkheid die artikel 14, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) aan de verwerende partij biedt om in de laatste memorie een vordering tot behoud van de gevolgen in te stellen is haar ontzegd. Zij stelt ondergeschikt voor om prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 3.
  6. De verzoekende partij betwist in haar nota na het tussenarrest het verzoek om het auditoraat te gelasten om een aanvullend verslag op te stellen. Zij stelt dat de vraag van de verwerende partij om toepassing van artikel 14ter van de RvS-wet juridische grondslag mist en, ondergeschikt, laattijdig is. Beoordeling 3.
  7. In zoverre de verwerende partij haar verzoek steunt op de stelling dat haar de mogelijkheid is ontzegd om toepassing te vragen van artikel 14, derde lid van het algemeen procedurereglement gaat zij eraan voorbij dat artikel 14ter van de RvS-wet betrekking heeft op het al dan niet behoud van de gevolgen van een vernietigd reglement en er thans geen sprake is van een beroep tot vernietiging van welkdanig reglement. Zij gaat ook voorbij aan het feit dat zij nagelaten heeft die vordering te stellen in haar laatste memorie die zij heeft ingediend na kennisname van het auditoraatsverslag. 3.
  8. Evenmin kan het argument van de tegenspraak worden aangenomen om op haar verzoek in te gaan. Uit het procedureverloop blijkt immers dat de standpunten van de partijen, het verslag en het advies van het auditoraat aan de tegenspraak werden onderworpen. VII-39.837-3/35 Gelet op het feit dat het auditoraatsverslag aan de partijen wordt meegedeeld en zij er in een laatste memorie kunnen op of tegen ingaan, kunnen de partijen er niet van uitgaan bij het redigeren van hun laatste memories dat het advies van het lid van het auditoraat aan het einde van het debat inhoudelijk gelijkluidend moet of zal zijn aan het verslag dat werd opgemaakt voor het indienen van de laatste memories van de partijen. Er anders over oordelen zou het advies van het lid van het auditoraat aan het einde van het debat volstrekt overbodig maken. Over het mondeling ter zitting uitgebrachte advies van het lid van het auditoraat heeft de verwerende partij, evenals de andere partijen, schriftelijk haar opmerkingen kunnen meedelen aan de Raad van State. De verwerende partij heeft haar schriftelijke opmerkingen effectief aan de Raad van State meegedeeld. Die conform het tussenarrest meegedeelde schriftelijke opmerkingen hebben de waarde van een laatste memorie waarin de verwerende partij overigens een vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte en het bestreden reglement heeft geformuleerd en gemotiveerd. Die vordering wordt hierna beoordeeld. Er is dan ook geen aanleiding om op het verzoek van de verwerende partij in te gaan en evenmin om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. IV. Feiten 4.
  9. Bij besluit van 30 mei 2013 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) aan Jozef Verswijvel een voorwaardelijke milieuvergunning voor het verder exploiteren na verandering door toevoeging, uitbreiding en wijziging omvattend onder meer “plaatsen voor het houden van 58.000 vleeskippen (uitbreiding met 40.000 vleeskippen) en plaatsen voor het houden van 92 runderen waarvan 22 runderen VII-39.837-4/35 (uitbreiding met 32 runderen) & wijziging stalplaatsen”. 4.
  10. De inrichting is luidens het geldende gewestplan Turnhout gelegen in agrarisch gebied. 4.
  11. Bij besluit van 10 april 2014 neemt de deputatie akte van de mededeling die op 30 januari 2014 werd ingediend om de vergunning voor het vergunde gemengde veebedrijf op te splitsen tot twee apart vergunde inrichtingen die in de toekomst echter een milieutechnische eenheid blijven, bestaande uit enerzijds een gemengd veebedrijf op naam van de heer Jozef Verswijvel, en anderzijds een pluimveehouderij op naam van de tussenkomende partij. 4.
  12. Op 6 oktober 2014 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van het kippenbedrijf met volgend voorwerp: - plaatsen voor het houden van 88.000 vleeskippen (uitbreiding met 48.000 vleeskippen) (9.3.1.c.2 - 9.3.1.d); - een transfo met een individueel nominaal vermogen van 160 kVA (uitbreiding - 12.2.1); - opslag van in totaal 5.275 kg brandgevaarlijke vloeistoffen, waarvan 4.000 kg (5.000 liter) petroleum en 1.275 kg (1.500 liter) mazout, beide in bovengrondse houders (uitbreiding met 1.275 kg mazout - 17.3.2.1.1.1.b); - een noodstroomgenerator met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 30 kW (= 50 % wegens minder dan 500 bedrijfsuren per jaar) (31.1.1.b); - 8 warmeluchtblazers met een individueel vermogen van elk 93 kW tot een totaal warmtevermogen van 744 kW (uitbreiding met 4 x 93 kW - 43.1.2.b); - een grondwaterwinning op een diepte van 105 meter met een debiet van 30 m³/dag en 6.620 m³/jaar (uitbreiding debiet met 19 m³/dag en 3.430 m³/jaar - 53.8.2). Er werd een milieueffectrapportage opgesteld, gedateerd op 10 september
  13. VII-39.837-5/35 4.
  14. Het milieueffectrapport wordt door het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid goedgekeurd op 28 september
  15. 4.
  16. Op 3 november 2015 wordt de milieuvergunningsaanvraag ontvankelijk en volledig verklaard. 4.
  17. De vergunningsaanvraag wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van 18 november 2015 tot 17 december
  18. Eén schriftelijk bezwaar wordt ingediend. 4.
  19. De volgende instanties geven gunstige adviezen: het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lille, het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB), de afdeling Milieuvergunningen (buitendienst Antwerpen) van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, het departement Ruimte Vlaanderen (buitendienst Antwerpen) (stilzwijgend), de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM) - afdeling Operationeel Waterbeheer (stilzwijgend en laattijdig) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC). 4.
  20. Op 18 februari 2016 verleent de deputatie de milieuvergunning. 4.
  21. Tegen dit besluit worden twee beroepen ingesteld, meer bepaald door de verzoekende partij en door een omwonende. 4.
  22. Volgende adviezen worden ingewonnen: - Pidpa, exploitant van een drinkwaterwinning (29 april 2016): voorwaardelijk gunstig; - de dienst Integraal Waterbeleid van het departement Leefmilieu van de provincie Antwerpen (12 mei 2016): voorwaardelijk gunstig; - het ANB (23 mei 2016): gunstig; - de afdeling Milieu-inspectie van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie VII-39.837-6/35 (25 mei 2016) die stelt dat in het verleden (5 jaar) nooit klachten omtrent milieuhinder werden ontvangen, die zouden zijn veroorzaakt door de milieutechnische eenheid; - de VMM - dienst Grondwater en Lokaal Waterbeheer van de afdeling Operationeel Waterbeheer (27 mei 2016): gunstig; - de afdeling Gebieden en Projecten van het departement Ruimte Vlaanderen (2 juni 2016): gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (3 juni 2016): gunstig; - het Agentschap Wegen en Verkeer (6 juni 2016): gunstig. Op 27 mei 2016 ontvangt de afdeling Milieuvergunningen bijkomende informatie van de erkende MER-deskundige en op 30 mei 2016 verschaft de dienst Integraal Waterbeleid van het departement Leefmilieu van de provincie Antwerpen aan de afdeling Milieuvergunningen nog bijkomende informatie. Op 7 juni 2016 wordt de exploitant door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) gehoord, waarna deze een deels gunstig advies geeft. 4.
  23. Op 13 september 2016 besluit de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw om de beroepen ongegrond te verklaren en de milieuvergunning te verlenen. Dit is de bestreden beslissing. V. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
  24. De verwerende partij voert volgende excepties aan: VII-39.837-7/35 “A. Ontbreken van de gecoördineerde geldende statuten
  25. Overeenkomstig art. 3 van het Besluit van de Regent van 21 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voegt de verzoekende partij die een rechtspersoon is, bij haar verzoekschrift „een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten‟. Overeenkomstig art. 3bis van het Besluit van de Regent van 21 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt een verzoekschrift dat niet van deze stukken vergezeld gaat niet op de rol ingeschreven.
  26. Uit de inventaris van de stukken blijkt dat verzoekende partij in de onderhavige zaak enkel haar gepubliceerde statuten van 5 september 1986 en de wijzigingen van haar statuten van 5 september 2002, 4 april 2006, 10 augustus 2009 en 9 september 2016 bij haar verzoekschrift heeft gevoegd. Een afschrift van de gecoördineerde geldende statuten van verzoekende partij ontbreekt.
  27. De vordering dient aldus te worden afgewezen als onontvankelijk. B. Gebrek aan bewijs van neerlegging van de jaarrekening
  28. Overeenkomstig artikel 17, §1 van de vzw-wet dient de raad van bestuur van een vzw ieder jaar en ten laatste zes maanden na afsluitingsdatum van het boekjaar, de jaarrekening ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering. Overeenkomstig artikel 26novies, tweede lid, 5° van de vzw-wet moet de jaarrekening opgenomen worden in het vzw-dossier dat wordt bijgehouden op de griffie van de rechtbank van koophandel. Verzoekende partij legt het bewijs niet voor dat ze op datum van het inleiden van het verzoekschrift alle jaarrekeningen vanaf de oprichting tot op heden neergelegd heeft met het oog op de opname ervan in het verenigingsdossier. Aangezien niet alle voorschriften van de vzw-wet werden nageleefd is de vordering bijgevolg onontvankelijk.
  29. In ondergeschikte orde, in zoverre niet tot de onontvankelijkheid van de vordering zou besloten worden, dient op zijn minst toepassing gemaakt te worden van artikel 26 vzw-wet. Overeenkomstig deze bepaling wordt „elke vordering ingesteld door een vereniging die de formaliteiten omschreven in de artikelen 10, 23 en 26novies, § 1, tweede lid, 5°, niet in acht heeft genomen, […] opgeschort. De rechter bepaalt een termijn waarbinnen de vereniging moet voldoen aan deze verplichtingen. Indien de vereniging niet binnen die termijn aan haar verplichtingen voldoet, is de vordering niet ontvankelijk.‟ C. Gebrek aan belang […] De verzoekende partij beroept zich aldus op een collectief belang.
  30. De verzoekende partij beoogt via het vernietigingsberoep in werkelijkheid evenwel niet om het leefmilieu in de omgeving van het vergunde kippenbedrijf te beschermen. Het werkelijk doel van het vernietigingsberoep bestaat er in om het aantal kippenstallen -en de bijhorende veestapel- in Vlaanderen te doen verminderen. […] De verzoekende partij gebruikt het onderhavige dossier in werkelijkheid VII-39.837-8/35 dus als testcase met het oog op het verminderen van het aantal vergunningen -en de bijhorende veestapel- van kippenhouderijen. Het belang zoals het ontwikkeld wordt in het verzoekschrift is bijgevolg kunstmatig. Het wekt de indruk dat het vernietigingsberoep erop gericht is om de concrete impact van de vergunde inrichting op het leefmilieu in de omgeving te beperken, terwijl het vernietigingsberoep er in werkelijkheid op gericht is tot een inkrimping van de veestapel in het algemeen te komen en druk te zetten op het beleid in dat verband.
  31. De gevolgen van het kippenbedrijf die in het verzoekschrift aangegeven worden, zijn ook geen nadelen die specifiek betrekking hebben op de middels de bestreden beslissing vergunde inrichting. Het gaat om algemene en niet-geïndividualiseerde nadelen. Zo wordt er gewezen op de gebeurlijke nadelige gevolgen van ammoniak op de leefomgeving in het algemeen (o.a. op de vegetatie, waterlopen, verdroging, grondwatertafel, neerslag, geurhinder etc.) en wordt dienaangaande verwezen naar persartikelen uit 1999 en
  32. Het gaat overigens om persartikelen die zeer algemeen en ongenuanceerd zijn en totaal verouderd. Het belang dat de verzoekende partij nastreeft, is niet voldoende persoonlijk en valt niet te onderscheiden van de actio popularis. […] Anders dan in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest 223.862 van Uw Raad, bevinden zich in de onderhavige zaak in de omgeving van de vergunde inrichting geen specifieke gebieden met een bijzondere bescherming. Zo geeft de verzoekende partij in het verzoekschrift zelf aan dat het VEN-gebied „Vallei van de Kleine Nete benedenstrooms‟ op ongeveer 570 meter ten zuiden van de inrichting gelegen is en dat het habitatrichtlijngebied „Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden‟ op 2400 meter gelegen is (pg. 9 verzoekschrift). In het verzoekschrift geeft de verzoekende partij ook aan dat er woonuitbreidingsgebied op 450 meter gelegen is en een woongebied, een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kmo‟s en een gebied voor verblijfsrecreatie op ong. 1000 meter. Het ingestelde beroep valt in de concrete omstandigheden van de zaak aldus niet te onderscheiden van de behartiging van het algemeen belang zelf. Er bestaat geen band van evenredigheid tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds.
  33. De vordering dient aldus te worden afgewezen bij gebrek aan belang”.
  34. De verzoekende partij repliceert dat de statuten en de wijzigingen ervan werden neergelegd op de griffie van de rechtbank en bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Zij legt ook de jaarrekening van het werkjaar 2016 voor. VII-39.837-9/35 Zij stelt verder dat de memorie van antwoord door het gebruik van de termen “actio popularis”, “a fortiori” en “in casu” is aangetast door nietigheid wegens schending van de regelgeving inzake taalgebruik in de procedurestukken voor de Raad van State. Zij betwist dat zij een algemeen belang nastreeft. Zij stelt “enkel haar (rechts)persoonlijke belangen [te] behartigen”. Haar beroep is “wel degelijk specifiek gericht op de milieunadelen als gevolg van de (langdurige) vergunning voor deze veehouderij” zoals blijkt uit haar omschrijving in het verzoekschrift van de omgevingselementen. De bestreden beslissing “brengt dus de kwaliteit van de omliggende menselijke woonkwaliteit en van bijzondere natuurgebieden wel degelijk in het gedrang”.
  35. In de laatste memorie verzaakt zij aan haar exceptie wat betreft het gebruik van de termen “a fortiori” en “in casu”. Zij benadrukt nog dat zij haar beroep steunt op de weergegeven statutaire doelstellingen, meer bepaald op de bescherming van een menselijk en natuurlijk leefmilieu.
  36. De verwerende partij wijst er in de laatste memorie op dat de term “actio popularis” in het Van Dale-woordenboek wordt gedefinieerd. Zij handhaaft haar exceptie dat de verzoekende partij geen gecoördineerde statuten bij het verzoekschrift heeft gevoegd. Zij handhaaft haar exceptie van gebrek aan belang. De verzoekende partij kan zich in elk geval niet beroepen “op de hinder voor de mens, op de nabijgelegen woon(uitbreidings)gebieden en het recreatief knooppunt” omdat zij “wat deze punten betreft enkel op[treedt] voor derden, bewoners of toekomstige bewoners, dan wel recreanten in dit gebied” en zulks niet “kan worden ingepast in haar statutaire doelstellingen”. Het statutair doel te waken over een VII-39.837-10/35 kwalitatief en kwantitatief optimaal menselijk milieu is niet van bijzondere aard. Er is geen band van evenredigheid tussen het actieterrein van de verzoekende partij en de draagwijdte van de bestreden beslissing. De verzoekende partij kan niet aanvoeren dat “bepaalde van haar leden woonachtig zijn in of nabij het woon(uitbreidings)gebied”. Beoordeling
  37. De term “actio popularis” wordt in het Van Dale-woordenboek, online versie, toegelicht. De term is derhalve opgenomen in de woordenschat van de Nederlandse taal. De exceptie van verzoekende partij met betrekking tot het taalgebruik wordt verworpen.
  38. Artikel 3, 4°, van het algemeen procedurereglement legt aan de rechtspersoon op om bij haar verzoekschrift “een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden” te voegen. Indien deze stukken niet zijn gevoegd bij het verzoekschrift wordt het verzoekschrift luidens artikel 3bis van het algemeen procedurereglement niet op de rol ingeschreven.
  39. De verzoekende partij heeft bij haar op de rol ingeschreven verzoekschrift de statuten van 2005 en de latere statutenwijzigingen die telkens conform werden neergelegd op de griffie van het bevoegde rechtscollege, gevoegd. De statuten van 2005 zijn de laatste versie op de statutenwijzigingen na die de samenstelling van de raad van beheer betreffen. VII-39.837-11/35 De opschortende exceptie wordt verworpen.
  40. De verzoekende partij heeft de jaarrekening van het werkingsjaar 2016 neergelegd. De opschortende exceptie wordt verworpen.
  41. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen (hierna: VZW-wet) in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een VZW, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. Anders dan de verwerende partij aanneemt, is het niet vereist dat er daarenboven ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van de verzoekende partij en de ruimtelijke draagwijdte van de aan de milieuvergunning verbonden milieueffecten.
  42. Uit de statuten van de verzoekende partij blijkt dat zij binnen het arrondissement Turnhout onder meer als doeleinden nastreeft het “waken over een kwalitatief en kwantitatief optimaal menselijk en natuurlijk milieu; in het bijzonder er de natuur en het milieu te vrijwaren, te behouden, te herstellen en te verbeteren in al zijn vormen, zoals landschap, monumenten, biotopen, dieren, planten evenals lucht, water en bodem”. VII-39.837-12/35
  43. Deze statutaire doelstellingen zijn voldoende duidelijk, van bijzondere aard en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. Ze verlenen de verzoekende partij het vereiste specifieke belang om, teneinde te waken over een kwalitatief en kwantitatief optimaal menselijk en natuurlijk milieu, op te komen tegen een milieuvergunning die de natuurwaarden van een VEN-gebied en tal van groengebieden in de Netevallei kan bedreigen. Het blijkt ten slotte niet dat de verzoekende partij haar statutaire doelstellingen niet of niet meer werkelijk zou nastreven.
  44. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het vierde middel Standpunten van de partijen
  45. De verzoekende partij voert de onwettigheid aan van artikel 5.9.5.3, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), van artikel 99 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 september 2008 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming ter doorvoering van technische actualisering (hierna: wijzigingsbesluit van 19 september 2008). Zij vraagt dat toepassing wordt gemaakt van artikel 159 van de Grondwet. Zij stelt dat de bestreden beslissing steunt op een onwettige rechtsgrond en de formele- en materiëlemotiveringsplicht schendt. Zij licht toe dat de voormelde bepaling van Vlarem II werd gewijzigd in de zin dat de VII-39.837-13/35 afstandsregels die voordien van toepassing waren, werden versoepeld. Voorheen gold een afstand van 500 meter, na de wijziging geldt een afstand van 250 meter. Een dergelijke versoepeling is in strijd met de geldende milieuprincipes die zijn opgenomen in europeesrechtelijke en internrechtelijke bepalingen, meer bepaald artikel 191 van het Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), artikel 23 van de Grondwet (recht op bescherming van een gezond leefmilieu, artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) en artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet). De motieven waarom dergelijke versoepeling toelaatbaar is of zou zijn, zijn verzoekende partij niet bekend en de verwerende partij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing van deze bepaling toepassing gemaakt. Zij wijst erop dat te dezen een woonuitbreidingsgebied ligt op 450 meter afstand van de vergunde inrichting. Onder de oude afstandsregel kon de vergunning aldus niet worden verleend. Zij vraagt het buiten toepassing stellen van de versoepelde regeling. Bovendien stelt zij dat artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II intrinsiek onwettig is omdat het met betrekking tot de te beschermen/bufferen natuurwaardevolle dan wel hindergevoelige gebieden enkel rekening houdt met natuurreservaten, bosreservaten, dit naast de woon(uitbreidings)gebieden en de gebieden voor verblijfsrecreatie. Geen enkele bescherming via minimale buffering is voorzien ten aanzien van de natuurgebieden, noch ten aanzien van de VEN-gebieden, noch ten aanzien van de speciale beschermingszones volgens habitat- en vogelrichtlijn. Indien de Raad van State zou oordelen dat omwille van de definitie van “gebied” in artikel 1, 23°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning enkel rekening kan worden gehouden met (bestemmings)gebieden zoals aangeduid op plannen van aanleg of RUP‟s, dan blijft de kennelijke ongelijkheid doordat in artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II enkel natuur- en bosreservaten specifieke buffering via een afstandsregel genieten, doch niet de “natuurgebieden” (zoals omschreven in artikel 13 van het het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit)). Hetzelfde VII-39.837-14/35 kan gezegd worden in verband met de “bosgebieden” (zoals omschreven in artikel 12 van het inrichtingsbesluit). Hiervoor is geen enkel objectief en verantwoord onderscheidingscriterium, zodat de afstandsregels van de geldende versie van artikel 5.9.5.3 van Vlarem II strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu in artikel 23 van de Grondwet en met artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet. De principiële bescherming van groengebieden dient dan ook door te werken naar de uitvoeringsbesluiten inzake de milieuvergunningen. Zij betoogt nog dat artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel.
  46. De verwerende partij betwist het belang bij het vierde middel van de verzoekende partij. De verzoekende partij betwist niet dat de bestreden beslissing voldoet aan de afstands- en verbodsregels van artikel 5.9.5.3 van Vlarem II, zodat het middel ongegrond is wat de aangevoerde schending van dit artikel betreft. Wat betreft de aangevoerde strijdigheid van paragraaf 5 van deze bepaling met de artikelen 1.2.1, § 2, DABM en 191 VWEU, merkt zij op dat een eventuele onwettigverklaring van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II en van het wijzigingsbesluit hoe dan ook nooit tot de onwettigheid van het bestreden besluit kan leiden, aangezien het de rechtsbasis van de bestreden beslissing niet ontneemt. Het betreffen slechts de sectorale milieuvoorwaarden. Het buiten toepassing verklaren van artikel 159 van de Grondwet van deze bepaling zou dus hoogstens tot gevolg kunnen hebben dat de sectorale voorwaarden niet van toepassing zijn op het via het bestreden besluit vergunde vleeskippenbedrijf. Het middel is bijgevolg onontvankelijk. Het buiten toepassing verklaren van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II zou overigens tot gevolg hebben dat er geen sectorale milieuvoorwaarden meer bestaan voor de in deze bepaling bedoelde inrichtingen. De oude sectorale milieuvergunningsvoorwaarden herleven immers niet, waardoor een rechtsvacüum ontstaat dat mogelijks een lager beschermingsniveau impliceert, wat de verzoekende partij tracht te vermijden. De verzoekende partij kan hieruit geen voordeel halen, zodat zij evenmin belang heeft bij dit middel, zoals reeds werd bevestigd in de rechtspraak van de Raad van State. Bovendien is VII-39.837-15/35 artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II, zoals gewijzigd door artikel 99 van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008, ook geenszins strijdig met artikel 1.2.1, § 2, DABM en artikel 191 VWEU. Een milieuvergunning moet er volgens rechtspraak van de Raad van State overigens niet op gericht zijn om alle hinder uit te sluiten, maar dient er voor te zorgen dat de hinder binnen aanvaardbare perken blijft. De beoordeling van de aanvaardbaarheid van de hinder hangt in hoge mate af van de concrete omstandigheden en behoort, voor zover is voldaan aan de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II, tot de beleidsbevoegdheid van het bestuur. Artikel 191 VWEU bevat beleidsgerelateerde beginselen die bovendien gelden voor het beleid van de Europese Unie. Het betreffen aldus evenmin beginselen die tot de onwettigheid van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II kunnen leiden. Het middel is dus minstens ongegrond.
  47. De verzoekende partij dupliceert: “
  48. De wederpartijen replikeren verre van overtuigend op het onderdeel van het middel […] dat „dergelijke achteruitgang van het niveau van milieubescherming is kennelijk in strijd met verscheidene principes van onder meer art. 1.2.
  49. par. 2 DABM doch ook in art. 191 EU verdrag, voorheen art. 174 EG-verdrag.‟ Zij ontwijken eigenlijk de plicht voor de vlaamse regering om nav het BVLR 19 09 2008 rekening te houden met het welbekende artikel 1.2.1 par. 2 DABM van 5 april 1995: „Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het stand-stillbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt.‟ Het gaat om een decretale bepaling van het vlaams parlement. Dit betekent dan ook dat een regering die reglementaire besluiten uitvaardigt m.b.t. het leefmilieu en milieubeleid deze beginselen moet erkennen én toepassen. Allicht zal er hier ook nog appreciatiebevoegdheid zijn. Doch in alle redelijkheid kan niet ontkend worden dat door door in 2008 plots een „MINIMUM‟afstand van 500 meter terug te schroeven tot 250 meter, niet enkel ten aanzien van woonuitbreidingsgebieden, maar ook: dit een aanmerkelijke en significante achteruitgang is van het niveau van VII-39.837-16/35 milieubescherming en dus een kennelijke aantasting van het „standstillbeginsel‟ en het beginsel een „hoog beschermingsniveau‟ na te streven zoals omschreven in art. 1.2.1 par. 2 DABM. Dit laatste principe was ook vervat in art. 174 EG-verdrag. Dit volstaat om art. 159 Grondwet toepasselijk te verklaren op de voormelde wijziging van de afstandsregel art. 5.9.5.3 par. 5 Vlarem II bij BVLR 19.09.2008 (via artikel 99).
  50. Dat er sindsdien een MER-plicht geldt voor 60.000 kippen is mogelijk, hoewel de LV Van Schil dit niet eens preciseert. Daarbij is een MER enkel een effectenstudie, en waar derden dan ook nog gemakkelijk in verdwalen of moe van worden door teveel geschrijf, tabellen bij de vleet, relativeren, soms minimaliseren van effecten, uiteraard wil verzoekster niet veralgemenen (heel wat MER‟s zijn degelijke studies). Doch een afstandsregel is zoveel meer duidelijk hanteerbaar en vormt een (zeer) belangrijk middel om minstens de uitwassen van extreme grootschalige gevallen (i.h.b. hier dus pluimveehouderijen) in te perken. Het verweermiddel namens LV Van Schil is dus niet adequaat.
  51. Beweren dat „de sectorale voorwaarden‟ in dat geval „niet meer toepasselijk zijn‟ op het vergunde vleeskippenbedrijf […] is niet juist. De buitentoepassingverklaring o.g.v. art. 159 Grondwet heeft enkel voor gevolg dat Uw Raad in deze zaak kan vaststellen dat de minister van leefmilieu een intrinsiek onwettige en belangrijke bepaling heeft toegepast. Want een afstandsregel is een belangrijke bepaling. Daardoor wordt de juridische draagkracht en onderbouwing van de bestreden beslissing wel degelijk aangetast. De motivering die de minister aanvoert m.b.t. art. 5.9.5.3 van Vlarem II is op dit punt zeker niet meer correct en niet meer afdoende.
  52. Volgens verwerende partij kan de vroegere bepaling van art. 5.9.5.3 par. 5 Vlarem II niet herleven ingeval art. 159 Gw wordt toegepast. Eveneens stelt zij dat door de buiten toepassing verklaring van artikel 5.9.5.3 par. 5 Vlarem II „er geen sectorale milieuvoorwaarden meer bestaan voor de in deze bepaling bedoelde inrichtingen‟. Dat verzoekster „geen voordeel‟ en dus ook geen belang heeft bij dit onderdeel van het middel. Repliek. Wat de rechtsgevolgen zijn indien Uw Raad de beslissing zou vernietigen omdat - onder meer - gesteund op een buiten toepassing te verklaren bepaling van het Vlarem II, is iets anders en dient nu niet preventief te worden onderzocht. Volgens verwerende partij kan de vroegere bepaling van art. 5.9.5.3 par. 5 Vlarem II niet herleven. Volgens verzoekster kan de minister in dat geval eigenlijk niet anders dan de vroegere afstandsregel toe te passen, wat wel een vorm van „herleven‟ is. Volgens de vroegere afstandsregel kon de huidige uitbreiding tot 88.000 vleeskippen kennelijk niet vergund worden, doordat er een woonuitbreidingsgebied ligt op minder dan 500 meter. Dit is dan toch van uit milieuoogpunt een betere situatie en past beter bij de belangen en milieuwaarden die VZW Valk beoogt te realiseren. Verzoekster betwist ook de stelling dat door de buiten toepassing VII-39.837-17/35 verklaring van artikel 5.9.5.3 par. 5 Vlarem II „er geen sectorale milieuvoorwaarden meer bestaan voor de in deze bepaling bedoelde inrichtingen‟. Dit is evident onjuist: in hoofdstuk 5.9 van Vlarem II „Dieren‟ zijn er nog tal van andere sectorale milieuvoorwaarden: art. 5.9.1.
  53. tot art. 5.9.10.
  54. Vlarem II. Dit verweer is dus juridisch onjuist.
  55. Replicerend op wat het Vlaamse Gewest verder nog betoogt: „Artikel 1.2.1, par 2 DABM bevat geen direct afdwingbare norm en behoeft nadere uitwerking, zodat het niet tot de onwettigheid van artikel 5.9.5,3, par. 5 DABM kan leiden.‟ En zij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State. Repliek. Volgens verzoekster is dit een juridisch onjuist standpunt. Akkoord dat er discussie mogelijk is of een milieuvergunningsaanvraag wel getoetst dient te worden aan deze bepalingen. Doch men kan dit analoog toepassen op de situatie waar de vlaamse regering zich buigt over een wijziging van Vlarem II zoals hier met het BVLR 19 09
  56. Dergelijke reglementaire besluiten dienen te kunnen ingepast in de normatieve bepalingen van artikel 1.2.1 par.1 e.v. van het D.A.B.M. Het Vlarem II is immers zeker een instrument om het „milieubeleid‟ vorm en inhoud te geven. Het arrest nr. 230.570 van 19 maart 2015, geciteerd op blz. 36-37 van de memorie van antwoord, ging over het geval waar een verzoeker zich beroepen had op art. 1.2.1 van het DABM om de vernietiging te bekomen van ene beslissing over een „individuele vergunningsaanvraag‟. Hier gaat het evenwel over de toetsting van een (ontwerp) reglementair besluit aan art. 1.2.1 (par.2) van het DABM. Als ook dit niet meer nodig is, wat is dan nog de zin van deze decretale bepalingen? Het Vlaams Gewest vaardigt via haar wetgevende arm (de Vlaamse Raad) normen uit, doch de uitvoereinde arm (de Vlaamse Regering) hoeft deze niet toe te passen. Art. 1.2.1 van het DABM wordt dan herleid tot een gewone intentieverklaring, een reeks frasen uit een lege doos. Dit deel van het verweer van het Vlaams Gewest schendt dan ook het rechtszekerheidsbeginsel en het wettigheidsbeginsel.
  57. In punt 81 stelt het Vlaamse Gewest dat ook artikel 191 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie enkel „beleidsgerelateerde beginselen (bevat) die bovendien gelden voor het beleid van de Europese Unie.‟ En dus evenmin tot de onwettigheid van artikel 5.9.5.3, par. 5 Vlarem II kunnen leiden. Repliek. Volgens verzoekster is dus dit wel mogelijk. Uw Raad zal hierover naar wijsheid willen oordelen.
  58. Uiteraard heeft verzoekster een persoonlijk belang bij dit middel, nu het gaat om een aangeklaagde achteruitgang van een voorheen bestaand betere waarborg tot bescherming van menselijk en natuurlijk leefmilieu tegen i.h.b. grootschalige pluimveehouderijen. Bovendien kan (en moet) Uw Raad zelfs ambtshalve de wettigheid van art. 99 BVLR 19 09 2008 onderzoeken aangezien art. 159 Gw. van openbare orde is. VII-39.837-18/35 Het vierde middel is dus wel ontvankelijk en gegrond”.
  59. De tussenkomende partij repliceert dat artikel 1.2.1 DABM en artikel 191 VWEU enkel beleidsgerelateerde beginselen bevat. Met betrekking tot artikel 5.9.5.3 van Vlarem II stelt zij dat het huidige artikel niet indruist tegen de geschonden geachte bepalingen, minstens wordt dit niet aangetoond. Voorts verwijst zij naar de toelichting bij deze wijziging in het verslag aan de Vlaamse regering waaruit blijkt dat geen sprake is van de aangevoerde schendingen.
  60. De verzoekende partij betoogt in de laatste memorie dat zij belang heeft bij het middel omdat na de gevraagde buitentoepassingverklaring de verwerende partij enkel toepassing mag maken van de vroegere versie van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II “hetgeen onvermijdelijk tot een weigering van de vergunning zou leiden, dus een voor verzoekster milieuvoordeliger toestand”. Een halvering van de afstandsregel betekent meer hinder en risico‟s voor de verschillende bestemmingsgebieden in de omgeving. De verzwakking van de afstandsregel doet afbreuk aan een hoog niveau van bescherming van het leefmilieu. Wat betreft de inhoud van het verslag aan de Vlaamse regering met betrekking tot wijziging van artikel 5.9.3 van Vlarem II stelt zij wat volgt: “--> verwijzing naar een „Duitse richtlijn VDI 3472‟ is geenszins een bewijs van milieuvriendelijke bedrijfsvoering. De DBR is geen koploper op vlak van milieuvriendelijke landbouw, scoort ook slecht qua biodiversiteit, is wel koploper ivm herwinbare energie. Bovendien is de inhoud van deze duitse richtlijn volstrekt onbekend aan verzoekster en wordt ook niet uitgelegd in het verslag aan de vlaamse regering. --> Bovendien is die redenering louter mathematisch en ent zich vast op de lagere afstanden in de tabel (200 meter). De verhoging naar plots 500 meter zou dan niet geleidelijk of evenredig genoeg zijn. Doch vanuit een beleid van hoog niveau van milieubescherming is het veel redelijker om uit te gaan van de cijfers en afstanden die meest aansluiten met een hoog beschermingsniveau. En om dan als uitgangspunt te nemen een afstand van 1000 meter voor pluimveebedrijven met 151-200 waarderingspunten en met meer dan 60.000 stuks volgens de toen gangbare tabel; en dit degressief toe te passen op bedrijven met minder stuks gevogelte. Dus een andere vertrekpunt. VII-39.837-19/35 --> Bij de wijziging van de afstandsregeling heeft men ook nog eens de hoogste kwantiteit opgeschoven: voorheen lag de strengste norm bij meer dan 60.000 stuks gevogelte; nu is dit opgeschoven naar meer dan 80.000 stuks gevogelte. --> Uit het Verslag blijkt ook dat men vooral oog gehad heeft voor geurgevoelige gebieden, terwijl de hinder door pluimveebedrijven ook met andere hinderaspecten te maken heeft, waartoe ammoniak en fijn stof zeker ook toe behoren”.
  61. De verwerende partij betoogt in de laatste memorie wat volgt: “
  62. Samen met de Eerste Auditeur moet worden vastgesteld dat verzoekende partij geen belang heeft bij het middel.
  63. Vooreerst kan een eventuele onwettigverklaring van artikel 5.9.5.3, §5 van Vlarem II en van artikel 99 van het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 hoe dan ook nooit tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden. Een eventuele onwettigverklaring van de sectorale milieuvoorwaarden van artikel 5.9.5.3, §5 van Vlarem II ontneemt de bestreden beslissing immers haar rechtsbasis niet. Deze bepaling bevat immers slechts de sectorale milieuvoorwaarden waaronder de inrichting kan worden geëxploiteerd, maar niet de eigenlijke rechtsbasis van het bestreden besluit. Het buiten toepassing verklaring ex. artikel 159 van de Grondwet van deze bepaling zou dus hoogstens tot gevolg kunnen hebben dat de sectorale voorwaarden niet van toepassing zijn op het via het bestreden besluit vergunde vleeskippenbedrijf. Aangezien het aangevoerde middel niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden, is het middel bijgevolg onontvankelijk.
  64. Samen met de Eerste Auditeur moet bovendien vastgesteld worden dat het buiten toepassing verklaren van artikel 5.9.5.3 §5 van Vlarem II tot gevolg zou hebben dat er geen sectorale milieuvoorwaarden meer bestaan voor de in deze bepaling bedoelde inrichtingen. Anders dan verzoekende partij uitdrukkelijk verdedigt in haar laatste memorie, doet het buiten toepassing verklaren van artikel 5.9.5.3 §5 van Vlarem II de oude sectorale milieuvergunningsvoorwaarden, zoals deze van toepassing waren voor de wijziging door artikel 99 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, niet herleven. Het buiten toepassing verklaren van artikel 5.9.5.3 §5 van Vlarem II zou aldus een voor het milieu nadeliger rechtsvacuüm doen ontstaan, dat zou resulteren in een lager niveau van bescherming en aldus zou indruisen tegen de door verzoekende partij in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. Minstens dient aldus vastgesteld te worden dat het middel verzoekende partij geen voordeel kan opleveren. Indien de sectorale voorwaarden van artikel 5.9.5.3 §5 van Vlarem II onwettig zouden worden bevonden, zou dit hoogstens tot gevolg kunnen hebben dat deze sectorale voorwaarden niet van VII-39.837-20/35 toepassing zijn op het via het bestreden besluit vergunde vleeskippenbedrijf. De verzoekende partij zou zich dus in een minder gunstige positie bevinden dan wanneer de sectorale voorwaarden niet buiten toepassing gelaten zouden worden. De verzoekende partij heeft aldus geen belang bij het inroepen van het middel.
  65. Ook Uw Raad heeft eerder reeds geoordeeld dat het gebeurlijk buiten toepassing laten van artikel 5.9.5.3 van Vlarem II er niet toe leidt dat een uitgebreidere verbodsregel zou tot stand komen, waardoor het beroepen besluit zou moeten worden geweigerd. Aldus is volgens Uw Raad een middel dat zich op de onwettigheid van artikel 5.9.5.3 van Vlarem II beroept, onontvankelijk bij gebrek aan belang.[…]
  66. Ook wat de grond van de zaak betreft, moet samen met de Eerste Auditeur worden vastgesteld dat het artikel 5.9.5.
  67. §5 Vlarem II - zoals gewijzigd door artikel 99 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 - geenszins strijdig is met artikel 1.2.1, §2 DABM en artikel 191 EU-Verdrag. Artikel 1.2.1, §2 DABM bevat geen direct afdwingbare norm en behoeft nadere uitwerking, zodat het niet tot de onwettigheid van artikel 5.9.5.3, §5 DABM kan leiden.[…] Artikel 191 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie bevat evenzeer enkel beleidsgerelateerde beginselen die bovendien gelden voor het beleid van de Europese Unie. Het betreffen aldus evenmin beginselen die tot de onwettigheid van artikel 5.9.5.3, §5 Vlarem II kunnen leiden. Maar er is meer. Zoals de Eerste Auditeur en de tussenkomende partij opmerken, blijkt uit het Verslag aan de Vlaamse Regering bij het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 dat de verlaging van de afstanden ten aanzien van de genoemde gebieden de hoogwaardige bescherming van het leefmilieu niet in het gedrang brengt. Verzoekende partij toont in elk geval het tegendeel niet aan”.
  68. De tussenkomende partij betoogt in de laatste memorie wat volgt: “
  69. Zoals reeds hoger toegelicht bevat 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet geen concrete en op elke individuele vergunningsaanvraag toepasselijke verplichtingen of verbodsbepalingen.[…] Artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet bevat daarentegen enkel algemene beleidsdoelstellingen die gelden in het Vlaamse Gewest. Een dergelijke doelstelling kan enkel geschonden worden door een handeling die kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstelling, en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft.[…] Ook artikel 191 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie bevat beleidsgerelateerde beginselen die overigens enkel gelden voor het beleid van de Europese Unie. VII-39.837-21/35
  70. Artikel 5.9.3.5 van VLAREM II bepaalt thans: „Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van een inrichting, gelegen in een agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel
  71. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan: Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks gevogelte Waarderings- van van van van van punten 5.001 10.001 20.001 tot 40.001 tot 60.001 toegekend aan tot tot 40.000 60.000 tot de inrichting 10.000 20.000 80.000 ≤ 5000 > 80.000 > 200 50 75 100 150 200 225 250 Het is verboden in een inrichting, omvattende een of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een agrarisch gebied, meer kippen of stuks gevogelte te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten.‟ Voor de wijziging bij besluit dd. 29 september 2008 luidde deze bepaling: „Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van een inrichting, gelegen in een agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.
  72. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan: Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks gevogelte Waarderings- van 5.001 van van van 40.001 punten tot 10.000 10.001 20.001 tot 60.000 toegekend aan tot tot Meer de inrichting 20.000 40.000 dan ≤ 5000 60.000 > 200 50 75 100 150 200 500 Het is verboden in een inrichting, omvattende een of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een agrarisch gebied, meer kippen of stuks gevogelte te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten.‟ Met het besluit van 19 september 2008 werden een aantal irrelevante afstandsbepalingen afgeschaft. Vanaf 60.000 legkippen dient immers een milieueffectenrapport te worden opgemaakt. Dat verschaft specifieke bijkomende informatie over de milieu-impact van het bedrijf en de maatregelen die nodig zijn om die impact te milderen. VII-39.837-22/35 De beide bepalingen vinden hun rechtsgrond in artikel 20 van het Milieuvergunningendecreet.[…]
  73. De verzoekende partij toont niet aan dat het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 19 september 2008, in het bijzonder artikel 99, indruist tegen de algemene beleidsdoelstellingen van artikel 1.2.1 DABM noch tegen artikel 20 van het Milieuvergunningendecreet. De verzoekende partij stelt in enkel vage en algemene bewoordingen dat het wijzigen van de afstandsregels een achteruitgang van de milieubescherming met zich mee zou brengen. Verder stelt zij in het middel nog een aantal open vragen. Verzoekende partij toont echter niet aan dat het bijstellen van een irrelevante afstandsregel een negatieve impact zou hebben. De wijziging wordt in het verslag aan de Vlaamse Regering als volgt toegelicht[…] […] De eisende partij toont niet concreet aan op welke wijze artikel 99 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 artikel 1.2.
  74. DABM zou schenden. Zij bewijst niet dat de boven geciteerde verantwoording voor het wijzigen van de afstandsrregels voor pluimveehouderij zouden indruisen tegen de doelstellingen van artikel
  75. DABM.
  76. Artikel 5.9.3.5 § 5 van VLAREM II is evenmin onwettig omdat het niet specifiek in een afstandsregel voorziet ten aanzien van natuurgebieden of speciale bescherminsgzones. De bescherming van deze gebieden wordt helemaal niet geregeld via art.
  77. 9.3.
  78. van VLAREM II. Zo zijn er onder meer maatregelen uitgewerkt met betrekking tot deze zones in het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober
  79. Het middel gaat er ten onrechte van uit dat de afstandsregel vervat in art. 5.9.3.5 § 5 van VLAREM II de enige regelgeving is die verdere uitwerking geeft aan de algemene beleidsdoelstellingen zoals onder meer vooropgesteld in art. 1.2.
  80. DABM, artikel 23 van de Grondwet, artikel 20 van het Milieuvergunningendecreet of art. 191 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. De verzoekende partij toont geheel niet aan dat er sprake zou zijn van een schending van het evenredigheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Aangezien eisende partij geen onwettigheid aantoont kan ook geen toepassing worden gemaakt van artikel 159 van de Grondwet. Het middel is ongegrond”.
  81. De verwerende partij betoogt in haar schriftelijke opmerkingen na de heropening van het debat dat de verzoekende partij niet de schending van het standstillbeginsel van artikel 23 van de Grondwet heeft aangevoerd in het verzoekschrift. Artikel 1.2.1, § 2, DABM bevat geen direct afdwingbare norm en behoeft nadere uitwerking zodat het niet tot de onwettigheid van artikel 5.9.5.3, VII-39.837-23/35 § 5, van Vlarem II kan leiden. Hetzelfde geldt voor de beleidsgerelateerde beginselen van artikel 191 VWEU en artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet. Zij betwist dat er sprake is van een, laat staan aanzienlijke, daling van het beschermingsniveau zoals ook blijkt uit het verslag aan de Vlaamse regering. De aanpassing van de afstandsregels heeft geen impact op de geurhinder. Minstens is er een rechtvaardiging voor de wijziging. Het feit dat een milieueffectenrapport (hierna: MER)-project moet opgesteld worden maakt dat de hinderaspecten in kaart gebracht worden en mee in overweging worden genomen in de besluitvorming. De verzoekende partij toont niet de relevantie aan van de discussie over de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel. Het is niet onredelijk om in artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II afstandsregels in te voeren ten aanzien van bepaalde bestemmingsgebieden van het gewestplan. De verwerende partij vraagt om in voorkomend geval de gevolgen van de onwettigheid van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II te handhaven “voor het verleden en de toekomst, minstens voor het verleden en tot 31 december 2022 teneinde het Vlaamse Gewest in de mogelijkheid te stellen om aan de vastgestelde onregelmatigheid te verhelpen”.
  82. De tussenkomende partij verwijst in haar aanvullende memorie na het tussenarrest naar het verslag aan de Vlaamse regering bij het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 waaruit blijkt dat er “goede redenen waren om de zogenaamde afstandsregel bij te stellen” en dat het niet vaststaat dat de wijziging gepaard ging met een daling van het beschermingsniveau. Zij besluit dat niet is aangetoond dat het standstill-beginsel zou geschonden zijn door het wijzigingsbesluit van 19 september
  83. De verzoekende partij betwist de ontvankelijkheid van de voorgestelde prejudiciële vragen. Zij stelt nog dat de MER-plicht noch de bondige uitleg in het verslag aan de Vlaamse regering de drastische afbouw van de voorheen bestaande afstandsregel goed kan maken. VII-39.837-24/35 Beoordeling
  84. De verwerende partij houdt ten onrechte voor dat de verzoekende partij niet de schending van het standstillbeginsel aanvoert in het verzoekschrift. Uit het verzoekschrift blijkt genoegzaam dat de verzoekende partij uitdrukkelijk de schending aanvoert van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu vervat in artikel 23 van de Grondwet en van de beginselen in artikel 1.2.1, § 2, DABM. De verzoekende partij licht daarin toe gegriefd te zijn door de versoepeling van de afstandsregels in artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II bij artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september
  85. Artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II luidde vóór de wijziging bij besluit van de Vlaamse regering van 19 september 2008: “Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van een inrichting, gelegen in een agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.
  86. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan: Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks gevogelte Waarderings- ≤ 5000 van van 10.001 van van meer punten 5.001 tot 20.000 20.001 40.001 dan toegekend aan tot tot tot 60.000 de inrichting 10.000 40.000 60.000 > 200 50 75 100 150 200 500 Het is verboden in een inrichting, omvattende een of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een agrarisch gebied, meer kippen of stuks gevogelte te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten”. VII-39.837-25/35
  87. Dezelfde bepaling na de wijziging bij voormeld besluit van de Vlaamse regering van 19 september 2008, luidt thans: “Tussen elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van een inrichting, gelegen in een agrarisch gebied enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds, dient in functie van het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden en van het overeenkomstig artikel 5.9.5.
  88. berekend aantal waarderingspunten, tenminste de volgende afstand te bestaan: Vereiste minimumafstand in m bij aantal stuks gevogelte Waarderings- van van van van van punten ≤ 5000 5.001 10.001 20.001 40.001 60.001 > 80.000 toegekend aan tot tot tot tot tot de inrichting 10.000 20.000 40.000 60.000 80.000 > 200 50 75 100 150 200 225 250 Het is verboden in een inrichting, omvattende een of meer pluimveestallen, die geheel gelegen is in een agrarisch gebied, meer kippen of stuks gevogelte te houden dan het aantal dat in functie van voormelde criteria en de afstandsregels is toegelaten”.
  89. Deze sectorale milieuvoorwaarde is een afdwingbare rechtsnorm waarmee de Vlaamse regering het haar in het te dezen toepasselijke artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet opgedragen milieubeleid uitwerking geeft. De verzoekende partij vraagt om de wijziging van die rechtsnorm te toetsen aan de beginselen die daaraan volgens artikel 1.2.1, § 2, DABM ten grondslag moeten liggen.
  90. Het op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing laten van artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 impliceert dat op de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij de oorspronkelijke versie van artikel 5.9.5.3, § 5, eerste lid, van Vlarem II moet worden toegepast. Voor de betreffende inrichting moet dan, gelet op het gevraagde aantal dieren en de berekende waarderingspunten, een afstandsregel ten aanzien VII-39.837-26/35 van woonuitbreidingsgebied gelden van 500 meter in plaats van 250 meter. De verzoekende partij heeft bijgevolg belang bij het middel.
  91. Teneinde ieder een menswaardig leven kan/zal kunnen leiden in de zin van artikel 23 van de Grondwet, waarborgt de decreetgever, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, waarvan het de voorwaarden voor de uitoefening bepaalt. In de toelichting bij de herziening van titel II van de Grondwet door invoeging van een artikel 24bis (thans 23) betreffende de economische en sociale rechten (Parl.St. Senaat, BZ 1991-92, nr. 100-2/3, 20; eveneens Parl.St. Senaat, BZ 1991-92, nr. 381/1, 12), wordt omtrent de inhoudelijke betekenis van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, het volgende gesteld: “Door de voortdurende economische en technische vooruitgang van de maatschappij is het mogelijk geweest de sociaal-economische grondrechten reeds voor een gedeelte te verwezenlijken. De keerzijde van deze vooruitgang is echter de wijze waarop het leefmilieu opgeofferd werd aan de economische ontwikkelingen. Het is de plicht van de overheid het leefmilieu te beschermen. Een ieder heeft recht op een menselijk, gezond en ecologisch evenwichtig milieu. Aan dit recht is de verplichting verbonden bij te dragen tot het behoud van het milieu”. In de toelichting over de juridische draagwijdte van de sociaal-economische grondrechten, waaronder het recht op bescherming van een gezond leefmilieu (Parl.St. Senaat, BZ 1991-92, nr. 100-2/3, 13; eveneens Parl.St. Senaat, BZ 1991-92, nr. 381/1, 8; Parl.St. Senaat, BZ 1991-92, nr. 100-2/4, 87), wordt gewezen op het “standstill effect” ervan: “In elk geval brengt het erkennen van de sociaal-economische grondrechten met zich dat die als het ware in de Grondwet verankerd worden. Rechten die reeds erkend waren in de interne wetgeving kunnen niet meer afgebouwd worden zonder overtreding van de Grondwet”. VII-39.837-27/35 De erkenning van deze grondrechten verplicht de overheid “zich in te zetten voor de bevordering van de opgenomen rechten en voor de concrete uitwerking van de desaangaande in de Grondwet gehuldigde beginselen” (Parl.St. Senaat, BZ 1991-92, nr. 381/1, 9). Het uit artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet voortvloeiende “standstill-beginsel” is wat het milieurecht betreft, voor het Vlaamse Gewest neergelegd in artikel 1.2.1, § 2, DABM dat bepaalt dat het milieubeleid onder meer berust op het standstill-beginsel. Het op dat beginsel berustende milieubeleid moet luidens deze decretale bepaling ook streven naar een hoog beschermingsniveau op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Het standstillbeginsel wordt door zowel de grondwetgever als de Vlaamse decreetgever in zijn spraakgebruikelijke betekenis gehanteerd. Het beginsel impliceert dat het door het bestaande milieubeleid bereikte beschermingsniveau niet meer kan worden afgebouwd. De hoogte van het na te streven hoger beschermingsniveau wordt in het toekomstige milieubeleid bepaald door middel van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten. De opname van het standstill-beginsel in het DABM verleent er een juridische waarde aan waardoor het door de uitvoerende macht en de lagere overheden in acht moet worden genomen en een toetsingsgrond vormt voor de bevoegde rechterlijke autoriteiten (Parl.St. Vl.R. 1994-95, nr. 718/1, 24). De toets aan de standstill-werking veronderstelt een vergelijking tussen de situatie van de grondwettelijk beschermde personen onder het nieuwe/toekomstige milieubeleid en onder het oude/huidige milieubeleid, waarbij het bestaande beschermingsniveau en het beschermingsniveau dat het nieuwe milieubeleid biedt, moet worden vergeleken. De vergelijking kan en moet door het bestuur worden uitgevoerd onder het toezicht van de Raad van State. De Raad van State kan zelf niet elke VII-39.837-28/35 mogelijke bijzondere situatie onderzoeken die kan voortkomen uit de vergelijking van de twee stelsels van milieurechtsregels. Het is noodzakelijk dat het bestuur zich in het kader van de eerbiediging van de standstill-werking met voldoende kennis van zaken een oordeel kan vormen over het nieuwe milieubeleid en de gevolgen ervan en dat die oordeelsvorming van het bestuur op een door de Raad van State controleerbare wijze geschiedt.
  92. De afstands- en verbodsregels van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II, gelden per categorieën van inrichtingen, categorieën die worden bepaald aan de hand van een dubbel criterium: enerzijds het aantal dieren dat er wordt gehouden, anderzijds het aantal waarderingspunten dat aan hun technische uitrusting wordt toegekend. Daardoor werkt de tabel op twee manieren. Horizontaal, binnen eenzelfde categorie waarderingspunten, neemt de te respecteren afstand in verschillende trappen toe volgens het aantal dieren dat wordt gehouden. Verticaal, binnen eenzelfde categorie van dierenaantallen, neemt de te respecteren afstand in verschillende trappen af volgens het aantal waarderingspunten dat aan de infrastructuur wordt toegekend uit oogpunt van hinderbeperking. In de regeling voor 1 maart 2009 bestonden er 24 categorieën van inrichtingen. Voor 22 van deze 24 zijn de afstandsregels ongewijzigd gebleven. De wijziging betreft enkel de afstandsregels voor bedrijven met meer dan 60.000 dieren en tussen 150 en 200, respectievelijk meer dan 200 waarderingspunten, waarvoor een afstand gold van 1.000 respectievelijk 500 meter. De wijziging bestaat er in dat die twee categorieën verder werden opgesplitst in een nieuwe categorie met tussen 60.000 en 80.000 dieren, en een restcategorie zonder bovengrens, vanaf 80.000 dieren. Daarvoor gelden nu afstanden van 250 respectievelijk 225 meter, en 300 respectievelijk 250 meter.
  93. De verwerende partij en de tussenkomende partij verwijzen naar het verslag aan de Vlaamse regering. Daarin wordt gesteld dat de afstandsregels VII-39.837-29/35 voor de twee te wijzigen categorieën niet zijn “onderbouwd vanuit geurhinderbenadering”, en dat dit na de wijziging wel het geval zal zijn. Daaruit leidt de verwerende partij af dat de oude afstandsregels “niet accuraat waren”, en daaruit dan weer dat de wijziging geen impact heeft op de geurhinder. De tussenkomende partij leidt er uit af dat er goede redenen waren voor de wijziging. Het zou met andere woorden gaan om het rechtzetten van een technische fout.
  94. De vraagt rijst bij dit verweer waarom van de 24 categorieën in de oude regeling er slechts 2 niet “onderbouwd” zouden geweest zijn “vanuit geurhinderbenadering”. Het antwoord kan worden gevonden in het aangehaalde verslag aan de Vlaamse regering waar staat: “Verder worden de afstandsregels voor pluimveestallen van meer dan 60.000 stuks gevogelte herzien in het licht van de louter technische geurhinderbenadering”. Uit een en ander volgt dat de Vlaamse regering er destijds voor gekozen heeft om bij de afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten bedoeld in artikel 1.2.1, § 2, DABM, een onderscheid te maken naargelang de bedrijfsgrootte, en meer bepaald om vanaf 60.000 dieren daarin de bescherming van hindergevoelige gebieden zwaarder te laten doorwegen. Dat de afstandsregels voor net deze 2 van 24 categorieën werden gewijzigd past helemaal in een keuze om dat onderscheid niet langer te hanteren. Deze lezing van de toepasselijke afstandsregels voor en na de wijziging van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II en het voormelde verslag aan de Vlaamse regering maakt het verweer dat met deze wijziging de oude afstandsregels accuraat worden gemaakt of een technische fout wordt rechtgezet bij 2 van de 24 categorieën, ongeloofwaardig.
  95. De Vlaamse regering is bevoegd om dergelijke afwegingen te maken en zij beschikt daarbij over een vrij ruime beleidsruimte dat haar wordt toegemeten in artikel 1.2.1, § 2, DABM en dat moet berusten op onder meer het standstill-beginsel.
  96. Uit het voormelde verslag aan de regering noch uit enig ander stuk blijkt dat de Vlaamse regering de wijziging van artikel 5.9.5.3, § 5, van VII-39.837-30/35 Vlarem II bij artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 heeft getoetst aan de luidens artikel 1.2.1, § 2, DABM te eerbiedigen standstill-werking van het te voeren milieubeleid en bijgevolg vanuit dat oogpunt met voldoende kennis van zaken een oordeel heeft gevormd voor het nieuwe milieubeleid en de gevolgen ervan. Alleszins is deze verplichte toetsing aan en oordeelsvorming in het licht van het standstill-beginsel door de verwerende partij niet op een door de Raad van State controleerbare wijze geschied.
  97. De Vlaamse regering heeft als sectorale milieuvoorwaarde forfaitaire inplantingsregels vastgesteld die als minimale voorwaarde en waarborg gelden. In de huidige stand van de regelgeving kan daar niet op basis van een project-MER aan worden voorbijgegaan. De MER-plicht voor pluimveestallen voor meer dan 60.000 dieren stond bovendien reeds in het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieuffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen. Dit is meer dan 6 jaar voor de oorspronkelijke versie van de afstandsregels werd opgenomen in Vlarem II, en bijna 20 jaar voor de thans betwiste wijziging ervan. Daar komt bij dat de milieu-impact en de mogelijke milderende maatregelen reeds verrekend worden in het criterium van de waarderingspunten.
  98. Het vierde middel is gegrond waar het aanvoert dat artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 het in artikel 1.2.1, § 2, DABM opgenomen standstill-beginsel schendt. Artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 moet daarom op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. Op de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij moeten bijgevolg de oorspronkelijke afstandsregels in artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II worden toegepast.
  99. De bestreden milieuvergunning steunt op de afstandsregels in artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II zoals gewijzigd bij artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 van de Vlaamse regering. De onwettigheid van deze bepaling leidt derhalve tot de nietigverklaring van de thans VII-39.837-31/35 bestreden beslissing. VII. Handhaving van de gevolgen
  100. Artikel 14, derde lid, van het algemeen procedurereglement biedt aan een procespartij de mogelijkheid om de vordering tot behoud van de gevolgen van het bestreden reglement uiterlijk in de laatste memorie te formuleren, wat te dezen is geschied.
  101. Artikel 14ter van de RvS-wet bepaalt: “Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden”.
  102. Zoals reeds aangehaald is er geen sprake van de vernietiging van voormeld artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008, maar enkel van een buitentoepassinglaten inter partes van deze bepaling.
  103. De motieven van de verwerende partij voor het verzoek tot handhaving van de gevolgen betreffen enkel de bij artikel 99, 3°, van het wijzigingsbesluit van 19 september 2008 gewijzigde sectorale milieuvoorwaarde van artikel 5.9.5.3, § 5, van Vlarem II. Zij motiveert niet haar vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden beslissing van 13 september
  104. VII-39.837-32/35 De Raad van State wordt niet overtuigd van uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen om de gevolgen van de hierna te vernietigen vergunning te handhaven.
  105. Het verzoek wordt verworpen. VIII. Rechtsplegingsvergoeding
  106. De verzoekende partij vraagt een rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.400 euro “mede gelet op de financieel beperkte draagkracht van verzoekster tegenover de ruime financiële draagkracht van verwerende partij en mede gezien de redelijke complexiteit van de zaak”.
  107. Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de RvS-wet, de verzoekende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
  108. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste en tweede lid, van de RvS-wet: “§
  109. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie. [...]”.
  110. Het eerste lid van de aangehaalde bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet VII-39.837-33/35 op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.
  111. De rechtsplegingsvergoeding strekt ertoe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De verzoekende partij toont niet aan op grond van welke bijzondere redenen deze zaak, wat de complexiteit ervan betreft, dermate verschilt van de beroepen zoals die gewoonlijk voor de Raad worden gebracht, opdat dit een vermeerdering van dit forfaitair bedrag kan verantwoorden. Uit voormeld artikel 30/1, § 2, van de RvS-wet volgt dat de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij een beoordelingselement kan vormen om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verlagen en niet om het bedrag te verhogen. De financiële draagkracht van de in het gelijk gestelde partij is blijkens de aangehaalde bepaling evenmin een criterium om af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. BESLISSING
  112. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 13 september 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 februari 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de LV Van Schil voor het verder exploiteren en veranderen van een kippenbedrijf, gelegen aan de Groesaard 8 te Poederlee, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
  113. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-39.837-34/35
  114. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.837-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.351 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.