id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.419 Rolnummer: A. 226286/VII-40390 Zaak: Arrest 244419 - Milieuvergunningen - 09/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 06:57 Fiche Arrest nr 244.419 van 9 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.419 van 9 mei 2019 in de zaak A. 226.286/VII-40.
- In zake : de NV E. DE KOCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC/M/1718/0091 van het Handhavingscollege van 21 augustus 2018 in de zaak 1718/MHHC/0008/M. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 25 oktober 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40390-1/12 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij baat een zandgroeve uit aan de Ganzemanstraat in Huldenberg. 3.
- Voor de exploitatie van deze inrichting werden reeds meerdere vergunningen verleend. VII-40390-2/12 De Raad van State vernietigde de milieuvergunningen (arresten nrs. 221.463 van 22 november 2012, 225.484 van 14 november 2013; 231.137 van 7 mei 2015, 236.696 van 8 december 2016), of beval de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan (arrest nr. 239.416 van 17 oktober 2017). Het beroep tot nietigverklaring tegen de door de bevoegde minister verleende milieuvergunning van 8 mei 2017 is nog hangend. 3.
- Op 28 juni 2016 wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin wordt vastgesteld dat de verzoekende partij ondanks de schorsing van de milieuvergunning de inrichting verder exploiteert. 3.
- Op 21 november 2017 legt de gewestelijke entiteit aan de verzoekende partij een bestuurlijke geldboete op van 4.050 euro (675 euro verhoogd met de opdeciemen) wegens overtreding van artikel 4 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I). 3.
- De verzoekende partij dient daarop een beroep tot nietigverklaring in bij het Handhavingscollege. 3.
- Het bestreden arrest vernietigt de beslissing van de gewestelijke entiteit wat het bedrag van de geldboete betreft, en vermindert de alternatieve bestuurlijke geldboete bij toepassing van artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: decreet van 4 april 2014) tot 2.750 euro. Dit arrest is, onder meer, als volgt gemotiveerd: “[…] Het College stelt vast dat de verzoekende partij er ten onrechte vanuit gaat dat de verwerende partij zich steunt op het arrest nr. 237.214 van 31 januari 2017 van de Raad van State om te oordelen dat de verzoekende partij niet kan exploiteren op grond van de in eerste aanleg verleende vergunning. De VII-40390-3/12 verwerende partij verwijst uitdrukkelijk naar de volgende arresten van de Raad van State: nr. 213.916 van 16 juni 2011, nr. 225.484 van 14 november 2013, nr. 224.244 van 4 juli 2013, nr. 229.712 van 30 december 2014, nr. 230.047 van 5 maart 2015, nr. 232.484 van 8 oktober
- In die arresten neemt de Raad van State aan dat de vernietiging/schorsing van een in beroep genomen beslissing niet tot gevolg heeft dat de beslissing in eerste aanleg terug rechtskracht verkrijgt. De verwerende partij stelt ook uitdrukkelijk dat gelet op die arresten deze rechtspraak als vaststaand kan worden beschouwd „ten tijde van de vaststellingen op 28 juni 2016‟. De verwerende partij handelt niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig door zich te steunen op ondertussen gevestigde rechtspraak van de Raad van State inzake de gevolgen van de schorsing of vernietiging van een in beroep genomen beslissing over een milieuvergunning. Dat die rechtspraak zou indruisen tegen de uitdrukkelijke tekst van de toepasselijke regelgeving en de wil van de decreetgever, werd hiervoor reeds weerlegd. De stelling van de verzoekende partij dat zij op grond van artikel 24, §3, tweede lid Milieuvergunningsdecreet en artikel 39, §1 VLAREM I een subjectief recht heeft om haar inrichting te exploiteren, stemt volgens de rechtspraak van de Raad van State én van het College niet overeen met de regelgeving en de devolutieve werking van het administratief beroep. Er wordt, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen uitspraak gedaan over een subjectief recht van de verzoekende partij, enkel wordt vastgesteld dat de verzoekende partij in casu niet beschikt over het recht om haar inrichting verder te exploiteren bij gebreke van een rechtskrachtige milieuvergunning. Naar het arrest nr. 237.214 van 31 januari 2017 wordt in de bestreden beslissing verwezen om het argument van de verzoekende partij, opgeworpen in het verweerschrift, te weerleggen dat de Raad van State onbevoegd is om zich uit te spreken over het recht van de verzoekende partij om de exploitatie al dan niet verder te zetten. In dat arrest schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de beslissing van de minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 14 december 2016, waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de toezichthouder bij de afdeling Milieu-inspectie van 5 oktober 2016, houdende bestuurlijke maatregel aan de verzoekende partij, deels gegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregel wordt hervormd, en tot het opleggen van voorlopige maatregelen. De Raad van State overweegt over het door de verzoekende partij gelijkaardig opgeworpen argument: „De vordering tot schorsing en het verzoek tot voorlopige maatregelen, accessoria van het beroep tot nietigverklaring, zijn gericht tegen een uitvoerbare administratieve overheidshandeling, die er het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van is. Zij behoren overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) tot de rechtsmacht van de Raad van State. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de nietigverklaring (of, ten voorlopige titel, het kort geding) het subjectief recht van de betrokkene beperkt.‟ De Raad van State heeft zich derhalve op duidelijke wijze uitgesproken over het door de verzoekende partij opgeworpen argument. Terecht stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing dat zij niet bevoegd is om te VII-40390-4/12 oordelen over de bevoegdheid van de Raad van State. Evenmin komt die bevoegdheid aan het College toe. De verzoekende partij wijst er op dat zij cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van de Raad van State van 31 januari 2017 alsook tegen het arrest nr. 236.696 van 8 december 2016 en dat zij beide cassatieprocedures ter kennis heeft gebracht aan de verwerende partij. Het College volgt de verzoekende partij niet waar zij betoogt dat van de verwerende partij verwacht mocht worden dat zij het resultaat van die procedures zou afwachten vooraleer zich te steunen op de betwiste rechtspraak van de Raad van State om de bestreden geldboete op te leggen. Gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, en in het bijzonder de vaststelling dat de verwerende partij zich voor het bepalen van het milieumisdrijf niet op determinerende wijze steunt op het arrest nr. 237.214 van 31 januari 2017, verwerpt het College het verzoek van de verzoekende partij om het resultaat van de cassatieprocedure af te wachten. […] De conclusie van het voorgaande is dat de verwerende partij terecht en op basis van een eigen onderzoek vastgesteld heeft dat de verzoekende partij niet kon terugvallen op de vergunning verleend in eerste aanleg en haar inrichting bijgevolg geëxploiteerd heeft zonder geldige milieuvergunning. […] De verzoekende partij betwist daarnaast het moreel bestanddeel van het milieumisdrijf. Zij stelt dat nooit een proces-verbaal is opgesteld voor de exploitatie (gedurende jaren) van de inrichting na de eerdere arresten van de Raad van State van 22 november 2012 en 23 oktober 2014, zodat zij er rechtmatig op mocht vertrouwen dat zij beschikte over de nodige vergunningen van de minister. In leder geval mocht de verzoekende partij door de jarenlange toepassing van het Lazarusprincipe er redelijkerwijze van uitgaan dat de exploitatie verdergezet kon worden op grond van de in eerste aanleg verleende milieuvergunning van 19 november
- Dit was volgens haar ook de vaste gedragslijn van de overheid, die voorheen nooit is overgegaan tot stillegging van de exploitatie. De verzoekende partij merkt niet ten onrechte op dat jarenlang het Lazarusprincipe werd toegepast. Dit blijkt uit de voorgeschiedenis van de zaak die de verwerende partij in de bestreden beslissing schetst. De verwerende partij haalt twee adviezen van de juridische dienst van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) van 9 januari 2013 en 13 februari 2015 aan, waarin onder meer wordt gesteld dat er nog geen vaststaande rechtspraak van de Raad van State over de toepassing van het Lazarusprincipe bestaat. Er wordt specifiek verwezen naar de arresten van de Raad van State van 14 november 2013 en 23 oktober
- Hierop steunend beslist de afdeling Milieu-inspectie telkens om geen bestuurlijke maatregelen op te leggen. Ook een uitdrukkelijk verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen wordt door de afdeling Milieu-inspectie op 17 maart 2014 afgewezen, alsook het beroep tegen die beslissing bij ministerieel besluit van 23 mei
- De kentering in de toepassing van het Lazarusprincipe (in deze zaak) komt er na het arrest van 26 mei 2016 met nummer 234.863, waarmee de Raad van State de milieuvergunning verleend door de minister op 15 oktober 2015 VII-40390-5/12 schorst. De verwerende partij haalt in de bestreden beslissing een passus uit voormeld arrest aan over de belangenafweging die gevraagd werd door de verzoekende partij en verwijst naar het advies van de juridische dienst van het departement LNE, waarin wordt gesteld dat de verzoekende partij niet langer over een uitvoerbare milieuvergunning beschikt, hetgeen een milieumisdrijf uitmaakt. Dit arrest en dit advies hebben aanleiding gegeven tot een plaatsbezoek op 22 juni 2016, alwaar werd vastgesteld dat de inrichting van de verzoekende partij in exploitatie was zonder geldige milieuvergunning. Aan de exploitanten werd gevraagd om de exploitatie stil te leggen tot een eventuele nieuwe milieuvergunning. Na een aanmaning op 23 juni 2016 werd op 28 juni 2016 vastgesteld dat de activiteiten niet zijn stilgelegd. […] Het college volgt de verzoekende partij niet dat er een onoverwinnelijke dwaling aanvaard moet worden als schulduitsluitingsgrond. Dwaling is een rechtvaardigingsgrond als ieder redelijk en voorzichtig persoon die dwaling had kunnen begaan indien hij in dezelfde situatie zou hebben verkeerd als die waarin de beklaagde zich bevond, en komt de pleger van het misdrijf ten goede wanneer zij onoverkomelijk is en betrekking heeft op een van de bestanddelen van het misdrijf. Dwaling als strafrechtelijke schulduitsluitingsgrond kan maar met goed gevolg worden ingeroepen als zij onoverkomelijk is. Dat wil zeggen dat er in de houding of de handelswijze van degene die een milieumisdrijf pleegt, geen enkele fout te bespeuren valt, kortom dat deze gehandeld heeft zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou gehandeld hebben. Doordat de verzoekende partij duidelijk op de hoogte werd gebracht van het (gewijzigde) standpunt dat de verzoekende partij niet langer over een uitvoerbare milieuvergunning beschikte als gevolg van het schorsingsarrest van de Raad van State van 26 mei 2016 en de verzoekende partij op 23 juni 2016 uitdrukkelijk en ter plaatse werd aangemaand om uit eigen beweging haar activiteiten „binnen een redelijke termijn‟ stop te zetten, kan de handelwijze van de verzoekende partij, waarbij zij niet is ingegaan op de vraag om haar exploitatie stop te zetten, niet als onoverkomelijk worden beschouwd. […] Met de verzoekende partij moet anderzijds worden vastgesteld dat het de jarenlange gedragslijn van de verwerende partij en de Milieu-inspectie is geweest om de exploitatie van de inrichting van de verzoekende partij te gedogen, hoewel drie eerdere milieuvergunningen verleend door de minister in administratief beroep door de Raad van State waren vernietigd bij arresten van 22 november 2012, 14 november 2013 en 7 mei 2015 en geschorst bij arrest van 23 oktober 2014 (milieuvergunning van 7 mei 2017). Die arresten hebben kennelijk geen aanleiding gegeven tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen dan wel een alternatieve bestuurlijke geldboete. In de bestreden beslissing antwoordt de verwerende partij op de door de verzoekende partij opgeworpen argumentatie dat de erkenning en implementatie van de nieuwe rechtspraak van de Raad van State aan de verzoekende partij kenbaar werd gennaakt op 22 juni 2016, dat de verzoekende partij werd aangemaand uiterlijk 27 juni 2016 mee te delen of de activiteiten VII-40390-6/12 vrijwillig stopgezet zouden worden en dat anders een proces-verbaal zou worden opgesteld en gevraagd zou worden om de activiteiten stil te leggen. Volgens de verwerende partij ontbreekt voor de vaststellingen op 28 juni 2016 derhalve niet het moreel element, omdat de verzoekende partij reeds op de hoogte was van de implementatie van de gewijzigde rechtspraak. Nog volgens de verwerende partij geeft de gevolgde beleidslijn van het departement LNE in het verleden de verzoekende partij geen toestemming om op 28 juni 2016 te exploiteren zonder milieuvergunning omdat zij reeds op de hoogte werd gebracht dat dit een milieumisdrijf inhoudt. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat gerechtvaardigde verwachtingen die door het bestuur bij de rechtsonderhorige zijn gewekt, indien enigszins mogelijk, moeten gehonoreerd worden, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden. Het vertrouwensbeginsel impliceert dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op de toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. Het College treedt de verzoekende partij, als principe, niet bij dat de verwerende partij de rechtmatige verwachting heeft gewekt dat zij zonder voorbehoud verder zou kunnen exploiteren in de toekomst, ongeacht de uitkomst van de administratiefrechtelijke procedures. Het niet-handhavend optreden heeft er in het verleden toe bijgedragen dat de verzoekende partij is kunnen blijven exploiteren. Het stilzitten van de overheid heeft aldus in haar voordeel gewerkt en heeft ervoor gezorgd dat zij, ondanks vorige vernietigingsarresten, haar winstgevende activiteiten is kunnen blijven verderzetten. Het vertrouwensbeginsel noch het redelijkheidsbeginsel kunnen evenwel contra legem werken. Ditzelfde geldt wanneer een vroegere wetsinterpretatie door de jurisprudentiële instanties wordt verlaten. De verwerende partij stelt niet onterecht dat zij er alsdan toe gehouden is deze ommekeer in de rechtspraak ook handhavend toe te passen”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij, omdat het beroep grotendeels werd ingewilligd: de bestreden beslissing werd vernietigd, het Handhavingscollege verminderde het bedrag van de bestuurlijke geldboete, en de kosten werden ten laste van de verwerende partij gelegd. Zij wijst erop dat een in het gelijk gestelde partij geen belang heeft bij een vernietiging van een in haar voordeel uitgesproken arrest, en dat de verzoekende partij te dezen zelf aangaf dat ze alleszins een matiging van het bedrag van de bestuurlijke geldboete nastreefde. VII-40390-7/12 Beoordeling
- De door de gewestelijke entiteit opgelegde geldboete werd door het Handhavingscollege in beginsel behouden, maar verminderd. De verzoekende partij heeft belang bij een cassatieberoep dat er toe zou kunnen leiden dat haar bij een nieuwe beslissing van het Handhavingscollege geen geldboete wordt opgelegd, of een nog meer verlaagde geldboete. De exceptie zoals geformuleerd door de verwerende partij is niet gegrond. V. Onderzoek van het enige middel Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij voert aan dat het bestreden arrest de volgende bepalingen schendt: - de artikelen 13, 144 en 145 van de Grondwet; - artikel 16.4.19, §§ 1, 2 en 3, van het het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieubeleidsdecreet); - artikel 44 van het decreet van 4 april 2014; - artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 23 en 24, § 3, van het milieuvergunningsdecreet; - artikel 39, § 3, van Vlarem I. Zij zet uiteen dat de bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep. Te deze was dat volgens haar de vraag of zij “het subjectief recht bezit haar exploitatie te blijven verderzetten conform de voorwaarden van de in eerste aanleg door de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant verleende milieuvergunning van 19 november 2009”. Het Handhavingscollege had zich onbevoegd moeten verklaren om daarover uitspraak VII-40390-8/12 te doen, omdat het overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is “wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling, waarbij de administratieve overheid een rechtsplicht, die beantwoordt aan een subjectief recht waarvan de rechtszoekende aanvoert titularis te zijn, handhaaft of miskent en het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en die het geschil inhoudelijk bepaalt”. Zij verwijst voorts naar de motivering van het bestreden arrest “dat terecht zou zijn vastgesteld dat verzoekende partij niet kon terugvallen op de vergunning verleend in eerste aanleg en haar inrichting bijgevolg geëxploiteerd heeft zonder geldige milieuvergunning”. Zij betoogt daarbij: “Door aldus te overwegen treedt het Handhavingscollege in de rechtsmacht/bevoegdheid van de hoven en rechtbanken, wat dus buiten zijn eigenrechtsmacht/bevoegdheid is, ofschoon krachtens artikel 16.4.19, §1 DABM het Handhavingscollege een zuiver administratief rechtscollege is en ofschoon krachtens artikel 16.4.19, §2 DABM het Handhavingscollege enkel maar uitspraak kan doen onder meer over beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke entiteit over de oplegging van een alternatieve of een exclusieve bestuurlijke geldboete en ofschoon ten slotte krachten artikel 16.4.19, §3 DABM het Handhavingscollege in voorkomend geval dient te beslissen tot onbevoegdverklaring van het College, voor alle gevallen waarin voor de oplossing van het geschil dat college op het domein zou komen dat buiten zijn rechtsmacht/bevoegdheid valt”. In haar toelichting benadrukt ze nog: “[…] dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de door het bestreden arrest opgelegde bestuurlijke geldboete ertoe leidt dat verzoekende partij afgestraft wordt voor de uitoefening van haar subjectief recht op exploitatie en dat zulks aldus de negatie vormt van dat subjectief recht op exploitatie. Het geschil gaat dus over het burgerlijk recht van verzoekende partij om op basis van een verleende vergunning te mogen exploiteren. Welnu, voor dit geschil beschikt het Handhavingscollege niet over rechtsmacht en is het evenmin bevoegd”. VII-40390-9/12
- De verwerende partij werpt op dat het enig middel onontvankelijk is: de verzoekende partij heeft zelf het beroep ingediend dat tot het bestreden arrest heeft geleid, maar voert nu aan dat het Handhavingscollege niet bevoegd was. Indien haar standpunt zou worden gevolgd en het bestreden arrest op die grond zou worden vernietigd, zou de voor haar voordelige vermindering van het bedrag van de alternatieve bestuurlijke geldboete ongedaan worden gemaakt, zonder dat het Handhavingscollege zich opnieuw zou kunnen uitspreken over de door de gewestelijke entiteit opgelegde alternatieve geldboete en/of het bedrag ervan.
- De verzoekende partij antwoordt dat de verwerende partij haar enig middel verdraait of minstens manifest verkeerd leest. Zij zou namelijk niet aanvoeren dat het Handhavingscollege niet het bevoegde rechtscollege is “om kennis te nemen van een jurisdictioneel beroep tegen een beslissing tot oplegging van een bestuurlijke geldboete”, maar enkel dat dit college niet bevoegd is om zich uit te spreken over “het subjectief recht van een exploitant om zijn exploitatie al dan niet verder te zetten”. Het “dient zich met andere woorden strikt te houden aan de contouren van het objectief contentieux waarvoor het bevoegd is”. Het Handhavingscollege had zich: “moeten onthouden van enig negatief oordeel omtrent het ingeroepen exploitatierecht als zou dat onbestaande zijn, zich aldus begevend op het terrein van de beoordeling van enig subjectief recht”. En tevens: “Het Handhavingscollege had zich […] onbevoegd moeten verklaren om over dat subjectief recht uitspraak [...] [te] doen en had vervolgens het jurisdictioneel beroep van verzoekende partij moeten inwilligen en de bestreden beslissing tot oplegging van een bestuurlijke geldboete zonder meer moeten vernietigen”. VII-40390-10/12 Beoordeling
- Artikel 16.4.19, § 2, 1°, DABM bepaalt dat het Handhavingscollege uitspraak doet onder meer over “de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke entiteit over de oplegging van een alternatieve of een exclusieve bestuurlijke geldboete”. De verzoekende partij heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit van 21 november 2017 waarbij haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd wegens het exploiteren van een vergunningsplichtige inrichting zonder te beschikken over de daarvoor vereiste uitvoerbare milieuvergunning. De verzoekende partij heeft in wezen voor de bodemrechter aangevoerd dat het haar ten laste gelegde, en door de gewestelijke entiteit gesanctioneerde, milieumisdrijf niet bewezen was, omdat zij wel beschikte over een milieuvergunning. Het bestreden arrest oordeelt dat er geen geldige milieuvergunning bestond en er dus wel sprake was van een misdrijf. De rechter die -binnen het kader van de hem decretaal toevertrouwde opdracht- moet oordelen over een sanctie heeft de bevoegdheid of de rechtsmacht om vast te stellen of de constitutieve bestanddelen van de inbreuk of het misdrijf bewezen zijn. Anders zou zijn taak inhouds- en betekenisloos zijn. Het Handhavingscollege steunt zijn oordeel op het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State omtrent het al dan niet voortbestaan van de vergunning die in eerste aanleg werd verleend. Het gezag van gewijsde bestaat zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. De verzoekende partij voert niet aan dat dit laatste het geval is. VII-40390-11/12 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40390-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div