← België

Arrest 244624 - Energie - 28/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.624 Rolnummer: A. 221485/VII-39919 Zaak: Arrest 244624 - Energie - 28/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-06 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 22:36 Fiche Arrest nr 244.624 van 28 mei 2019 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.624 van 28 mei 2019 in de zaak A. 221.485/VII-39.

  1. In zake :
  2. de GEMEENTE OVERIJSE
  3. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Toon Denayer kantoor houdend te 3040 Neerijse Langestraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Energie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Valérie De Schepper kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV FLUXYS BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Roeland Van Cleemput kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 14 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het ministerieel besluit van 09 december 2016 waarbij een vervoersvergunning voor vervoer van aardgas door middel van leidingen wordt verleend aan de NV Fluxys Belgium voor de aanleg en exploitatie van nieuwe VII-39.919-1/15 aardgasvervoersinstallaties DN600 LD Overijse (Maleizen - Jezus-Eik) en een nieuw drukreduceerstation te Overijse”. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 242.512 van 4 oktober 2018 is het debat heropend en wordt de zaak volgens de gewone procedure voortgezet. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
  6. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Toon Denayer, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stef Feyen, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. VII-39.919-2/15 III. Feiten 3.
  8. Artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (hierna: wet van 12 april 1965) verleent de houder van een vergunning het recht om, overeenkomstig de voorwaarden die in de vervoervergunning zijn vermeld, en met inachtneming van alle ter zake geldende wets- en verordeningsbepalingen, alle werken uit te voeren, onder, op of boven het openbaar domein, die nodig zijn voor de oprichting, de werking en het onderhoud in goede staat van de gasvervoerinstallaties. Volgens artikel 11 van voornoemde wet vormt de bezetting van het openbaar of privaat domein een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut die elke daad verbiedt welke de gasvervoerinstallatie of de exploitatie ervan kan schaden. 3.
  9. Op 4 maart 2016 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij de minister van Energie om een vervoervergunning te verkrijgen op het grondgebied van de gemeenten Overijse en Hoeilaart voor een ondergrondse gasvervoerleiding 14,7 bar (LD) diameter 600 mm (DN600) en bijhorigheden, waaronder een drukreduceerstation te Overijse. 3.
  10. Op 12 mei 2016 brengt de gemeente Overijse een ongunstig advies uit. Zij wijst daarin op de volgens haar negatieve veiligheidsaspecten, milieuaspecten, stedenbouwkundige aspecten en “groenaspecten” van de aanvraag. 3.
  11. Bij koninklijk besluit van 30 augustus 2016 wordt de oprichting van installaties voor het vervoer van aardgas door middel van leidingen, die private gronden bezetten op het grondgebied van de gemeenten Overijse en Hoeilaart van openbaar nut verklaard en wordt toestemming gegeven om daarvoor private gronden te bezetten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 april
  12. VII-39.919-3/15 Dit besluit wordt eveneens door de verzoekende partijen bestreden in de zaak bij de Raad van State bekend onder A. 220.766/X-16.
  13. 3.
  14. Op 30 september 2016 heeft een overlegvergadering plaats tussen vertegenwoordigers van het DG Energie van de FOD Economie, de tussenkomende partij en de eerste verzoekende partij, in toepassing van artikel 10, § 3, van het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen. Er wordt vastgesteld dat geen overeenstemming te bereiken is tussen de verschillende belangen, waarna het overleg als gesloten wordt beschouwd. 3.
  15. Op 9 december 2016 neemt de minister van Energie de thans bestreden beslissing om de gevraagde aardgasvervoervergunning te verlenen aan de tussenkomende partij, met voorwaarden. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat, na nauwgezet onderzoek van de bezwaren ingediend door het College van Burgemeester en Schepenen van gemeente Overijse en van het resultaat van het overleg tussen de NV Fluxys en de gemeente Overijse, wij van mening zijn dat de ingediende bezwaren niet van dien aard zijn om de aanvraag om een aardgasvervoersvergunning te bekomen ingediend door de NV Fluxys Belgium af te wijzen, en dit onder meer om volgende redenen : - Doel van de leiding : o De vraag van de distributienetbeheerder Sibelga om de aardgasbevoorrading van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de voedingspunten Ter Kamerenbos en Hippodroom van Watermaal-Bosvoorde te versterken door het voorzien van een nieuw aansluitpunt om zo tegemoet te komen aan de vraag van de in deze regio aanwezige huishoudens en kmo’s; o De CREG heeft in de conclusie van haar positief advies van 13 april 2016, voorgaande als volgt bevestigd: ‘De CREG stelt vast dat de aanvraag van de NV Fluxys Belgium onder het aanvraagnummer A323-4032 voor de toekenning van een vervoersvergunning voor aardgas betrekking heeft op de aansluiting van DN600 14.7 bar van de distributienetbeheerder Sibelga te Overijse en tot doel heeft de stijgende vraag naar aardgas bij huishoudens en kmo’s in het zuidoosten van de Brusselse regio op te vangen.’ - Gekozen tracé : o Een nieuw aansluitpunt in de noordelijke zone rond het Brussels VII-39.919-4/15 Hoofdstedelijk Gewest naar Sibelga is niet mogelijk omwille van de volledige verzadiging de bestaande voedingspunten Vorst en Sint-Lambrechts-Woluwe. De beide voedingspunten kunnen ook niet meer uitgebreid of aangepast worden om aan de vraag tegemoet te komen; o Door deze noordelijke verzadiging bevindt de meest optimale inplanting van een nieuw aansluitpunt voor Sibelga zich in het zuidoosten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest temeer door de aanwezigheid van twee grote laagcalorische aardgasvervoerleidingen in deze regio, die onder andere door de gemeente Overijse lopen. o In de zuidelijke corridor, gaande van Bertem/Tervuren tot en met Sint-Pieters-Leeuw, werden verschillende alternatieve tracés bestudeerd en onderzocht zowel via deskstudies als via terreinbezoeken. In dat kader dient er een uitbreiding van het aardgasvervoernet van Fluxys Belgium te worden voorzien via een aftakking op de twee grote laagcalorische aardgasvervoerleidingen. o Tussen de verschillende alternatieve tracés werd finaal geopteerd voor het gekozen tracé omwille van volgende redenen: • de aanwezigheid van twee grote laagcalorische aardgasvervoerleidingen in Overijse • Kortste tracé met de minste impact, onder meer: • minste bebouwing in de omgeving van het tracé • minste kruisingen van waardevolle natuurgebieden, met eveneens een beperkte impact op deze gebieden. • kruising van natuurgevoelige gebieden gebeurt op de minst kwetsbare plaatsen (bosgebiedjes langsheen E411 - gebied rond de Smeyberg • Evenwijdige ligging en bundeling met bestaande of toekomstige lijnstructuren zoals: • de bestaande Aquafin collectoren (omgeving Hengstenberg - hotel Panorama) • E411 mits het respecteren van de zone non-aedificandi (11-m zone) • een nieuwe aan te leggen weg in de toekomstige KMO-zone • J. Kumpstraat te Hoeilaart • Eikenlaan te Overijse o Het gekozen tracé is eveneens pas tot stand gekomen na overleg met en goedkeuring (met uitzondering van Overijse) van de verschillende betrokken en bevoegde administraties waaronder het Departement Ruimte Vlaanderen, het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse Overheid en de gemeenten. Het tracé, tussen zijn beginpunt en eindpunt, volgt dus niet noodzakelijk de kortste of de meest rechte weg; - Veiligheldsaspecten in de KMO-zone : o Voor het gekozen tracé in de KMO-zone zal de leiding worden beschermd enerzijds met een betonkoker onder het groenscherm dat VII-39.919-5/15 parallel ligt met de Rameistraat en anderzijds met betondallen onder het fietspad om beschadiging door derden te voorkomen; o De wanddikte van de aan te leggen leiding bedraagt meer dan de wettelijke minimale nominale wanddikte; o De aanlegdiepte van 1,2 m bedraagt meer dan de wettelijke voorziene dekking van 0,8 m; - Het alternatief tracé voorgesteld door gemeente Overijse in de bufferzone van de KM0-zone gelegen langs de E411: o Vereist een technisch moeilijke kruising ter hoogte van de wadi. Aangezien een dergelijke uitvoering potentiële risico’s met zich mee kan brengen die kunnen vermeden worden door het gekozen tracé, wordt deze optie niet in aanmerking genomen; o Verhoogt het risico op potentiële beschadiging van de leiding bij ruimingswerken van de wadi en de gracht langsheen E411; o Vereist de plaatsing van een betonnen koker over enkele honderden meters (+/-570 meter) om de leiding te beschermen tegen wortelgroei van het toekomstige groenscherm. Dergelijke lange inkokeringen van de leiding vormen een obstakel voor de goede werking van de elektrische stromen van de kathodische bescherming (= systeem dat corrosievorming voorkomt bij beschadiging van de bekleding), hetgeen een essentiële rol speelt in de veilige uitbating van de leiding; - Het alternatief tracé voorgesteld door gemeente Overijse in nabijheid van het kasteel aan de Vlierbeekberg is zeer moeilijk uitvoerbaar door het grote hoogteverschil tussen in- en uittredepunt van de horizontaal gestuurde boring. Aangezien een uitvoering volgens dit alternatief tracé de potentiële risico’s sterk verhoogt in vergelijking met het gekozen tracé, wordt dit alternatief tracé niet gevolgd; - De nieuw aan te leggen leiding zal beide gaskwaliteiten, zijnde laag calorisch aardgas (Nederlands aardgas) en hoog calorisch aardgas (oa. Noorse gasvelden), kunnen vervoeren hetgeen ertoe zal bijdragen om op termijn de omschakeling van laag calorisch aardgas naar hoog calorisch aardgas van het aardgasnetwerk van het Brussels Gewest op een vlotte manier mogelijk te maken”. 3.
  16. De stedenbouwkundige vergunning van 5 december 2016 die voor het project werd verleend, is door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd bij arrest nr. RvVb/A/1819/0060 van 18 september
  17. 3.
  18. Bij besluit van 11 april 2017 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, in beroep, aan de tussenkomende partij de milieuvergunning voor het exploiteren van voornoemd drukreduceerstation te Overijse. VII-39.919-6/15 Dit besluit wordt eveneens door de verzoekende partijen bestreden in de zaak bij de Raad van State bekend onder A. 222.334/VII-40.
  19. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties
  20. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. De bezorgdheid om de openbare veiligheid verstrekt aan de verzoekende partijen geen persoonlijk belang aangezien de bestreden beslissing de overheid van wie de bezette weg afhangt immers de mogelijkheid geeft om voorlopige maatregelen op te leggen wanneer de openbare veiligheid in het gedrang zou komen. De verzoekende partijen laten na concreet aan te tonen hoe de bestreden beslissing haar beleid inzake ruimtelijke ordening zou doorkruisen. De bewering dat het aanleggen van de aardgasleiding niet in overeenstemming zou zijn met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, volstaat niet. De omstandigheid dat de verzoekende partijen een ongunstig advies hebben gegeven in het kader van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning, verschaft hen evenmin belang om de bestreden beslissing aan te vechten. Ook de tussenkomende partij betwist het belang. Zij wijst erop dat de verzoekende partijen aannemelijk moeten maken dat zij hinder of nadeel zullen ondervinden door de exploitatie van de aardgasleiding of het drukreduceerstation. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk hoe de bestreden beslissing hun planologisch of stedenbouwkundig beleid doorkruist. De verzoekende partijen zetten nergens uiteen welke concrete veiligheidsproblemen of hinderlijke effecten de ondergrondse aardgasleiding of het drukreduceerstation zouden veroorzaken. VII-39.919-7/15
  21. De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord dat de vergunde activiteiten op haar grondgebied zijn gelegen. Uit het ruimtelijk structuurplan van de gemeente Overijse en het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) nr. 65 “Plateau van Overijse en Lanevallei” volgt dat het ruimtelijk en stedenbouwkundig beleid van de gemeente erin bestaat om de bestaande open ruimte te behouden en te versterken. Voorts benadrukken de verzoekende partijen dat zij een ongunstig advies hebben afgeleverd in alle bestuurlijke besluitvormingsprocedures met betrekking tot het voorliggende project. Beoordeling
  22. De bestreden beslissing strekt ertoe aan de tussenkomende partij een vergunning te verlenen die noodzakelijk is om een aardgasvervoerleiding en een drukreduceerstation aan te leggen en te exploiteren op het grondgebied van de gemeente Overijse, zowel op private eigendommen als op het openbaar domein. Dit volstaat om aan de eerste verzoekende partij in beginsel een persoonlijk belang toe te schrijven bij voorliggend beroep tot nietigverklaring. De door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen excepties houden verband met de grond van de zaak. De tweede verzoekende partij doet evenwel niet blijken van een eigen belang, naast of boven dat van de gemeente. De hoedanigheid van adviesverlenende instantie in de milieu- en stedenbouwkundige procedure, verandert daar niets aan. De vordering is niet ontvankelijk in zoverre zij is ingesteld door de tweede verzoekende partij. VII-39.919-8/15 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  23. De eerste verzoekende partij (hierna: de verzoekende partij) voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 9 en 11 van de wet van 12 april 1965, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, het BPA “Plateau van Overijse en Lanevallei”, artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), en het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing niet aantoont dat het beoogde project “noodzakelijk” is voor het algemeen belang. De loutere vraag van Sibelga, de beheerder van het Brussels aardgasdistributienetwerk, toont niet aan dat er effectief een noodzaak zou bestaan aan meer aardgas en dus een bijkomende aardgasleiding. Evenmin wordt aangetoond dat er een noodzaak bestaat om de zogenaamd stijgende vraag naar energie op te vangen met een bijkomende toevoer van aardgas, dit zou ook met andere energiebronnen kunnen. Het is aan het vergunningverlenende bestuur om deze mogelijke alternatieven te onderzoeken. De MER-screeningsnota die door de aanvrager werd ingediend in het kader van de milieuvergunningsaanvraag en de omschrijving van het project in dat stuk is volgens de verzoekende partij in “hetzelfde bedje ziek”. Voorts gaat de verwerende partij er volgens de verzoekende partij ten onrechte van uit dat het aanleveren van aardgas per definitie het algemeen belang dient. De verzoekende partij wijst op het toekomstige overschakelen van laagcalorisch aardgas (L-gas) naar hoogcalorisch aardgas (H-gas) en de onzekerheid of de afnemers van aardgas deze switch wel zullen maken. Om dit te kunnen inschatten is volgens de verzoekende partij een impactstudie nodig. Volgens de verzoekende partij is het niet verstandig om nieuwe infrastructuur voor VII-39.919-9/15 het vervoer van L-gas te vergunnen, doorheen veel (ruimtelijk) kwetsbaar gebied en langs diverse zones met kwetsbare functies, wanneer de kans bestaat dat deze leidingen “in 2024-2030” aanzienlijk minder of zelfs niet gebruikt zullen worden. Ten slotte benadrukt de verzoekende partij dat de verantwoording in de bestreden beslissing neerkomt op loutere beweringen die niet afdoende zijn. De verwerende partij toont niet aan dat is voldaan “aan de voorwaarden van algemeen nut en noodzaak, vereist door artikelen 9 en 11 van de gaswet”. De stelling dat elke aardgasleiding per definitie het openbaar nut dient, kan niet worden aanvaard volgens de verzoekende partij. Er moet in concreto worden gemotiveerd dat de gevraagde bijkomende capaciteit werkelijk noodzakelijk is. Middels de bestreden beslissing wordt immers een erfdienstbaarheid van openbaar nut gevestigd, een dergelijke aantasting van het eigendomsrecht (beschermd door artikel 16 van de Grondwet en artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek) vereist een concrete motivering. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat uit het dossier niet blijkt dat een kwalitatieve in concreto risicoanalyse werd uitgevoerd, evenmin werden alternatieve tracés onderzocht, dit niettegenstaande het feit dat er ernstige bedenkingen bestaan met betrekking tot het veiligheidsaspect. De verwerende partij gaat in de bestreden beslissing mee in de stelling van de aanvrager dat er zich, mits het volgen van de algemene veiligheidsvoorwaarden, geen risico’s op calamiteiten kunnen voordoen. Dit is onbegrijpelijk volgens de verzoekende partij, want er bestaan ernstige voorbehouden wat betreft de veiligheid van het project: de gasleiding loopt door ruimtelijk kwetsbaar gebied, doorheen een nog aan te leggen KMO-zone en in de dichte nabijheid van “talrijke” woonzones. Het veiligheidsaspect is niet voldoende onderzocht geworden. De MER-screeningsnota gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag vertoont volgens de verzoekende partij ernstige tekortkomingen op het vlak van veiligheid en risico’s en de maatregelen om hieraan tegemoet te komen. Specifiek wat betreft de thans bestreden beslissing inzake het verlenen van een aardgasvervoervergunning, doet de verzoekende partij gelden dat het tracé van de gasleiding door een nog aan te leggen KMO-zone loopt. VII-39.919-10/15 Op de overlegvergadering van 30 september 2016 heeft de aanvrager gesteld dat over de volledige lengte van de KMO-zone in extra betonbescherming is voorzien doordat de gasleiding wordt ingekokerd door betondallen, wat als bijkomende voorwaarde zou zijn opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning. Deze stelling klopt niet, en in de notulen van de overlegvergadering wordt bovendien gesteld dat het plaatsen van de leiding in een betonnen koker van ongeveer 570 meter de kathodische bescherming van de leiding niet ten goede komt. De verzoekende partij wijst erop dat ook de veiligheid na de realisatie van de gasleiding niet afdoende werd onderzocht. Doordat de bestreden beslissing geen enkele toets inhoudt van de milieueffecten van de geplande aardgasleiding en de risico’s voor de omgeving (mens en natuur), worden de aangehaalde bepalingen en beginselen volgens de verzoekende partij geschonden.
  24. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij, wat het eerste onderdeel betreft, dat het feit dat Sibelga vragende partij is, niet relevant is. De verwerende partij moet zelf nagaan of er daadwerkelijk behoefte is aan het aanleggen van een bijkomende aardgasleiding. Het is niet aan de verzoekende partij om aan te tonen dat de vraag naar aardgas in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet zou stijgen en het volstaat niet om louter te poneren dat er een toename is in het aardgasverbruik te Brussel. Uit de memorie van antwoord blijkt dat de nieuwe leiding zal worden aangesloten op twee bestaande leidingen voor L-gas. Deze moeten eerst worden aangepast vooraleer H-gas te kunnen vervoeren. Het antwoord dat de leiding twee soorten aardgas kan vervoeren biedt volgens de verzoekende partij geen antwoord op de vaststelling dat aardgasleidingen vanaf 2024 minder nuttig zullen zijn omwille van de afbouw van de aanvoer uit Nederland. Er werd niet nagegaan of investeringen voor de aanpassing van het aardgasnetwerk in 2024 nog opportuun zullen zijn. De stelling dat een aardgasleiding per definitie het openbaar nut dient, kan volgens de verzoekende partij niet worden aanvaard. De bestreden beslissing vestigt een erfdienstbaarheid van openbaar nut en tast het eigendomsrecht aan, wat een concrete motivering vereist. VII-39.919-11/15 Wat het tweede onderdeel betreft wijst de verzoekende partij erop dat het Agentschap voor Natuur en Bos in zijn advies heeft gewezen op de MER-plicht. Zij benadrukt voorts dat het veiligheidsaspect “absoluut onvoldoende” werd onderzocht. Zij verwijst opnieuw naar de volgens haar ontoereikende MER-screeningsnota bij de milieuvergunningsaanvraag. Beoordeling Exceptie
  25. Met de verwerende en tussenkomende partij dient vastgesteld te worden dat het enige middel niet ontvankelijk is in de mate dat in het verzoekschrift niet uiteengezet wordt hoe het bestreden besluit het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, het BPA “Plateau van Overijse en Lanevallei” en artikel 4.3.1 VCRO schendt. Eerste onderdeel
  26. De vaststelling in de bestreden beslissing dat de nieuwe aardgasleiding ertoe strekt om op vraag van de distributienetbeheerder de aardgasbevoorrading van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te versterken “door het voorzien van een nieuw aansluitpunt om zo tegemoet te komen aan de vraag van de in deze regio aanwezige huishoudens en kmo’s”, zoals is bevestigd door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas in haar positief advies van 13 april 2016, volstaat als feitelijke grondslag om de gevraagde vergunning te verlenen. De loutere verwijzing naar een verminderde vraag naar aardgas tijdens een bepaald jaar toont het tegendeel niet aan. De kritieken die de verzoekende partij in het eerste onderdeel doet gelden in verband met de effectieve noodzakelijkheid van de nieuwe aardgasleiding, enerzijds wat de keuze van de energiebron betreft (fossiele brandstof versus hernieuwbare energiebronnen), en anderzijds wat “de recente VII-39.919-12/15 ontwikkelingen op de energiemarkt” betreft (overschakeling van L-gas naar H-gas), betreffen alle de opportuniteit en zijn niet van aard de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten. Tweede onderdeel
  27. Voor zover de verzoekende partij in het tweede onderdeel aanvoert dat de bestreden beslissing onwettig is omdat geen alternatieve tracés werden onderzocht, mist het middel feitelijke grondslag. Blijkens de formele motieven van de bestreden beslissing zoals weergegeven sub 3.6 werden wel degelijk alternatieve tracés onderzocht, zowel op eigen initiatief als deze naar voren geschoven door de verzoekende partij, en wordt gemotiveerd waarom deze alternatieve tracés niet bruikbaar zijn.
  28. Voor zover de verzoekende partij in het tweede onderdeel aanvoert dat de bestreden beslissing onwettig is omdat geen risicoanalyse werd uitgevoerd, terwijl er “ernstige voorbehouden” zouden bestaan met betrekking tot de veiligheid van het project en het gebruik van de leiding na aanleg, wordt vastgesteld dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met de veiligheidsaspecten verbonden aan de gevraagde vervoervergunning. Dit blijkt uit de bespreking van de bezwaren van de verzoekende partijen in de bestreden beslissing betreffende de “veiligheidsaspecten in de KMO-zone” en de bespreking van de alternatieve tracés voorgesteld door de verzoekende partij, alsook uit de opgelegde voorwaarden die verband houden met de veiligheid, zowel bij de uitvoering van de werken als nadien bij het gebruik. Wat in het bijzonder de bescherming van de aardgasleiding in de KMO-zone betreft, maakt de verzoekende partij met haar kritiek op één van de meerdere beschermingsmaatregelen niet aannemelijk dat dit geheel van beschermingsmaatregelen niet afdoende zou zijn. VII-39.919-13/15 De wet van 12 april 1965 en haar uitvoeringsbesluiten voorzien weliswaar in tal van algemene veiligheidsvoorschriften maar niet in een verplichte risicoanalyse in hoofde van de aanvrager. De bestreden beslissing vindt ook geen steun in de MER-screeningsnota die werd opgesteld in het kader van de milieuvergunningsaanvraag, zodat de kritieken die de verzoekende partij in dat verband doet gelden, evenmin kunnen leiden tot de onwettigheid van de thans bestreden beslissing. Conclusie
  29. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.919-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.919-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.624 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.512 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.