id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.498 Rolnummer: A. 225409/VII-40300 Zaak: Arrest 244498 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-23 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 07:19 Fiche Arrest nr 244.498 van 16 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.498 van 16 mei 2019 in de zaak A. 225.409/VII-40.
- In zake : de vereniging van mede-eigenaars RESIDENTIE WINDSURF EN MINERVA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Ockier en Erlinde De Lange kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA GERNIC bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0740 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 17 april 2018 in de zaak 1617/RvVb/0139/A. VII-40.300-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 28 juni 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erlinde De Lange, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.300-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij heeft een “verzoek tot voortzetting” ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partij. Het voormelde verzoek tot voortzetting wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover dat stuk de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partij ter terechtzitting, wordt het niet als een procedurestuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IV. Feiten
- Met een besluit van 8 september 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de BVBA Gernic een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een hotel (uitbreiding)”.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.300-3/9 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 16, eerste lid, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC) en het algemeen rechtsbeginsel “audi et alterem partem”. Zij betoogt dat het bestreden arrest aan het punt 3.2 van de notulen van haar algemene vergadering van 22 oktober 2016 “een uitleg en draagwijdte [geeft] die manifest onjuist is” aangezien dat punt geen betrekking had op de procedure tegen de vergunning van de BVBA Gernic van 8 september 2016, maar wel “op reeds aanwezige bouwhinder bij werken aan de roofing van het garagecomplex uitgevoerd door de bvba Gernic”. De RvVb “heeft ten onrechte gemeend dat punt 3.2: - betrekking had op de (toekomstige) hinder van de bestreden vergunningsbeslissing in plaats van op bestaande hinder naar aanleiding van werken aan de roofing van het garagecomplex”; - het standpunt van de gemeenschap van mede-eigenaars weergeeft” terwijl het “de weergave [is] van wat door één mede-eigenaar is gesteld tijdens een algemene vergadering”. Zij zet vervolgens uiteen dat noch de verwerende, noch de tussenkomende partij voormeld punt 3.2 hebben aangegrepen om haar belang te betwisten en dat alleen de RvVb zulks heeft gedaan “op de zitting zelf” zonder haar hiervan voorafgaandelijk te verwittigen waarop zij bij monde van haar raadsman “duidelijk [heeft] geantwoord dat het standpunt van de [verzoekende partij] is dat er toekomstige hinder zal zijn aan het ondergrondse garagecomplex door de bestreden vergunningsbeslissing, en dat, voor zover punt 3.2 op de procedure bij de [RvVb] zou betrekking gehad hebben (quod non) dit als een materiële vergissing VII-40.300-4/9 moest worden beschouwd”. De RvVb bracht hiermee een nieuw element in het debat en had het debat daarover moeten heropenen. De RvVb heeft aldus artikel 16 DBRC buiten werking gesteld. Beoordeling
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest aan de notulen van de algemene vergadering van 22 oktober 2016 van de verzoekende partij een manifest onjuiste uitleg en draagwijdte geeft, is bijgevolg niet ontvankelijk.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel om te worden gehoord, dat te onderscheiden is van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 4.8.11, § 1, 3°, VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat onder meer elke rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de beroepen vergunningsbeslissing, daartegen beroep bij de RvVb kan instellen. Het middel dat de schending aanvoert van het voormelde artikel 4.8.11, § 1, 3°, VCRO zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden VII-40.300-5/9 arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk. Artikel 16, eerste lid, DBRC bepaalt dat de behandeling van het beroep schriftelijk en op tegenspraak geschiedt. Artikel 16, tweede lid, DBRC bepaalt dat partijen zich kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. Artikel 16, vijfde lid, DBRC bepaalt dat bij regelmatige oproeping de afwezigheid van een partij de geldigheid van een zitting niet belet en de zaak in dat geval geacht wordt op tegenspraak behandeld te zijn. Artikel 16, zesde lid, DBRC bepaalt dat partijen in onderling overleg kunnen afzien van de behandeling van het beroep ter zitting tenzij de RvVb anders beslist.
- Uit de gegevens van het bestreden arrest blijkt dat het verzoekschrift en de wederantwoordnota van de verzoekende partij evenals de schriftelijke uiteenzettingen van de tussenkomende partij in de beoordeling werden betrokken, dat de antwoordnota van de verwerende partij uit het debat werd gesloten en dat de raadsman van de verzoekende partij evenals de raadsman van de tussenkomende partij op de zitting van 20 maart 2018 werden gehoord.
- Het middel gaat terug op de verwerping van het actueel karakter van het door de verzoekende partij aangevoerde belang bij haar beroep dat verband houdt met de belemmering van de doorgang/inrit naar de ondergrondse parking van de mede-eigendom. Het bestreden arrest stelt dat de verzoekende partij daarover op de zitting “uitdrukkelijk [werd] gehoord door de kamervoorzitter” en motiveert de verwerping van dit specifiek aangevoerde belang als volgt: VII-40.300-6/9 “„Uitleg door (...) Geen specifieke hinder opgemerkt om door en uit rijden met de auto. Wel heel veel vuil die binnen in de garage terecht komt. De grootste hinder is de toegang te voet langs de garage vanachter (eigenaars zonder appartement) Toelichting wordt ook gegeven door (...): werken - tijdperk - doel De syndicus geeft ook enkele woorden uitleg. Voorstel wordt gedaan om de vloer te herleggen in de garage - 1, dit punt op de agenda te zetten van de volgende AV.‟ Uit de notulen blijkt dat een meerderheid der eigenaars aanwezig was en dat zij een meerderheid van de aandelen in de gemeenschap vertegenwoordigen. De notulen werden door de voorzitter, syndicus en secretaris ondertekend en geparafeerd en voldoen op die wijze aan de wettelijke voorschriften. Uit het voorgaande blijkt dat, ondanks het mogelijks belang dat de verzoekende partij in het kader van haar wettelijke taak en doelstelling zou kunnen punten uit enige problematiek inzake de positionering van de onderdoorrit, deze problematiek niet onderkend wordt door de algemene vergadering. Waar de raadsman van de verzoekende partij op de openbare zitting van 20 maart 2018, geconfronteerd met de notulen van 22 oktober 2016, deze bestempelde als bevattende een materiële vergissing inzake de afwezigheid van hinder, kan dit niet ernstig worden genoemd. De notulen zijn ondertekend en geparafeerd en hebben aldus bewijskracht tot het tegendeel bewezen is en taalkundig is de bedoelde paragraaf ook niet in andersluidende zin uit te leggen. 5.5 De verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift haar grief inzake de belemmering naar het parkeercomplex enkel in functie van voertuigen verwoord. Nu blijkt dat de inrit naar dit parkeercomplex door de gemeenschap van mede-eigenaars niet als problematisch wordt beschouwd, kan zij haar belang daar niet op steunen. De in de notulen van 22 oktober 2016 verwoorde hinder inzake de toegang te voet langs de garage achteraan is door de verzoekende partij nooit aangekaart, en het is de Raad ook niet duidelijk of de bedoelde toegang, te maken heeft met dezelfde inrit voor de voertuigen, wat weinig waarschijnlijk lijkt. Hoe dan ook is deze grief nooit ter sprake gekomen in de jurisdictionele procedure en kan zij dan ook niet dienen ter ondersteuning van het belang van de verzoekende partij. De Raad stelt tot slot ook vast dat er geen enkel verband bestaat tussen de grief zoals aangevoerd en de ingeroepen middelen die het werkelijk beschikbare aantal parkeerplaatsen in het vergunde project en het gebrek aan een beoordeling van de mogelijks negatieve milieueffecten van het „stadsontwikkelingsproject‟ betreffen. De ingeroepen middelen beogen dan ook belangen te beschermen die geheel vreemd zijn aan het belang waarop de verzoekende partij zich beroept ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van haar beroep”. VII-40.300-7/9
- Door aldus na de geschetste procedureverloop te beslissen schendt het bestreden arrest niet artikel 16 DBRC.
- Het middel dat voor het eerst in de memorie van wederantwoord een grief formuleert tegen de aangehaalde laatste overweging van het bestreden arrest, is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.300-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.300-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.498 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div