← België

Arrest 244407 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.407 Rolnummer: A. 226668/XIV-37870 Zaak: Arrest 244407 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-16 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:41 Fiche Arrest nr 244.407 van 8 mei 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 244.407 van 8 mei 2019 in de zaak A. 226.668/XIV-37.870 In zake: Eddy GEURTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erik Schellingen en Christophe Bodvin kantoor houdend te 3740 Bilzen Stationlaan 45 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 14 november 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - “[d]e beslissing van de Directeur van de Directie van het Personeel van 25 september 2018 houdende de toepassing van een correctiecoëfficiënt van 1,3605 zodat het resultaat van de best gerangschikte kandidaat (73,5%) overeenkomt met 100%;” - “[d]e beslissing van de (…) Algemene directie van het middelenbeheer en de informatie, directie van het personeel van 1 oktober 2018 houdende het niet slagen van [verzoeker] op de kennisproef in de zin van artikel 11 van het KB Directiebrevet en het bijgevolg niet in aanmerking nemen van de kandidatuur van [verzoeker] tot toelating tot de promotie-opleiding HCP - sessie 2018-2019.” XIV-37.870-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 maart
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Bodvin, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sinds 1 februari 2009 als commissaris van politie werkzaam, actueel bij de politiezone Limburg, regio Hoofdstad

(5907). 3.2. Verzoeker wenst deel te nemen aan de promotieopleiding voor hoofdcommissaris van politie, sessie 2018-2019. Hij dient zijn aanvraag tijdig in. De regels waaraan deze promotieopleiding is onderworpen zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 ‘tot bepaling van het XIV-37.870-2/9 directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 ‘tot wijziging van verschillende teksten inzake bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ (hierna: het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017). Om toegelaten te worden tot de promotieopleiding moet een kandidaat slagen in onder meer een kennisproef (artikel 5, 5°,
  1. a)van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006). Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 3°, van datzelfde koninklijk besluit dient de oproep tot kandidaatstelling “het selectie- en opleidingsreglement, opgesteld door de directeur van de directie van het personeel van de federale politie of het door hem aangewezen personeelslid en goedgekeurd door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie”, te vermelden. Het selectie- en opleidingsreglement bepaalt onder punt
  2. b)de wijze waarop de punten voor de verschillende proeven en subproeven, waaronder de kennisproef, worden toegekend alsook, in voorkomend geval, de weging van die proeven met het oog op het bepalen van de rangschikking. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017 bepaalt dat de kandidaat die tenminste 60% heeft behaald, laureaat is van de kennisproef. 3.3. Verzoeker neemt op 27 februari 2018 aan de kennisproef deel. Bij aangetekend schrijven van 6 april 2018 wordt hem meegedeeld dat hij, na de toepassing van een correctiecoëfficiënt, het resultaat van 89,54/150, dit is minder dan 60%, heeft behaald, hij derhalve niet is geslaagd en zijn kandidatuur niet meer in aanmerking kan worden genomen. XIV-37.870-3/9 Tegen deze beslissing houdende zijn individueel examenresultaat heeft verzoeker een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en nietigverklaring ingediend dat heeft geleid tot ‘s Raads arrest nr. 243.214 van 12 december 2018 waarbij het beroep werd verworpen nadat de verwerende partij de in die zaak bestreden beslissing had ingetrokken. 3.4. Op 1 oktober 2018 heeft de directeur van de Directie van het Personeel een nieuwe beslissing genomen over de deelname van verzoeker aan de kennisproef. Bij die beslissing worden aan verzoeker de scores meegedeeld die hij heeft behaald voor elke vraag van de proef, alsook de door hem behaalde globale score (438,75/1000), hetzij, na toepassing van de correctiecoëfficiënt, 89,84/150 of 59,69%. In deze beslissing wordt nog vermeld: “[…] Elke vraag werd verbeterd door twee correctoren. Als bijlage vindt u per vraag een gedetailleerd overzicht van de correcties. Aangezien het aantal geslaagde kandidaten veel lager lag dan de door de minister goedgekeurde kaderbehoeften heb ik beslist om een correctiecoëfficiënt van 1,3605 toe te passen (zie ref. 4), zodat het resultaat van de best gerangschikte kandidaat (73,5%) overeenkomt met 100%. Deze coëfficiënt werd toegepast op alle resultaten. Enkel kandidaten die de minimumdrempel van 60% behalen op de kennisproef, zijn laureaat van die proef en worden uitgenodigd voor het vervolg van de procedure. Aangezien u, na de toepassing van deze coëfficiënt, de score van 59,69% behaalde, bent u geen laureaat van de kennisproef. […]” Dit is de tweede bestreden beslissing. In deze beslissing wordt verwezen naar een besluit van de directeur van de Directie van het Personeel van 25 september 2018 ‘tot toepassing van een correctiecoëfficiënt’. Dit besluit werd per e-mail van 6 november 2018 aan verzoeker meegedeeld en luidt: “Gelet op het feit dat het aantal geslaagde kandidaten voor de kennisproef in het raam van de selectieprocedure voor de toelating tot de promotieopleiding HCP veel lager lag dan de door de minister goedgekeurde kaderbehoefte, beslis ik om XIV-37.870-4/9 voor die proef toepassing te maken van een correctiecoëfficiënt van 1,3605 zodat het resultaat van de best gerangschikte kandidaat (73,5%) overeenkomt met 100%. Deze coëfficiënt wordt toegepast op alle resultaten. Deze beslissing kadert in mijn bevoegdheid op basis van artikel 4, 1 lid, 3° van het KB Directiebrevet.” Dit is de eerste bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid 6. Wat de spoedeisendheid betreft, zet verzoeker in zijn verzoekschrift in essentie uiteen dat “de bestreden beslissing” verzoeker de mogelijkheid ontneemt om deel te nemen aan het vervolg van de selectieprocedure, die verder nog bestaat uit het onderzoek van de professionele vaardigheden van de kandidaten, de proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management van de betrokkene, en, tot slot, deelname aan het interview. Uit de infofiche en de infosessie in januari 2018 blijkt dat het de XIV-37.870-5/9 bedoeling was de selectie af te ronden in oktober 2018 en de promotieopleiding te laten aanvangen in december 2018, minstens in januari 2019. De concrete gegevens van het dossier tonen volgens verzoeker derhalve aan dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de procedure tot nietigverklaring zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat komt om het belang in hoofde van verzoeker veilig te stellen. Dit is eveneens het geval indien abstractie gemaakt zou worden van de selectieprocedure en de Raad van State bij de beoordeling van de spoedeisendheid enkel rekening zou houden met de start van de eigenlijke opleiding in december 2018-januari 2019. Beoordeling 7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie XIV-37.870-6/9 van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 8. Te dezen, baseert verzoeker de spoedeisendheid in wezen op de vaststelling dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zal komen om hem nog de mogelijkheid te geven alsnog de volledige selectieprocedure (met succes) af te ronden om, vervolgens, toegelaten te worden tot de promotieopleiding die een aanvang neemt in december 2018-januari 2019. 9. Verzoeker kan worden bijgevallen dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zal komen om alsnog de selectieprocedure te kunnen afronden en toegelaten te worden tot de promotieopleiding maar die vaststelling geldt evenzeer ten aanzien van een uitspraak over de vordering tot schorsing. Uit de door de Directie van het Personeel verstrekte informatie blijkt immers dat de selectieprocedure reeds op 30 november 2018, na de deliberatie van de jury, werd afgerond en dat de opleiding waaraan verzoeker alsnog wenst deel te nemen reeds een aanvang heeft genomen op 21 januari 2019. Gelet op deze vaststellingen - ook in acht genomen de uiteenzetting van de verwerende partij inzake de praktische onmogelijkheid om op korte termijn het extern assessment opnieuw te organiseren - is het in de feiten onmogelijk dat verzoeker, na een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt bevolen, nog de XIV-37.870-7/9 selectieprocedure zou kunnen afronden om toegelaten te worden tot de opleiding die reeds is gestart op 21 januari 2019. Waar verzoeker ter terechtzitting nog argumenteert dat krachtens de reglementering overheidsopdrachten de raamovereenkomst zou kunnen worden verlengd teneinde alsnog “op korte termijn” een assessment te organiseren, gaat hij voorbij aan het gegeven dat opdat een dergelijke verlenging zou kunnen worden gegund hoe dan ook nog een administratieve procedure moet worden doorlopen alvorens een assessment zou kunnen worden georganiseerd om toegelaten te worden aan de opleiding deel te nemen. Daarenboven heeft de opleiding met het oog op het behalen van het directiebrevet reeds geruime tijd een aanvang genomen, namelijk op 21 januari 2019. In die omstandigheden moet redelijkerwijze worden aangenomen dat het niet meer mogelijk is om deel te nemen aan de lopende opleiding. Dat geldt des te meer - anders dan verzoeker betoogt - nu uit het door verzoeker bijgebrachte stuk 16, getiteld “Infosessie directiebrevet maandag 15 januari 2018”, onder het kopje “Verloop van de opleiding” blijkt dat de opleiding - los van de stage - slechts enkele weken bedraagt tussen januari en juni 2019 (met residentiële accommodatie), (geïntegreerde) opleidingsmodules omvat en, voorts, groepswerkzaamheden omvat. Verzoeker toont overigens niet aan noch maakt hij aannemelijk dat de modules zonder meer kunnen worden afgesplitst of kunnen worden herhaald. Volgens vaste rechtspraak moet de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing een nuttig effect hebben en moet ze verzoeker behoeden voor de gevreesde schade. Wanneer de schorsing van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel niet (meer) kan verhinderen of ongedaan maken, wordt de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing niet aangetoond. Ook te dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat het op het ogenblik van het sluiten van het debat praktisch nog mogelijk zou zijn om - na een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt bevolen - de selectieprocedure nog tijdig af te ronden om nog tot de lopende XIV-37.870-8/9 promotieopleiding te kunnen worden toegelaten. Dat geldt des te meer nu een vordering tot schorsing, ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid, op elk ogenblik kan worden ingesteld. 10. De verzoeker toont niet aan dat de zaak spoedeisend is, hetgeen volstaat om het verzoek tot schorsing af te wijzen. VII. Kosten 11. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-37.870-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.407 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.