id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.353 Rolnummer: A. 221343/VII-39902 Zaak: Arrest 244353 - Milieuvergunningen - 02/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-13 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 01:46 Fiche Arrest nr 244.353 van 2 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.353 van 2 mei 2019 in de zaak A. 221.343/VII-39.
- In zake :
- Maria AWOUTERS
- Arnaud EVERAERTS
- Xavier DE WIT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evert Vervaet kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te 1000 Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Stefan DIELEMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 november 2016 waarbij het beroep ingediend tegen de weigering van de milieuvergunning door het college van burgemeester en VII-39.902-1/15 schepenen van de gemeente Wemmel van 20 april 2016 wordt ingewilligd en aan Stefan Dieleman de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een paardenfokkerij, gelegen aan de J. Vander Vekenstraat 144 te Wemmel. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 maart
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karel Van Alsenoy, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Sofie Albert, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-39.902-2/15 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 22 december 2015 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag klasse 2 in voor de exploitatie van een zuivere paardenfokkerij, gelegen aan de J. Vander Vekenstraat 144 te Wemmel. De geplande inrichting is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in agrarisch gebied (en voor een klein gedeelte in natuurgebied). De verzoekende partijen wonen of zijn eigenaar van percelen gelegen in de J. Vander Vekenstraat. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek wordt één collectief bezwaarschrift ingediend, ondertekend door 69 personen. 3.
- Bij besluit van 20 april 2016 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wemmel de gevraagde milieuvergunning. 3.
- De tussenkomende partij tekent op 23 mei 2016 bestuurlijk beroep aan tegen deze vergunningsweigering. 3.
- Nadat de nodige adviezen zijn ingewonnen, verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 17 november 2016 de gevraagde VII-39.902-3/15 milieuvergunning, met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden. Het betreft de thans bestreden beslissing. Het “verslag van het onderzoek” luidt: “De percelen van de inrichting zijn volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (KB van 07.03.1977) grotendeels gelegen in een agrarisch gebied en voor een klein gedeelte (achteraan) in een natuurgebied. De gebouwen worden ingeplant in het agrarisch gebied. De uitbating paalt in het zuidwesten aan een woongebied (in het noordwesten is nog een strook landbouwzone). Artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen is van kracht: ‘De agrarische gebieden zijn bestemd voor landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven.’ In de omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen van 8 juli 1997 en latere wijzigingen wordt in artikel 11.4.1 omtrent para-agrarische bedrijven als voorbeeld van een ‘ander para-agrarisch bedrijf dat minder afgestemd is op de grondgebonden landbouw een paardenhouderij met minstens 10 paarden gegeven, waarbij de hoofdactiviteit gericht is op het fokken en/of houden van paarden en eventueel bijkomend op het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan. De uitbating van deze paardenfokkerij is verenigbaar met dit planologisch voorschrift. De uitbating van de paardenfokkerij is trouwens volgens Vlarem ingedeeld onder dezelfde rubriek als runderen (grote zoogdieren). Er worden geen recreatieve doelen of verhuur van stallen beoogd. Er werd echter de rubriek 32.4 Rijscholen, inrichtingen voor ruiter-, draf-, ren- en mensport, inrichtingen voor verhuur en africhting van paarden en andere zadeldieren aangevraagd voor de binnenpiste en longeerpiste. Deze rubriek dient echter geweigerd te worden aangezien de uitbating van een recreatieve manège niet thuishoort in agrarisch gebied maar wel in recreatiegebied. De binnenpiste en longeerpiste maken deel uit van het fokken van dieren zodat hiervoor geen afzonderlijke rubriek nodig is. De aanvraag heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse regering d.d. 1 maart 2013 (B.S. 29 april 2013) inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening. De aanvraag werd getoetst aan de criteria van bijlage II van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM). Gelet op de concrete kenmerken van het project, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van de potentiële milieueffecten moeten geen aanzienlijke VII-39.902-4/15 milieueffecten verwacht worden, zodat geen MER moet worden opgemaakt. De aanvraag betreft het uitbaten van een fokstal en paardenhouderij met 70 standplaatsen. Er worden twee loodsen tegen elkaar gebouwd. De grootste loods links heeft een open vrije ruimte die wordt bestemd voor de opslag van stro en hooi in combinatie met het stallen van landbouwvoertuigen en -materiaal. Voor deze vrije ruimte komen er 22 individuele boxen, een zadelkamer, een douche/solarium en een opzadelstal. Het rechter deel van deze grote loods is ingevuld met grote gemeenschappelijke boxen, onder meer voor 1 jarige veulens, voor 2 en 3 jarigen en een deel gemengd voor veulens en merries. Hierop aansluitend is er rechts de tweede loods waarbij de open ruimte wordt ingevuld met een loopmolen met een diameter van 20m en een binnenpiste. Het voorste deel van deze loods langs de rechterzijde wordt ingevuld met een woning. De vaste mest wordt opgeslagen in de stallen zelf en wordt vervolgens om de 14 dagen vanuit de boxen opgehaald door een erkende ophaler. Waterhuishouding De grondwaterwinning op een diepte van 35 meter situeert zich in de Ieperiaan Aquifer (HCOV 0800, grondwaterlichaam CVS-0800-GWL-3) met een goede kwantitatieve toestand. De grondwaterwinning dient als drinkwater voor de 70 paarden. Voor laagwaardige toepassingen moet regenwater gebruikt worden. Er is een regenwateropvang van 30m3 voorzien en een infiltratiebekken van 200 m
- De overloop van de regenwaterputten gaat naar het infiltratiebekken en ook naar de riolering. Er is geen reden om ook dit gedeelte niet naar het infiltratiebekken te sturen. Dit wordt als bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd. De uitbating ligt langs de Leestbeek, onbevaarbare waterloop nr. 1.052/11 van de atlas der waterlopen van Wemmel. Volgens de overstromingskaart van Vlaanderen is het perceel 215c niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied. Het achterliggende gebied (perceel 215b) nl. de zone met de vier infiltratiegrachten (evenals de compensatie van de ontbossing) ligt volgens de overstromingskaart wel in overstromingsgevoelig gebied (afstromend hemelwater). Het mogelijk effect van de uitbating op de bescherming tegen wateroverlast en overstromingen moet daarom beperkt worden door (watertoets advies dienst waterlopen i.k.v. stedenbouwkundige aanvraag): […] Luchtemissies De stallen van het ‘gesloten’ type worden natuurlijk verlucht. De geuremissie in de onmiddellijke omgeving van de uitbating is beperkt en niet overdreven voor een agrarisch gebied. Er is geen vaste buitenmestosplag zodat dit geen geuremissie naar de omgeving geeft. Er is geen buitenpiste. Enkel een binnenpiste en longeercirkel. Het dichtstbijzijnde SBZ-gebied, ‘Bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei in het noordwesten van het gewest’ bevindt zich in het VII-39.902-5/15 Brussels Hoofdstedelijk Gewest op ca. 1.800 m van de uitbating. Uit de Voortoets in het kader van de programmatische aanpak stikstof blijkt dat de effecten van verzuring en eutrofiëring via de lucht op habitatrichtlijngebieden (in Vlaanderen) niet significant zijn (bijdrage aan de kritische depositielast 3%). De paardenstalmest geeft weinig of geen uitstoot van ammoniak. Afvalwaterlozingen De potstallen (stal op stro) worden droog gereinigd (uitgeborsteld). Er is geen bedrijfsafvalwater van de reiniging van de stallen. Het waswater van de paarden wordt opgevangen in een citerne van 5 m3 die periodiek wordt geledigd en als bodemverbeteraar op cultuurgrond wordt uitgespreid. De exploitatie ligt voor het huishoudelijk afvalwater in een centraal gebied zodat aansluiting op riolering is voorzien. Het huishoudelijk afvalwater is enkel afkomstig van de te bouwen woning en is niet als hinderlijk ingedeeld. Geluid en trillingen Het geluid van het leveren van voeders en dieren en van de motoren van de machines is eigen aan de uitbating van een landbouwactiviteit en is niet overdreven voor deze omgeving. Er worden geen recreatieve doelen of verhuur van stallen beoogd en vergund. Naar de aansluitende woonzone zijn geen openingen van poorten of deuren gericht zodat geen geluid of trillingen naar de omliggende bebouwing wordt verspreid. Stralingen (met inbegrip van verlichting) De stallen hebben natuurlijk daglicht door verspreide lichtstraten in het dakoppervlak en langs poorten en deuren. Enkel tijdens de nacht bij het betreden van de stal wordt kunstlicht aangestoken. De binnenpiste wordt enkel verlicht bij nachtval, wat een beperkte periode per jaar betreft. De verlichting is richting piste gedraaid zodat er geen lichtemissies omhoog gaan of in zijdelingse richting. Emissies naar bodem en grondwater. De kadavers van dieren (uitermate uitzonderlijk) worden verplicht opgehaald door Rendac. Opslag van mazout gebeurt in een dubbelwandige tank in de loods en staat geplaatst op verharding. Mestopslag Het Vlarem bevat geen constructievoorschriften, afstandsregels of capaciteit voor mestopslagplaatsen voor paardenmest. De mestopslag op de inrichting dient steeds tot een minimum beperkt te blijven om geurhinder te vermijden voor de omwonenden. Daarom is het aangewezen om de paardenmest minstens om de 14 dagen af te voeren en slechts een beperkte opslag van 5m3 te voorzien. Dit wordt als bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd. Transportorganisatie: Er worden geen overbodige vrachtwagenritten ingelegd (zoveel mogelijk volle vrachtwagens). Het terrein sluit aan bij de bestaande bebouwing en is gelegen langs een VII-39.902-6/15 voldoende uitgeruste weg. De locatie is tevens goed ontsloten, want is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het op- en afrittencomplex van de ring rond Brussel. Aan de rechterkant van de uitbating bevindt zich een woning, aan de overkant van de straat bevinden er zich twee woningen; Andere aspecten Er kunnen 20 stuks voertuigen en aanhangwagens worden gestald in de loods. Er is een dubbelwandige mazouttank van 3.000 liter voor vullen van voertuigen. Deze is geplaatst in de loods op verharding. Het vullen van de voertuigen gebeurt overdekt en op verharding. Ook de opslag van stro voor in totaal 1000 m3 bevindt zich in de loods. Opslag van gevaarlijke producten in kleine verpakkingen voor een totaal van 500 l of kg betreft fytoproducten en reinigingsmiddelen van max. 30 l of kg. Het laden en lossen van de dieren gebeurt aan de linkerzijde van het gebouw (weg van de woonzone). De binnenpiste is overdekt waardoor stofuitstoot tot een minimum herleid is. Door de goede oriëntatie van de verlichting, waarbij er geen uitstraling van het licht omhoog plaats vindt, noch in zijdelingse richting, is lichthinder voor de omgeving uitgesloten. Hierbij kan tevens opgemerkt […] worden dat de voorziene lichtstraten een energiebesparende maatregel inhouden doordat deze het daglicht binnenlaten en zo voorkomen dat er overdag kunstlicht nodig is. Globaal kan gesteld worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de waterhuishouding in de omgeving, op de natuur, en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie bij naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Samenvattend kan gesteld worden dat de exploitant alle mogelijke maatregelen getroffen heeft om de buurt niet te hinderen door stof, geluid, geur door alle activiteiten te voorzien in de loodsen, inclusief manoeuvreren van de voertuigen. Aangezien de paardenfokkerij bovendien gelegen is in daarvoor geschikte zone (agrarisch gebied), is er geen reden om de milieuvergunning te weigeren. Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het beroep in te willigen en de vergunning te verlenen voor een termijn van 20 jaar”. 3.
- De overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning wordt in beroep geweigerd door de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 14 juli
- VII-39.902-7/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie nopens het belang van de verzoekende partijen
- De tussenkomende partij werpt op, wat derde verzoeker betreft, dat deze op meer dan 300 meter van de inplantingsplaats van de fokkerij woont en de aangehaalde hinderaspecten geenszins concretiseert. Wat tweede verzoeker betreft, stelt de tussenkomende partij dat uit geen enkel stuk blijkt dat deze partij mede-eigenaar is van het aangrenzende onroerend goed. Voorts laat hij na aan te tonen welke hinder of nadelen hij van de gevraagde inrichting zal ondergaan, temeer daar bij de perceelsgrens een groenbuffer wordt voorzien. Beoordeling
- Uit het dossier blijkt dat alle verzoekende partijen woonachtig zijn in dezelfde straat als de inrichting waarvoor een milieuvergunning wordt gevraagd. De hoedanigheid van bewoner of eigenaar van het perceel gelegen in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting, volstaat om het rechtens vereiste belang van de verzoekende partijen aan te nemen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel, derde onderdeel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 13.4.3.1 en 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, en de gewestplanbestemming van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, van de artikelen 25, 2°, en 50, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams VII-39.902-8/15 reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partijen voeren in een derde onderdeel aan dat uit de artikelen 21, § 2, 2°, en 25, 2°, van Vlarem I volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De bestreden beslissing bevat enkel een planologische toets maar geen toets wat betreft de overeenstemming met de goede plaatselijke aanleg, waardoor de formelemotiveringsplicht is geschonden. De gegeven beoordeling op stedenbouwkundig vlak staat haaks op eerdere beoordelingen van de verwerende partij in het kader van de weigering van de stedenbouwkundige vergunning. Het getuigt van een bijzonder onzorgvuldig bestuur en is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat de verwerende partij drie maanden eerder een kruis maakt over de voorliggende bouwplannen in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedure, maar drie maanden later, en zonder verpinken, de milieuvergunningsaanvraag wel honoreert op basis van dezelfde plannen, dit alles zonder afdoende motivering. In het licht van eerdere rechtspraak van de Raad van State kan dit, aldus de verzoekende partijen, niet worden aangenomen.
- De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat zij in de beslissing met betrekking tot de stedenbouwkundige vergunning wel degelijk heeft stilgestaan bij de vraag of het goed verenigbaar was met de onmiddellijke omgeving. In de geweigerde stedenbouwkundige vergunning wordt uitdrukkelijk de planologische verenigbaarheid, dit is de overeenstemming met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van de uitbating met de omgeving bevestigd. De betrokken vergunning werd geweigerd omwille van bouwkundige aspecten, waaraan geen milieu-impact was verbonden. Deze bezwaren kunnen mogelijks worden opgevangen bij het indienen van een nieuwe VII-39.902-9/15 stedenbouwkundige aanvraag. Wat de aanvraag voor de milieuvergunning betreft, werd overeenkomstig artikel 20 van Vlarem I advies gevraagd bij Ruimte Vlaanderen, dat stilzwijgend gunstig is. Per e-mail van 2 augustus 2016 werd bevestigd dat in dit dossier geen advies werd uitgebracht “aangezien een paardenfokkerij als para-agrarisch wordt beschouwd en dus verenigbaar is met het planologisch voorschrift”. De bestreden beslissing is aldus afdoende gemotiveerd.
- De tussenkomende partij wijst er in haar memorie op dat een stedenbouwkundige vergunning niet kan worden geweigerd of verleend door louter te verwijzen naar de inhoud van de milieuvergunning, noch kan dit omgekeerd. In tegenstelling tot bij de stedenbouwkundige vergunning, moet in het kader van het ruimtelijk onderzoek voor een milieuvergunning geen rekening worden gehouden met de omliggende percelen met een andere ruimtelijke bestemming. De planologische verenigbaarheid van de inrichting moet enkel worden onderzocht met betrekking tot het perceel waarop het gelegen is. In de bestreden beslissing werd naast de planologische verenigbaarheid “in ruime mate stilgestaan bij de vraag of het aangevraagde verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. De criteria die verband houden met de goede ruimtelijke ordening betreffen de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel [11.4.1]”. De verzoekende partijen maken abstractie van al deze extensieve beoordelingen die betrekking hebben op de goede ruimtelijke ordening, en houden geen rekening met het vastgestelde feit dat een nieuwe aangepaste stedenbouwkundige aanvraag werd gedaan, wat een zeer determinerende invloed heeft op de vergunbaarheid van de aanvraag. Op basis van dit aangepast inplantingsplan, waarvan de verwerende partij in kennis werd gesteld, en het feit dat in de weigeringsbeslissing van 14 juli 2016 inzake de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag verder enkel procedurele weigeringsmotieven werden gehanteerd, kon de verwerende partij onder meer besluiten dat de exploitant de hinder voor de omgeving nu tot het uiterste minimum VII-39.902-10/15 heeft beperkt zodanig dat het in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. De uitgevoerde stedenbouwkundige toets strekt zich dan ook niet alleen uit over de al dan niet planologische verenigbaarheid maar ook zeker ten aanzien van de goede ruimtelijke ordening. Gelet op al het bovenstaande spreekt de verwerende partij zichzelf ook helemaal niet tegen zodanig dat ook die bewering van de verzoekende partijen allerminst kan worden begrepen.
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat in de geweigerde stedenbouwkundige vergunning uitdrukkelijk de planologische verenigbaarheid van de uitbating met de omgeving wordt bevestigd, en het advies van Ruimte Vlaanderen stilzwijgend gunstig was omdat de paardenfokkerij als verenigbaar wordt geacht met het planologisch voorschrift. Verder is het volgens de verwerende partij duidelijk dat “het onderzoek naar de goede ruimtelijke ordening met de onmiddellijke omgeving grotendeels samenvalt met de ganse reeks maatregelen die voorzien zijn om […] de hinder […] zo beperkt mogelijk te houden”. Het betreft, niet limitatief, de beschrijving van de uitbating, de maatregelen in verband met de waterhuishouding, de geuremissies en lichthinder, bepalingen inzake mestopslag en de verduidelijking dat “het terrein […] aan[sluit] bij de bestaande bebouwing en is gelegen langs een voldoende uitgeruste weg. De locatie is tevens goed ontsloten, want is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het op- en afrittencomplex… Aan de rechterkant van de uitbating bevindt zich een woning, aan de overkant van de straat bevinden er zich twee woningen”, en het laden en lossen weg van de woonzone. Beoordeling
- Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag beperkt het onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting zich niet enkel tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, maar dient de vergunningverlenende overheid ook aandacht te hebben voor de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving VII-39.902-11/15 aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. De specifieke kenmerken van die omgeving dienen daadwerkelijk bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken. Voorts bepalen (onder meer) artikel 21, § 2, 2°, en artikel 25, 2°, van Vlarem I, zoals geldig ten tijde van de bestreden beslissing, dat het advies van het (thans) departement Ruimte Vlaanderen, respectievelijk van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een gemotiveerde beoordeling dient te bevatten “van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een [milieu]vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening”. Hieruit vloeit voort dat een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt en de onverenigbaarheid van een inrichting met de goede plaatselijke ordening tot de weigering van de milieuvergunning kan leiden. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Afdoende betekent dat de motieven pertinent moeten zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moeten hebben, en tevens dat ze draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen volstaan om de genomen beslissing in rechte te verantwoorden.
- De partijen betwisten niet dat de vergunde inrichting volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse grotendeels gelegen is in agrarisch gebied. VII-39.902-12/15 Blijkens de motivering van de bestreden beslissing neemt de verwerende partij aan dat de exploitatie van deze paardenfokkerij (met 70 stalplaatsen) in overeenstemming is met de planologische voorschriften van dit gewestplan, en wordt voorts ingegaan op de milieuhygiënische hinder die met de gevraagde inrichting verbonden is. Uit deze motivering kan evenwel geenszins worden afgeleid op grond van welke gegevens de verwerende partij tot het besluit is gekomen dat de vergunde inrichting eveneens verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De bestreden beslissing motiveert niet waarom de exploitatie van de vergunde paardenfokkerij de ruimtelijke draagkracht van de onmiddellijke omgeving, in het bijzonder de woningen in de J. Vander Vekenstraat en het aanpalend woongebied niet zal overschrijden. De omstandigheid dat, na datum van de bestreden beslissing, een nieuwe aangepaste stedenbouwkundige aanvraag werd ingediend, kan evident niet aan dit motiveringsgebrek verhelpen.
- Het middel is gegrond. VII-39.902-13/15 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 november 2016 waarbij het beroep ingediend tegen de weigering van de milieuvergunning door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wemmel van 20 april 2016 wordt ingewilligd en aan Stefan Dieleman de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een paardenfokkerij, gelegen aan de J. Vander Vekenstraat 144 te Wemmel.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.902-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.902-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div