id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.590 Rolnummer: A. 225350/VII-40290 Zaak: Arrest 244590 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-03 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 22:31 Fiche Arrest nr 244.590 van 23 mei 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.590 van 23 mei 2019 in de zaak A. 225.350/VII-40.
- In zake : de BVBA PETER VAN DE VELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Van De Sijpe kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV EUROPLAY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0768 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 17 april 2018 in de zaak 1617/RvVb/0196/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 28 juni 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.290-1/7 Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 mei
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jorn Houvenaeghel, die loco advocaat Alexander Van Eyck verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sander Kaïret , die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- Met een besluit van 6 oktober 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de BVBA Peter Van De Velde een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een betoncentrale en overkappen van sleufsilo’s”. VII-40.290-2/7 3.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de NV Europlay de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De NV Europlay betoogt dat de BVBA Peter Van De Velde in het verzoekschrift stelt “dat zij de betoncentrale anders zou hebben uitgevoerd dan in de vergunningsaanvraag gevraagd” waardoor de vernietiging van het bestreden arrest “enkel [kan] leiden tot de (nieuwe) vaststelling bij de RvVb dat het voorwerp van de aanvraag niet meer kan worden gerealiseerd, waarna de RvVb over zal gaan […] tot de vaststelling van verzaking aan de vergunning en derhalve de nietigverklaring ervan, teneinde de beslissing finaal uit het rechtsverkeer weg te nemen”. Zij besluit dat de BVBA Peter Van De Velde “onmogelijk een voordeel [kan] halen uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing, zodat elk legitiem belang haar ontbeert”. Beoordeling
- Het cassatieberoep van de BVBA Peter Van De Velde is gericht tegen de vernietiging door de RvVb van de voormelde stedenbouwkundige vergunning die de deputatie aan haar heeft verleend. De verzoekende partij heeft als één der betrokken partijen de hoedanigheid en het belang om cassatieberoep in te stellen. De exceptie wordt verworpen. VII-40.290-3/7 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De BVBA Peter Van De Velde voert de schending aan van de bewijskracht van de milieuvergunningen verleend aan de CVBA Van Steen en de aan haar verleende milieu- en bouwvergunningen, artikel 2.2.1 van het GRUP, artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht. Zij zet uiteen dat: - het “totaal onbegrijpelijk” is dat het bestreden arrest “geen rekening heeft gehouden” met de door haar aangehaalde milieuvergunningen verleend aan Van Steen en dat het “is uitgegaan van een volstrekt foutieve omschrijving van de activiteiten van Van Steen”; - het bestreden arrest “de inhoud en bewijskracht […] van de bouwvergunning op basis waarvan de sleufsilo’s werden gebouwd” heeft miskend; - “oordelen dat de overkapping in strijd is met het GRUP […] de voordien afgeleverde bouwvergunning van de sleufsilo’s” schendt; - het bestreden arrest “een foutieve draagwijdte [heeft] gegeven aan de verordenende stedenbouwkundige voorschriften uit het GRUP Eegene door te stellen dat er sprake is van een nieuwe activiteit waardoor art. 2.2.1 van het GRUP toepassing vindt”. Beoordeling
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. VII-40.290-4/7 Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel van de verzoekende partij wordt hierna enkel onderzocht in zoverre het gericht is tegen het bestreden arrest.
- Het middel, in zoverre het de schending van de bewijskracht van de aangehaalde milieu- en bouwvergunningen en van het toepasselijke ruimtelijk uitvoeringsplan aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de feiten door de RvVb en verplicht tot een onderzoek van de feiten. Het is bijgevolg niet ontvankelijk.
- De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
- Het middel gaat terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het eerste middel van de NV Europlay waarin zij heeft aangevoerd “dat de aanvraag een grootschalige bedrijvigheid betreft die niet thuishoort in het betreffende gebied door het GRUP Eegene als zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s wordt bestemd” en dat “er sprake [is] van een nieuwe activiteit of vestiging in de zin van het stedenbouwkundig voorschrift van het GRUP waarbij een beperking van de perceelsoppervlakte tot 0,5 ha geldt” terwijl “[o]p de site […] een nieuwe vestiging [is] met een oppervlakte van 19.637m² actief in strijd met het GRUP Eegene”. VII-40.290-5/7
- Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van de NV Europlay gegrond met volgende overwegingen: - de toepasselijkheid van de beperking van de perceelsoppervlakte tot 0,5 ha -opgenomen in artikel 1 van het GRUP Eegene- geldt in geval van verkoop, herverkaveling en nieuwe vestiging; deze voorwaarden zijn niet-cumulatief; - de Raad van State oordeelde reeds dat de aangehaalde bepaling van het GRUP Eegene moet worden gelezen in het licht van de gewenste ruimtelijke structuur in de toelichtingsnota van het GRUP; - in zijn arrest van 10 mei 2016 oordeelde de RvVb reeds dat het te dezen gaat om een nieuwe activiteit; nog los van het gezag van gewijsde dat aan dit arrest kleeft, ziet de RvVb geen reden om anders te besluiten; - verwijzend naar het arrest van de Raad van State van 31 maart 2017 stelt de RvVb dat het gaat om een nieuwe vestiging; - zowel wat betreft de sleufsilo’s als de betoncentrale gaat het om een nieuwe activiteit, gelet op de activiteiten die voorheen werden uitgeoefend door de vorige eigenaar; beide overschrijden de toegelaten 0,5 ha.
- Het bestreden arrest is met redenen omkleed.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. VII-40.290-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.290-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div