id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.494 Rolnummer: A. 220731/VII-39834 Zaak: Arrest 244494 - Natuurbehoud - Vergunningen - 16/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-21 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:20 Fiche Arrest nr 244.494 van 16 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.494 van 16 mei 2019 in de zaak A. 220.731/VII-39.
- In zake : Chris VAN GESTEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Lens kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 september 2016 waarbij het beroep tegen de beslissing van de toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos van 3 juni 2016, houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 237.750 van 23 maart 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. VII-39.834-1/13 De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die loco advocaat Kris Lens verschijnt voor verzoeker, en Bram Van Den Berghe, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn weergegeven in arrest nr. 237.750 van 23 maart
- Er wordt naar verwezen. VII-39.834-2/13 IV. Onderzoek van het vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 16.1.2, eerste lid, 2°, 16.4.3 en 16.4.5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), evenals de beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. In een eerste onderdeel “legaliteitsbeginsel” stelt verzoeker dat uit artikel 16.4.5, eerste lid, DABM duidelijk blijkt dat een bestuurlijke maatregel slechts kan worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf. Met artikel 16.4.3 DABM heeft de decreetgever gehamerd op het legaliteitsbeginsel voor de toepassing van een bestuurlijke maatregel. In artikel 16.1.2, eerste lid, DABM wordt een “milieumisdrijf” omschreven als “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”. De kwalificatie van een feit als milieumisdrijf wordt bijgevolg gedetermineerd aan het antwoord op de vraag of het feit wordt gehandhaafd door het DABM. Op grond van artikel 16.4.3 DABM kan enkel een bestuurlijke maatregel worden opgelegd voor feiten die in strijd zijn met een wettelijk voorschrift dat reeds bepaald was en in werking was getreden op het ogenblik van de feiten. Luidens arrest nr. 219.885 van 21 juni 2012 van de Raad van State is de handhaving van het bosdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten middels bestuurlijke handhaving in toepassing van titel XVI DABM enkel mogelijk voor feiten die vanaf 25 juni 2009 -dit is de datum van inwerkingtreding van artikel 107bis van het bosdecreet- werden gepleegd. Deze redenering geldt volgens verzoeker ook met betrekking tot artikel 58 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet). In het proces-verbaal wordt uitdrukkelijk verwezen VII-39.834-3/13 naar artikel 107bis van het bosdecreet en artikel 58 van het natuurbehouddecreet. Uit de feiten blijkt dat deze niet als een milieumisdrijf of milieu-inbreuk kunnen worden gekwalificeerd aangezien zij plaatsgrepen voorafgaandelijk aan 25 juni 2009, en bijgevolg niet kunnen worden gesanctioneerd met een bestuurlijke maatregel. In dit verband wijst verzoeker erop dat zowel in het proces-verbaal als in de bestreden beslissing wordt vermeld dat de “periode van incriminatie” een aanvang heeft genomen in 2001, zodat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van niet-retroactiviteit werden geschonden. De redenering van de verwerende partij dat in artikel 16.1.2 DABM geen link wordt gelegd met de verjaring van de strafvordering waardoor ten aanzien van strafrechtelijk verjaarde misdrijven wel nog bestuurlijk kan worden opgetreden, impliceert dat de bestuurlijke handhaving onverjaarbaar zou zijn. Evenmin laat de toepassing van voormelde bepalingen van het DABM volgens verzoeker toe dat het bos dient te worden hersteld aan de hand van de luchtfoto van
- De stelling van de verwerende partij dat een bestuurlijke handhaving geen sanctie inhoudt, is volgens verzoeker “een ware dooddoener”, aangezien bestuurlijke handhaving net gebaseerd is op milieumisdrijven waardoor alle daaraan verbonden waarborgen zoals het legaliteitsbeginsel en de rechten van verdediging gelden. In een tweede onderdeel “onzorgvuldig en onredelijk”, wijst verzoeker erop dat de toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel zich opdringt, en te dezen des te meer aangezien er met het DABM een concreet ijkpunt, in de vorm van een tijdsbepaling, werd vooropgesteld om aan milieuhandhaving te doen onder de vorm van het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Bijgevolg is de verwerende partij verplicht om de feitelijke en juridische context op correcte wijze te schetsen binnen het juiste tijdskader. Verzoeker schetst de historiek van de percelen. Ten tijde van de verwerving van de percelen door de ouders van verzoeker waren deze percelen gelegen in een weidelandschap met lijnbeplantingen in de omgeving. Er was slechts een klein stukje bos aanwezig. Op 1 augustus 1988 werd het Cassenbroek als landschap gerangschikt. Uit recentere luchtfoto‟s blijkt dat een bepaald bomenbestand is gegroeid, zowel in een zuivere lijnbeplanting als een bomenbestand dat steeds deel heeft uitgemaakt van de tuin VII-39.834-4/13 van verzoeker (en diens ouders), doch deze percelen kunnen niet als bos worden beschouwd gelet op artikel 3, § 3, 3, van het bosdecreet. Bovendien tonen deze luchtfoto‟s ook aan dat de huidige open plekken die voorheen weidevlakten waren niet als kaalvlakte in de zin van artikel 3, § 2, 1, van het bosdecreet kunnen worden beschouwd. Verzoeker merkt overigens op dat de hoogstammige bomen op de luchtfoto van 2000 een aanzienlijke schaduw opwerpen op de open plekken, waardoor het lijkt alsof er meer begroeiing is dan in werkelijkheid. Voorts wijst verzoeker erop dat hij meerdere machtigingen heeft verkregen voor het vellen van bomen binnen het beschermd landschap. In navolging van een kapmachtiging van 24 november 2006, werd op 16 februari 2007 bovendien een gunstig advies gegeven voor de heraanleg van de tuin door de gemachtigde van de minister, wat kan worden beschouwd als een toestemming in de zin van artikel 14, § 4, van het landschapsdecreet, aangezien het is gericht aan de landschapsarchitect die optrad voor verzoeker. Op basis van de machtigingen waarover verzoeker beschikt, is hij dan ook de mening toegedaan dat de feiten die worden weerhouden in grote mate gesitueerd dienen te worden vóór 25 juni 2009 en derhalve nooit als milieumisdrijf kunnen worden gekwalificeerd. Op een luchtfoto uit 2009 is de heraangelegde tuin zichtbaar. Verzoeker besluit dat het vaststaat dat de bestreden beslissing is gestoeld op de compleet foute premisse dat men zelfs verjaarde milieumisdrijven kan handhaven op grond van het DABM in weerwil met het legaliteitsbeginsel en de cassatierechtspraak van de Raad van State. Tevens wijst verzoeker er nog op dat perceel 48L door het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) uit de bosinventarisatie werd gehouden, zodat zij nu niet zonder schending van het vertrouwensbeginsel hierop kan terugkomen.
- In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat artikel 107bis van het bosdecreet en artikel 58 van het natuurbehouddecreet worden vermeld in het proces-verbaal, zodat niet kan worden weerlegd dat aan bestuurlijke handhaving wordt gedaan met toepassing van het DABM, en deze kan slechts gebeuren op grond van de feiten die dateren van na de inwerkingtreding van beide bepalingen. Verzoeker verwijst naar de parlementaire voorbereiding bij artikel 16.4.3 DABM. De verwijzing naar het oude artikel 95 van het bosdecreet is VII-39.834-5/13 volgens verzoeker niet dienend omdat dit artikel handelt over de herstelvordering bij wege van een jurisdictionele procedure. Verzoeker herhaalt zijn standpunt dat zijn tuin nooit een bos is geweest. Het indienen en verkrijgen van een aanvraag tot kapmachtiging houdt op zich geen bevestiging of kwalificatie in als bos in de zin van artikel 3 van het bosdecreet. Voorts verwijst verzoeker nog naar zijn brief van 17 augustus 2006 waarbij hij de toestemming had gevraagd “voor het vellen van enkele bomen”, waaruit blijkt dat verzoeker niet de intentie had om een kapmachtiging aan te vragen en de toepassing van het bosdecreet na te streven. ANB beschikt slechts over de bevoegdheid voor zover zij handelt binnen de grenzen van het bosdecreet, waardoor de toepassing en interpretatie van artikel 3 zich opdringt. ANB kan niet louter voorhouden dat enkele bomen deel uitmaken van een bos zonder dit te toetsen aan de definities van het bosdecreet. Dit vergt een concrete en correcte beoordeling van de feitelijke toestand waarbij bijvoorbeeld het enkele gebruik van een luchtfoto op zich niet volstaat om te besluiten tot de kwalificatie als een juridisch bos. De kapmachtiging van 24 november 2006 bevat geen toets aan de definitie van bos. Evenmin blijkt uit deze machtiging dat er een feitelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Deze vaststelling wordt versterkt door het feit dat de gemeente Bonheiden bij brief van 28 maart 2001 de vader van verzoeker doorverwijst naar de afdeling Monumenten en Landschappen en niet naar de voorganger van ANB, en door het feit dat de kapmachtiging van 22 oktober 2014 heeft beslist tot de kwalificatie van de percelen als bos zonder deze kwalificatie te motiveren, zodat deze buiten toepassing moet worden gelaten. Hierdoor vervalt ook de verlenging van de kapmachtiging in 2010 en verliest de bestreden beslissing haar feitelijke grondslag. Ten slotte verwijst verzoeker naar de ontwerpkaart voor de meest waardevolle en kwetsbare bossen vastgesteld ter uitvoering van artikel 90ter van het bosdecreet, waarop de tuin van verzoeker niet staat ingekleurd als bos tout court.
- In zijn laatste memorie repliceert verzoeker nog op de stelling als zou er sprake zijn van een “voortgezet misdrijf”, dat dit een post factum motivering betreft die niet in de bestreden beslissing terug te vinden is, en dat er na 2009 geen VII-39.834-6/13 verdere vertuining heeft plaatsgevonden. Hij benadrukt dat zijn tuin steeds tuin is geweest. Beoordeling Eerste onderdeel
- De door de toezichthouder van ANB bevolen bestuurlijke maatregel van 3 juni 2016, bevestigd door de bestreden beslissing, is gegrond op volgende feiten en voorgaanden: “Tussen 2001 en heden werden volgende werkzaamheden onvergund uitgevoerd op onderstaande percelen: in het totaal werd er 93 are ontbost, 27 are kaal gekapt en 15 are gedund [...]”. Uit het proces-verbaal van 1 juni 2016 dat voorafgaand aan het opleggen van de bestuurlijke maatregel werd opgesteld, blijkt dat de verbaliserende ambtenaar zich wat de ten laste gelegde misdrijven betreft, gepleegd tussen 2001 en 24 mei 2016 op de bedoelde percelen, in hoofdzaak beroept op de schending van de artikelen 2, 3, 81, 90, 90bis, 93 en 96 van het bosdecreet en de artikelen 13, 14 en 25 van het natuurbehouddecreet. Waar voorheen overeenkomstig (het opgeheven) artikel 95 van het bosdecreet en (het opgeheven) artikel 59 van het natuurbehouddecreet bij elke onrechtmatige handeling enkel de rechtbank kon bevelen het goed in zijn vroegere toestand te herstellen, kunnen ingevolge de invoeging van artikel 107bis in het bosdecreet en van artikel 58 in het natuurbehouddecreet bij decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging aan diverse bepalingen inzake de milieuhandhaving (in werking getreden op 25 juni 2009) naast de strafrechtelijke handhaving en het opleggen van bestuurlijke geldboetes, ook bestuurlijke maatregelen worden opgelegd om het bosdecreet en het natuurbehouddecreet en hun uitvoeringsbesluiten te handhaven “volgens de regels bepaald in titel XVI van het [DABM]”. VII-39.834-7/13 Artikel 16.4.3 DABM bepaalt dat bestuurlijke maatregelen of bestuurlijke geldboeten alleen kunnen worden opgelegd voor feiten die in strijd zijn met wettelijke voorschriften die voorafgaandelijk aan die feiten zijn bepaald en in werking zijn getreden. Deze bepaling definieert het retroactiviteitsverbod en geeft uiting aan het legaliteitsbeginsel (Parl.St. Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1249/1, p. 16 en 42). Er wordt vastgesteld dat de gedragingen die aan verzoeker worden verweten, handelingen betreffen die worden verboden bij voornoemde bepalingen van het bosdecreet en natuurbehouddecreet, welke voorafgaandelijk aan die feiten zijn bepaald en in werking zijn getreden. Anders dan verzoeker het ziet, kunnen met toepassing van het DABM ook bestuurlijke maatregelen worden opgelegd voor milieumisdrijven die zijn begaan vóór de inwerkingtreding van titel XVI van het DABM of artikel 107bis van het bosdecreet en artikel 58 van het natuurbehouddecreet. Ook deze milieumisdrijven zijn immers te verstaan als zijnde “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”, in de zin van artikel 16.1.2, 2°, DABM, zoals geldig ten tijde van de bestreden beslissing. De bestuurlijke maatregel wordt te dezen opgelegd na de vaststelling van de milieumisdrijven in voornoemd proces-verbaal van 1 juni 2016, zodat ook aan artikel 16.4.5, eerste lid, DABM is voldaan.
- Het door verzoeker aangehaalde cassatie-arrest van de Raad van State betreft de wettigheid van een met toepassing van artikel 107bis van het bosdecreet opgelegde bestuurlijke geldboete, die, gelet op het punitief karakter ervan en de “verandering in het regime van bestraffing”, niet retroactief kan worden toegepast. Blijkens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het [DABM] met een titel XVI Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen is het evenwel bij bestuurlijke maatregelen “niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen” (Parl.St., VII-39.834-8/13 Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1249/1, p. 14). Ook al zijn de bestuurlijke maatregelen zoals de bestredene, net zoals strafrechtelijke maatregelen, inbreuk-gerelateerd, zijn ze aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben ze geen repressief of bestraffend oogmerk. Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden regularisatiebevel, voor zover het wordt opgelegd mede voor feiten die vóór 25 juni 2009 zijn gepleegd, het legaliteitsbeginsel en retroactiviteitsverbod niet schendt. Het eerste onderdeel van het vierde middel is ongegrond. Tweede onderdeel
- Artikel 3, § 1, van het bosdecreet definieert “bossen” als “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. Het proces-verbaal van 1 juni 2016 doet volgende vaststellingen per perceel: “Perceel 47L: Langs de rand van perceel 48L werd een aanzienlijke dunning uitgevoerd (eveneens zichtbaar op de luchtfoto‟s in bijlage), dit zonder te beschikken over een kapmachtiging. Het is voor ons echter onmogelijk uit te maken hoeveel er exact gedund werd. Dit perceel betreft nog steeds volledig bos en kan zich natuurlijk herstellen. Perceel 47K: het perceel waar de woning staat. Op dit perceel werd ontbost zonder vergunning. Het aanvankelijke bos op het perceel werd gekapt en het terrein rondom de woning kreeg een nieuwe bestemming, namelijk tuin. De nieuwe bomen en planten op dit perceel betreffen voornamelijk uitheemse/aangeplante soorten. Enkel een deel oude eiken langsheen de rand van de toegangsweg bleven behouden. Perceel 48L: dit perceel werd volledig ontbost zonder vergunning. De open plek welke vroeger ongeveer 29 are bedroeg werd uitgebreid tot het volledige perceel. Er werd een kaalkap uitgevoerd, de grond werd bewerkt en het bos werd vervangen door gras en tuinaanplantingen van uitheemse soorten bomen en struiken. Volgens Van Gestel Christiaan is dit ook de plek waar de 21 Canadapopulieren stonden, waarvan sprake in [het] besluit houdende VII-39.834-9/13 toestemming van
- De populieren werden gekapt en in plaats hiervan staan nu twee rijen (uitheemse) rode beuk (Fagus sylvatica „Atropunicea‟). Perceel 48M: Ook dit perceel werd volledig ontbost zonder vergunning en aangeplant als tuin met uitheemse soorten. Perceel 48G: De voorwaarden van de afgeleverde vergunning werden niet nageleefd: er vond een zo goed als volledige kaalkap plaats terwijl enkel een dunning toegestaan werd. Er werd (nog) niet ontbost. Enkele jonge zomereiken langsheen de rand bleven gespaard maar al de rest werd verwijderd. Er is geen sprake van een selectieve dunning om de overblijvende bomen meer plaats te geven. Ook het kroonhout en snoeihout welke volgens de afgeleverde vergunning op het terrein diende te blijven is verwijderd. Op het perceel is nu een kruidlaag te zien, samen met natuurlijke verjonging van oa. Ruwe Berk, Lijsterbes en Boswilg. Er staan ook uitheemse Hulst variëteiten in het midden van het terrein. Het is ons onduidelijk of deze recent aangeplant werden maar deze soorten behoren niet tot onze inheemse bossen. Op de luchtfoto‟s is er duidelijk te zien dat er reeds vóór het aanvragen van een kapmachtiging in 2014 een open plek werd gecreëerd op het terrein”. Overeenkomstig artikel 16.3.25 DABM heeft een proces-verbaal, opgesteld door een toezichthouder van ANB, bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen. Wat het lastens verzoeker opgestelde proces-verbaal betreft, waarvan de vaststellingen worden gestaafd met foto‟s van de aangetroffen toestand, geldt aldus deze bijzondere bewijswaarde voor de feitelijke vaststelling dat op de betrokken percelen hetzij een (aanzienlijke) dunning werd uitgevoerd, hetzij (volledig) ontbost werd, en het bos werd vervangen door gras en tuinaanplantingen met (uitheemse) soorten bomen en struiken. Met betrekking tot de juridische kwalificatie van de betrokken percelen als bos in de zin van artikel 3, § 1, van het bosdecreet wijst de bestreden beslissing er terecht op dat deze kwalificatie niet afhangt van de ruimtelijke bestemming van het gebied maar van de feitelijke toestand. De initieel vervulde functie van weide, noch de rangschikking als landschap of de niet-opname in “de bosinventarisatie” en op de ontwerpkaart van meest kwetsbare waardevolle bossen in uitvoering van artikel 90ter van het bosdecreet, kan afbreuk doen aan een (latere) beboste toestand op de percelen. De bestreden beslissing motiveert de voorheen beboste toestand van de bedoelde percelen afdoende door te steunen op enerzijds de VII-39.834-10/13 kapmachtigingen verleend in 2006, 2010 en 2014 voor de percelen 47K, 47F, 48L, 48M en 48G “waaruit duidelijk blijkt dat de beboste oppervlaktes op deze percelen aldus meer dan alleen maar tuin betreffen” en anderzijds op de omstandigheid dat “duidelijk al een bosbestand kan worden waargenomen op de luchtfoto van 1990”. Voorts wordt gesteld dat het bestaan van de open ruimte ook wordt bevestigd in het proces-verbaal en de toezichthouder “wel degelijk rekening hield met het feit dat er op de percelen reeds bestendig bosvrije oppervlakten aanwezig waren”, doch “deze […] werden vergroot, bewerkt en ingericht als tuin”. Verzoeker maakt het tegendeel niet aannemelijk. Voor zover hij daarbij in hoofdzaak betoogt dat de verweten feiten in grote mate gesitueerd dienen te worden vóór 25 juni 2009 en bijgevolg niet als milieumisdrijf kunnen worden gekwalificeerd, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel. Ook al kan, zoals verzoeker betoogt, het indienen van een aanvraag tot kapmachtiging op zich geen kwalificatie als bos inhouden in de zin van artikel 3 van het bosdecreet, wordt vastgesteld dat deze kapmachtigingen, gevoegd als bijlage 5.2, 5.4 en 5.5 bij voornoemd proces-verbaal, wel degelijk een omschrijving bevatten van een bestaand “bos” en bijgevolg een kwalificatie als bos in de zin van artikel 3, § 1, van het bosdecreet. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord bovendien betoogt dat de kapmachtiging van 2006 (en dienvolgens deze van 2010) wegens onbevoegdheid van ANB buiten toepassing moet worden gelaten, heeft hij daar evident geen belang bij, aangezien hij in die hypothese de kappingen en dunningen volledig onwettig heeft uitgevoerd.
- Aangezien, zoals hoger gesteld, de bestuurlijke maatregelen genomen in toepassing van titel XVI van het DABM, gericht zijn op de bescherming en het herstel van het leefmilieu, kan verzoeker niet voorhouden dat het bevel tot herstel van de beboste oppervlakte “aan de hand van de luchtfoto van 1990” kennelijk onredelijk zou zijn. VII-39.834-11/13 Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat de opgelegde maatregel niet verder gaat dan nodig is om de aangerichte schade te herstellen, wat blijkt uit de uitdrukkelijke overweging “dat de oppervlakte van 120 are bos […] overeenstemt met de vaststelling […] dat 93 are ontbost en 27 are kaalgekapt werd”, en de overweging dat dit inhoudelijk kennelijk overeenstemt met de voorwaarden die in de eerder verkregen toestemming en de afgeleverde kapmachtigingen werden opgelegd. Bovendien stelt de bestreden beslissing, ten overvloede, “dat herstel in de oorspronkelijke toestand niet betekent dat de plaats moet hersteld worden in een materiële toestand die identiek is aan de toestand die voor de overtreding bestond, maar dat het herstellen van de plaats in oorspronkelijke toestand, gelet op de ligging van de percelen in VEN-gebied, ook kan inhouden dat abiotische en/of biotische randvoorwaarden moeten worden geschapen opdat de natuur zich op termijn kan herstellen”. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing evenmin het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel schendt. Het tweede onderdeel van het vierde middel is ongegrond. V. Aanvullend onderzoek
- Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van het vierde middel in de zin als hiervoor behandeld en waarvan blijkt dat het niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. VII-39.834-12/13 BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.834-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.494 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.750 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div