id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.359 Rolnummer: A. 224608/VII-40207 Zaak: Arrest 244359 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:48 Fiche Arrest nr 244.359 van 2 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.359 van 2 mei 2019 in de zaak A. 224.608/VII-40.
- In zake : José WITTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Laurent Proot en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : Stefaan DE WITTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 februari 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0391 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 9 januari 2018 in de zaak 1617/RvVb/0181/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 15 maart 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. VII-40.207-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 mei
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-40.207-2/8 III. Feiten 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent verleent op 19 mei 2016 aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van zes gegroepeerde eengezinswoningen. 3.
- Met een besluit van 22 september 2016 verklaart de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) het administratief beroep van verzoeker onontvankelijk. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoeker tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 4.7.21, § 3, en 4.7.19, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij stelt dat de RvVb onterecht oordeelt dat: - verzoeker niet aantoont dat er gegronde twijfel is dat de aanplakking van de stedenbouwkundige vergunning van 19 mei 2016 onregelmatig zou zijn gebeurd en - de deputatie in haar onontvankelijkheidsbeslissing afdoende heeft gemotiveerd waarom het beroep van verzoeker laattijdig was. Verzoeker betoogt dat hij “met voldoende bewijskrachtige gegevens had aangetoond, minstens aannemelijk had gemaakt, dat de aanplakking op een gebrekkige wijze was gebeurd”, doordat het kleine witte A4-papier, VII-40.207-3/8 waarmee drie stedenbouwkundige vergunningen kenbaar werden gemaakt, in strijd met artikel 4.7.19, § 2, VCRO op een vanaf de openbare weg niet zichtbare en leesbare plaats werd aangeplakt, meer bepaald aan een poort op minstens twee meter afstand van de openbare weg tussen en achter dichtgegroeide hagen. De deputatie heeft op dat vlak een gebrekkige en foutieve beoordeling uitgevoerd. De motivering in het bestreden arrest is foutief en gebrekkig. De stelling in het bestreden arrest dat niet bewezen is dat de aanplakking van het formulier aan een weggestoken en niet aan de openbare weg liggende poort onregelmatig was, is manifest onjuist en onredelijk. Het bestreden arrest staat haaks op de eerdere interpretatie van de RvVb omtrent een correcte aanplakking in de zin van artikel 4.7.19, § 2, eerste lid, VCRO. De RvVb gaat er ten onrechte van uit dat de aanplakking werd opgemerkt door de verzoeker of een andere omwonende. De stelling van de RvVb dat uit de foto’s van het dossier blijkt dat het aangeplakte formulier afdoende zichtbaar en leesbaar is, is onjuist en komt neer op een uitholling van eerdere rechtspraak van de RvVb omdat “dit formulier niet leesbaar was vanaf de openbare straat”. De RvVb doet “geen uitspraak over dit belangrijke punt, maar zegt […] al te faciel dat de aanplakking wel afdoende leesbaar was”. Het “oordeel van de RvVb dat de deputatie op een correcte en afdoende wijze haar onontvankelijkheidsbeslissing had gemotiveerd [is] onjuist en onredelijk”. De stelling van de RvVb dat verzoeker niet kan verwijzen naar artikel 59 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: omgevingsvergunningsbesluit), is onredelijk en onjuist. In ondergeschikte orde stelt verzoeker “dat indien een regelmatige aanplakking in de zin van artikel 4.7.19, § 2 VCRO niet neerkomt op een aanplakking die moet gebeuren ter hoogte van de scheidingslijn en die zichtbaar en leesbaar moet zijn vanaf de openbare straat, terwijl deze elementen wel worden vereist door het nieuwe Omgevingsvergunningsbesluit” ligt een schending voor van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en verzoekt hij om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. VII-40.207-4/8 Hij stelt nog dat het cassatieberoep niet kennelijk onontvankelijk is, aangezien het toelaatbaar werd verklaard. Hij beklemtoont dat hij geenszins de Raad van State vraagt om over te gaan tot een nieuwe feitelijke beoordeling, maar enkel de wettigheid van de motivering van het bestreden arrest viseert. De discussie betreft enkel de vraag of de RvVb op een wettelijk correcte manier kon oordelen dat het administratief beroep van verzoeker onontvankelijk werd ingesteld, en dit zonder aan te geven op welke feiten en gedachtegang hij zich baseerde om in te gaan tegen zijn eigen rechtspraak over de aanplakking van vergunningen. Beoordeling
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.7.21, § 3, VCRO zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
- Het middelonderdeel dat het voor de RvVb aangevoerde enige middel herneemt en niet gericht is tegen het bestreden arrest, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf waarvoor hij overeenkomstig artikel 14, § 2, van de RvS-wet niet bevoegd is, en is dan ook niet ontvankelijk.
- Het arrest van de RvVb moet overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen worden omkleed. VII-40.207-5/8 De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middelonderdeel dat het bestreden arrest bekritiseert omdat de motivering foutief, gebrekkig, onredelijk of “al te faciel” is, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.
- Luidens de toepasselijke versie van artikel 4.7.19, § 2, VCRO wordt een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. De door deze decretale bepaling gemachtigde Vlaamse regering heeft geen aanvullende vereisten naar inhoud of naar vorm opgelegd waaraan de aanplakking moet voldoen.
- De verwerping door het bestreden arrest van het enige middel van verzoeker waarin hij de schending van de artikelen 4.7.21, § 3, en 4.7.19, § 2, VCRO, het rechtszekerheids-, redelijkheids-, zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht heeft aangevoerd omdat de aanplakking van de mededeling dat drie stedenbouwkundige vergunningen werden verleend door het college van burgemeester en schepenen, gebrekkig is en niet overeenkomstig artikel 4.7.19, § 2, VCRO, is gesteund op volgende overwegingen: - voor verzoeker begint de administratieve beroepstermijn overeenkomstig artikel 4.7.21, § 3, 3°, VCRO te lopen vanaf de dag na deze van aanplakking; VII-40.207-6/8 - uit artikel 4.7.19, § 2, VCRO volgt dat de aanplakking moet gebeuren op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft; - verzoeker moet de onregelmatigheid van de aanplakking aantonen; - de beroepstermijn gaat in de dag na de startdatum van de aanplakking; - de aanplakking middels één formulier van de mededeling dat er drie stedenbouwkundige vergunningen werden verleend is niet misleidend of strijdig met artikel 4.7.19, § 2, VCRO; - verzoeker toont niet aan dat het attest van aanplakking dat 20 mei 2016 als eerste dag van aanplakking vermeldt, op onwettige wijze werd afgeleverd of door valsheid zou zijn aangetast; - verzoeker maakt niet aannemelijk dat de aanplakking, te dezen afdoende zichtbaar en leesbaar op een poort op een afstand van twee meter van de openbare weg, gebrekkig zou zijn; - de motivering van de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie is niet onredelijk of onzorgvuldig.
- Door aldus te beslissen schendt het bestreden arrest niet het aangevoerde artikel 4.7.19, § 2, VCRO in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet.
- Door de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet voor de RvVb aan te voeren, kan verzoeker dit middelonderdeel derhalve niet voor het eerst in cassatieberoep opwerpen. Er is dan ook geen aanleiding tot het stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof die met betrekking tot dit middelonderdeel wordt geformuleerd.
- Het enige middel wordt verworpen. VII-40.207-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.207-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div