← België

Arrest 244495 - Milieuvergunningen - 16/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.495 Rolnummer: A. 218208/VII-39591 Zaak: Arrest 244495 - Milieuvergunningen - 16/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-21 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 01:38 Fiche Arrest nr 244.495 van 16 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.495 van 16 mei 2019 in de zaak A. 218.208/VII-39.591. In zake : Ann LEGIEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Vaartstraat 68 - 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de BVBA PLANT TRADING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 19 november 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi van 29 januari 2013, houdende het deels verlenen en deels weigeren van de milieuvergunning aan de BVBA Plant Trading voor het exploiteren van een tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Verleydonckstraat 44 A te Lochristi, deels worden ingewilligd. VII-39.591-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 maart 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon Claes, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor verzoekster, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Saartje Spriet, die loco advocaat Charlotte Ponchaut verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-39.591-2/15 III. Feiten 3.1. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi verleent op 8 februari 1994 een milieuvergunning voor de exploitatie van een tuinbouwbedrijf gelegen aan de Verleydonckstraat, voor een termijn van 20 jaar. 3.2. Eind 1996 kopen verzoekster en haar echtgenoot het onroerend goed. Ze gaan in de bedrijfswoning wonen en verkopen de eigenlijke bedrijfsgebouwen. 3.3. Op 6 mei 1997 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi akte van de melding van de overname van de exploitatie van de bedrijfsgebouwen door de nieuwe eigenaar, Erwin Bracke. 3.4. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi neemt op 26 oktober 2004 akte van de overname van deze exploitatie door Geert Willems, die op zijn beurt eigenaar werd van de bedrijfsgebouwen. 3.5. Op 19 december 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi aan Geert Willems een milieuvergunning voor het veranderen van de inrichting. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verwerpt op 10 mei 2007 het bestuurlijk beroep, ingediend door verzoeksters echtgenoot, en bevestigt de vergunning. De exploitant verkrijgt ook stedenbouwkundige vergunningen, voor het bouwen van een loods met burelen en een loskaai en voor het aanleggen van opritten en het plaatsen van een poort en van een kantoor in een bestaande serre. 3.6. De tussenkomende partij meldt op 12 oktober 2012 de overname van de exploitatie van Geert Willems en ze dient een aanvraag in voor het veranderen van de exploitatie en het hernieuwen van de vergunning. VII-39.591-3/15 3.7. Op 29 januari 2013 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi de milieuvergunning, voor een termijn op proef van twee jaar, voor: - de bovengrondse opslag van 2 x 4.990 liter stookolie (rubriek 17.3.6.1.b); - een stookinstallatie met een warmtevermogen van 580 kW en drie warmelucht-blazers met een vermogen van telkens 197 kW (rubriek 43.1.2.b); - een grondwaterwinning met een debiet van 5,5 m³ per dag en 1.068 m³ per jaar (rubriek 53.8.2). De gevraagde uitbreiding van de grondwaterwinning tot 2.008 m³ per jaar wordt geweigerd. Wat betreft de transportactiviteiten worden in artikel 3C de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd: “

  1. a)Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen de motoren van de bedrijfsvoertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd te worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van koelinstallaties, pompen, kranen, hefbruggen, acclimatisatietoestellen, e.d.
  2. b)Transportactiviteiten, inclusief laden en lossen, zijn verboden op werkdagen tussen 20 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen. In uitzonderlijke gevallen te wijten aan omstandigheden buiten de invloed van de exploitant en beperkt tot max. een keer per maand kan op een werkdag een transportactiviteit aanvaard worden tussen 20 en 21 uur.
  3. c)Teneinde het college van burgemeester en schepenen toe te laten de bijzondere voorwaarde sub
  4. b)te evalueren bij de definitieve uitspraak over de vergunningsaanvraag dient de exploitant elke transportactiviteit buiten de dagperiode, i.e. elke transportactiviteit na 19 uur te registreren. Binnen een anderhalve maand legt de exploitant hierover een voorstel ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en schepenen. Het voorstel omvat de wijze van registreren (telslang, ...) en de uitvoeringstermijn. De registratie dient uiterlijk drie maanden na het verlenen van de vergunning te starten”. 3.8. Zowel verzoekster als de tussenkomende partij stellen een bestuurlijk beroep in. Verzoekster voert onder meer aan dat de exploitatie onverenigbaar is met de voorschriften van het Algemeen Plan van Aanleg, en dat er onvoldoende garanties zijn dat de algemene milieuvoorwaarden inzake geluid van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en VII-39.591-4/15 sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) kunnen worden nageleefd. 3.9. Op 4 juli 2013 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de vergunning voor een termijn van 20 jaar. De beperking van de grondwaterwinning wordt behouden zoals in eerste aanleg, en er worden een aantal wijzigingen aangebracht in de bijzondere vergunningsvoorwaarden. Wat betreft de transportactiviteiten worden de voorwaarden in artikel 3C.3b) en 3c) vervangen door: “
  5. b)Transportactiviteiten met vrachtwagens vanaf 10 ton, inclusief laden en lossen, zijn verboden op werkdagen tussen 22:00 u en 7:00 u, op zaterdagen tot 8:00 uur en vanaf 19:00 uur, alsmede op zon- en feestdagen. In geval van transportactiviteiten tussen 19:00 u en 22:00 u dient uur van aankomst en vertrek genoteerd in een register, dat steeds ter plaatse is en ter inzage van de toezichthoudende overheid.
  6. c)Bij wijze van uitzondering mogen transporten met vrachtwagens vanaf 10 ton toch maximaal 20 keer per jaar het bedrijf aandoen binnen de in artikel 3C.3b opgenomen verbodsperioden. Ook van deze transportactiviteiten dient uur van aankomst en vertrek genoteerd in een register, dat steeds ter plaatse is en ter inzage van de toezichthoudende overheid”. 3.10. Bij arrest nr. 231.522 van 11 juni 2015 heeft de Raad van State deze milieuvergunning van 4 juli 2013 vernietigd. 3.11. In het kader van het hernemen van de procedure worden onder meer volgende adviezen verleend: - de afdeling Milieuvergunningen adviseert om de vergunning te verlenen mits wijziging van de vergunningsvoorwaarde in artikel 3C.3b) als volgt: “Transportactiviteiten, inclusief laden en lossen, zijn verboden op werkdagen tussen 22 h en 7 h, alsmede op zon- en feestdagen. In geval van transportactiviteiten tussen 19 u en 22 u dient uur van aankomst en vertrek genoteerd in een register dat steeds ter plaatse is en ter inzage van de toezichthoudende overheid”; VII-39.591-5/15 - de provinciale milieudeskundige (geluid) adviseert om de bestreden vergunning als volgt aan te passen: “- vergunning verlenen voor een termijn van 20 jaar - de vergunningsvoorwaarde artikel 3C.3b) te wijzigen als volgt: Transportactiviteiten, inclusief laden en lossen, zijn verboden op werkdagen tussen 19 h en 7 h, op zaterdagen tot 8h en vanaf 19h, alsmede op zon- en feestdagen. - de vergunningsvoorwaarde artikel 3C.3c) te schrappen - Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, dienen motoren van de vrachtwagens tijdens wachtperiodes en periodes van laad- en losactiviteiten te worden stilgelegd, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van toestellen zoals koelinstallaties, pompen, kranen, hefbruggen e.d.” onder “5. Bespreking geluidsaspect” wordt gesteld: “[…] Voor zowel het specifiek geluid Lsp als het incidenteel geluid worden in tabel 2 de overschrijdingen van de Vlarem-geluidsnormen per beoordelingsperiode weergegeven. De tabel toont dat de richtwaarden voor de avond- en nachtperiode met minimaal 10 dB(A) overschreden worden. Het hervergunnen van deze activiteiten kan dus niet volgens Art. 4.5.4.1 §2 van Vlarem. Tijdens de dagperiode bedraagt de overschrijding van de richtwaarde 5 à 10 dB(A). Sanering is niet verplicht (Art. 4.5.4.1 §3) [...] Indien het bedrijf tijdens de avond- of nachtperiode wil exploiteren, kan het een uitbreiding van activiteiten aanvragen en moet het dus een nieuwe milieuvergunningsaanvraag indienen bij de vergunningverlenende overheid. Essentieel hierbij is een volledig akoestische onderzoek, waarbij wordt aangetoond dat het bedrijf binnen de Vlarem omgevingsnormen kan exploiteren, tijdens de aangevraagde beoordelingsperiode(s). Hiertoe zal sanering noodzakelijk zijn”; - de provinciale milieudeskundige (algemeen) adviseert om de vergunning te verlenen mits wijziging van de vergunningsvoorwaarde artikel 3C.3b) als voorgesteld door de provinciale milieudeskundige (geluid); - de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) ten slotte adviseert zoals de provinciale milieudeskundige (algemeen). VII-39.591-6/15 3.12. Op 19 november 2015 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de vergunning voor een termijn van 20 jaar. Wat betreft de transportactiviteiten wordt de vergunningsvoorwaarde in artikel 3C.3b) vervangen door: “Transportactiviteiten met vrachtwagens vanaf 10 ton, inclusief laden en lossen, zijn verboden op werkdagen tussen 22:00 u en 7:00 u, op zaterdagen tot 8:00 en vanaf 19:00 u, alsmede op zon- en feestdagen. In geval van transportactiviteiten tussen 19:00 u en 22:00 u dient uur van aankomst en vertrek genoteerd in een register, dat steeds ter plaatse is en ter inzage van de toezichthoudende overheid”. De vergunnningsvoorwaarde van artikel 3C.3c) wordt geschrapt. Bij de bespreking van de “Milieuhygiënische aspecten - Geluid” wordt de bespreking van het geluidsaspect in het advies van de provinciale milieudeskundige (geluid) van 8 september 2015 overgenomen, waarna de bestreden beslissing vervolgt: “Ondanks het feit dat de woning zich bevindt langs een weg met relatief veel verkeer, dat de omgeving gekenmerkt wordt door relatief intense activiteit en dat de bedrijfswoning onrechtmatig werd afgesplitst van het bedrijf, kan de milieuvergunning volgens de deputatie enkel worden toegestaan onder de beperking van de transportactiviteiten, inclusief het laden en lossen”. Het betreft de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 4. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 30bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning VII-39.591-7/15 (hierna: Vlarem I), de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. Ze betoogt vooreerst dat er geen voorwaarden worden opgelegd die een aanvaardbare exploitatie garanderen tijdens de avond en de nacht. Terwijl alle adviserende instanties vaststellen dat er tijdens de avond en de nacht een verbod diende te komen inzake transporten, inclusief laden en lossen (met specificaties voor het weekend en feestdagen) teneinde te kunnen voldoen aan de geluidsnormen van Vlarem, neemt de deputatie een andersluidende beslissing zonder te motiveren waarom ze van deze adviezen afwijkt, laat staan dat deze motivering afdoende en draagkrachtig is teneinde een dergelijke afwijking van eerdere tegengestelde adviezen te verantwoorden. Dit houdt een schending in van de formelemotiveringsplicht, minstens van de materiëlemotiveringsplicht, en van artikel 30bis, § 1, van Vlarem I. De vergunning moest volgens verzoekster voorwaarden bevatten “[...] die garanderen dat het incidenteel geluid beperkt blijft tot minder dan 60 dB(A) (50 + 10) in de avondperiode en tot minder dan 55 dB(A) (45 + 10) in de nachtperiode”. De bestreden beslissing schendt tevens de zorgvuldigheidsplicht nu, mede met het oog op de verschillende adviezen, geen zorgvuldig onderzoek werd gevoerd naar alle relevante elementen van het dossier inzake het garanderen van een aanvaardbare exploitatie tijdens de avond en de nacht en nu de betrokken vergunningsvoorwaarden niet zorgvuldig werden opgesteld. Voorts betoogt verzoekster dat er evenmin voorwaarden worden opgelegd die een aanvaardbare exploitatie garanderen tijdens de dagperiode. In het arrest van het Hof van Beroep van Gent van 9 januari 2012 werd geoordeeld dat in het algemeen kan worden gesteld, gelet op de ligging van de woningen en de omvang van de transporten, dat de rust zal worden verstoord, los van de gevoeligheden van de omwonenden. De geluidsdeskundige had opgemerkt dat er tijdens de dag overschrijdingen zijn van 5 tot 10dB(A) en dat er geen hindervrije exploitatie kan worden gegarandeerd, terwijl deze evaluatie enkel steunde op de transporten en dus de laad -en losactiviteiten alsook de airco‟s van de vrachtwagens buiten beschouwing werden gelaten. Het is dus plausibel dat ook de VII-39.591-8/15 normen tijdens de dagperiode zullen worden overschreden. Minstens had een zorgvuldig bestuur dit moeten onderzoeken. 5. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat in de bestreden beslissing het advies van de provinciale geluidsdeskundige wordt weergegeven, maar zij hier niet volledig mee akkoord gaat. De woning bevindt zich langs een weg met relatief veel verkeer in een omgeving die gekenmerkt wordt door relatief intense activiteit. Het is van groot belang te beseffen dat de woning van verzoekster op onrechtmatige wijze werd afgesplitst van de rest van het bedrijf en dat hiervoor geen stedenbouwkundige vergunning voorhanden is en ook nooit kan worden verkregen. Indien de woning nog steeds een bedrijfswoning zou zijn stelt er zich immers geen enkel probleem naar geluidshinder toe. Dat kan worden afgeleid uit de uitgevoerde modellering en wordt tevens bevestigd door de vaststelling dat er tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren werden ingediend door andere omwonenden dan appellanten. In die optiek lijkt het volgens de verwerende partij dan ook billijk om een evenwicht te scheppen tussen het recht op een concurrentiële exploitatie van deze zone-eigen inrichting en het recht op bewoning van verzoekster, ook al betreft het een zonevreemde bewoning. Zonder uitzondering (wat in de vorige milieuvergunning wel nog het geval was) worden daarom transporten vanaf 10 ton verboden op werkdagen tussen 22u en 7u, op zaterdag tot 8u en vanaf 19u en op zon- en feestdagen. Dit alles dient bijgehouden te worden in een register ten bate van de toezichthoudende overheid. Deze voorwaarde betekent een beperking voor de activiteiten van de exploitant ten opzichte van de gelijkaardige bedrijven in de omgeving, die geen dergelijke beperking opgelegd krijgen. Deze beperking is bedoeld om de hinder voor verzoekster tot het aanvaardbare te beperken. Zoals door de exploitant aangegeven op de zitting van de PMVC (pagina 10 bestreden beslissing) zijn de zware transporten in hoofdzaak verhuisd naar een industriepark en zijn het nu voornamelijk personenwagens en lichte bestelwagens die de inrichting aandoen. Het aantal transportbewegingen op de inrichting is vrij beperkt. Indien planten in bloei staan moet men op tijd kunnen vertrekken om de veiling te halen die opent om 5u „s morgens. Daarnaast is het ook zo dat er bij panne „s nachts VII-39.591-9/15 moet kunnen worden ingegrepen. In alle redelijkheid kan dan ook enkel maar worden geconcludeerd dat, gezien de specifieke omstandigheden van de zaak, de opgelegde voorwaarden volstaan om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. 6. De tussenkomende partij betoogt dat niet wordt aangetoond dat tijdens de dagperiode de geldende geluidsnormen modelmatig met minimaal 10 dB(A) zouden worden overschreden zodat op dit punt geen bijzondere maatregelen vereist zijn, ook niet vanuit reglementair oogpunt. Ook de adviesinstanties, met inbegrip van de geluidsdeskundige, zien op dit punt geen problemen. De enkele omstandigheid dat de geluidsdeskundige heeft vastgesteld dat tijdens de dagperiode de overschrijding van de richtwaarde 5 à 10 dB(A) zou bedragen en dat geen hindervrije exploitatie kan worden gegarandeerd, doet niet anders besluiten. Het is niet omdat de exploitatie enige hinder veroorzaakt, dat ze verboden zou moeten worden of dat zich bijkomende (sanerings)maatregelen opdringen. Het is eigen aan hinderlijke inrichtingen dat ze enige hinder veroorzaken, en omwonenden dienen dit te tolereren. Dit geldt des te meer voor verzoekster die haar woning op een onrechtmatige en onvergunbare wijze van het bedrijf heeft afgesplitst en aldus een (niet te remediëren) “zonevreemde” residentiële functie heeft gecreëerd, die volgens de voorzieningen van toepasselijke bestemmingsplannen dan nog eens is gelegen in een agrarisch gebied/zone waarin de inrichting van de tussenkomende partij ook thuishoort. Geen enkele adviesinstantie heeft overigens vastgesteld dat er tijdens de dag sprake is van een onaanvaardbare hinder. Indien het laden en lossen of het draaien van de koelinstallaties een dermate relevante invloed zou hebben gehad op de evaluatie van de geluidsemissies van de betrokken inrichting, dan had dit gegeven ongetwijfeld ook geïntegreerd geweest in het geluidsmodel, minstens zou die nuance zijn vermeld geweest door de geluidsdeskundige. De verwijzing naar het arrest van het Hof van Beroep van 9 januari 2012 door verzoekster is al evenmin dienstig. Niet alleen strekt het gezag van gewijsde van dit arrest zich niet uit tot de vergunnende overheden, bovendien heeft het betrekking op feiten die zich hebben voorgedaan lang voordat er sprake was van de vergunningsaanvraag en het VII-39.591-10/15 geluidsmodel van de provinciale geluidsdeskundige. Wat de geluidshinder in de nachtperiode betreft, stelt de tussenkomende partij vast dat de deputatie, met uitsluiting van de eerder toegestane uitzonderingen, de transporten vanaf 10 ton verbiedt op werkdagen tussen 22u en 7u, op zaterdag tot 8u en van 19u en op zon- en feestdagen. Uit niets blijkt en verzoekster maakt dit alvast met niets aannemelijk dat ook de occasionele transporten die plaatsvinden in de nachtperiode, andere dan de verboden vrachtwagenbewegingen vanaf 10 ton (die in de regel overigens gebeuren om te kunnen verhelpen aan technische pannes), de toepasselijke geluidsnormen overschrijden. Ook in de PMVC werd gesteld dat personenvervoer voor interventies niet door het verbod van avond en nachtelijke transporten wordt gevat. Voor wat betreft de avondperiode blijkt de deputatie de transporten wel toe te laten en wijkt de bestreden beslissing op dit punt af van het advies van de provinciale geluidsdeskundige, die ook een verbod in de avondperiode had voorgesteld, maar ze doet dit op een overwogen, onderbouwde wijze. Er wordt in dit verband verwezen naar het feit dat het hier gaat om een weg met veel verkeer en dat de omgeving gekenmerkt wordt door relatief intense activiteit, wat verzoekster op zich niet lijkt tegen te spreken. Te dezen kon de deputatie dan ook terecht beslissen dat de hinder aanvaardbaar kan worden geacht voor de buurt mits naleving van een aantal bijzondere voorwaarden. Beoordeling 7. Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag is de vergunningverlenende overheid ertoe gehouden om, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken uiteenlopende belangen, de hinder en de risico‟s voor de mens en het leefmilieu te onderzoeken en, op grond van de precieze bevindingen van dat onderzoek, de passende eindconclusies te trekken. Artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. VII-39.591-11/15 8. Blijkens het besluitvormingsproces dat tot de bestreden beslissing heeft geleid, is er sprake van een geluidshinderproblematiek veroorzaakt door de vrachtwagenbewegingen, het laden- en lossen en de airconditioningtoestellen op de vrachtwagens. In het advies van de PMVC van 15 september 2015 wordt uitdrukkelijk gesteld dat het advies van de provinciale milieudeskundige (geluid) en de voorgestelde voorwaarden in verband met het verbod van avond- en nachttransporten dienen behouden te blijven. Personenvervoer voor interventies wordt door dit verbod niet gevat. Er wordt gesteld dat deze voorwaarden heel strikt zijn en perfect controleerbaar, terwijl de beperkingen in de vorige vergunning naargelang de tonnage van de vrachtwagens en het bijhouden van een register, niet controleerbaar zijn, en deze laatste voorwaarde niets zegt over de geluidshinder. De bestreden beslissing citeert uitvoerig uit het advies van de provinciale milieudeskundige (geluid) van 8 september 2015, die verwacht dat door voornoemde activiteiten de richtwaarden voor bestaande inrichtingen voor de avond- en nachtperiode met minimaal 10 dB(A) zullen worden overschreden zodat het hervergunnen -behoudens een volledig akoestisch onderzoek en sanering- niet kan overeenkomstig artikel 4.5.4.1, § 2, van Vlarem II, en voor de dagperiode een overschrijding van 5 tot 10 dB(A), zodat sanering niet verplicht is overeenkomstig artikel 4.5.4.1, § 3, van Vlarem II. Desondanks legt de verwerende partij opnieuw enkel beperkingen op voor transportactiviteiten “met vrachtwagens vanaf 10 ton”: deze worden verboden “op werkdagen tussen 22:00 u en 7:00 u, op zaterdagen tot 8:00 en vanaf 19:00 u, alsmede op zon- en feestdagen”, terwijl voor alle andere (transport)activiteiten geen enkele beperking wordt opgelegd. In de bestreden beslissing wordt voor dit onderscheid naargelang het tonnage van de vrachtwagens geen enkele motivering gegeven. De verwijzing naar de omstandigheid dat de woning zich bevindt langs een weg met relatief veel verkeer en de omgeving wordt VII-39.591-12/15 gekenmerkt door relatief intense activiteit, is voor het gemaakte onderscheid niet pertinent. Bovendien mag worden aangenomen dat deze kenmerken ook aanwezig waren bij de opmaak van de geluidskaarten door de provinciale milieudeskundige (geluid) waarvan sprake in zijn advies van 8 september 2015 en deze bijgevolg de resultaten ervan mee hebben beïnvloed en er als het ware in verrekend zitten. Het opleggen als bijzondere vergunningsvoorwaarde van het bijhouden van een register waarin de transportactiviteiten tussen 19 u en 22 u dienen te worden genoteerd, houdt niet de door artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I vereiste garanties in. De vereiste waarborgen om tot de aanvaardbaarheid van de hinder te besluiten dienen aanwezig te zijn op het ogenblik dat de vergunning wordt verleend. Met de latere herlocatie van een deel van de hinderlijke activiteiten en de beweringen dat eigenlijk geen transporten met vrachtwagens vanaf 10 ton meer gebeuren en in de nachtperiode enkel nog occasionele transporten andere dan met vrachtwagens vanaf 10 ton, kan de Raad van State geen rekening houden bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit. De verwerende partij maakt niet aannemelijk, met de krachtens artikel 30bis van Vlarem I vereiste stellige zekerheid, dat de geluidshinder en de effecten op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie “tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. De beslissing schendt daardoor artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I. Het tweede middel is gegrond. VII-39.591-13/15 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 19 november 2015 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi van 29 januari 2013, houdende het deels verlenen en deels weigeren van de milieuvergunning aan de BVBA Plant Trading voor het exploiteren van een tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Verleydonckstraat 44 A te Lochristi, deels worden ingewilligd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan verzoekster. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.591-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.591-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.