id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.589 Rolnummer: A. 221283/VII-39897 Zaak: Arrest 244589 - Natuurbehoud - Vergunningen - 23/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:37 Fiche Arrest nr 244.589 van 23 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.589 van 23 mei 2019 in de zaak A. 221.283/VII-39.
- In zake : de NV IMMORA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Lukas Dedecker kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 14 november 2016 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 9 mei 2016, waarbij deze beslist dat de aanvraag tot vrijstelling van saneringsplicht in hoofde van de NV Immora zonder voorwerp is, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-39.897-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 242.884 van 8 november 2018 is het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-39.897-2/9 III. Feiten
- De feiten werden uiteengezet in arrest nr. 242.884 van 8 november
- IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel betoogt zij dat het bestreden besluit “uitgaat van een interpretatie van artikel 110, § 1 Bodemdecreet van 27 oktober 2006, zonder dat deze interpretatie op enige manier wordt gestaafd, of deze redenering op een andere wijze wordt onderbouwd; […] De bestreden beslissing gaat uit van een voorwaarde die zou „blijken‟ uit de bewoording van artikel 110, § 1 Bodemdecreet. Zo zou de voorwaarde dat nog niet aan de vereisten van artikel 109, § 2 Bodemdecreet mag voldaan zijn vooraleer een gemotiveerd standpunt wordt overgemaakt vervat liggen in de bewoording van artikel 110, § 1 Bodemdecreet. Op geen enkele manier slaagt de bestreden beslissing er echter in deze bijkomende voorwaarde te duiden, of aan te tonen hoe deze bijkomende voorwaarde uit de bewoording van artikel 110, § 1 Bodemdecreet zou blijken. Het is voor verzoekster dan ook niet duidelijk wat nu precies de wettelijke gronden zijn op basis waarvan de bestreden beslissing werd genomen. […] In voorliggend geval maakt de bestreden beslissing gewag van een interpretatie van een artikel van het bodemdecreet zonder dat deze interpretatie wordt toegelicht of verduidelijkt. Het is voor verzoekster bijgevolg onmogelijk om de werkelijke motieven, wettelijke basis en de gevolgde redenering te kennen die aan de basis lag van de bestreden beslissing. Het weinigzeggende karakter van de aangebrachte motivering vormt VII-39.897-3/9 een bijkomende duidelijke schending van de materiële motiveringsplicht in het licht van de opgeworpen argumenten in het voorgaande beroepschrift dat aanleiding gaf tot de bestreden beslissing. Zowel in het gemotiveerd standpunt van verzoekster als in het beroepschrift tegen de beslissing van de OVAM werden reeds ernstige bezorgdheden geuit omtrent de wettelijke basis van de onontvankelijkheidsverklaring”. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat “de motivering in de bestreden beslissing zich beperkt tot een uitgebreide opsomming van de feiten en de procedurele voorgaanden, zonder het hoofd te bieden aan de eerder opgeworpen argumentatie van verzoekster; […] De bestreden beslissing miskent niet alleen de door verzoekster opgeworpen inhoudelijke argumentatie in het licht van de beroepsbeslissing, zij raakt bovendien niet verder dan een halfslachtige opsomming van de procedurele voorgaanden waarbij op geen enkele wijze gehoor wordt gegeven op de door verzoekster opgeworpen beroepsargumenten. […] Verzoekende partij diende tegen de beslissing van de OVAM een uitgebreid en deskundig onderbouwd beroepschrift in. Minstens op die opgeworpen argumenten die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het gemotiveerd standpunt dient verzoekster bijgevolg een afdoende antwoord te vinden in het bestreden besluit”.
- In de memorie van wederantwoord voegt zij toe: “Hoewel in het bestreden besluit inderdaad wordt aangegeven dat verzoekende partij zich niet kan beroepen op artikel 110, §1 Bodemdecreet, wordt niet op concrete wijze toegelicht waarom verzoekende partij zich niet op artikel 110, §1 zou kunnen beroepen eens de overdracht van het verontreinigde perceel daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit wringt des te meer nu dit zou betekenen dat een saneringsplichtige overdrager geen vrijstelling van zijn saneringsplicht zou kunnen bekomen, wat in strijd is met de hierboven geciteerde eerdere rechtspraak van Uw Raad. Het bestreden besluit gaat uit van een voorwaarde die zou „blijken‟ uit de bewoording van artikel 110, §1 Bodemdecreet, maar slaagt er niet in deze voorwaarde te duiden, of aan te tonen hoe deze bijkomende voorwaarde uit de bewoording van artikel 110, §1 Bodemdecreet zou blijken. Hoewel verzoekende partij reeds in haar beroepschrift aanhaalde dat artikel 110, §1 Bodemdecreet geen voorwaarde bevat op grond waarvan zou VII-39.897-4/9 kunnen worden geoordeeld dat de realisatie van de overdracht de aanvraag tot het bekomen van een vrijstelling in de weg staat, verwijst het bestreden besluit enkel naar een voorwaarde die zou „blijken‟ uit de bewoordingen van artikel 110, §1, zonder deze nader toe te lichten of de argumentatie van verzoekende partij te weerleggen. […] Het herhalen van de feitelijke constellatie, waaruit blijkt dat de overdracht reeds heeft plaatsgevonden, volstaat uiteraard niet om de toepassing van deze onbestaande voorwaarde te rechtvaardigen en vormt geen antwoord op de door verzoekende partij opgeworpen argumenten”.
- De verzoekende partij leidt in de laatste memorie uit tussenarrest nr. 242.884 van 8 november 2018 af dat de bewoording van de artikelen 109-110 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna: bodemdecreet) op zich niet volstaan om uitsluitsel te bieden over de vraag of de overdracht al dan niet voltrokken mag zijn om nog als overdrager te kunnen worden aangemerkt. “Er kan dan ook onmogelijk beweerd worden dat deze voorwaarde „duidelijk blijkt‟ uit de bewoordingen van de artikelen 109-110 van het Bodemdecreet. […] Ook in het bestreden besluit kon men bijgevolg niet volstaan met een loutere uiteenzetting van de feiten en voorgaanden en vervolgens kortweg te verwijzen naar de artikelen 109-110 Bodemdecreet”. Zij stelt verder dat zij “bij de Vlaamse Regering in beroep [ging] tegen de beslissing van de OVAM net omdat zij van mening was dat de voorwaarde dat de overdracht nog niet mocht voltrokken zijn niet inherent blijkt uit de bewoordingen van artikel 109-110 Bodemdecreet. Wanneer in de bestreden beslissing de Vlaamse minister vervolgens opnieuw tot de onontvankelijkheid besluit omdat de overdracht al voltrokken is, kan zij logischerwijs niet zomaar volstaan met een simpele verwijzing naar de artikelen 109-110 Bodemdecreet”. Beoordeling
- Anders dan de verzoekende partij dat ziet heeft de term “overdrager” in de artikelen 109-110 van het bodemdecreet een spraakgebruikelijke betekenis en blijkt de hoedanigheid van de overdrager, hetzij eigenaar hetzij gebruiker, uit de tekst van deze bepalingen zelf. VII-39.897-5/9
- Met het in tussenarrest nr. 242.884 van 8 november 2018 weergegeven motief van de bestreden beslissing dat de verzoekende partij na de overdracht “niet meer beschikt over de mogelijkheid om een gemotiveerd standpunt inzake vrijstelling van saneringsplicht in te dienen”, kan de verzoekende partij de Raad van State er niet van overtuigen dat het bestreden besluit het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsverplichting schendt om de door haar opgegeven redenen.
- Het middel wordt verworpen. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van het zorgvuldigheids-, gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Zij betoogt “dat het gehanteerde criterium van onderscheid dat heeft geleid tot de bestreden beslissing niet op een gelijke manier wordt toegepast op de verschillende mogelijke situaties overeenkomstig de geldende rechtspraak” en dat zij “na de eerste beslissing tot onontvankelijkheid door de OVAM onder meer wees op de geldende rechtspraak, maar dat haar bezwaar niet op een afdoende manier werd weerlegd, rekening houdend met de consistente argumentatie die zij aanvoerde; […] De overdrager die een verontreinigd perceel wenst over te dragen en aan alle vereisten van artikel 109, § 2 Bodemdecreet […] voldoet, heeft […] nog steeds het recht zich te beroepen op het statuut van onschuldig bezitter. […] In de bestreden beslissing wordt bijgevolg een onderscheid gemaakt tussen de overdrager die de overdracht van een verontreinigde grond heeft voorbereid conform de bepalingen van artikel 109, § 2 Bodemdecreet, zonder deze grond effectief over te dragen, en de overdrager die VII-39.897-6/9 deze overdracht heeft voorbereid conform de bepalingen van artikel 109, § 2 Bodemdecreet, waarbij de overdracht reeds effectief heeft plaatsgevonden. […] In eerste instantie dient opgemerkt te worden dat dit onderscheid geen enkele wettelijke basis kent. […] Daarnaast slaagt de bestreden beslissing er niet in dit gemaakte onderscheid te ondersteunen aan de hand van een duidelijke en afdoende motivering, laat staan te duiden”.
- In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij: “Verwerende partij verliest volledig uit het oog dat in het gegeven geval weldegelijk sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, waardoor onmiskenbaar een schending van het gelijkheidsbeginsel voorligt. Zo dient te worden opgemerkt dat op de overdrager van een verontreinigde grond dezelfde verplichtingen rusten in het kader van de saneringsplicht, ongeacht of de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of niet. De saneringsplichtige overdrager die deze overdracht heeft voorbereid conform de bepalingen van artikel 109 §2 Bodemdecreet blijft gehouden tot de verplichtingen die werden aangegaan op grond van dit artikel. Hoewel op de overdrager in beide situaties gelijke plichten rusten, beschikken zij echter niet over gelijke rechten. In het bestreden besluit wordt bijgevolg een onderscheid gemaakt tussen de saneringsplichtige overdrager voorafgaand aan de overdracht, en de saneringsplichtige overdrager na de realisatie van de overdracht, zonder dat deze ongelijke behandeling gesteund is op een rechtmatige basis. De verzoekende partij blijft dan ook bij haar standpunt zoals ingenomen in haar inleidend verzoekschrift van 23 januari
- Het bestreden besluit schendt het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur”.
- De verzoekende partij voegt in de laatste memorie toe dat uit rechtspraak van de Raad van State “duidelijk [blijkt] dat de overdrager die een verontreinigd perceel wenst over te dragen en aan alle vereisten van artikel 109, § 2 van het Bodemdecreet voldoet, nog steeds het recht heeft zich op het statuut van onschuldig bezitter te beroepen. Het voldaan zijn van de criteria van artikel 109, § 2 van [het] Bodemdecreet volstaat dus niet als onderscheid om de overdrager het recht te ontzeggen zich te beroepen op het statuut van onschuldig bezitter. […] De overdrager die in zijn hoedanigheid van overdrager wordt aangesproken door de OVAM om in te staan voor de sanering van een verontreinigd terrein dat hij wenst VII-39.897-7/9 over te dragen, kan zich nog steeds op het statuut van onschuldig bezitter beroepen, ook al is reeds aan de voorwaarden van artikel 109, § 2 van het Bodemdecreet voldaan. Wie kan aangesproken worden voor de lasten van het verontreinigde terrein, dient zich logischerwijs ook op de mogelijke lusten te kunnen beroepen om gebruik te maken van het wettelijk voorziene statuut van onschuldig bezitter. Ook nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, kan de overdrager van een verontreinigd perceel nog gehouden zijn voor de verontreiniging. […] Wie ook nog na de overdracht als saneringsplichtige kan worden aangesproken, moet zich logischerwijs ook nog op de wettelijk voorziene verweerrechten (vrijstelling van deze saneringsplicht) kunnen beroepen. De effectieve voltrekking van de overdracht, volstaat hier dan ook logischerwijs niet om een dergelijke verschillende behandeling te rechtvaardigen […]. Het verdwijnen van de mogelijkheid om zich te beroepen op het statuut van onschuldig bezitter conform de artikelen 109-110 van het Bodemdecreet, zonder dat dit verdwijnen expliciet in deze artikelen werd opgenomen en terwijl men wel nog kan worden aangesproken als saneringsplichtige, ligt niet in de lijn der verwachtingen en schendt derhalve het rechtszekerheidsbeginsel”. Beoordeling
- Het bestreden besluit volgt uit de toepassing van de artikelen 109-110 van het bodemdecreet die, anders dan de verzoekende partij dat ziet, wel degelijk de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag tot vrijstelling van saneringsplicht beperkt tot de overdrager bedoeld in deze decretale bepalingen. In zoverre de grieven van de verzoekende partij betrekking hebben op de decretale regeling zelf, is de Raad van State niet bevoegd.
- Geen van de aangevoerde beginselen zijn geschonden door de overeenkomstig de artikelen 109-110 van het bodemdecreet genomen bestreden beslissing. VII-39.897-8/9 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.897-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.589 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.884 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div