id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.491 Rolnummer: A. 225559/XII-8571 Zaak: Arrest 244491 - Overheidsopdrachten - 16/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-23 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:42 Fiche Arrest nr 244.491 van 16 mei 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 244.491 van 16 mei 2019 in de zaak A. 225.559/XII-8571 In zake: de BVBA STEENHAUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valérie Verbeke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Burgemeester Nolfstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BERLARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elke Casteleyn kantoor houdend te 9160 Lokeren Antwerpse Steenweg 47 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van [het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Berlare dd. 26.04.2018 waarbij de overheidsopdracht ‘Heraanleg buitenruimte Assistentiewoningen De Zilverberk’ aan bvba De Witte wordt gegund, althans wat betreft perceel 1”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld. XII-8571-1/12 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi Mees, die loco advocaat Valérie Verbeke verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Uschi Steurs, die loco advocaat Elke Casteleyn verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp “Heraanleg buitenruimte assistentiewoningen De Zilverberk”. De plaatsingswijze is de openbare procedure met als enig gunningscriterium de prijs. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 28 februari
- 3.
- De opdracht bestaat uit twee percelen; enkel perceel 1 is hier in het geding; de verwerende partij raamt het perceel op é.027,15 euro, btw inbegrepen. XII-8571-2/12 3.
- Blijkens het proces-verbaal van opening van de offertes dienen er vier ondernemingen een offerte in voor perceel 1: Naam inschrijver Prijs btw inbegrepen de bvba De Witte 258.130,33 euro de bvba Wulteputte Boudewijn 316.426,74 euro de bvba Steenhaut 303.734,91 euro de nv Hertsens Wegenwerken 314.789,20 euro 3.
- In het gunningsverslag van 24 april 2018 is onder “
- technisch nazicht en nazicht prijzen” het volgende vermeld: “De laagste inschrijver wijkt 17% af van het gemiddelde. Toch zijn we ervan overtuigd dat het niet raadzaam is om de prijs als abnormaal laag te beschouwen, aangezien de totale prijs van de laagste inschrijver bvba De Witte nog steeds 11% hoger ligt dan de vooropgestelde raming. De raming van hoftuinarchitecten is eveneens gebaseerd op een gemiddelde van gangbare prijzen.” Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bvba De Witte. 3.
- Op 26 april 2018 valt de verwerende partij het gunningsverslag bij en gunt zij de opdracht aan de bvba De Witte. IV. Vertrouwelijkheid van de stukken Standpunt van de partijen 4.1.
- De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van de offertes en van de vergelijkingstabel raming tegenover eenheidsprijzen omwille van bedrijfsvertrouwelijke informatie die deze stukken zouden bevatten. 4.1.
- De verzoekende partij vraagt de opheffing van de vertrouwelijkheid van deze stukken. XII-8571-3/12 Beoordeling 4.
- In de huidige stand van het geding stemt de Raad met toepassing van artikel 26 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ in met het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van deze stukken. Zoals zal blijken uit de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel is het lichten van de vertrouwelijkheid van de kwestieuze stukken niet nodig voor de oplossing van het geschil. V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 36 samen genomen met de artikelen 33 en 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) en artikel 81 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’, alsook van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de zorgvuldigheidsplicht en het ‘patere legem’ principe”. Zij wijst op de verplichting van een zorgvuldig prijsonderzoek. Te dezen is volgens de verzoekende partij artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 van toepassing dat in “een verplichting [voorziet] lastens de aanbestedende overheid om over te gaan tot het vragen van prijsverantwoording, als bij een opdracht voor werken of voor een opdracht voor diensten in een fraudegevoelige sector, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs, en voor zover minstens vier offertes in aanmerking genomen werden, aan elke inschrijver van wie het totale offertebedrag minstens 15% onder het gemiddelde bedrag van de door de inschrijvers ingediende offertes ligt”. XII-8571-4/12 Te dezen heeft de verwerende partij vastgesteld dat de totaalprijs van de laagste bieder, de bvba De Witte, 17 % afwijkt van het gemiddelde maar heeft zij geoordeeld dat het niet “raadzaam” was om een prijsverantwoording te vragen. Nochtans was de verwerende partij verplicht een prijsverantwoording te vragen en heeft zij hierbij geen beslissingsruimte.
- De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat haar prijsonderzoek zorgvuldig is gevoerd en dat zij, na vaststelling dat het bod van de bvba De Witte 17 % onder het gemiddelde zit, met toepassing van artikel 36, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 zelf op zoek mocht gaan naar de redenen “waarom een prijs al dan niet als abnormaal moet worden beschouwd”. Aldus heeft de verwerende partij vastgesteld dat de kwestieuze offerte 11 % hoger lag dan de raming waarop zij na onderzoek de raming correct heeft bevonden. “Het is dan ook pas na voormelde stappen te hebben doorlopen [zo vervolgt de verwerende partij] dat verwerende partij heeft geoordeeld, rekening houdende met haar eigen kennis en informatie die niet van de inschrijver komt, dat de offerte van de gekozen inschrijver niet behept was met een abnormale totaalprijs”.
- De verzoekende partij merkt in haar memorie van weder- antwoord op dat een aanbestedende overheid weliswaar eigen kennis of andere informatie die niet van de inschrijver komt, in overweging mag nemen, doch dit enkel na een uitdrukkelijke prijsbevraging en nadat is gebleken dat deze inschrij- ver moeilijkheden ondervindt om de nodige rechtvaardiging te verstrekken.
- Na een voor haar negatief uitvallend auditoraatsverslag waarin het standpunt van de verzoekende partij wordt bijgevallen, merkt de verwerende partij in haar laatste memorie het volgende op: “Verwerende partij is de mening toegedaan dat zij op grond van artikel 36, §4 KB Plaatsing wel degelijk zelf op zoek kan gaan naar de redenen waarom een prijs al dan niet als abnormaal moet worden beschouwd. Er kan niet worden ontkend dat het voor een aannemer vaak geen sinecure is om een prijsverantwoording op te maken. Werken worden jarenlang probleemloos en zonder opmerkingen tegen de gebruikelijke prijzen uitgevoerd, waarbij dan naar aanleiding van een overheidsopdracht een XII-8571-5/12 aannemer zich plots geconfronteerd zit met een verzoek tot prijsverantwoording om reden dat in vergelijking met andere offertes de prijzen vermoedelijk abnormaal laag zijn.” Zij vervolgt dat “het […] net [is] omdat de wetgever terdege beseft dat ‘de inschrijver moeilijkheden kan ondervinden om de nodige rechtvaardiging van zijn prijs of kost te verstrekken’ (Verslag aan de Koning bij artikel 36, §3), dat de aanbestedende overheid de mogelijk[heid] wordt geboden om het vermoeden van abnormaliteit te rechtvaardigen, ‘rekening houdende met haar eigen kennis of met andere informatie die niet van de inschrijver komt’”. Zij stelt dat zij dit hier heeft gedaan; zij alleen kende de raming.
- De verzoekende partij merkt in haar laatste memorie onder meer nog het volgende op: “De opmerking van verwerende partij dat enkel zij op de hoogte was dat de gekozen inschrijver nog steeds 11% boven de raming lag, is in se irrelevant. De prijsverantwoording die verwerende partij verplicht was te vragen was omwille van het feit dat het totale offertebedrag van De Witte BVBA 17% onder het gemiddelde bedrag van de door de inschrijvers ingediende offertes ligt (automatisch vermoeden van een abnormale prijs). Pas nadat na het verzoek tot prijsverantwoording was gebleken dat De Witte BVBA geen rechtvaardiging kon geven, mocht de aanbestedende overheid proberen zelf te rechtvaardigen.” Beoordeling
- Artikel 36, §§ 1 tot 4, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “§
- Indien uit het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, voert de aanbestedende overheid een bevraging van deze laatste uit. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de mededingings- procedure met onderhandeling, de vereenvoudigde onderhandelings- procedure met voorafgaande bekendmaking en de onderhandelings- procedure zonder voorafgaande bekendmaking, wordt de bevraging uitgevoerd op de laatst ingediende offertes. Dit belet niet dat de aanbestedende overheid deze bevraging reeds kan verrichten in een vroeger stadium van de procedure. XII-8571-6/12 §
- Bij de prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte prijs of kost te verstrekken binnen een termijn van twaalf dagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn bepaalt. Wanneer echter gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, kan de aanbestedende overheid, mits uitdrukkelijk gemotiveerde bepaling in de opdrachtdocumenten, in een kortere termijn voorzien. De inschrijver draagt de bewijslast van de verzending van de verantwoording. De verantwoording houdt met name verband met : 1° de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening; 2° de gekozen technische oplossingen of de uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver kan profiteren bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten; 3° de originaliteit van de door de inschrijver aangeboden werken, producten of diensten; 4° de eventuele ontvangst van rechtmatig toegekende overheidssteun door de inschrijver. In het kader van de in het eerste lid bedoelde prijzen- of kostenbevraging verzoekt de aanbestedende overheid de inschrijver om de schriftelijke verantwoordingen over te maken inzake de eerbiediging van de verplichtingen bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die van toepassing zijn in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht, met inbegrip van de verplichtingen die van toepassing zijn op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid. De aanbestedende overheid is er echter niet toe gehouden om verantwoordingen te vragen voor prijzen voor verwaarloosbare posten. Zo nodig ondervraagt de aanbestedende overheid de inschrijver opnieuw. Dit gebeurt schriftelijk. In dit geval kan de termijn van twaalf dagen worden ingekort. §
- De aanbestedende overheid beoordeelt de ontvangen verantwoor- dingen en : 1° stelt ofwel vast dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is; 2° ofwel, stelt vast dat het totale offertebedrag een abnormaal karakter vertoont en weert de offerte omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is; 3° ofwel, motiveert in de gunningsbeslissing dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont. De aanbestedende overheid wijst de offerte eveneens af wanneer zij heeft vastgesteld dat het totale offertebedrag abnormaal laag is omdat de offerte niet voldoet aan de in artikel 7, eerste lid, van de wet, bedoelde verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal- of arbeidsrecht omwille van de substantiële onregelmatigheid waarmee deze behept is. XII-8571-7/12 Wanneer de offerte niet voldoet aan de verplichtingen op het gebied van het federaal sociaal- of het arbeidsrecht, deelt de aanbestedende overheid dit mee overeenkomstig paragraaf 5, tweede lid. In het kader van beoordeling kan de aanbestedende overheid ook rekening houden met inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver. Deze gegevens worden voorgelegd aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren. Wanneer een aanbestedende overheid vaststelt dat een offerte abnormaal laag lijkt ten gevolge van door de inschrijver verkregen overheidssteun, kan de offerte alleen op die grond worden afgewezen na overleg met de inschrijver en deze niet binnen een door de aanbestedende overheid gestelde toereikende termijn kan aantonen dat de betrokken steun verenigbaar is met de interne markt, in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Wanneer de aanbestedende overheid in een dergelijke situatie een offerte afwijst, deelt zij dit mee overeenkomstig paragraaf 5, derde lid. Onderhavig lid is enkel van toepassing voor de opdrachten waarvan het geraamd bedrag gelijk is aan of hoger dan de drempels voor de Europese bekendmaking. §
- Als bij een opdracht voor werken of voor een opdracht voor diensten in een fraudegevoelige sector, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs, en voor zover minstens vier offertes in aanmerking genomen werden overeenkomstig de derde en vierde leden, voert de aanbestedende overheid een prijzen- of kostenbevraging uit overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, voor elke offerte waarvan het totale offertebedrag minstens vijftien procent onder het gemiddelde bedrag van de door de inschrijvers ingediende offertes ligt. Hetzelfde geldt voor de opdrachten voor werken en voor de opdrachten voor diensten in een fraudegevoelige sector, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure wanneer de economisch meest voordelige offerte geëvalueerd wordt op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding waarbij het prijscriterium ten minste vijftig procent uitmaakt van het totaal gewicht van de gunningscriteria. In dit laatste geval kan de aanbestedende overheid echter in de opdrachtdocumenten een hoger percentage voorzien dan vijftien procent. Het gemiddelde van de bedragen wordt als volgt berekend : 1° indien het aantal offertes gelijk is aan of groter dan zeven, door zowel de laagste offerte uit te sluiten als de hoogste offertes die samen een vierde van het aantal ingediende offertes vormen. Indien dit aantal niet deelbaar is door vier, wordt het vierde naar de hogere eenheid afgerond; 2° indien het aantal offertes lager ligt dan zeven, door de laagste en de hoogste offerte uit te sluiten. De berekening van het gemiddelde van de bedragen is gebaseerd op alle offertes van de geselecteerde inschrijvers. Wat de openbare procedure betreft mag deze berekening eveneens gebeuren op basis van de offertes van de voorlopig geselecteerde inschrijvers overeenkomstig artikel
- XII-8571-8/12 In het kader van deze berekening kan de aanbestedende overheid echter beslissen om geen rekening te houden met de manifest onregelmatige offertes. De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf toepasselijk maken voor opdrachten voor leveringen of opdrachten voor andere diensten dan deze bedoeld in artikel 2, 13°, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure en waarbij de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs.”
- Overeenkomstig dit artikel 36, § 1, verricht een aanbestedende overheid een prijzenbevraging bij een inschrijver die een prijs aanbiedt die abnormaal laag lijkt. Overeenkomstig dit artikel 36, § 4, dient een aanbestedende overheid een prijzenbevraging, conform de paragrafen 2 en 3 van hetzelfde artikel, uit te voeren voor elke offerte waarvan het totale offertebedrag minstens vijftien procent onder het gemiddelde bedrag ligt van de door de inschrijvers ingediende offertes. Er is hier geen betwisting dat de offerte van de gekozen in- schrijver meer dan 15 %, namelijk 17 %, onder het gemiddelde bedrag ligt. Overeenkomstig paragraaf 2 van hetzelfde artikel verzoekt een aanbestedende overheid bij de prijzenbevraging de inschrijver om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte totaalprijs te verstrekken, in beginsel binnen een termijn van twaalf dagen. Overeenkomstig paragraaf 3 van hetzelfde artikel beoordeelt de aanbestedende overheid de ontvangen verantwoording; ofwel stelt zij hierbij vast dat het totale offertebedrag een abnormaal karakter vertoont en zij weert de offerte omwille van die substantiële onregelmatigheid; ofwel motiveert zij in de gunnings- beslissing dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont. Te dezen staat vast dat de verwerende partij de gekozen inschrijver niet “om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de abnormaal geachte [totaal]prijs” heeft verzocht. XII-8571-9/12 12.
- De verwerende partij meent dat zij met toepassing van artikel 36, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 zelf, zonder prijsbevraging, op zoek mocht gaan naar de redenen “waarom een prijs al dan niet als abnormaal moet worden beschouwd” waarbij zij hier heeft vastgesteld dat de totaalprijs van de gekozen inschrijver niet abnormaal was omdat deze prijs hoger lag dan de raming die zij “correct” achtte. 12.
- De argumentatie van de verwerende partij komt erop neer dat zij toepassing heeft gemaakt van wat uitdrukkelijk is bepaald in artikel 99, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 ‘plaatsing overheids- opdrachten klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2011) dat de hier niet meer toepasselijke, vroegere regeling inzake de kwestieuze problematiek betreft. Paragraaf twee van dit artikel 99 luidt onder meer: “Als er bij een opdracht voor werken gegund bij aanbesteding minstens vier offertes door geselecteerde inschrijvers werden ingediend, wordt elke offerte waarvan het totale offertebedrag minstens vijftien percent ligt onder het gemiddelde bedrag van de door deze inschrijvers ingediende offertes, regelmatig of niet, beschouwd als een offerte waarvan het vermoedelijk abnormale totale offertebedrag noopt tot een onderzoek door de aanbestedende overheid. […] In geval van een offerte waarvan het totale offertebedrag noopt tot een onderzoek, zal de aanbestedende overheid : 1° ofwel in de gunningsbeslissing motiveren dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont; 2° ofwel de inschrijver verzoeken de nodige verantwoording, zoals bepaald in artikel 21, § 3, tweede tot vierde lid, te bezorgen. Indien na onderzoek van deze verantwoording blijkt dat het totale offertebedrag effectief abnormaal is of bij gebrek aan verantwoording binnen de opgelegde termijn, is de offerte onregelmatig.” 12.
- Onder vigeur echter van het hier van toepassing zijnde koninklijk besluit plaatsing 2017 heeft de regelgever er hier blijkbaar voor geopteerd om, bij vaststelling van een abnormale totaalprijs op grond van een afwijking van meer dan 15 % van het gemiddelde, in tegenstelling tot hetgeen het koninklijk besluit plaatsing 2011 bepaalde, de aanbestedende overheid te XII-8571-10/12 verplichten een prijzenbevraging met schriftelijke verantwoording te verzoeken van de betrokken inschrijver, zelfs indien zij meent op grond van eigen redenen dat het totale offertebedrag geen abnormaal karakter vertoont. Deze optie kan ook worden afgeleid uit het Verslag aan de Koning bij dit artikel 36 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 waarin er onder meer wordt vermeld: “Volgens paragraaf 1, wanneer de aanbestedende overheid vaststelt dat een prijs of kost abnormaal laag of hoog lijkt tijdens het nazicht waarvan sprake in artikel 35, onderzoekt zij verder de betrokken prijs of kost[…] Wanneer blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, is de prijzenbevraging verplicht ongeacht de basis waarop de overheidsopdracht aan de economisch meest voordelige offerte wordt gegund, tenzij in uitzonderingsgevallen opgelijst in paragraaf 6.” en “Het past er de aandacht op te vestigen dat de inschrijver moeilijkheden kan ondervinden om de nodige rechtvaardiging van zijn prijs of kost te verstrekken. Worden aldus als onvoldoende beschouwd de simpele bevestiging van de prijs zonder uitleg, een verwarde, vage of onduidelijke rechtvaardiging,... De aanbestedende overheid kan in een dergelijk geval deze prijs of kost zelf rechtvaardigen rekening houdende met haar eigen kennis of met andere informatie die niet van de inschrijver komt. Zij zal evenwel de gegevens moeten voorleggen aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren, vooraleer hij zijn beslissing neemt. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 69.3 van richtlijn 2014/24/EU, waarin is bepaald dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling in overleg moet treden met de inschrijver. Op die wijze wordt daarenboven gegarandeerd dat de rechten van de verdediging worden nageleefd. Er wordt aan herinnerd dat het gelijkheidsbeginsel ook in deze context van toepassing is.” Uit dit verslag mag worden geconcludeerd dat het voor de aanbestedende overheid pas mogelijk is om met eigen argumentatie de schijnbaar abnormale prijs te verrechtvaardigen nadat een prijsbevraging bij de kwestieuze inschrijver is gebeurd. Het argument van de verwerende partij dat zij zelf, zonder bevraging, op zoek mag gaan naar redenen om de prijs niet abnormaal te XII-8571-11/12 bevinden, is dan ook in strijd met het voormelde artikel 36 van het koninklijk besluit plaatsing
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Berlare van 26 april 2018 waarbij de overheidsopdracht “Heraanleg buitenruimte assistentiewoningen De Zilverberk”, perceel 1, wordt gegund aan de bvba De Witte. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 mei 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8571-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.491 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.