id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.467 Rolnummer: A. 228044/XIV-38049 Zaak: Arrest 244467 - Penitentiair recht - 10/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-13 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 23:02 Fiche Arrest nr 244.467 van 10 mei 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 244.467 van 10 mei 2019 in de zaak A. 228.044/XIV-38.049 In zake: Femi GASHI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 mei 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de tuchtbeslissing van de gevangenisdirecteur van Leuven Centraal van 3 mei 2019 en van de daaraan gekoppelde beslissing van 3 mei 2019 tot oplegging van 5 punten in het kader het (onwettelijk) systeem van tussenregimes dat in de gevangenis van Leuven Centraal wordt gehanteerd.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei 2019, om 10.30 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. XIV-38.049-1/8 Advocaat Valerie Kruijen, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is opgesloten in de gevangenis van Leuven Centraal. Op 3 mei 2019 wordt aan verzoeker de tuchtstraf “20 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV) van 04.05.2019 tem 23.05.2019 + glasbezoek” opgelegd wegens “de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” (inbreuk van de eerste categorie). Deze beslissing is gesteund op de volgende motivering: “Op 22/4/2019 vond er een incident plaats in de fitnesszaal waarbij een gedeti- neerde zwaar werd toegetakeld door zijn medegedetineerden. De personeelsleden hebben bij het ter plaatse komen niet kunnen vaststellen dat betrokkene betrokken was bij het incident, enkel dat hij aanwezig was en dat hij bij hun aankomst een medegedetineerde van het slachtoffer aftrok. Door een technisch probleem konden de camerabeelden van het incident pas op 30/4/2019 bekeken worden. Hierop wordt evenwel vastgesteld dat betrokkene actief betrokken was bij de vechtpartij en verscheidene schoppen en slagen heeft uitgedeeld aan het slachtoffer. Op basis van deze vaststelling wordt een rapport aan de directeur opgesteld op 01/05/2019 en wordt op 02/05/2019 beslist om ook ten aanzien van betrokkene een tuchtprocedure op te starten. Op de hoorzitting ontkent betrokkene dat hij zijn medegedetineerde heeft gesla- gen en geschopt. Hij zou enkel een bemiddelende rol hebben gespeeld. Tevens benadrukt hij dat het slachtoffer hen bedreigd en geprovoceerd heeft en minima- liseert en rechtvaardigt hij het geweld dat de anderen mogelijks zouden hebben gebruikt. XIV-38.049-2/8 Zelfs nadat betrokkene geconfronteerd wordt met de camerabeelden, waarop duidelijk kan worden vastgesteld dat het slachtoffer door hem en twee medege- detineerden wordt geslagen en geschopt terwijl deze op de grond ligt, blijft hij ontkennen dat hij iets verkeerd heeft gedaan. Dat hij bij binnenkomst van het personeel uiteindelijk één van zijn medegedeti- neerden van het slachtoffer heeft afgetrokken verandert niets aan de ernst van het geweld dat hij even voordien zelf heeft gebruikt. De houding van betrokkene ten aanzien van dit excessief geweld is uiterst pro- blematisch. Zijn ontkennende houding ten aanzien van de feiten, zelfs na con- frontatie met de camerabeelden, is frappant en getuigt van een totaal gebrek aan schuldinzicht. Dergelijk gedrag kan in geen enkel geval getolereerd worden en in het bijzonder niet gelet op het opendeur-systeem binnen deze gevangenis. Een gepaste sanctie dringt zich dan ook op. Betrokkene wordt 20 dagen in afzondering geplaatst.” Met een brief van diezelfde dag wordt verzoeker door de directie van de gevangenis van Leuven Centraal ervan in kennis gesteld dat “ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie d.d. 3/5/2019 5 punten werden bijgeteld aan [zijn] saldo met betrekking tot het tussenregime” zodat zijn saldo “momenteel 5 punten” bedraagt. Dit zijn de bestreden beslissingen. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van verzoeker XIV-38.049-3/8
- In het gedeelte dat betrekking heeft op de “[u]iteenzetting der feiten” stelt verzoeker dat hij niet kan akkoord gaan met de bestreden beslissingen en om die reden “een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid indient gezien de gewone procedure tot schorsing en/of nietigverklaring niet tijdig tot een uitspraak van de Raad van State zal leiden gezien het tussenregime [lees: de tuchtsanctie] afloopt op 23 mei 2019”. Onder het kopje “[b]elang in hoofde van verzoeker” merkt hij nog op dat ingeval de door hem aangevoerde middelen die volgens verzoeker ernstig zijn, pas ten gronde in het kader van een verzoek tot nietigverklaring of (gewone) schorsing worden beoordeeld “verzoeker zijn tuchtsanctie reeds ondergaan heeft waardoor verzoeker maar een moreel belang heeft (overhoudt) daar waar de gevolgen van deze tuchtsanctie veel verder zullen gaan: tuchtrechtelijke inbreuken, tuchtsancties, … maken onderdeel uit van de verslaggeving van de psychosociale dienst die adviezen moeten uitbrengen die aan de gevangenisdirecteur, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank alsook de strafuitvoeringsrechtbank zelf worden overgemaakt.” Verder merkt hij nog op dat “de tuchtsanctie én het geven van vijf punten voor het tussenregime boven verzoeker zijn hoofd blijft hangen wanneer verzoeker, in afwachting dat een verzoekschrift tot nietigverklaring en/of schorsing, behandeld wordt, het voorwerp van een nieuwe tuchtprocedure zou uitmaken aangezien de directie, omwille van de thans bestreden tuchtsanctie, zou kunnen verwijzen naar deze sanctie om de zwaarte van een nieuwe tuchtsanctie te onderbouwen én verzoeker in dat geval ook zou kunnen plaatsen in het tussenregime als gehanteerd in de gevangenis van Leuven Centraal.” Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. XIV-38.049-4/8 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). XIV-38.049-5/8
- Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoeker in zijn verzoekschrift een uiteenzetting moet opnemen die de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt. Het komt een verzoeker toe duidelijk aan de hand van concrete en precieze gegevens duidelijk te maken dat hij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure of de procedure ten gronde niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Niettegenstaande het belang ervan, bevat het verzoekschrift geen afzonderlijke titel met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid waarin een uiteenzetting wordt gegeven van de feiten die het vervuld zijn van dat vereiste zouden kunnen rechtvaardigen.
- Los daarvan, volgt uit wat voorafgaat (punt 6) dat de enkele omstandigheid dat de tuchtstraf (en het daaruit voortvloeiende gevolg van het aantal punten in het kader van het tussenregime) reeds uitvoering kent en dat, gelet op de doorlooptermijn, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gewone schorsingsprocedure dan ook te laat zou komen, op zich niet volstaat opdat zou zijn voldaan aan de wettelijke voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. Evenmin volstaat de enkele bewering dat “de gevolgen van deze tuchtsanctie veel verder zullen gaan: tuchtrechtelijke inbreuken, tuchtsancties, …” waardoor het “van groot belang is voor verzoeker dat de thans bestreden tuchtsanctie wordt geschorst om dringende redenen” of nog dat de bestreden beslissingen “boven verzoeker zijn hoofd blijven hangen, in afwachting dat een verzoekschrift tot schorsing of tot nietigverklaring, behandeld wordt”, wanneer verzoeker het voorwerp van een nieuwe tuchtsanctie zou uitmaken. Een verzoeker die zich beperkt tot de verwijzing naar enkele eventuele en hypothetische gevolgen van de bestreden beslissingen om zijn “groot (moreel) belang” bij de onmiddellijke schorsing te verantwoorden, geeft niet aan waarom een schorsing volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of zijn belangen veilig te stellen. Bij gebrek aan enige concrete uiteenzetting XIV-38.049-6/8 dienaangaande in het verzoekschrift, is de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aangetoond. Wat de toekenning van uitgaans- en strafuitvoeringsmodaliteiten betreft, geeft verzoeker in zijn verzoekschrift niet aan dat een verzoek dienaangaande hangende is. Bovendien wat zijn verwijzingen naar de strafuitvoeringsrechtbank betreft, belet niets dat verzoeker, in voorkomend geval, ook zonder een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, voor de strafuitvoeringsrechtbank de onwettigheid van de hem opgelegde tuchtsanctie aanvoert en dat hij daarbij verwijst naar een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen die tuchtsanctie. In de mate dat verzoeker wijst op de mogelijke gevolgen van de thans opgelegde tuchtsanctie voor eventuele nieuwe tuchtprocedures, gaat het niet om een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. In dat geval zullen immers nieuwe beslissingen op grond van andere feiten worden genomen. Bovendien gaat het om louter hypothetische gevolgen waarvan derhalve geen onherroepelijk schadelijk karakter wordt aangetoond. De eventuele ernst van de middelen, tot slot, toont al evenmin de uiterst dringende noodzakelijkheid aan, vermits het voormelde artikel 17, §§ 1 en 4, twee afzonderlijke voorwaarden inhoudt. Die gebeurlijke onwettigheid wijst niet uit dat de zaak voor verzoeker urgent zou zijn. Het betreft een andere en afzonderlijke voorwaarde waaraan moet zijn voldaan opdat tot een schorsing kan worden besloten. Verzoeker haalt ook “een (moreel) belang” aan. Waar verzoekers belang om een tuchtsanctie aan te vechten niet als dusdanig wordt betwist, volstaat dergelijk belang niet om op zich de spoedeisendheid te verantwoorden. Voor zover verzoeker een morele schade bedoelt, toont hij niet aan dat een vernietigingsarrest hem niet de gewenste genoegdoening kan verschaffen. XIV-38.049-7/8 Verzoeker voert geen andere elementen aan, zodat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.049-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div