← België

Arrest 244584 - Overheidsopdrachten - 23/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.584 Rolnummer: A. 227942/XII-8726 Zaak: Arrest 244584 - Overheidsopdrachten - 23/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-24 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 07:19 Fiche Arrest nr 244.584 van 23 mei 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 244.584 van 23 mei 2019 in de zaak A. 227.942/XII-8726 In zake: de NV VANASSCHE FIREFIGHTING ENGINEERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nele Vercruysse kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HULPVERLENINGSZONE OOST VLAAMS- BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV FIRE TECHNICS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerard Soete kantoor houdend te 8400 Oostende Kerkstraat 8 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 23 april 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Hulpverleningszone Oost Vlaams Brabant dd. 3 april 2019 ter kennis gebracht aan de [nv Vanassche Firefighting Engineering] met brief dd. 8 april 2019 waarin enerzijds beslist wordt om de opdracht ‘aankoop autopomp post Landen XII-8726-1/14 perceel 1 (autopomp) en perceel 2 (technische hulpverlening) op basis van het bestek HVZ-2018-052 te gunnen aan de nv Fire Technics en waarin anderzijds de impliciete weigeringsbeslissing in ligt vervat om deze opdracht niet te gunnen aan de [nv Vanassche Firefighting Engineering]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 30 april 2019 heeft de nv Fire Technics gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fien D’Haenens, die loco advocaat Nele Vercruysse verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Johan Van Stipelen, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Thomas Soete, die loco advocaat Gerard Soete verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor de aankoop van een autopomp (perceel 1) en technische hulpverlening (perceel 2). Het bestek HVZ-2018-052 is van toepassing op de opdracht. XII-8726-2/14 Deze opdracht van leveringen wordt gegund met een openbare procedure met meerdere gunningscriteria. 3.
  5. Twee offertes worden ingediend, door de nv Fire Technics en door de nv Vanassche Firefighting Engineering, de huidige verzoekende partij. 3.
  6. Een verslag van nazicht der offertes wordt opgesteld op 27 maart
  7. Voor de beide percelen wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de nv Fire Technics. 3.
  8. De verwerende partij valt dit verslag bij en beslist op 3 april 2019 de opdracht te gunnen aan de nv Fire Technics. Dit is de bestreden beslissing. Die beslissing en het bijhorend verslag van nazicht van de offertes worden aan de verzoekende partij medegedeeld met een e-mailbericht en schrijven van 5 april
  9. Wegens een rekenfout bij het gunningscriterium “kwaliteit en gebruiksgemak” voor perceel 2 (technische hulpverlening) wordt evenwel bij aangetekend schrijven van 8 april 2019 de bestreden beslissing opnieuw bezorgd samen met het aangepaste verslag van nazicht. IV. Tussenkomst
  10. De nv Fire Technics blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende XII-8726-3/14 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  12. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet overheidsopdrachten) van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  13. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van de artikelen 35 en 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’ en de artikelen 5 en 8 van de rechtsbeschermingswet overheids- opdrachten. XII-8726-4/14 Beoordeling eerste middelonderdeel 7.
  14. In het eerste middelonderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat geen onderzoek naar eventuele abnormale eenheidsprijzen gebeurde, wat verplicht was overeenkomstig artikel 81 [lees: 84] van de wet overheidsopdrachten 2016 en de artikelen 35 en 36, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing
  15. 7.
  16. Artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt: “De aanbestedende overheid voert een prijzen- of kostenonderzoek uit op de ingediende offertes, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels. De Koning kan in uitzonderingen voorzien op het prijzen- of kostenonderzoek voor de door Hem te bepalen opdrachten. Op haar verzoek verstrekken de inschrijvers tijdens de plaatsingsprocedure alle nodige inlichtingen om dit onderzoek mogelijk te maken”. Artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan een prijs- of kostenonderzoek. Daartoe kan de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet, de inschrijvers verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken”. Artikel 36,§ 1, van datzelfde besluit luidt onder meer: “Indien uit het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 35 blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, voert de aanbestedende overheid een bevraging van deze laatste uit.” De verwerende partij beschikt aldus bij het betrokken onderzoek als aanbestedende overheid over een aanzienlijke beoordelingsruimte om al dan niet een procedure in te zetten waarbij de aanwezigheid van abnormale prijzen nader wordt onderzocht. In het verslag van nazicht is een titel “Nazicht abnormale eenheidsprijzen en totale offerteprijzen” opgenomen, waaruit volgt dat het niet aannemelijk wordt gemaakt dat geen prijsonderzoek naar abnormale prijzen werd gevoerd overeenkomstig artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016 en XII-8726-5/14 artikel 35 van het koninklijk besluit plaatsing
  17. Daarenboven lijkt de procedure van artikel 36, § 1, van het voornoemde besluit niet toepasselijk, nu die bepaling als hypothese vooropstelt dat prijzen of kosten werden aangetroffen, die abnormaal hoog of laag lijken, wat te dezen door de aan bestedende overheid niet lijkt te zijn vastgesteld. Een schending van de voornoemde bepalingen, tot dewelke het eerste middelonderdeel is beperkt, is bijgevolg niet aangetoond. Beoordeling tweede middelonderdeel 8.
  18. In een tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij een gebrek aan formele motivering aan doordat er volgens het verslag van nazicht waarop de gunningsbeslissing is gesteund geen nazicht van de eenheidsprijzen gebeurde, minstens het resultaat van dat nazicht niet wordt vermeld: “Uit het verslag van nazicht blijkt duidelijk dat er geen controle gebeurde van de eenheidsprijzen, nu die zin ‘nazicht eenheidsprijzen en totaal- prijzen’ gevolgd wordt door een uiteenzetting waaruit blijkt dat enkel de totaalprijzen gecontroleerd werden en waaruit blijkt dat er geen abnormale totaalprijzen zijn. Omtrent de eenheidsprijzen wordt er geen onderzoek vermeld en dus ook geen resultaat van dat onderzoek, evenmin wordt aangegeven hoe dat onderzoek gebeurde, of wordt er verwezen naar een bijlage waarin dat onderzoek werd verricht.” Zij voegt daaraan toe dat, in de mate dat de verwerende partij zou voorhouden dat zij toch een onderzoek heeft gedaan van de eenheidsprijzen verwijzende naar punt 4 van het verslag van nazicht (stuk 5c) vermits daar vermeld wordt “nazicht van de abnormale eenheidsprijzen en totale offerteprijzen”, zulks dus niet opgaat. 8.
  19. Indien, zoals te dezen, de aanbestedende overheid bij het prijsonderzoek oordeelt dat er geen schijnbaar abnormale prijzen zijn, lijkt het niet dat de aanbestedende overheid met betrekking tot dit prijsonderzoek een extensieve motivering dient op te nemen in de gunningsbeslissing of in het verslag van nazicht. Er is in de voorliggende zaak alvast duidelijk in dat verslag bepaald XII-8726-6/14 dat ook een nazicht op abnormale eenheidsprijzen heeft plaatsgevonden en dat het resultaat van het regelmatigheidsonderzoek voor zowel de verzoekende partij als de gekozen inschrijver was: “In orde”. Het betoog van de verzoekende partij, dat uit het verslag van nazicht blijkt dat geen controle van de eenheidsprijzen is gebeurd, kan dan ook niet worden bijgevallen. Het lijkt dan ook niet dat de formelemotiveringsplicht die de verzoekende partij afleidt uit de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991 en de artikelen 5 en 8 van de rechtsbeschermingswet overheidsopdrachten werd geschonden doordat de bestreden beslissing te dezen over het prijsonderzoek geen andere informatie bevat dan wat in het verslag van nazicht wordt vermeld. Zo had de verwerende partij geen intentie om de gekozen offerte te weren wegens abnormale prijzen. Enige bijkomende motivering dan die, waaruit blijkt dat eenheidsprijzen werden nagekeken en dat het resultaat hiervan “in orde” was en die als bijlage bij de bestreden beslissing werd meegedeeld aan de verzoekende partij, lijkt in die omstandigheid niet vereist. 8.
  20. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. Bijgevolg is het gehele middel niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  21. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 76 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de formele- en materiëlemotiveringsplicht. Beoordeling van het eerste middelonderdeel 10.
  22. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat uit het verslag van nazicht blijkt dat de verwerende partij geen regelmatigheidsonderzoek van de offertes heeft verricht. Meer bepaald blijkt volgens haar uit het verslag van nazicht dat de ondertekening van de offertes niet XII-8726-7/14 werd gecontroleerd en evenmin dat werd gecontroleerd of de inschrijvers voor alle vereiste opties een prijs hadden opgegeven. 10.
  23. De aanbestedende overheid heeft, zo blijkt uit het verslag van nazicht, een regelmatigheidsonderzoek gevoerd, met als resultaat dat de offertes als regelmatig werden beschouwd. Wat de handtekening betreft waarmee de offerte van de gekozen inschrijver werd ondertekend, kan worden vastgesteld dat in het verslag van nazicht uitdrukkelijk in de tabel inzake de samenvatting van het nazicht van de inschrijvers wordt opgemerkt dat de juridische situatie van de gekozen inschrijver “OK” is. Het betoog dat de verwerende partij “de handtekeningsbevoegdheid niet gecontroleerd” heeft, kan dus prima facie niet worden bijgevallen. Uit de vertrouwelijke stukken die de Raad van State bij zijn beoordeling mag betrekken, blijkt dat de gekozen inschrijver de verplichte prijsopgave in bijlage 4.1 van het bestek heeft ingevuld. In die situatie volstond het als motivering te stellen dat de offerte van de gekozen inschrijver als regelmatig wordt beschouwd. De formelemotiveringsplicht veronderstelt dan niet dat meer wordt toegelicht dan te dezen reeds gedaan in het gunningsverslag. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. 11.
  24. In een tweede middelonderdeel van dit middel betoogt de verzoekende partij dat uit het verslag van nazicht nergens blijkt dat de verwerende partij de technische conformiteit van de offertes effectief beoordeeld heeft, minstens dat “er niet gemotiveerd werd”. Zij merkt hierbij op: “Enkel voor een aantal punten van de informatie die door de inschrijvers bezorgd diende te worden én die ook beoordeeld werden onder gunnings- criterium 3 kan de verzoekende partij afleiden welke waarden er onder meer door Fire Technics worden aangeboden. Welnu daaruit blijkt sowieso al dat er zich met betrekking tot die limitatief opgesomde elementen die bij de gunningscriteria beoordeeld worden dat er zich ernstige problemen XII-8726-8/14 stellen inzake de technische conformiteit van Fire Technics. Het is duide- lijk dat die conformiteit zoals wettelijk bedoeld niet onderzocht werd.” Zo wijst zij wat perceel 1 betreft, op de volgende eventuele regelmatigheidsproblemen: “Voor wat betreft de beschikbare massareserve was voorzien dat dit beoordeeld zou worden op 10 punten waarbij er gestreefd diende te worden naar een zo groot mogelijke beschikbare massareserve. Voor Fire Technics zou er een beschikbare massareserve zijn van 3.421 kg. Het is onduidelijk hoe aan de vermelde beschikbare massareserve kon gekomen worden. Rekening houdende met de gekende gewichten die ook gelden voor Fire Technics (namelijk interventiemateriaal, 300L schuim, 3000L water, watertank, identiek aangeboden chassis Scania, passagiers en chauffeur, Bostrom stoelen... zou FT er in slagen met een gewicht van ca 1.810 kg het volgende te maken en te assembleren: volledige opbouw basisstructuur, rolluiken, houders en draaideur voor alle interventiemateriaal, binnen beplating, hulpraam (VA 370 kg), laddersysteem, volledige elektrische installatie (minstens 80kg), volledige pompinstallatie inclusief schuim- pomp, frames voor Bostromstoelen in crewcab, aandrijflijn... Met betrekking tot de hydraulische prestaties aanzuigpomp zou de aanzuigsnelheid beoordeeld worden bij open water, bij een aanzuighoogte (Hs geoN) van 3meter. Ut de bijlage 1 blijkt dat verzoekster hiervoor 15 seconden nodig heeft terwijl Fire Technics zou aanbieden met 4 seconden hetgeen technisch manifest onrealistisch is hetzij minder dan 1/3 van de tijd die verzoekster hiervoor minimaal noodzakelijk acht. Niettemin krijgt Fire Technics het maximum van de punten hiervoor en blijkt nergens uit dat de haalbaarheid van die 4 seconden effectief zou zijn gecontroleerd. Voor wat betreft de uitschuifbare lichtmast werd voorzien dat die beoordeeld zou worden op het aantal lumen. Hoe meer lumen, hoe beter de score zou zijn. Verzoekster biedt 92.100 lumen aan rekening houdende met de concrete omstandigheden vooropgesteld in het bestek. Fire Technics biedt aan met 144.000 lumen, hetgeen volgens de verzoekende partij technisch niet realiseerbaar is gelet op de beperkte mastkabel sectie t.o.v. het hoge opgenomen elektrisch vermogen. Ook hier krijgt Fire Technics het maximum van de punten. De meerwaarde van zo’n groot aantal lampen (en hoger lumen) is enkel aanvaardbaar indien de inschrijver aantoont dat zo'n groot aantal lampen én bekabeling technisch ook gerealiseerd kunnen worden in de beperkte ruimte die daarvoor voorzien is.” XII-8726-9/14 Wat perceel 2 betreft, blijkt uit de bijlage 2 waarin het tweede criterium “kwaliteit en gebruiksgemak” wordt beoordeeld dat zich volgens haar de volgende “belangrijke problemen” aandienen inzake de conformiteit van de offerte: “Er was voorzien dat de snelheld van het aansluiten en ontkoppelen van het materiaal beoordeeld zou worden. Het verslag van nazicht vermeldt in bijlage 2 dat het ontkoppelen bij Fire Technics vlotter gaat vermits er slechts één handeling, nl. trekken nodig zou zijn. Dit is manifest In strijd met de EN 13204 ‘Dubbelwerkende hydraulische reddingsapparatuur voor de brandweer en hulpverlening - eisen voor veiligheid en prestatie’. […] Het bestek voorziet expliciet op de pg. 86 tot 88 dat de aangeboden hydraulische draagbare pompgroep, de hydraulische reddingschaar en de hydraulische spreider én de hydraulische rammen moeten voldoen aan de EN
  25. Waar blijkt dat Fire Technics niet voldoet aan die Europese normering, is zijn offerte manifest onregelmatig. Waar Fire Technics beloond wordt omwille van het feit dat zij kunnen loskoppelen door middel van één handeling blijkt nergens uit dat er effectief nog een veiligheidsmechanisme is die vereist wordt door de Europese normering terzake. Daarnaast zou de compatibiliteit beoordeeld worden met de hydraulische draagbare pomp van het merk Holmatro type DPU 31 PC die de verwerende partij gebruikt en die een lange levensduur hebben. Uit de beoordeling van de offerte van Fire Technics blijkt dat zij een tussenstuk gebruiken om de toestellen die zij zullen leveren te koppelen met de hydraulische draagbare pomp die de verwerende partij gebruikt. De verzoekende partij stelt zich de grootste vragen bij deze werkwijze. Compatibiliteit betekent niet alleen ‘kunnen aansluiten’. Ook de werkdruk, de door de EN13204 vereiste veiligheidsfactoren, de comptabiliteit en mengbaarheid van de gebruikte hydraulische olie dient te worden geverifieerd. Nergens wordt In het verslag van nazicht nagegaan of de technische vereisten effectief nog gehaald kunnen worden indien er met zo’n tussenstuk gewerkt wordt.” 11.
  26. Er moet worden opgemerkt dat er redelijkerwijze mag worden van uitgegaan dat de verwerende partij, een hulpverleningszone, over de technische deskundigheid beschikt om autopompen op hun kwaliteit te beoordelen. Het is niet aan de Raad van State om dat oordeel over te doen. Zonder deskundig advies, hetgeen in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid XII-8726-10/14 bezwaarlijk kan worden gevraagd, acht de Raad zich in principe ook niet bij machte om de technische twistpunten die een verzoekende partij aanbrengt te beoordelen. De verzoekende partij beperkt zich te dezen dan nog tot een argumentatie die erin bestaat dat het voor haar “onduidelijk” is hoe aan de door de gekozen inschrijver voorgestelde technische waarden wordt gekomen en dat die “technisch manifest onrealistisch” of “technisch niet realiseerbaar” zijn. De gekozen inschrijver bevestigt echter de voorgestelde technische waarden die door de verwerende partij worden bijgevallen. Bovendien heeft gedurende de plaatsingsprocedure de verwerende partij in elk geval nog bijkomende informatie opgevraagd teneinde de gewichtsberekening van de autopomp na te gaan en blijkt de aanzuigsnelheid van de pomp door de verwerende partij getest. Uit de vertrouwelijke stukken van het administratief dossier lijkt te mogen worden afgeleid dat het bevrijdingsmaterieel aangeboden door de gekozen inschrijver voldoet aan EN13204, hetgeen zowel door de verwerende als door de tussenkomende partij wordt bevestigd, waarbij de verwerende partij bijkomend opmerkt dat bij de demonstratie die werd gehouden voor perceel 2, geen problemen werden vastgesteld bij het gebruik van het bevrijdingsmaterieel. Uit deze overwegingen volgt dat de verzoekende partij er niet in slaagt om aan te tonen dat de conclusies van de hulpverleningszone dermate moeten worden betwijfeld, dat zulks tot een prima facie vaststelling van een onrechtmatig handelen moet leiden. Het middelonderdeel wordt dan ook verworpen. Beoordeling derde middelonderdeel 12.
  27. In een derde middelonderdeel doet de verzoekende partij nog gelden dat “in de mate de verwerende partij thans zou voorhouden dat die hiervoor vermelde tabel [tabel onder punt
  28. Regelmatigheidsonderzoek van de offertes van de geselecteerde inschrijvers] slaat op het volledige regelmatigheidsonderzoek (nl. Inclusief de formele en materiële regelmatigheid zie onderdeel 1 en 2) moet XII-8726-11/14 alleszins vastgesteld worden dat dit onderzoek onvoldoende gemotiveerd werd. Er worden zelfs geen gegevens weergegeven waaruit blijkt dat de offertes effectief gecontroleerd werden qua rechtsgeldige ondertekening, vereiste opties, technische conformiteit.” De verzoekende partij benadrukt hierbij dat zij inzage heeft gevraagd inzake specifieke aspecten van de offerte van Fire Technics teneinde het een en ander zelf te kunnen vaststellen maar dat de verwerende partij - gelet op het verlof van haar verantwoordelijke - daar niet op is ingegaan zodat zij genoodzaakt was een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. Zij herhaalt dat in bijlage 1 voor perceel 1 louter een tabel met cijfergegevens wordt overgelegd maar er zelfs niet verduidelijkt wordt op welke manier die gegevens verkregen werden zodat het een en ander niet te controleren valt en duidelijk onrealistisch is en dat met betrekking tot perceel 2 uit de summiere motivering bij de gunningscriteria blijkt dat de aangeboden toestellen onmogelijk conform kunnen zijn met de Europese norm. Voor de compatibiliteit wordt louter vermeld dat een koppelstuk gebruikt zal worden maar werd zelfs niet nagegaan of de technische eisen nog gehaald kunnen worden indien noodgedwongen gebruik moet worden gemaakt van een koppelstuk. 12.
  29. Voor zover in het derde middelonderdeel wordt verwezen naar het eerste en tweede onderdeel van het middel, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van die onderdelen, inhoudend dat uit de bewoordingen van het verslag van nazicht lijkt te mogen worden afgeleid dat een regelmatigheidsonderzoek werd gevoerd. Wanneer een aanbestedende overheid een inschrijver als regelmatig beschouwt, volstaat het dat zij de motivering ter zake beperkt tot de vaststelling dat er noch substantiële noch niet-substantiële onregelmatigheden werden vastgesteld. Enige bijkomende motivering lijkt in die omstandigheid niet noodzakelijk. Het middelonderdeel is bijgevolg niet ernstig. XII-8726-12/14
  30. Het tweede middel is in zijn geheel niet ernstig. VI. Besluit en kosten
  31. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen.
  32. In zoverre de tussenkomende partij vraagt dat de verzoekende partij zou worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, moet erop worden gewezen dat artikel 30/1, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitdrukkelijk bepaalt dat tussenkomende partijen niet kunnen worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of deze kunnen genieten. Er is aldus geen grond om de door de tussenkomende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. BESLISSING
  33. Het verzoek van de nv Fire Technics tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  34. De Raad van State verwerpt de vordering.
  35. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. XII-8726-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 mei 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8726-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.