id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.628 Rolnummer: A. 221085/VII-39873 Zaak: Arrest 244628 - Dierenwelzijn - 28/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-07 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 01:32 Fiche Arrest nr 244.628 van 28 mei 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.628 van 28 mei 2019 in de zaak A. 221.085/VII-39.873. In zake : 1. Frans BOXOEN 2. Martine GOKELAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francis Ver Elst kantoor houdend te 8900 Ieper Brugseweg 63 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 25 oktober 2016, waarbij 47 Testudo hermanni in volle eigendom worden toegewezen aan het gespecialiseerde opvangcentrum Carapace. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. VII-39.873-1/10 Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Camille Degrave, die loco advocaat Francis Ver Elst verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Rikkert Schoofs, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 2 februari 2005 wordt eerste verzoeker een eerste maal verhoord in het kader van een onderzoek naar illegale invoer van Griekse landschildpadden. Er worden tien nakweekschildpadden in beslag genomen en zeven schildpadden in winterslaap. 3.2. Volgens eerste verzoeker diende hij een aanvraag in voor CITES-certficaten -dit zijn documenten in het kader van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten VII-39.873-2/10 (Convention on international trade in endangered species of wild fauna and flora), maar aan die vraag wordt volgens hem geen verder gevolg gegeven. 3.3. Op 12 augustus 2015 vindt er een inspectie plaats bij eerste verzoeker naar aanleiding van een telefonische klacht. Eerste verzoeker wordt gehoord op 12 augustus 2015. Er worden 47 schildpadden in beslag genomen en toevertrouwd aan een bewaarcentrum. 3.4. Er wordt een expert aangesteld om de dieren te onderzoeken. Op 19 oktober 2015 wordt het verslag overgemaakt aan de verwerende partij. 3.5. Op 20 november 2015 wordt eerste verzoeker gehoord met betrekking tot de vaststellingen in het expertiseverslag. 3.6. In het proces-verbaal nr. 63/CITES/184/1/2015 van 2 december 2015 worden de vaststellingen van de expert en de vaststellingen naar aanleiding van de verhoren van eerste verzoeker weergegeven. 3.7. Op 2 december 2015 beslist de verwerende partij tot inbeslagname van de betrokken dieren. De verzoekende partijen dienen een verzoek tot nietigverklaring in bij de Raad van State, dat op 4 oktober 2016 bij arrest nr. 235.956 wordt verworpen. 3.8. Op 25 oktober 2016 beslist het CITES-beheerorgaan om de in beslag genomen schildpadden in volle eigendom te geven aan het gespecialiseerde opvangcentrum Carapace. De beslissing is als volgt gemotiveerd: “- 47 Testudo hermanni De bovenvermelde schildpadden worden in volledige eigendom toegewezen aan het gespecialiseerde opvangcentrum ‘Carapace’. De motivering voor deze beslissing wordt hieronder uitvoerig toegelicht. VII-39.873-3/10 De mogelijke bestuurlijke maatregelen die het CITES-Beheersorgaan kan opleggen zijn de volgende: 1. Een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste: niet van toepassing in deze zaak wegens onbekende herkomst schildpadden. 2. Het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake: de bestemming gegeven aan deze dieren is een opvangcentrum gespecialiseerd in de opvang van reptielen. Dit opvangcentrum kan de gepaste zorg en aandacht geven aan de deze dieren. Met deze beslissing worden de CITES-richtlijnen inzake bestemming van in beslag genomen specimens volledig opgevolgd (cfr. Resolutie Conf. 10.7 (Rev. CoP15): Disposal of confiscated leve specimens of species included in the Appendices). 3. Het organiseren van een openbare verkoop: dit is enkel mogelijk is voor specimens van soorten opgenomen op Bijlage B II, waartoe deze specimens niet behoren. 4. Een bevel tot slachten of vernietigen: aangezien het om levende dieren gaat, die in goede gezondheid zijn en waarvoor er een zinvolle bestemming kan gegeven worden aan de levende specimens wordt het slachten of vernietigen niet opportuun geacht”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Gegrondheid van het beroep Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen 4. In een eerste middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat artikel 6, § 3, van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (hierna: wet van 28 juli 1981) geschonden is omdat het maatschappelijk doel van het opvangcentrum Carapace niet verenigbaar zou zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst. VII-39.873-4/10 Beoordeling 5. Uit artikel 3 van de statuten (gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 1 mei 1997 ) blijkt dat het doel van de vereniging verenigbaar is met de doelstelling van de toepasselijke CITES-regelgeving: “Art. 3 L’association a pour objet:
- a)principalement la sauvegarde et la protection de toutes les espèces de chéloniens menacées ou non,
- b)la récuperation de tous les specimens de chéloniens auprès de personnes privées, d'associations privées ou d'organismes publics quelles que soient leurs natures et leur nationalité, [...]”. vertaling: Art. 3 De vereniging heeft tot doel:
- a)in hoofdzaak de vrijwaring en bescherming van alle soorten schildpadden, bedreigd of niet;
- b)de recuperatie van alle soorten schildpadden bij privépersonen; private verenigingen of publieke instellingen, ongeacht hun aard of nationaliteit. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen 6. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de materiële en formele motiveringsvereiste. Zij zetten in een eerste onderdeel uiteen dat de bepalingen waarop de verwerende partij steunt, geen basis kunnen vormen voor de inbeslagname. Volgens de verzoekende partijen wordt niet aangegeven op basis VII-39.873-5/10 van welke overtreding wordt overgegaan tot inbeslagname en op welke CITES lijst de diersoort voorkomt. Zij besluiten dat de verwerende partij zich heeft gebaseerd op een overtreding van artikel 4 om over te gaan tot de inbeslagname. Op basis van deze bepaling kon niet tot inbeslagname worden overgegaan. Zij verwijzen naar artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 april 2003 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het handelsverkeer waardoor ook artikel 6 van de wet waarop de inbeslagname gesteund zou zijn niet op hen van toepassing is. In een tweede onderdeel menen de verzoekende partijen dat eerste verzoeker een geschikt natuurlijk persoon is om de dieren in volle eigendom aan te geven. De bestreden beslissing motiveert niet waarom de schildpadden in volle eigendom worden gegeven aan Carapace en niet aan eerste verzoeker. De verzoekende partijen voeren ook de schending van de hoorplicht aan omdat zij niet werden gehoord vooraleer besloten werd om de schildpadden over te dragen aan het opvangcentrum. In een derde onderdeel betwisten de verzoekende partijen de bevoegdheid van het celhoofd van het CITES beheersorgaan om de bestreden beslissing te nemen. Beoordeling 7. In zoverre de verzoekende partijen kritiek leveren op de beslissing tot inbeslagname is het middel niet ontvankelijk. De bestreden beslissing heeft immers betrekking op de toewijzing in volle eigendom van de 47 Testudo Hermanni aan het gespecialiseerde opvangcentrum Carapace, zodat de kritiek op de beslissing tot inbeslagname niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. VII-39.873-6/10 De bestreden beslissing vermeldt dat de bestemming gegeven aan deze dieren “een opvangcentrum gespecialiseerd in de opvang van reptielen” is. Dit opvangcentrum kan de gepaste zorg en aandacht geven aan deze dieren. Met deze beslissing worden de CITES-richtlijnen inzake bestemming van in beslag genomen specimens volledig opgevolgd. De verzoekende partijen tonen niet aan dat het opvangcentrum niet geschikt zou zijn. Naar luid van artikel 6, § 3, van de wet van 28 juli 1981 kan het beheersorgaan volgende maatregelen nemen: 1°een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste; 2°het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake; 3°het organiseren van een openbare verkoop; 4°een bevel tot slachten; 5°een bevel tot vernietigen; 6°een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen. De keuze van de maatregel wordt overgelaten aan de verwerende partij. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze keuze in het huidige geval de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Uit het administratief dossier blijkt dat eerste verzoeker een eerste maal gehoord werd op 12 augustus 2015 naar aanleiding van de inbeslagname van de schildpadden. Op 5 november 2015 wordt eerste verzoeker uitgenodigd voor een bijkomend verhoor waarbij wordt opgesomd welke feiten hem ten laste worden gelegd. Het verhoor vindt plaats op 20 november 2015 waarbij eerste verzoeker geconfronteerd werd met de vaststellingen van de aangestelde deskundige. Verzoeker heeft aldus de mogelijkheid gekregen om op nuttige wijze zijn standpunt kenbaar te maken voor de bestemmingsbeslissing werd genomen. De schending van de hoorplicht kan niet worden aangenomen. VII-39.873-7/10 Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 28 juli 1981 is de dienst CITES van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu het bevoegde orgaan. Het celhoofd leidt het CITES-beheersorgaan en heeft de bestreden bestemmingsbeslissing ondertekend. Het middel is niet gegrond. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen 8. De verzoekende partijen voeren machtsovertreding aan omdat volgens hen een proces-verbaal van waarschuwing voldoende was geweest. Beoordeling 9. Zoals blijkt uit de beoordeling van het vorige middel behoort het tot de bevoegdheid van het beheersorgaan om overeenkomstig artikel 6, § 3, van de wet van 28 juli 1981 om een bestuurlijke maatregel op te leggen. Het feit dat overeenkomstig artikel 7, § 3, van dezelfde wet een proces-verbaal van waarschuwing kan worden opgelegd doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de verwerende partij om de bestreden beslissing te nemen. Het middel is niet gegrond. Vierde middel Standpunt van de verzoekende partijen 10. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de behoorlijke en correcte feitenvinding, de deskundige voorlichting en de informatieplicht en de volledigheid van het dossier. VII-39.873-8/10 Volgens de verzoekende partijen is het proces-verbaal nr. 63/CITES/184/1/2015 niet gebaseerd op een correcte feitenvinding. Zij geven een overzicht van de beweerde niet correcte feitenvinding in het betreffende proces-verbaal. Beoordeling 11. In zoverre het middel opnieuw betrekking heeft op de beslissing tot inbeslagname, wat te dezen niet de bestreden beslissing is, is het middel onontvankelijk. Overeenkomstig artikel 7, § 4, eerste lid, van de wet van 28 juli 1981 heeft het proces-verbaal kracht van bewijs tot het tegenovergestelde is bewezen. De bewering van de verzoekende partijen dat het beslag niet gesteund is op een correcte feitenvinding volstaat niet om de vaststellingen in het proces-verbaal te weerleggen. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State om zijn oordeel over de leeftijd van de schildpadden in de plaats te stellen van het oordeel van de verwerende partij gebaseerd op het verslag van de deskundige. Het deskundigenverslag werd een eerste maal op 17 november 2015 en een tweede maal op 19 november 2015 overgemaakt aan de raadsman van de verzoekende partijen. Tijdens het verhoor hebben de verzoekende partijen geen opmerkingen geformuleerd met betrekking tot dit verslag. Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden. 12. Het beroep is voor zover ontvankelijk alleszins niet gegrond. VII-39.873-9/10 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig mei tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.873-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div