← België

Arrest 244633 - Tucht (openbaar ambt) - 28/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.633 Rolnummer: A. 227302/IX-9499 Zaak: Arrest 244633 - Tucht (openbaar ambt) - 28/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-06 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 22:36 Fiche Arrest nr 244.633 van 28 mei 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 244.633 van 28 mei 2019 in de zaak A. 227.302/IX-9499 In zake: Serge PRINSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE DIENST VOOR BRANDWEER EN DRINGENDE MEDISCHE HULP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten François Belleflamme en Virginie Feyens kantoor houdend te 1060 Brussel Zwitserlandstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 januari 2019, strekt tot de schor- sing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de officier-dienstchef van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van 26 oktober 2018 waarbij aan Serge Prinsen de tuchtstraf van ambtshalve ont- slag wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. IX-9499-1/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei 2019. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karaca Buket, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Virginie Feyens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is op het ogenblik dat de bestreden beslissing wordt genomen, statutair personeelslid met de graad van korporaal bij de operationele diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp (hierna: de Brusselse brandweerdienst). 3.2. Bij dienstnota 2016-140 van 24 juni 2016 nemen de offi- cier-dienstchef ad interim en de directeur-generaal ad interim van de Brusselse brandweerdienst de volgende beslissing ten aanzien van verzoeker: “Vanaf heden en tot 01 oktober 2016 wordt Kpl. S. Prinsen losgekoppeld van zijn ploeg en in dagdienst (kantooruren) geplaatst op het HC 100/112. Hij zal zich bezighouden met het aanleren van de nieuwste technieken en de actuele dienstnota‟s en procedures. Daarnaast zal hij instaan voor de calltaking en re- gulatie D1 en D2 in doublure.” IX-9499-2/21 Verzoeker vecht deze beslissing aan met een beroep tot nietig- verklaring bij de Raad van State (zaak A. 220.151/IX-8912). 3.3. Bij dienstnota 2016-199 van 29 september 2016 verlengen de waarnemend officier-dienstchef en de waarnemend directeur-generaal van de Brusselse brandweerdienst de zo-even vermelde maatregel tot 31 december 2016. Ook tegen deze beslissing stelt verzoeker een beroep tot nie- tigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 220.394/IX-8937). Naderhand volgen nog opeenvolgende verlengingen van de voormelde maatregel. 3.4. Op 23 augustus 2017 beslist de waarnemend directeur-generaal van de Brusselse brandweerdienst om de tuchtstraf „verplaatsing van dienst‟ uit te spreken tegen verzoeker omwille van “afwijkingen in zijn prestaties” en “feiten gebeurd tijdens de dienst van 21 sept. 2016: beledigingen aan collega C.D.”. Verzoeker vecht deze beslissing eveneens aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (zaak A. 223.690/IX-9170). 3.5. Op 22 januari 2018 bezorgt de bezoldigingsdienst van de Brus- selse brandweerdienst een nota aan de algemene en operationele directie betref- fende “[f]raude met fietsvergoedingen” die werd vastgesteld ten aanzien van verzoeker. De nota vermeldt: “Omdat zijn aangiften problematisch waren (bepaalde zaken kwamen niet overeen), is het laatste kwartaal dat hem effectief werd uitbetaald het eerste van 2016. Toen de bezoldigingsdienst na herhaaldelijk aandringen vanwege de heer Prinsen in de loop van de 2de jaarhelft van 2017 besloot zijn toestand in orde te brengen en de andere kwartalen te betalen (dus van het 2de van 2016 tot het 3de IX-9499-3/21 van 2017), kwamen we tot het besef dat zijn aangiften naar alle waarschijn- lijkheid (deels) vals zijn. Aangezien de heer Prinsen in Werchter woont en hij sinds 24 juni 2016 in 8 uur werd geplaatst (DN 2016-140 e.v.] begrijpt u dat hij aanspraak maakt op aanzienlijke bedragen (telkens 86 km per werkdag), dit alles onrechtmatig, vrezen wij. De bewijzen waarover we beschikken, gelden enkel voor het 3de en 4de kwartaal omdat de gegevens in kwestie maar een beperkt aantal maanden worden bijgehouden, maar u begrijpt dat wij in deze omstandigheden, waardoor het vertrouwen ernstig geschaad is, de andere kwartalen ook niet wensen te betalen (ook gelet op de vermelding op elke aangifte inzake valse verklaringen of frauduleuze praktijken). We laten het aan uw oordeel over of hier verder gevolg aan moet worden gegeven.” 3.6. Op 26 januari 2018 verzoekt de directeur Human Resources van de Brusselse brandweerdienst om ten laste van verzoeker een disciplinaire pro- cedure in te stellen. 3.7. Op 14 februari 2018 stelt de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die de brandbestrijding en dringende medische hulp onder zijn bevoegdheden heeft, majoor K.M. aan “als hiërarchische meerdere gemach- tigd om de tuchtprocedure in te stellen tegen de heer Prinsen Serge als gevolg van verdenking van fraude met fietsvergoeding”. 3.8. Op 28 maart 2018 worden ten aanzien van verzoeker twee ver- slagen opgesteld met betrekking tot “feit(

  1. en)gebeurd tijdens de dienst”. Het ene verslag vermeldt dat verzoeker, in weerwil van duidelijke instructies, niet heeft gereageerd op het vertrek van twee ziekenwagens, terwijl hij beschikbaar was in de kazerne. Het andere verslag betreft het ongepaste gedrag van verzoeker tijdens een interventie met de ziekenwagen. 3.9. Met een brief van 25 april 2018 wordt verzoeker opgeroepen om te worden gehoord “in het kader van een tuchtprocedure”. IX-9499-4/21 De tuchtfeiten die luidens deze brief “ten laste gelegd zouden kunnen worden en het voorwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf”, zijn de volgende: “- verdenking van fraude met fietsvergoeding, - niet-naleving van gegeven instructies m.b.t. ziekenwageninterventies; - ongeschikt gedrag op interventie.” 3.10. Verzoeker wordt op 17 mei 2018 gehoord door majoor K.M. Laatstgenoemde hoort naderhand “in het kader van het lopende tuchtonderzoek” ook verscheidene collega‟s van verzoeker, wier verklaringen aan verzoeker worden overhandigd. 3.11. Op 28 juni 2018 stelt majoor K.M. een tuchtverslag op. Daarin besluit hij, “[g]elet op de argumentatie, de onderzoeksmaatregelen en de bewijs- stukken in dit dossier”, dat: “  er wel degelijk sprake is van een poging tot fraude met fietsvergoeding  er tijdens een ziekenwageninterventie op 28/3 verschillende onregelma- tigheden, voor iemand in de functie van hulpverlener onwaardig, gebeurd zijn.  er tijdens minstens 2 van de stagedagen op de ziekenwagen geen gevolg gegeven werd aan de gegeven instructies door zijn hiërarchische meer- deren, terwijl hiertoe geen gegronde reden was.” 3.12. De operationeel HRM-verantwoordelijke van de Brusselse brandweerdienst stelt verzoeker met een brief van 24 juli 2018 in kennis van zijn voorstel om de sanctie van ambtshalve ontslag op te leggen. Het tuchtverslag van majoor K.M. is bijgevoegd. 3.13. Op 3 augustus 2018 stelt verzoeker tegen dat tuchtvoorstel een beroep in bij de gewestelijke kamer van beroep. IX-9499-5/21 3.14. Op 14 augustus 2018 beslist de officier-dienstchef van de Brusselse brandweerdienst om verzoeker “te schorsen in afwachting van de uit- komst van de tegen hem lopende tuchtprocedure en voor een periode van ten hoogste zes maanden”. 3.15. Op 2 oktober 2018 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raads- lieden, door de gewestelijke kamer van beroep gehoord in het kader van zijn be- roep tegen het tuchtvoorstel. De gewestelijke kamer van beroep adviseert met unanimiteit “dat het voorstel van tuchtstraf van ambtshalve ontslag dient weerhouden [versta: aangenomen] te worden”. Zij steunt daarvoor op de volgende motieven: “1. De heer Prinsen erkent, zowel in het kader van het onderzoek, als in zijn aanvullende nota en in zijn pleidooien dat hij zich effectief per wagen op zijn werk aanbood. In dit licht wordt door de Regionale kamer geen rekening ge- houden met de camerabeelden, vermits deze niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de feitelijke bestanddelen van de ingeroepen feiten. 2. De Regionale kamer volgt de heer Prinsen waar hij stelt dat de tuchtsanctie enkel kan steunen op de oorspronkelijke klacht wegens fraude met fietsver- goedingen. Het opstarten van de procedure gebeurde enkel in dit kader en de aanwijzing van de persoon belast met de tuchtonderzoek verwees ook enkel naar deze feiten. De kamer houdt dan ook met deze feiten geen rekening. Het voorstel van tuchtstraf steunt zich in feite ook niet op deze bijkomende feiten, vermits geoordeeld wordt dat de vastgestelde fraude inzake fietsvergoedingen voldoende is om het voorstel van tuchtsanctie te formuleren. 3. Er kan bij de beoordeling van de sanctie geen rekening gehouden worden met een vroegere tuchtsanctie waartegen nog een beroepsprocedure hangende is. De Regionale kamer houdt dan ook geen rekening met een vroegere tuchtsanctie. Zij is overigens niet geïnformeerd over de feiten die aan de grondslag lagen van deze tuchtsanctie en de uitgesproken sanctie. 4. Uit de aangiftes fietsvergoeding van de heer Prinsen blijkt dat hij bijna alle werkdagen in september, oktober, november en december 2017 met de fiets zou zijn komen werken, terwijl uit de historiek van de heer Prinsen betreffende het binnenrijden met de wagen in de parking van zijn arbeidsplaats (historiek vastgesteld aan de hand van badges), opgenomen op 29 november 2017 en, 18 januari 2018, blijkt dat tussen 5 september 2017 tot 19 december 2017 hij minstens 7 dagen tijdens de maand september 2017 met de wagen is gekomen, 7 dagen in de maand oktober 2017, 6 dagen in de maand november 2017 en 8 dagen in de maand december 2017. De Regionale Kamer is met de bevoegde overheid van oordeel dat de ar- gumentatie van de heer Prinsen iedere geloofwaardigheid ontbreekt. Door de IX-9499-6/21 heer Prinsen wordt geen medisch getuigschrift naar voor gebracht. Ook tijdens de zitting wordt geen antwoord hieromtrent aangereikt. Bovendien dient te worden opgemerkt, waarbij de visie van de overheid wordt bijgetreden, dat in- dien de heer Prinsen in de desbetreffende periode om medische redenen niet mocht rijden, het onbegrijpelijk is dat hij niettemin het stuur heeft genomen op dat ogenblik. Uit de feiten aangehaald door de autoriteit en de stukken in het dossier ter staving hiertoe, blijkt dat de heer Prinsen wel degelijk over een persoonlijk kastje beschikte, zodat het verweer dat hij zijn wagen gebruikt om daar zijn werkkledij in op te bergen, evenmin geloofwaardig is. De heer Prinsen haalt verder aan dat de interne diensten hem gemeld hebben dat het toekomen met de wagen de enige geldige manier is om zijn aanwezig- heid te staven. Noch tijdens de zitting, noch in de aanvullende nota slaagt de heer Prinsen er echter in mee te delen welke persoon binnen de interne dienst hem dit zou hebben gemeld. Dit argument ontbeert dan ook de noodzakelijke geloofwaardigheid. Vermits de heer Prinsen de feiten, vastgesteld op basis van het dossier, niet kan weerleggen en de feiten een fraude betreffen die het vertrouwen in de ambtenaar definitief onmogelijk maken, adviseert de Regionale kamer van beroep met unanimiteit het voorstel van tuchtstraf ten aanzien van de heer Prinsen (ambtshalve ontslag) te bevestigen.” 3.16. Op 26 oktober 2018 beslist de officier-dienstchef van de Brus- selse brandweerdienst dat “[d]e sanctie van ambtshalve ontslag ten laste van Korporaal Serge Prinsen wordt uitgesproken”. Deze beslissing vermeldt de volgende “[g]edetailleerde motiva- tie”: “Aangezien Korporaal Prinsen drie grieven werden verweten bij de oproe- ping voor hoorzitting van de tuchtprocedure ingeleid op 25 april 2018: ver- moedelijke fraude bij aangifte van fietsvergoedingen, niet-naleven van in- structies met betrekking tot ziekenwageninterventies en ongeschikt gedrag bij een interventie; Eerste grief: Aangezien de eerste grief verweten aan Korporaal Prinsen erin bestond woon- werkverplaatsingen met de fiets te hebben aangegeven voor het 3de en 4de trimester 2017 terwijl dit niet overeenstemt met de werkelijkheid; Aangezien Korporaal Prinsen ter gelegenheid van zijn opmerkingen het verhoor had gevraagd van getuigen „met betrekking tot het openbreken van zijn persoonlijke kast en vervreemding van persoonlijke bezittingen‟ en een con- frontatie met Brandweerman [B.], Korporaal [S.], Kapitein [R.] en Adjudant [V.C.]; IX-9499-7/21 Dat gevolg gevend aan het verzoek van Korporaal Prinsen de aangewezen tuchtoverheid, Majoor [M.], was overgegaan tot het verhoor van Mevrouw [D.], van Sergeant-majoor [D.], van Kapitein [S.], van Majoor [V.G.], van Korporaal [G.], van Sergeant [R.] en van Sergeant [P.], en de schriftelijke getuigenis had bekomen van Brandweerman [B.] betreffende de opening van de kast van Korporaal Prinsen; Dat de tuchtoverheid eveneens als gevolg van het verhoor van Korporaal Prinsen, Brandweerman [B.], Sergeant-majoor [E.], Korporaal [S.], Kapitein [R.] en Brandweerman [I.] had gehoord betreffende de verweten feiten 2 en 3 en de schriftelijke getuigenis had bekomen van dhr. [S.] betreffende de aanteke- ningen op het aangifteformulier van de fietsvergoedingen vervolledigd door Korporaal Prinsen voor het derde trimester van het jaar 2017; Aangezien dat er uit de verklaringen van Korporaal Prinsen bleek dat hij bijna alle werkdagen in september, oktober, november en december 2017 met de fiets was komen werken, terwijl uit de historiek van Korporaal Prinsen be- treffende het binnenrijden met de wagen in de parking van zijn arbeidsplaats, opgenomen op 29 november 2017 en 18 januari 2018, bleek dat tussen 5 sep- tember 2017 tot 19 december 2017 hij minstens 7 dagen tijdens de maand september 2017, 7 dagen in de maand oktober 2017, 6 dagen in de maand no- vember 2017 en 8 dagen in de maand december 2017 met de wagen was ge- komen; Aangezien Korporaal Prinsen uiteenzette dat zijn huisarts hem verboden had te rijden, wat zou verklaren dat hij met de fiets naar het werk kwam. Dat het traject van zijn woonplaats [...], ongeveer 1 u30min zou duren en dat hij ofwel op een mountainbike zou rijden, ofwel met zijn koersfiets. Dat hij uiteenzette dat gedurende de desbetreffende periode hij niet beschikte over een persoon- lijke kast en dus zijn voertuig gebruikte als kastje. Dat hij feitelijk zijn wagen in de buurt van de kazerne zou hebben geparkeerd, met de fiets van thuis naar zijn wagen zou hebben gereden die zich ongeveer één of twee kilometer van zijn arbeidsplaats bevond, dat hij zijn fiets in de wagen zou hebben geplaatst en met het voertuig tot aan de kazerne zou zijn gereden; Aangezien de verklaringen van Korporaal Prinsen geenszins geloofwaardig waren en niet gesteund werden door enig bewijskrachtig element, Dat indien Korporaal Prinsen in de desbetreffende periode om medische redenen niet mocht rijden, was het onbegrijpelijk dat hij niettemin het stuur had genomen op dat ogenblik. Dat zijn uitleg volgens welke hij geen andere oplossing had dat zijn wagen te gebruiken om hierin zijn persoonlijke spullen te bewaren omdat hij niet be- schikte over een persoonlijk kastje, niet ernstig was, Dat het volstaat vast te stellen dat hij nooit een schriftelijke vraag had gesteld met het oog hem een persoonlijk kastje toe te kennen, en zich evenmin er ooit had over beklaagd geen kastje te hebben, Dat indien hij hiertoe een aanvraag had gedaan, hem een kastje zou zijn toegekend, Dat er volgt uit het proces-verbaal van verhoor van Kapitein [S.] van 8 juni 2018 en de e-mail van 20 november 2017 die hij had gericht aan Kor- poraal Prinsen dat op datum van 20 november 2017 deze steeds beschikte over twee persoonlijke kastjes, IX-9499-8/21 Dat tijdens zijn verhoor van 8 juni 2018 Sergeant-Majoor [E.] daarenboven had uiteengezet dat hij Korporaal Prinsen op 27 maart 2018 op de koer van de stafkazerne had zien toekomen met een gewone fiets (hij verduidelijkte dat het geen koersfiets noch een mountainbike was), gekleed in gewone stadskledij, Dat volgens de stelling van Korporaal Prinsen hij op dat ogenblik niet be- schikte over een persoonlijk kastje en volgens zijn uitleg had moeten toekomen met zijn wagen teneinde zich te kunnen omkleden in dienstkledij, Dat Korporaal Prinsen eveneens had uiteengezet dat de interne diensten hem zouden gemeld hebben dat toekomen met de wagen de enige geldige manier was om zijn aanwezigheid te staven; Aangezien deze uitleg opnieuw evenwel geenszins geloofwaardig was; dat ondervraagd over de identiteit van de persoon die hem deze informatie zou hebben meegedeeld, Korporaal Prinsen hierop niet had kunnen antwoorden, Dat, ook al zou het noodzakelijk zijn geweest om de badge te tonen bij de ingang van de parking om zijn aanwezigheid te staven, quod non, Korporaal Prinsen dit nog steeds te voet kon doen en hij bijgevolg niet noodzakelijk met de wagen moest komen, Dat voor het overige, en zonder dat dit element doorslaggevend is voor ons oordeel, de beelden van de bewakingscamera‟s die deel uitmaken van het dos- sier, niet toelaten de stelling van Korporaal Prinsen te staven, in tegenstelling tot wat hij beweert; dat in dat verband moet vastgesteld worden, in navolging van wat gezegd werd door de tuchtoverheid, Majoor [M.], dat men op de beelden kan zien dat de betrokkene zijn wagen bestuurt in gewone stadskledij en niet in fietskledij en dat op regendagen hij bij het verlaten van zijn wagen op geen enkele wijze nat lijkt; Aangezien de ambtenaar die in miskenning van het interne reglement over de aangifte inzake de verplaatsingen met de fiets, woon-werkverplaatsingen met de fiets verklaart die hij niet heeft gedaan teneinde hiervoor vergoed te worden, tekortkomt aan zijn plichten en in het bijzonder aan zijn plicht zijn functie te vervullen met loyaliteit, geweten en integriteit, wat meer bepaald impliceert dat hij de van kracht zijnde wetten en reglementen moet naleven en de beslissingen met toewijding en met plichtsbesef moet uitvoeren; Dat hieruit volgt dat de eerste grief gegrond is. Tweede grief: Aangezien het tweede verwijt aan het adres van Korporaal Prinsen erin be- stond een ongepaste houding te hebben gehad tijdens een interventie van 28 maart 2018, Dat in zijn verslag van 28 maart 2018 Adjudant [V.C.] uiteenzette dat tijdens een interventie voor een persoon die problemen had met het stappen [...], Korporaal [S.] had vastgesteld dat Korporaal Prinsen gebruik maakte van zijn mobiel telefoontoestel en dat wanneer Korporaal [S.] hem hierover aansprak Korporaal Prinsen had geantwoord dat hij nog slechts twee minuten nodig had. Dat tijdens deze interventie Korporaal Prinsen iets tegen de voordeur van het appartement had gegooid omdat de patiënt een sigaret aan het roken was nadat hem gevraagd werd hiermee te stoppen. Dat het verslag vermeldt dat Korporaal [S.] bij het verplaatsen van de patiënt van onze berrie naar de brancard van het ziekenhuis aan Korporaal Prinsen had gevraagd om de patiënt hierbij te helpen en dat Korporaal Prinsen dan aan de echtgenote van de patiënt had gevraagd dit IX-9499-9/21 in zijn plaats te doen. Dat Korporaal [S.] de aandacht van Korporaal Prinsen er moest op vestigen dat dit hun taak was en niet van de echtgenote; Aangezien Korporaal Prinsen de verweten feiten ontkende; Aangezien deze feiten werden bevestigd door zowel Korporaal [S.], gehoord op 8 juni 2018, als door Brandweerman [B.], gehoord op 16 juni 2018, die Korporaal Prinsen vergezelden tijdens de desbetreffende interventie, Dat beiden uiteenzetten Korporaal Prinsen zijn telefoon te hebben zien ge- bruiken en te hebben geweigerd deze weg te stoppen op vraag van Korporaal [S.], stellend dat het maar voor twee minuten was, Dat zij uiteenzetten dat tijdens de interventie Korporaal Prinsen zich heeft laten gaan en dat hij hierbij een papier had verfrommeld en had gegooid naar de deur van het appartement en niet in de richting van een vuilbak zoals Korporaal Prinsen stelt, Dat zij verhalen dat Korporaal Prinsen eerst aan een familielid had gevraagd de patiënt te helpen in zijn plaats; Aangezien Korporaal Prinsen hierdoor zijn plichten heeft miskend en meer bepaald zijn plicht zijn functie te vervullen met loyaliteit, plichtsbesef en inte- griteit, de gebruikers van de dienst te behandelen met welwillendheid en elke houding te vermijden die strijdig is met de waardigheid van zijn functie, Dat hij het huishoudelijke reglement van de DBBMH heeft miskend en in het bijzonder het artikel 3.5 betreffende het gebruik van de telefoon; Dat deze tweede tuchtrechtelijke grief gegrond wordt geacht. Derde grief: Aangezien de derde aan Korporaal Prinsen verweten grief erin bestond niet de instructies te hebben nageleefd die hem werd gegeven met betrekking tot de ziekenwageninterventies. Dat het verslag van Kapitein [R.] van 28 maart 2018 die geleid had tot de tuchtvervolging slechts de feiten beoog[t] die gebeurd waren op 28 maart 2018 zodanig dat slechts de verweten feiten van die datum worden onderzocht in verband met de niet-naleving van instructies, Dat er uit dat verslag van 28 maart 2018 volgt dat Kapitein [R.] Korporaal Prinsen had ingelicht dat hij als stagiair op de ziekenwagen zo veel als mogelijk de vertrekken van de ziekenwagens moest vergezellen en dat dit impliceerde dat wanneer hij zich in de kazerne bevond dat hij de eerstvolgende ziekenwagen die vertrok moest vergezellen; dat echter op 16u00 dezelfde dag werd vastgesteld dat Korporaal Prinsen slechts drie vertrekken met dezelfde ziekenwagen had vergezeld en dat hij slechts vertrokken is met twee andere vertrekken terwijl hij beschikbaar was, en dit in miskenning van de duidelijk gegeven instructies; Aangezien Korporaal Prinsen uiteenzette dat door deel te nemen aan drie interventies op een dag hij zou hebben deelgenomen aan minstens dubbel zo- veel interventies dan het merendeel van de aanwezige stagiairs en dat terwijl er slechts 8 à 10 interventies waren geweest tijdens zijn werkuren en er stagiairs waren die zelfs geen enkele interventie hadden gedaan; Aangezien Majoor [M.] na nazicht in zijn tuchtverslag opmerkte dat het maandoverzicht van de stagiairs op de ziekenwagens van de stafkazerne toont dat er op 28/3 slechts 1 stagiair was, met name Korporaal Prinsen; IX-9499-10/21 Aangezien het in elk geval niet betwist was dat Korporaal Prinsen de ochtend van 28 maart 2018 het bevel had gekregen deel te nemen aan alle interventies waarvoor hij beschikbaar was, Dat door het niet naleven van de door zijn hiërarchische meerdere gegeven instructies en door niet deel te nemen aan alle interventies waarvoor hij be- schikbaar was, had Korporaal Prinsen niet voldaan aan zijn plichten als perso- neelslid van de DBDMH; Dat de derde grief eveneens gegrond is. Aangezien het hieronder volledig hernomen advies van de Gewestelijke Kamer van Beroep van 2 oktober 2018 inzake het beroep ingesteld door Kor- poraal Prinsen tegen het voorstel van tuchtstraf van ambtshalve ontslag dat hem op 24 juli werd meegedeeld, waarop wij ons volledig richten: [...] Overwegende dat de Gewestelijke Kamer van Beroep bevestigt dat de feiten die Korporaal Prinsen worden verweten, en hoofdzakelijk de fraude, aan een sanctie onderhevig zijn en het voorstel van de operationele HRM-verantwoordelijke door hen wordt bevestigd. Overwegende dat de drie grieven geacht worden vast te staan; Overwegende dat Korporaal Prinsen reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een tuchtsanctie van verplaatsing van dienst bij tuchtmaatregel van 23 augustus 2017, hem betekend op 7 september 2017. Dat een beroep in nie- tigverklaring hangende is tegen deze sanctie voor de Raad van State die dus niet definitief is. Dat hiermee dus geen rekening wordt gehouden om die tuchtstraf vast te stellen; Overwegende dat de eerste grief bijzonder ernstig lijkt; Overwegende dat Korporaal Prinsen bewust aan de waarheid tegenstrijdige verklaringen heeft gedaan met een persoonlijk doel tot verrijking ten nadele van zijn werkgever; Overwegende dat het feiten van fraude betreffen die met diefstal kunnen worden gelijkgesteld en burgerlijk en strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, Dat, gelet op de ernst van de feiten, ons elk vertrouwen in de ambtenaar de- finitief verbroken lijkt, Dat geldt des te meer nu Korporaal Prinsen om zich te verdedigen ervoor gekozen heeft de evidenties te ontkennen en een uitleg uit te vinden die geen steek houdt, en op deze wijze opnieuw de plichten miskent en de houding die men gerechtigd is te verwachten van een ambtenaar van de DBDMH. Dat het feit dat Korporaal Prinsen 14 jaar anciënniteit heeft, de graad van „Korporaal‟ draagt en deel uitmaakt van de hiërarchische lijn, maken verzwa- rende omstandigheden uit, Dat hieraan moet toegevoegd worden dat Korporaal Prinsen heeft getuigd van een gebrek aan professionaliteit en motivatie in zijn werk door de feiten verweten op 28 maart 2018; Dat het vaststaan van de eerste grief op zich echter reeds rechtvaardigt dat de sanctie van het ambtshalve ontslag aan Korporaal Prinsen zal worden opgelegd omdat deze feiten van aard zijn definitief de vertrouwensrelatie te verbreken noodzakelijk voor de voortzetting van de arbeidsrelatie.” IX-9499-11/21 Dit is de bestreden beslissing. Ze is met een aangetekend schrijven van 28 november 2018 aan verzoeker betekend. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van ar- tikel 275 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 au- gustus 2017 „houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brand- weer en Dringende Medische Hulp‟ en van artikel 286 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 „houdende het admini- stratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest‟, alsook de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. IX-9499-12/21 Hij betoogt dat majoor K.M. door de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die de brandbestrijding en dringende medische hulp onder zijn bevoegdheden heeft, werd aangesteld om de tuchtprocedure in te stellen “als gevolg van verdenking van fraude met fietsvergoeding”, zodat die aanstelling alleen betrekking had op de vermeende fraude als mogelijk tuchtfeit. In de oproeping van 25 april 2018 voor de hoorzitting in het kader van de tuchtpro- cedure is echter ook melding gemaakt van de niet-naleving van gegeven instructies met betrekking tot ziekenwageninterventies en ongeschikt gedrag tijdens een in- terventie. Aangezien majoor K.M. niet was aangesteld voor die laatstgenoemde vermeende tuchtfeiten, heeft de tuchtprocedure een valse start genomen. Verzoe- ker wijst erop dat hij voor de gewestelijke kamer van beroep daartegen bezwaar heeft gemaakt en dat de voornoemde beroepsinstantie hem daarin is bijgevallen. De thans bestreden beslissing overloopt evenwel de drie grieven die ten aanzien van hem zijn geformuleerd. Die beslissing bevat volgens verzoeker “een grote, inhoudelijke tegenstrijdigheid” in de mate dat enerzijds erin wordt gesteld dat de tuchtoverheid zich volledig richt op het advies van de gewestelijke kamer van beroep, maar anderzijds hem toch alle drie voornoemde feiten worden verweten. Bovendien – zo vervolgt verzoeker – gaat de bestreden beslissing verkeerdelijk ervan uit dat de gewestelijke kamer van beroep de feiten bevestigt, terwijl het advies van die beroepsinstantie nochtans ondubbelzinnig stelt dat er met de twee andere feiten geen rekening wordt gehouden. Ze bevat volgens verzoeker aldus een flagrante onwaarheid die gevolgen heeft voor de hem opgelegde tuchtsanctie. Alhoewel in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het vaststaan van de eerste grief de sanctie van ambtshalve ontslag rechtvaardigt, kan verzoeker immers enkel maar vaststellen dat dit uit de overige bewoordingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet zo blijkt en dat de overige twee feiten integraal deel uitmaken van de overwegingen die ervoor hebben gezorgd dat er tot de tuchtsanctie van ambtshalve ontslag is besloten. IX-9499-13/21 Beoordeling 6. De bestreden beslissing overweegt uitdrukkelijk “[d]at het vaststaan van de eerste grief [versta: de fraude bij de aangifte voor het verkrijgen van een fietsvergoeding] op zich [...] reeds rechtvaardigt dat de sanctie van het ambtshalve ontslag aan Korporaal Prinsen zal worden opgelegd omdat deze feiten van aard zijn definitief de vertrouwensrelatie te verbreken noodzakelijk voor de voortzetting van de arbeidsrelatie”. Verzoeker lijkt dan ook geen belang te hebben bij de aange- voerde tegenstijdigheid van de bestreden beslissing in de mate dat ze enerzijds stelt zich volledig te richten op het advies van de gewestelijke kamer van beroep, dat vermeldt dat de tuchtsanctie enkel kan steunen op de fraude met fietsvergoedingen, maar ze anderzijds ook nog twee andere feiten als tuchtfeiten onder ogen neemt en bewezen acht. Evenmin kan hij op het eerste gezicht nuttig doen gelden dat de bestreden beslissing ten onrechte ervan uitgaat dat de gewestelijke kamer van beroep elk van de drie hem ten laste gelegde feiten heeft bevestigd. Noch het ene, noch het andere bezwaar lijkt immers tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen leiden, nu deze beslissing – naar het oordeel van de tucht- overheid – reeds een voldoende grond vindt in het eerste tuchtfeit alleen, namelijk de fraude bij de aangifte voor het verkrijgen van een fietsvergoeding. Zoals hierna – bij de beoordeling van het tweede middel zal blijken – ontkracht verzoeker dit laatste tuchtfeit op het eerste gezicht niet. 7. Het eerste middel is derhalve niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van “algemene beginselen van de bewijslast en bewijsvoering, en meer in het bijzonder IX-9499-14/21 art. 870 Ger.W. en art. 1315 B.W.”, alsook de schending van CAO nr. 68 van 16 juni 1998 „betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers ten opzichte van de camerabewaking op de arbeidsplaats‟ en van “beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder [van het] zorgvul- digheidsbeginsel”. Hij betoogt dat in het tuchtdossier met betrekking tot de ver- meende fraude met de fietsvergoeding enkel zijn badgehistoriek en de camera- beelden van het binnenkomen van de parking zijn opgenomen als bewijsstukken. Het voorstel van tuchtstraf van 24 juli 2018 maakt reeds melding van de gebruikte camerabeelden. Verzoeker wijst erop dat hij in zijn beroepsnota heeft verwezen naar voornoemde CAO nr. 68, waarvan artikel 4, § 1, 4°, bepaalt dat het contro- leren van de arbeid van de werknemer “niet tot gevolg [mag] hebben dat beslis- singen en beoordelingen door de werkgever enkel gebaseerd worden op gegevens die via camerabewaking verkregen werden” en waarvan artikel 4, § 2, voorschrijft dat de werkgever het doeleinde van de camerabewaking duidelijk en expliciet omschrijft. Verzoeker vraagt zich af waar die omschrijving in dit geval te vinden is. Na het verwijderen van de camerabeelden uit het tuchtdossier blijft volgens verzoeker alleen nog zijn badgehistoriek over, maar rijst ook hier de vraag wat het doeleinde daarvan is. Volgens verzoeker is er ter zake geen wettelijk of reglementair kader voor de operationele leden van de brandweer waarop de verwerende partij zich kan beroepen. Verzoeker doet gelden dat de benoemende overheid in de be- streden beslissing verwijst naar de camerabeelden en aldus verkeerdelijk ervan uitgaat dat die beelden deel uitmaken van het dossier. Door zelf naar de camera‟s te verwijzen als “bewakingscamera‟s”, bevestigt zij dat de beelden ervan niet kunnen of mogen worden gebruikt “ter spionage van de werknemers”. De vraag naar het al dan niet rechtmatig gebruik van de camerabeelden blijft, zo stelt verzoeker, on- beantwoord in de bestreden beslissing. IX-9499-15/21 Ten slotte stelt verzoeker dat er zonder de camerabeelden en badgehistoriek in het tuchtdossier geen enkel bewijs voorkomt dat de vermeende fraude met fietsvergoedingen kan staven. De getuigenis die melding maakt van het enkel zien toekomen van verzoeker in stadskledij op een gewone fiets, is volgens hem onvoldoende als bewijs van fraude. Beoordeling 9. Voor zover verzoeker betwist dat het hem ten laste gelegde tuchtfeit van fraude bij de aangifte met het oog op het verkrijgen van een fiets- vergoeding kan worden bewezen met camerabeelden, gelet op CAO nr. 68 „be- treffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers ten opzichte van de camerabewaking op de werkplaats‟, moet vooreerst worden op- gemerkt dat uit niets blijkt dat de tuchtoverheid het bewezen bevinden van het voormelde tuchtfeit op doorslaggevende wijze heeft gesteund op camerabeelden. Integendeel stelt de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat dit niét het geval is. Daarenboven is CAO nr. 68 waarop verzoeker zich in dit ver- band beroept, op het eerste gezicht niet van toepassing op de verwerende partij, zodat zij daaraan niet kan zijn tekortgekomen. Voor zover verzoeker voorts in twijfel trekt dat de tuchtoverheid voor het bewezen bevinden van de ten laste gelegde fraude vermocht te steunen op de geregistreerde gegevens van zijn persoonlijke badge, toont hij op het eerste gezicht niet aan en is het ook niet zonder meer duidelijk welke normatieve bepa- lingen of rechtsbeginselen eraan in de weg zouden staan dat de tuchtoverheid uit die gegevens gevolgtrekkingen maakt met betrekking tot het bewezen zijn van de feiten. De in het middel aangevoerde beginselen en wettelijke bepalingen doen dat alvast op het eerste gezicht niet. Uit de bestreden beslissing blijkt hoe de tuchtoverheid uit de geregistreerde gegevens van verzoekers badge heeft afgeleid dat hij voor ver- IX-9499-16/21 scheidene dagen van meerdere, opeenvolgende maanden een fietsvergoeding heeft aangevraagd, terwijl hij met de auto op het werk is toegekomen. Uit de bestreden beslissing blijkt om welke redenen de tuchtoverheid verzoekers uitleg daaromtrent niet heeft aangenomen. Verzoeker betwist die redengeving, die resulteert in het bewezen bevinden van het tuchtfeit, niet in het minst in zijn inleidend verzoek- schrift. Er is in de huidige stand van de rechtspleging dan ook geen grond om “[h]et niet bewezen zijn van het tuchtfeit” zoals aangevoerd door ver- zoeker, voorlopig aan te nemen. 10. Het tweede middel is evenmin ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van “beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder [...] van het rede- lijkheids- en evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker betoogt vooreerst dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat alle omstandigheden van het dossier in acht moet nemen, zoals het belang van de dienst en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst. Hij stelt dat in de bestreden beslissing op geen enkele wijze een verklaring kan worden gevonden waarom de tuchtsanctie van ambtshalve ontslag in het belang van de dienst zou zijn en enige weerslag zou hebben op de werking van de dienst. Hij wijst erop dat de laatste uitkering van de fietsvergoeding die hij heeft ont- vangen, dateert van het eerste kwartaal van 2016 en dat hij tijdens al zijn dienst- jaren als brandweerman op geen enkele manier problemen heeft gehad met de aangifte van zijn woon-werkverkeer. IX-9499-17/21 Hij doet voorts gelden dat de tuchtstraf in een redelijke verhou- ding moet staan tot de ernst van de fout en de graad van verstoring van de orde binnen de dienst. Hij herhaalt in dit verband dat hem sinds het eerste kwartaal van 2016 geen fietsvergoeding meer is uitgekeerd, zodat zijn werkgever geen finan- cieel nadeel, noch enige andere schade heeft geleden. Hij voegt “enkele getuige- nissen aangaande zijn dienstverlening” toe, waaruit hij afleidt dat hij “zijn functie steeds op een zorgvuldige en uiterst professionele wijze [heeft] uitgevoerd”. Verzoeker merkt ten slotte op dat de wijze waarop een tucht- rechtelijk vervolgd persoon zich verdedigt niet mag worden beschouwd als een bezwarend feit bij de straftoemeting. Beoordeling 12. Voor zover verzoeker aanvoert dat hij in de bestreden beslissing op geen enkele wijze een verklaring kan vinden waarom de opgelegde tuchtstraf van ambtshalve ontslag in het belang van de dienst zou zijn en “enige weerslag zou hebben op de werking van de dienst”, lijkt hij veeleer te refereren aan een schen- ding van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. In de bestreden beslissing wordt overwogen ter motivering van de strafmaat: “Overwegende dat de eerste grief bijzonder ernstig lijkt; Overwegende dat Korporaal Prinsen bewust aan de waarheid tegenstrijdige verklaringen heeft gedaan met een persoonlijk doel tot verrijking ten nadele van zijn werkgever; Overwegende dat het feiten van fraude betreffen die met diefstal kunnen worden gelijkgesteld en burgerlijk en strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, Dat, gelet op de ernst van de feiten, ons elk vertrouwen in de ambtenaar de- finitief verbroken lijkt, Dat geldt des te meer nu Korporaal Prinsen om zich te verdedigen ervoor gekozen heeft de evidenties te ontkennen en een uitleg uit te vinden die geen steek houdt, en op deze wijze opnieuw de plichten miskent en de houding die men gerechtigd is te verwachten van een ambtenaar van de DBDMH. IX-9499-18/21 Dat het feit dat Korporaal Prinsen 14 jaar anciënniteit heeft, de graad van „Korporaal‟ draagt en deel uitmaakt van de hiërarchische lijn, maken verzwa- rende omstandigheden uit, Dat hieraan moet toegevoegd worden dat Korporaal Prinsen heeft getuigd van een gebrek aan professionaliteit en motivatie in zijn werk door de feiten ver- weten op 28 maart 2018; Dat het vaststaan van de eerste grief op zich echter reeds rechtvaardigt dat de sanctie van het ambtshalve ontslag aan Korporaal Prinsen zal worden opgelegd omdat deze feiten van aard zijn definitief de vertrouwensrelatie te verbreken noodzakelijk voor de voortzetting van de arbeidsrelatie.” Uit deze overwegingen blijkt op het eerste gezicht genoegzaam dat naar het oordeel van de tuchtoverheid de ernst van het ten laste gelegde tuchtfeit van fraude, het vertrouwen dat de verwerende partij in verzoeker kan stellen definitief heeft aangetast. Aldus wordt afdoende in de bestreden beslissing aangegeven waarom het aan verzoeker aangerekende tuchtfeit een weerslag heeft op de dienst en wordt genomen in het belang van de dienst. Verzoeker ontkracht dat oordeel niet. De omstandigheid dat er na het eerste kwartaal van 2016 geen betalingen van de fietsvergoeding aan verzoeker meer zijn gebeurd – volgens de nota van de bezoldigingsdienst van 22 januari 2018 precies omdat de aangiften van verzoeker “problematisch” waren – doet geen afbreuk aan de door de tuchtover- heid in aanmerking genomen ernst van het tuchtfeit en de definitieve vertrou- wensbreuk die zij eruit afleidt, net zomin als de door verzoeker voorgelegde ver- klaringen van collega‟s over hun ervaringen met hem. Wel terecht lijkt verzoeker te doen gelden dat de wijze waarop hij zich tijdens de procedure heeft verdedigd niet mag worden beschouwd als “een bezwarend feit bij de straftoemeting”. Uit de hiervóór aangehaalde overwegingen van de bestreden beslissing blijkt evenwel dat volgens de tuchtoverheid “de eerste grief op zich” de sanctie van ambtshalve ontslag reeds rechtvaardigt. Bijgevolg kan op het eerste gezicht niet worden aangenomen dat verzoekers wijze van verdedi- ging voor de tuchtoverheid de opgelegde tuchtstraf heeft bepaald. IX-9499-19/21 13. Voor zover verzoeker de opgelegde tuchtstraf “kennelijk on- evenredig” acht, dient erop te worden gewezen dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de op te leggen tuchtstraf beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Deze beleidsvrijheid houdt de mogelijkheid in van uiteenlo- pende beslissingen die, hoe verschillend ook, nochtans alle wettig kunnen zijn. De Raad van State oefent daarop een wettigheidstoezicht uit, zonder dat hij zich als beroepsinstantie in de plaats van de tuchtoverheid mag stellen. Hij vermag enkel een tuchtstraf die in wanverhouding staat tot de in aanmerking genomen tucht- rechtelijke tekortkoming als onwettig te kwalificeren. Daarmee wordt een tucht- straf bedoeld waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige andere overheid ze voor die tekortkoming zou opleggen. Verzoeker toont in dit geval op het eerste gezicht niet aan dat de tuchtoverheid met de bestreden tuchtstraf van ambtshalve ontslag op grond van feiten die fraude uitmaken bij het indienen van aangiften met het oog op het ver- krijgen van een fietsvergoeding, de grenzen van een redelijke beoordeling te buiten is gegaan. 14. Het derde middel is evenmin ernstig. 15. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voor- waarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-9499-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 mei 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9499-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.633 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.551 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.