id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.503 Rolnummer: A. 223623/XIV-37552 Zaak: Arrest 244503 - Arbeids- en beroepskaarten - 16/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-24 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 22:59 Fiche Arrest nr 244.503 van 16 mei 2019 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.503 van 16 mei 2019 in de zaak A. 223.623/XIV-37.552 In zake : de NV LEUNENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valerie Meulemeester kantoor houdend te 9473 Welle Langestraat 152 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport van 21 september 2017 waarbij het beroep tegen de beslissing van het departement Werk en Sociale Economie van 5 april 2017 tot weigering van een arbeidsvergunning en een arbeidskaart B voor Aziz Meslil wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.552-1/8 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lotte Buekenhout, die loco advocaat Valerie Meulemeester verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij dient op 14 maart 2017 een aanvraag in voor het verkrijgen van een arbeidsvergunning en een arbeidskaart B voor de tewerkstelling van Aziz Meslil. Met een beslissing van 5 april 2017 weigert het departement Werk en Sociale Economie de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart. XIV-37.552-2/8 Op 8 april 2017 stelt de verzoekende partij een administratief beroep in tegen de voormelde beslissing. De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport beslist op 21 september 2017 het beroep ongegrond te verklaren en de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart B te weigeren. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - belang
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op omwille van gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij. De verwerende partij stelt vast dat Aziz Meslil in België verblijft zonder verblijfsvergunning. Volgens haar toont de verzoekende partij niet aan dat de kandidaat-werknemer bij het instellen van het beroep tot nietigverklaring in wettig verblijf was in de zin van artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 ‘houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: het koninklijk besluit van 9 juni 1999).
- In de memorie van wederantwoord laat de verzoekende partij gelden dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet tot gevolg heeft dat zij een nieuwe aanvraag tot tewerkstelling moet indienen doch enkel dat de verwerende partij opnieuw moet beslissen over de aanvankelijk ingediende aanvraag. Daarom acht de verzoekende partij enkel de verblijfssituatie op het ogenblik van het indienen van de aanvankelijke aanvraag relevant. Zij merkt op dat Aziz Meslil op het ogenblik van de aanvraag tot tewerkstelling beschikte over een verblijfstitel om in België te verblijven.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij met verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 226.440 van 14 februari 2014 toe dat, indien de bestreden beslissing nietig wordt verklaard, dit automatisch impliceert dat de overheid geen wettige redenen had om de gevraagde werkvergunning en XIV-37.552-3/8 arbeidskaart te weigeren en de overheid derhalve verplicht wordt om ab initio de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart toe te kennen. Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem een concreet voordeel oplevert. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
- Het ligt in de ratio legis van de wet van 30 april 1999 ‘betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: de wet van 30 april 1999) dat in beginsel een recht op verblijf is vereist om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Zo bepaalt artikel 4, § 2, van die wet dat de arbeidsvergunning XIV-37.552-4/8 niet wordt toegekend “wanneer de buitenlandse onderdaan België is binnen- gekomen om er te worden tewerkgesteld vooraleer de werkgever de arbeids- vergunning heeft bekomen”. Artikel 9 van dezelfde wet voorziet dat de buitenlandse werknemer “die wettig in België verblijft” in beroep kan gaan tegen de weigering of intrekking van zijn arbeidskaart. Artikel 12/1 van de voornoemde wet, voor het Vlaamse gewest ingevoegd met artikel 28 van decreet van 23 december 2016 ‘houdende de implementatie van de zesde staatshervorming en houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie’ (hierna: het decreet van 23 december 2016), stelt strafbaar de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde die “in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan arbeid heeft doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België”. Artikel 12/2 van de meergenoemde wet, voor het Vlaamse gewest ingevoegd met artikel 29 van het decreet van 23 december 2016, stelt eveneens strafbaar de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde die in strijd met de bepalingen van die wet en haar uitvoeringsbesluiten op het ogenblik van de tewerkstelling van een buitenlandse onderdaan “niet vooraf nagegaan heeft of die over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt” of “niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten”.
- In artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 wordt wettig verblijf gedefinieerd als “de verblijfssituatie van de vreemdeling die toege- laten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.” Artikel 34, 7°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, ingevoegd door artikel 9 XIV-37.552-5/8 van het koninklijk besluit van 6 februari 2003 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: het koninklijk besluit van 6 februari 2003) voorziet dat de arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer “op het ogenblik van de indiening van de aanvraag” de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort. Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 6 februari 2003 stelt inzake de bespreking van de artikelen 2, 6°, en 9: “Artikel 2, 6° In die nieuwe bepaling wordt verduidelijkt dat behalve in de gevallen bedoeld in 19° en 22°, a), de vrijstellingen opgesomd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 niet van toepassing zijn wanneer ten opzichte van hun begunstigden een definitieve negatieve beslissing werd opgenomen met betrekking tot hun verblijf. Diezelfde bepaling is ook terug te vinden in artikel 9 van dit besluit, waarin dezelfde reden van weigering van arbeidskaart wordt ingevoegd, evenals in artikel 10 (intrekking arbeidskaart). Overigens zal er nagedacht worden over een systeem dat het mogelijk maakt om de werkgever ervan in kennis te stellen dat de betrokken persoon hier niet wettig verblijft. […] Artikel 9 Door die bepaling wordt een geval van weigering van toekenning van arbeidskaart of arbeidsvergunning toegevoegd. Voor toelichting wordt verwezen naar de bespreking van artikel 2, 6°, van dit ontwerp. Er dient vermeld te worden dat diegene die nooit een verblijfsvergunning bekomen heeft natuurlijk onderworpen is aan deze bepaling los van het feit dat er geen eigenlijke negatieve beslissing is, zoals dit bijvoorbeeld het geval zou zijn voor een clandestien. Deze opmerking is eveneens van toepassing voor artikel 10”. Met het koninklijk besluit van 6 februari 2003 is dus een nieuwe reden ingevoegd om de arbeidsvergunning te weigeren die betrekking heeft op alle personen die op de datum van de indiening van de aanvraag geen verblijfsrecht genieten, hetzij omdat ze dat recht nog niet hebben verkregen, hetzij omdat ze geen opschortend beroep hebben ingesteld tegen een negatieve beslissing over hun recht XIV-37.552-6/8 op verblijf. Een machtiging tot verblijf van maximum drie maanden kan niet in aanmerking worden genomen.
- De in artikel 9 iuncto artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 opgenomen voorwaarde van een verblijfsrecht van meer dan drie maanden “op het ogenblik van het indienen van de aanvraag” dient te worden gelezen als een bijkomende voorwaarde. Zij doet geen afbreuk aan het feit dat de betrokken werknemer slechts kan worden tewerkgesteld indien hij ook op het ogenblik van de tewerkstelling gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden. Uit het voorgaande volgt dat de werknemer die na het indienen van de aanvraag voor een arbeidsvergunning en een arbeidskaart B over geen verblijfsrecht van meer dan drie maanden meer beschikt, niet kan worden tewerkgesteld.
- De verzoekende partij betwist niet dat Aziz Meslil, voor wie de aanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid werd ingediend, op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring in België verblijft zonder de vereiste vergunning. Vermits Aziz Meslil reeds bij het instellen van het beroep tot nietigverklaring niet wettig op het grondgebied verbleef, was hij niet in de voorwaarden om wettig te worden tewerkgesteld en kon hij dus geen voordeel putten uit een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing. De verzoekende partij geeft derhalve geen blijk van het vereiste wettig belang bij het beroep tot nietigverklaring.
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid is gegrond. XIV-37.552-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.552-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.503 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.