← België

Arrest 244409 - Politie - 08/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.409 Rolnummer: A. 226969/XIV-37899 Zaak: Arrest 244409 - Politie - 08/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:43 Fiche Arrest nr 244.409 van 8 mei 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 244.409 van 8 mei 2019 in de zaak A. 226.969/XIV-37.899 In zake: Philippe VANDENHOLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nedia Gmati-Trabelsi kantoor houdend te 9600 Ronse Hoogstraat 28/101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 november 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - “[d]e Beslissing van de Nationale Politieacademie (ANPA), tot toepassing van een correctiecoëfficiënt van1,3605, zoals toegepast op alle behaalde scores voor de kennisproef georganiseerd in het kader van de selectieproef zoals bepaald in artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 12 oktober 2006, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 09 oktober 2017 bepalend voor het directiebrevet vereist voor de promotie naar de graad van hoofdcommissaris en uitgesloten wordt van de verdere selectieprocedure tot toelating van deze promotieopleiding, zoals goedgekeurd dd. 25/09/2018 door Mevrouw [C.I.], Directeur van het Personeel van de Federale Politie, medegedeeld aan tegenpartij bij brief dd. 01/10/2018”; - “[d]e beslissing van de Nationale Politieacademie (ANPA) dd. 01/10 /2018, waarbij verzoeker, […], niet geslaagd wordt verklaard voor de kennisproef XIV-37.899-1/11 georganiseerd in het kader van de selectieproef zoals bepaald in artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 12 oktober 2006, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 09 oktober 2017 bepalend voor het directiebrevet vereist voor de promotie naar de graad van hoofdcommissaris en uitgesloten wordt van de verdere selectieprocedure tot toelating van deze promotieopleiding”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 maart
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nedia Gmati-Trabelsi, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. XIV-37.899-2/11 III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sinds 1 juni 2005 als commissaris van politie werkzaam, actueel bij de lokale politiezone Brussel Hoofdstad - Elsene

(5339). 3.2. Verzoeker wenst deel te nemen aan de promotieopleiding voor hoofdcommissaris van politie, sessie 2018-2019. Hij dient zijn aanvraag tijdig in. De regels waaraan deze promotieopleiding is onderworpen, zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 „tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 „tot wijziging van verschillende teksten inzake bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie‟ (hierna: het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017). Om toegelaten te worden tot de promotieopleiding moet een kandidaat slagen in onder meer een kennisproef (artikel 5, 5°,
  1. a)van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006). Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 3°, van datzelfde koninklijk besluit dient de oproep tot kandidaatstelling “het selectie- en opleidingsreglement, opgesteld door de directeur van de directie van het personeel van de federale politie of het door hem aangewezen personeelslid en goedgekeurd door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie”, te vermelden. Het selectie- en opleidingsreglement bepaalt onder punt
  2. b)de wijze waarop de punten voor de verschillende proeven en subproeven, waaronder de kennisproef, worden toegekend alsook, in voorkomend geval, de weging van die proeven met het oog op het bepalen van de rangschikking. XIV-37.899-3/11 Artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017 bepaalt dat de kandidaat die tenminste 60% heeft behaald, laureaat is van de kennisproef. 3.3. Verzoeker neemt op 27 februari 2018 aan de kennisproef deel. Bij aangetekend schrijven van 6 april 2018 wordt hem meegedeeld dat hij, na de toepassing van een correctiecoëfficiënt, het resultaat van 84,23/150, dit is minder dan 60%, heeft behaald, dat hij derhalve niet is geslaagd is en zijn kandidatuur niet meer in aanmerking kan worden genomen. Nadat verzoeker bijkomende informatie had gevraagd, onder meer over de toegepaste correctiecoëfficiënt, verneemt hij dat een correctiecoëfficiënt werd gehanteerd. Het betrof, zoals blijkt uit een nota van de directeur van de Nationale Politieacademie van 4 april 2018, een correctiecoëfficiënt van 1,3605 die bekomen werd door het best behaalde resultaat (73,5% door een Franstalige kandidaat). Tegen deze beide beslissingen (het individuele examenresultaat en de toepassing van een correctiecoëfficiënt) heeft verzoeker een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en nietigverklaring ingediend dat heeft geleid tot „s Raads arrest nr. 243.259 van 18 december 2018 waarbij het ingestelde beroep in die zaak (A.225.417/XIV-37.742) werd verworpen, nadat eensdeels de (individuele) beslissing van 6 april 2018 werd ingetrokken en anderdeels de beslissing houdende toepassing van een correctiecoëfficiënt van 4 april 2018 werd vervangen door een nieuwe beslissing van 25 september 2018 (cfr. punt 3.4.). 3.4. Op 1 oktober 2018 heeft de directeur van de Directie van het Personeel een nieuwe beslissing genomen over de deelname van verzoeker aan de kennisproef. Bij die beslissing worden aan verzoeker de scores meegedeeld die hij heeft behaald voor elke vraag van de proef, alsook de door hem behaalde globale score (423,75/1000), hetzij, na toepassing van de correctiecoëfficiënt, 86,47/150 of 57,65%. XIV-37.899-4/11 In deze beslissing wordt nog vermeld: “[…] Elke vraag werd verbeterd door twee correctoren. Als bijlage vindt u per vraag een gedetailleerd overzicht van de correcties. Aangezien het aantal geslaagde kandidaten veel lager lag dan de door de minister goedgekeurde kaderbehoeften heb ik beslist om een correctiecoëfficiënt van 1,3605 toe te passen (zie ref. 4), zodat het resultaat van de best gerangschikte kandidaat (73,5%) overeenkomt met 100%. Deze coëfficiënt werd toegepast op alle resultaten. Enkel kandidaten die de minimumdrempel van 60% behalen op de kennisproef, zijn laureaat van die proef en worden uitgenodigd voor het vervolg van de procedure. Aangezien u, na de toepassing van deze coëfficiënt, de score van 57,65% behaalde, bent u geen laureaat van de kennisproef. […]” Dit is de eerste bestreden beslissing. In deze beslissing wordt verwezen naar een besluit van de directeur van de Directie van het Personeel van 25 september 2018 „tot toepassing van een correctiecoëfficiënt‟. Dit besluit luidt: “Gelet op het feit dat het aantal geslaagde kandidaten voor de kennisproef in het raam van de selectieprocedure voor de toelating tot de promotieopleiding HCP veel lager lag dan de door de minister goedgekeurde kaderbehoefte, beslis ik om voor die proef toepassing te maken van een correctiecoëfficiënt van 1,3605 zodat het resultaat van de best gerangschikte kandidaat (73,5%) overeenkomst met 100%. Deze coëfficiënt wordt toegepast op alle resultaten. Deze beslissing kadert in mijn bevoegdheid op basis van artikel 4, 1 lid, 3° van het KB Directiebrevet.” Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-37.899-5/11 V. Schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid 6. Wat de spoedeisendheid betreft, zet verzoeker in zijn verzoekschrift in essentie uiteen dat de kennisproef waarin hij niet geslaagd is de enige uitsluitende proef is en dat hij dus niet verder kan deelnemen aan de volgende selectieproeven, terwijl deze ondertussen worden verder gezet en misschien zelfs reeds beëindigd zijn: hij heeft er dus alle belang bij dat de beslissingen worden herzien om zijn kansen in de selectieprocedure te vrijwaren. Een loutere vernietiging van de bestreden beslissing zou hem niet de mogelijkheid bieden alsnog de selectieprocedure af te ronden en zou hem dus ernstig benadelen. Daarom ook vraagt hij de schorsing van de beslissing tot toepassing van de correctiecoëfficiënt aangezien de schorsing daarvan tot gevolg heeft dat slechts een beperkt aantal kandidaten geslaagd is, terwijl de behoefte veel groter is, zodat een nieuwe cyclus georganiseerd zal moeten worden waarbij de verzoeker een nieuwe kans krijgt. De uitspraak over het beroep tot nietigverklaring kan niet afgewacht worden omdat de opleidingscyclus dan al te ver gevorderd zou zijn opdat verzoeker deze zelf ook nog zou kunnen doorlopen. Voorts zet hij nog uiteen dat “de spoedeisendheid waarop [hij] zich kan beroepen eveneens van morele en sociale aard [is]” omdat, na toepassing van de correctiecoëfficiënt, “de 40 heropgeviste kandidaten, aanvankelijk niet geslaagd in de kennisproef, een enorm voordeel [kennen] bij deze manipulatie. Niet enkel naar de selectieprocedure toe maar ook op moreel vlak. Zij kunnen XIV-37.899-6/11 namelijk stellen dat zij geslaagd waren in de kennisproef, terwijl zij dit aanvankelijk niet waren”. De spoedeisendheid zou verder nog blijken omdat de promotieopleiding slechts sporadisch wordt georganiseerd (de laatste dateert van 2013). Tot slot bemerkt verzoeker nog dat hij “uiterst diligent” heeft gehandeld. Beoordeling 7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen‟ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-37.899-7/11 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 8. Te dezen, baseert verzoeker de spoedeisendheid in wezen op de vaststelling dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zal komen om hem nog de mogelijkheid te geven alsnog de volledige selectieprocedure (met succes) af te ronden om, vervolgens, toegelaten te worden tot de promotieopleiding die een aanvang neemt in december 2018-januari 2019. 9. Verzoeker kan worden bijgevallen dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring onherroepelijk te laat zal komen om alsnog de selectieprocedure te kunnen afronden en toegelaten te worden tot de promotieopleiding maar die vaststelling geldt evenzeer ten aanzien van een uitspraak over de vordering tot schorsing. Uit de door de Directie van het Personeel verstrekte informatie blijkt immers dat de selectieprocedure reeds op 30 november 2018, na de deliberatie van de jury, werd afgerond en dat de opleiding waaraan verzoeker alsnog wenst deel te nemen reeds een aanvang heeft genomen op 21 januari 2019. Gelet op deze vaststellingen - ook in acht genomen de uiteenzetting van de verwerende partij inzake de praktische onmogelijkheid om op korte termijn het extern assessment opnieuw te organiseren - is het in de feiten onmogelijk dat verzoeker, na een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt bevolen, nog de selectieprocedure zou kunnen afronden om toegelaten te worden tot de opleiding die reeds is gestart op 21 januari 2019. Bovendien blijkt dat de opleiding zelf - los van de stage - slechts enkele weken bedraagt tussen januari en juni 2019 (met residentiële accommodatie), (geïntegreerde) opleidingsmodules omvat en, voorts, groepswerkzaamheden. Niet wordt aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat de modules zonder meer kunnen worden afgesplitst of kunnen worden herhaald. XIV-37.899-8/11 Volgens vaste rechtspraak moet de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing een nuttig effect hebben en moet ze verzoeker behoeden voor de gevreesde schade. Wanneer de schorsing van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel niet (meer) kan verhinderen of ongedaan maken, wordt de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing niet aangetoond. Ook te dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat het op het ogenblik van het sluiten van het debat praktisch nog mogelijk zou zijn om - na een arrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt bevolen - de selectieprocedure nog tijdig af te ronden om nog tot de promotieopleiding te kunnen worden toegelaten. Dat geldt des te meer nu een vordering tot schorsing, ook bij uiterst dringende noodzakelijkheid, op elk ogenblik kan en kon worden ingesteld. Dat het door verzoeker ingediende beroep tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de (inmiddels ingetrokken) beslissing van 6 april 2018 houdende zijn individuele resultaten en de (inmiddels vervangen) beslissing van 4 april 2018 houdende toepassing van een correctiecoëfficiënt om redenen eigen aan die zaak, werd afgewezen bij ‟s Raads arrest nr. 242.245 van 4 september 2018 doet daaraan niet af. 10. De verzoeker toont niet aan dat de zaak spoedeisend is, hetgeen volstaat om het verzoek tot schorsing af te wijzen. 11. In de mate verzoeker stelt dat “de spoedeisendheid waarop [hij] zich kan beroepen eveneens van morele en sociale aard [is]”, hem nadeel berokkent omdat de heropgeviste kandidaten, te weten deze die na toepassing van de correctiecoëfficiënt van 4 april 2018 - die naar inhoud dezelfde is als deze vervat in de thans bestreden eerste beslissing -, alsnog geslaagd werden verklaard en ten onrechte mochten deelnemen aan de verdere selectieprocedure en vervolgens de promotieopleiding waardoor een gradatie wordt gegeven aan ongeschiktheid, herinnert de Raad van State aan hetgeen in zijn arrest nr. 243.260 XIV-37.899-9/11 van 18 december 2018 onder punt 10 is gesteld. Verzoeker kan bezwaarlijk in de voorliggende zaak “spoedeisendheid” inroepen omwille van dezelfde redenen “van morele en sociale aard” nu hij de vernietiging (en de schorsing van de tenuitvoerlegging) van de voorbeslissingen om die 40 kandidaten te selecteren, niet heeft benaarstigd. 12. Evenmin kan spoedeisendheid worden ontleend aan het gegeven dat de vorige selectieprocedure dateerde van 2013. Die wat langere periode (2013 - 2018) wordt onder meer verklaard door het feit dat de regelgeving inzake de te volgen procedure voor het behalen van het directiebrevet werd aangepast en dat de overheid het opportuun heeft geoordeeld het wijzigingbesluit van 9 oktober 2017 af te wachten. De verwerende partij bemerkt overigens dat er nu geen reden toe is om opnieuw een langere periode te wachten voor het organiseren van een nieuwe opleidingsronde en dat een volgende selectieprocedure reeds staat gepland in 2020. VII. Kosten 13. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-37.899-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-37.899-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.409 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.