← België

Arrest 244499 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.499 Rolnummer: A. 225444/VII-40301 Zaak: Arrest 244499 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:35 Fiche Arrest nr 244.499 van 16 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.499 van 16 mei 2019 in de zaak A. 225.444/VII-40.

  1. In zake : de NV WEMMEL SQUARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Mensalt kantoor houdend te 1852 Beigem Gemeentehuisstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij :
  2. de GEMEENTE WEMMEL
  3. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE WEMMEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jens Debièvre kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86C, bus 113 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0745 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 17 april 2018 in de zaak 1617/RvVb/0117/A. VII-40.301-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Een beschikking van 9 juli 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 oktober
  6. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Steven Vandendriessche, die loco advocaat Patrick Mensalt verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Amina Desaegher, die loco advocaat Jens Debièvre verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.301-2/8 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  9. De verzoekende partij heeft een “verzoek tot voortzetting” ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van verzoekende partij. Het voormelde verzoek tot voortzetting wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover dat stuk de neerslag vormt van de uiteenzetting van verzoekende partij ter terechtzitting, wordt het niet als een procedurestuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IV. Feiten
  10. Met een besluit van 1 september 2016 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor het bouwen van appartementsgebouwen met commercieel gelijkvloers, kantoren en paramedische beroepen en praktijkruimte”.
  11. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.301-3/8 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden: “Doordat het bestreden arrest het beroep tot nietigverklaring afwijst om reden dat verzoekster de onwettigheid van het bestreden besluit niet zou kunnen aantonen daar de vergunningsverlenende overheid de reglementering dient toe te passen die geldt op het ogenblik dat zij uitspraak doet. En doordat verzoeker pas in de wederantwoordnota zou hebben gesteld dat het gemeentelijk RUP Woonlagen op het ogenblik waarop de bestreden beslissing werd genomen nog niet in werking was getreden en daarmee een andere wending aan de kritiek zou hebben gegeven dan die zij in het verzoekschrift onder het eerste middel zou hebben uiteengezet. En doordat het bestreden arrest dit afdoet als ‘aanvullende’ kritiek en dus niet op ontvankelijke wijze meer had kunnen worden aangevoerd. En doordat het bestreden arrest ook het tweede middel onbeantwoord laat door zich te verschuilen achter een arrest van Uw raad dd. 31.01.2017 met nr. 237.250 dat slechts oordeelde in het kader van het schorsingsberoep tegen het GRUP Woonlagen. En doordat het arrest alzo zich achter een vermeend gezag van gewijsde probeert te verstoppen om ook het tweede middel niet te moeten beantwoorden; En doordat het bestreden arrest tenslotte ook het derde en vierde middel onbeantwoord laat om reden van niet aangetoonde onwettigheid van de bestreden beslissing; Terwijl verzoekster in haar verzoekschrift nochtans wel degelijk haar eerste middel had gesteund op het nog niet in werking/van kracht zijnde RUP Woonlagen op het ogenblik dat er uitspraak werd gedaan; En terwijl verzoekster als repliek op de antwoordnota van verwerende partij die stelde dat het RUP Woonlagen wel in werking was getreden, alleen maar heeft weerlegd door te stellen dat de bestreden beslissing werd genomen op 01.09.2016, terwijl het RUP Woonlagen pas op 08.09.2016 in werking was getreden, dit dus hoegenaamd geen ‘aanvullende kritiek’ uitmaakte op het bestreden besluit; En terwijl het krachtens art. 5 Ger. W. een rechter nochtans verboden is om zich te onthouden recht te spreken; En terwijl de rechterlijke motiveringsplicht de rechter bovendien verplicht om op elk regelmatig aangevoerd middel te antwoorden in plaats van deze VII-40.301-4/8 middelen als onontvankelijk af te doen wegens ‘aanvullende of onbewezen kritiek’; En terwijl het bestreden arrest daarmee heeft nagelaten recht te spreken over de regelmatig aangebrachte middelen en daarmee de rechterlijke motiveringsplicht met de voeten is getreden; En terwijl ook wat betreft het tweede middel in het bijzonder het betrokken arrest van Uw Raad dd. 31.01.2017 dat nochtans helemaal geen ten gronde uitspraak inhield over de aangevoerde middelen en het middel door Uw Raad (in het kader van een schorsings- en annulatieberoep tegen het RUP Woonlagen) slechts ‘prima facie’ is onderzocht geweest, zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen dit uiteraard niet aan verzoekster kon tegenstellen om het middel te kunnen verwerpen; Zodat het bestreden arrest de bepalingen en beginselen ter hoogte van het middel schendt”. Beoordeling
  13. Artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat er rechtsweigering bestaat wanneer de rechter weigert recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. Er is geen sprake van rechtsweigering als de rechter alleen maar een middel terzijde laat of oordeelt hierop niet te moeten antwoorden. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
  14. Het arrest van de RvVb moet overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de VII-40.301-5/8 motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting aanvoert omdat het bestreden arrest middelen “ten onrechte” afwijst “als ‘aanvullende’ kritiek” of “door zich te verschuilen achter een arrest” van de Raad van State of middelen “onbeantwoord laat om reden van niet aangetoonde onwettigheid”, gaat uit van andere rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.
  15. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de verzoekende partij - in het verzoekschrift heeft aangevoerd dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Woonlagen (hierna: RUP) niet in werking was getreden op het ogenblik van het indienen van de bouwaanvraag; - in de wederantwoordnota heeft aangevoerd dat het RUP op het ogenblik dat de bestreden vergunningsbeslissing werd genomen nog niet in werking was getreden. Het middel dat ervan uitgaat dat de verzoekende partij in het verzoekschrift “wel degelijk haar eerste middel had gesteund op het nog niet in werking/van kracht zijnde RUP Woonlagen op het ogenblik dat er uitspraak werd gedaan” mist feitelijke grondslag.
  16. Het bestreden arrest verwerpt de vier middelen van de verzoekende partij met de door haar bekritiseerde overwegingen: - (eerste middel) dat de verzoekende partij met haar dupliek in de wederantwoordnota dat het RUP op het ogenblik waarop de bestreden vergunningsbeslissing werd genomen nog niet in werking was getreden, een andere wending geeft aan de kritiek die zij heeft uiteengezet in het verzoekschrift en dat deze aanvullende kritiek niet op ontvankelijke wijze in de wederantwoordnota kan worden aangevoerd; VII-40.301-6/8 - (tweede middel) dat de onwettigheid van het RUP niet wordt aangetoond om de redenen die worden overgenomen uit arrest nr. 237.250 van 31 januari 2017 van de Raad van State; - het derde en vierde middel kritiek uit op bijkomende, overtollige motieven van de bestreden vergunningsbeslissing zodat het gegrond bevinden van deze middelen niet kan leiden tot de vernietiging van deze beslissing. Het bestreden arrest schendt geen van de in het middel aangevoerde bepalingen.
  17. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-40.301-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.301-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.499 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.