← België

Arrest 244695 - Politie - 05/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.695 Rolnummer: A. 220858/XIV-37257 Zaak: Arrest 244695 - Politie - 05/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 06:56 Fiche Arrest nr 244.695 van 5 juni 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.695 van 5 juni 2019 in de zaak A. 220.858/XIV-37.257 In zake : Justine DESTADSBADER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Myriam Van den Abeele kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de dienst Rekrutering en Selectie van de federale politie [van 22 september 2016] waarbij verzoekster medisch ongeschikt wordt verklaard voor een functie bij de politie”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.257-1/19 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Myriam Van den Abeele, die verschijnt voor verzoekster en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster heeft zich bij de dienst Rekrutering en Selectie van de federale politie kandidaat gesteld voor de functie van inspecteur van politie. 3.2. Verzoekster slaagt in de volgende selectieproeven: de proef inzake cognitieve vaardigheden, de persoonlijkheidsproef en het selectiegesprek met de selectiecommissie. Zij dient tevens te slagen voor de fysiek-medische geschiktheidsproef die twee luiken omvat, namelijk eensdeels het fysieke luik (het functioneel parcours) en, anderdeels, het medische luik. XIV-37.257-2/19 3.3. Met een brief van 12 februari 2016 laat de directie van de dienst Rekrutering en Selectie weten dat verzoekster, in het kader van haar kandidaatstelling, is geslaagd voor het functioneel parcours dat zij op 28 januari 2016 heeft afgelegd. 3.4. Het medisch onderzoek vond plaats op 14 juli 2016. Met een op 22 september 2016 gedateerde brief wordt namens de directeur van de dienst Rekrutering en Selectie aan verzoekster meegedeeld dat zij, na analyse van de resultaten van de klinische en technische onderzoeken, medisch ongeschikt wordt verklaard. Deze beslissing luidt: “Na analyse van de resultaten van de klinische en technische onderzoeken werd u medisch ongeschikt verklaard voor een functie bij de Politie. Deze beslissing werd genomen omwille van de volgende vaststelling(en): 1) Te kleine lichaamslengte. De minimaal vereiste lichaamslengte bedraagt 152 cm. U meet 151 cm hetgeen onvoldoende is. 2) Aanwezigheid van hartgeruis. 3) Aanwezigheid van verdachte naevus op de rug.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In een eerste middel, dat zij in haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie handhaaft, voert verzoekster een schending aan van “het materiëlemotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheids- beginsel, de artikelen 4.8, derde lid en 4.9, eerste lid, 3° UBPol in samenhang met Bijlage 4bis (lijst van de medische criteria) van UBPol en het artikel 4.9, vierde lid UBPol in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.” XIV-37.257-3/19 In een eerste middelonderdeel zet verzoekster uiteen dat de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht schendt zoals die voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), en uit artikel IV.9, vierde lid UBPol. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de aanwezigheid van hartgeruis en de aanwezigheid van een verdachte naevus op de rug tot de ongeschiktheid van verzoekster doen besluiten. Verzoekster wijst erop dat uit de bijlage 4bis bij het UBPol blijkt dat hartgeruis niet eens als hartafwijking wordt aangemerkt, en dat een chronische huidaandoening niet automatisch tot ongeschiktheid moet leiden doch individueel moet worden beoordeeld in het licht van de aard ervan, de omvang of verwikkelingen die het uitvoeren van normale opdrachten verhinderen. Wat de aanwezigheid van hartgeruis betreft, suggereert de bestreden beslissing niet eens dat het bij verzoekster vastgestelde fenomeen aanleiding kan geven tot verminderde inspanningscapaciteit, een verhoogd risico op hartritmestoornissen, voortijdig ernstig hartlijden of enige andere consequentie die twijfels kan doen rijzen omtrent haar medische geschiktheid. De concrete redenen waarom deze “aandoeningen” in hoofde van verzoekster tot ongeschiktheid moeten leiden, blijken niet uit de bestreden beslissing, zodat deze niet afdoende is gemotiveerd. In een tweede middelonderdeel zet verzoekster nog uiteen dat niet blijkt dat of hoe de verwerende partij de bovenvermelde “aandoeningen” geapprecieerd heeft, en dat zij daarentegen deze “aandoeningen” als een absolute uitsluitingsgrond heeft gehanteerd wat strijdig is met de artikelen IV.8, derde lid, IV.9, eerste lid, 3°, UBPol, gelezen in samenhang met de bijlage 4bis ervan, waaruit voortvloeit dat een concrete beoordeling van deze lichaamskenmerken moet worden gemaakt om tot ongeschiktheid te kunnen besluiten. In een derde middelonderdeel zet verzoekster uiteen dat met de bestreden beslissing een schending voorligt van de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht. De zorgvuldigheidsplicht is geschonden doordat niet blijkt dat de verwerende partij enig onderzoek heeft verricht naar aanleiding van XIV-37.257-4/19 het vaststellen van het hartgeruis en de naevus (hoewel zij daartoe verplicht was). De verwerende partij beschikte dus niet over de onontbeerlijke gegevens om een beslissing te kunnen nemen. Verzoekster acht voorts de materiëlemotiverings- plicht geschonden doordat de vaststelling dat de naevus “verdacht” is, niet strookt met de bevindingen uit een dermatologisch onderzoek dat verzoekster op eigen verzoek heeft ondergaan, en doordat de aanwezigheid van hartgeruis haar niet belet heeft het fysieke luik van de proef (functioneel parcours en krachtproef) met succes af te leggen, waarbij tevens uit cardiologisch onderzoek op eigen verzoek van verzoekster blijkt dat het hartgeruis onschuldig is, en bezwaarlijk als hartafwijking die de ongeschiktheid van verzoekster zou verantwoorden, kan worden aangemerkt. Hieruit blijkt dat de naevus noch het hartgeruis deugdelijke materiële redenen zijn die de bestreden beslissing kunnen onderbouwen. In haar memorie van wederantwoord doet verzoekster nog gelden dat de verwerende partij niet kan worden bijgetreden waar die stelt dat de bestreden beslissing is gestoeld op de vaststelling dat verzoekster niet over de vereiste lichaamslengte beschikt en dat de overige twee vaststellingen “louter informatief” zijn en vanuit een op de arbeidsgeneesheer rustende mededelings- plicht warden meegedeeld. Dit is onjuist. De verwerende partij verleent een verkeerde interpretatie aan verzoeksters uiteenzettingen. Verzoekster bekritiseert het gegeven dat de verwerende partij de vaststellingen (naevus en hartgeruis) opgeeft zonder enige verdere motivering. Verzoekster heeft niet gesteld dat zij die vaststellingen als “puur informatief” opvatte. De bestreden beslissing maakt immers op geen enkele wijze duidelijk dat deze de facto enkel gesteund is op het criterium van de lichaamslengte zoals de verwerende partij poneert. Enige verwijzing naar de motivering in rechte (bv. medische lijst in bijlage 4bis bij UBPol) is onbestaande. XIV-37.257-5/19 Beoordeling 5. Verzoekster heeft in het auditoraatsverslag kunnen lezen dat de verwerende partij terecht opmerkt dat verzoekster de vaststelling dat zij niet aan de vereiste lichaamslengte van 152 cm voldoet, niet in haar eerste middel betrekt hoewel de arbeidsgeneesheer ten aanzien van dit criterium over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt. In de bijlage 4bis bij het UBPol waarnaar op de keerzijde van de bestreden beslissing wordt verwezen, wordt met betrekking tot de (vereiste) lichaamslengte immers bepaald dat deze “minimaal” 152 cm bedraagt. De vaststelling in de bestreden beslissing dat verzoekster niet de vereiste lichaamslengte heeft, is het determinerend motief waarop de bestreden beslissing is gesteund. Die feitelijke vaststelling wordt door verzoekster niet betwist. Voorts wordt op de keerzijde van de bestreden beslissing verwezen naar de bijlage 4bis bij het UBPol zodat de bestreden beslissing ook in rechte afdoende is gemotiveerd. In die omstandigheden heeft verzoekster geen belang bij het gegrond bevinden van het middel. Het determinerend motief dat de bestreden beslissing in feite en in rechte verantwoordt, wordt immers in het eerste middel niet betrokken. In het auditoraatsverslag kan voorts nog worden gelezen dat verzoekster wel nog een belang heeft bij een beoordeling van het eerste middel in zoverre uit de beoordeling van het tweede en het derde middel mocht blijken dat het determinerend motief dat verzoekster niet de vereiste lichaams- lengte heeft, onwettig is. 6. In haar laatste memorie erkent verzoekster dat het eerste middel inderdaad in samenhang met de twee overige middelen moet worden gelezen, in die zin dat “aan het eerste middel de nodige relevantie toekomt ingeval van gegrondheid van het tweede en/of het derde middel”. 7. Zoals verder bij de beoordeling van het tweede en het derde middel zal blijken, leiden die middelen er niet toe te besluiten tot de onwettigheid van (het determinerend motief van) de bestreden beslissing, namelijk dat XIV-37.257-6/19 verzoekster niet de door de toepasselijke regelgeving vereiste lichaamslengte heeft. Het eerste middel kan in die omstandigheden niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van het materiëlemotiveringsbeginsel en van artikel 4.9, vierde lid, UBPol, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en bevoegdheidsoverschrijding door de steller van de handling. In een eerste middelonderdeel verwijst verzoekster naar de bepalingen inzake aanwerving en selectie in het RPPol, inzonderheid naar de artikelen IV.I.15,3°, IV.I.26 en IV.I.27 ervan. Deze laatste bepaling verleent aan de minister delegatie, onder meer om de minimumdrempels met betrekking tot de fysiek-medische geschiktheidsproef, met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt te bepalen, wat is gebeurd in de bijlage 4bis bij het UBPol, onder meer door te bepalen, bij wijze van uitsluitingscriterium, dat de minimum vereiste lichaams- lengte 152 cm bedraagt. Doordat daarbij geen enkele differentiatie wordt voorzien in functie van het kader of het ambt dat wordt beoogd, worden de artikelen IV.I.15,3°, IV.I.26 en IV.I.27 RPPol miskend. Verzoekster vraagt dat de genoemde bijlage 4bis, in zoverre het in dit uitsluitingscriterium voorziet, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing wordt gelaten. Verzoekster wijst er op dat de selectie voor het basiskader toegang verleent tot verschillende ambtelijke functies. Bij de lokale politie: onthaal, interventie, wijkwerking, politionele slachtofferbejegening, lokale opsporing, onderzoek en verkeer; bij de federale politie, talrijke betrekkingen binnen de gespecialiseerde politiezorg. XIV-37.257-7/19 In een tweede middelonderdeel voert zij aan dat de in artikel IV.I.27 RPPol aan de minister verleende delegatie inhoudt dat de mini- mumdrempels inzake de medische geschiktheid gedifferentieerd moesten worden in relatie tot het ambt. Artikel IV.I.15, 3° RPPol bepaalt immers dat de fysiek-medische geschiktheidsproef een “onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt” omvat. De minister heeft bij de uitvoering van de hem gedelegeerde bevoegdheid zijn bevoegdheid overschreden door niet te differentiëren “en aldus de selectievoorwaarden te verstrengen”. In haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie volhardt verzoekster in de beide middelonderdelen. Zij voegt in haar memorie van wederantwoord nog toe dat het standpunt niet kan worden bijgetreden dat het onmogelijk is om medische selectiecriteria te voorzien naargelang de functie die men binnen het operationeel kader ambieert omwille van (

  1. i)de generieke selectie in dat kader waarbij pas na het slagen in een navolgende opleiding een plaats wordt toebedeeld, (
  2. ii)er sprake is van een mobiliteitsregeling en (iii) operationele noodwendigheden die kunnen leiden tot een noodzakelijke flexibiliteit van de personeelsleden binnen het operationeel kader. Volgens verzoekster sluit geen van die redenen uit om aparte selectiecriteria te voorzien per beoogde functie of ambt. Op de verwerende partij rust de plicht om de basisselectie te differentiëren. Binnen een mobiliteits-/flexibiliteitsregeling kunnen de nodige uitsluitingen worden voorzien. Het aspect lichaamslengte ontbeert sowieso elk belang bij de functies van onthaal, wijkwerking en politionele slachtofferbejegening. Wanneer tussen de personeelsleden binnen eenzelfde personeelscategorie in een verschillende behandeling wordt voorzien die redelijk en objectief te verantwoorden is in functie van het beoogde doel, ligt geen discriminatie voor. Beoordeling 9. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: XIV-37.257-8/19 “2.4.2. De verzoekster heeft zich hier kandidaat gesteld om toegelaten te worden tot de basisopleiding van het basiskader (aspirant-inspecteur van politie). Uit de samenlezing van de hierboven vermelde bepalingen volgt dat indien de verzoekster toegelaten zou worden tot de basisopleiding en zij deze met succes zou beëindigen, zij in het ambt van inspecteur van politie wordt benoemd (na ook nog met succes de stage te hebben doorlopen). Waar artikel IV.I.15, 3° RPPol stelt dat beide componenten moeten onderzocht worden in de fysiek-medische geschiktheidsproef ‘in relatie tot het ambt’, moet dit begrepen worden als in relatie tot (eerst) het ambt van aspirant-inspecteur van politie, en vervolgens, als in relatie tot het ambt van inspecteur van politie. Waar artikel IV.I.26 stelt dat de inhoud van de selectieproeven wordt bepaald door het profiel van het beoogde ambt en varieert volgens het kader, moet dit zo begrepen worden dat de selectieproef (o.a. de fysiek-medische geschiktheidsproef) hier afgestemd moet worden op het ambt van (aspirant-)inspecteur van politie (dat zich situeert in het basiskader). Waar artikel IV.I.27 delegatie aan de minister verleent om (onder meer) de minimumdrempels in het kader van de fysiek-medische geschiktheidsproef vast te leggen, moet dit zo begrepen worden dat hem de bevoegdheid verleend wordt om die minimumdrempels voor het ambt van (aspirant-)inspecteur van politie (dat zich situeert binnen het basiskader) vast te leggen. De minister heeft hier, wat betreft de vereiste minimumlengte, om toegelaten te worden tot het ambt van (aspirant-) inspecteur van politie in het basiskader, de grens vastgelegd op 152 cm. De stelling van verzoekster dat de minister daarbij tevens een differentie zou moeten maken naargelang de specifieke functie men beoogt uit te oefenen, vindt geen steun in de wet en de uitvoeringsbesluiten. De verzoekster kan, nadat zij toegelaten is tot de basisopleiding en deze met goed gevolg beëindigd heeft, geen recht laten gelden op het uitoefenen van een specifieke functie (zoals onthaal, wijkwerking en slachtofferbejegening). Men wordt immers niet aangesteld/benoemd in een specifieke functie, maar in een ambt (in casu in het ambt van (aspirant-)inspecteur van politie. In zoverre de verzoekster in haar memorie van wederantwoord lijkt te stellen dat de regelgeving ten onrechte de door haar beoogde differentiatie niet maakt, is dit opportuniteitskritiek op de regelgeving waarover de Raad van State zonder rechtsmacht is. 2.4.3. De verwerende partij kan dan ook bijgevallen worden dat de beide onderdelen ontwikkeld worden steunend op het niet correcte uitgangspunt dat bij het vastleggen van de minimumdrempels een differentiatie moet gemaakt worden naargelang de specifieke functie die men beoogt. Het middel is ongegrond in zijn beide onderdelen.”. 10. Verzoekster betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij onthoudt er zich van om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren. Zij beperkt zich ertoe te stellen dat ze “volhardt in alle middelonderdelen, zoals eerder uiteengezet”. XIV-37.257-9/19 De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 11. In het derde middel voert verzoekster de schending aan “van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel houdende het verbod op discriminatie (zoals onder meer vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet) en van artikel 23 van de Grondwet, van het materiëlemotiveringsbeginsel en van artikel 4.9, vierde lid UBPol in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet en bevoegdheidsoverschrijding vanwege de steller van de handeling - en schending van artikel 4.9 UBPol in samenhang met Bijlage 4bis bij het UBPol, rubriek Biometrie - uiterlijk, ‘Lengte’”. Wat de bevoegdheidsoverschrijding betreft, verwijst zij naar artikel 184 van de Grondwet, waarin wordt bepaald dat de organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenals de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden ervan, bij de wet worden geregeld. Zij verwijst tevens naar artikel 12, eerste lid, 6° en 10°, van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002), evenals naar de artikelen 55, eerste lid, en artikel 106, derde lid, en 121 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998). Met verwijzing naar jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof, argumenteert verzoekster dat de grondwetgever heeft willen vermijden dat de uitvoerende macht de ter zake aan de wetgever voorbehouden bevoegdheden “alleen of hoofdzakelijk zou regelen”. Uit het onderlinge verband tussen die bepalingen XIV-37.257-10/19 vloeit volgens verzoekster voort “naar analogie met wat geldt voor de militairen” dat de grondwetgever het strikt noodzakelijk heeft gevonden om de bevoegdheid om verordenend op te treden met betrekking tot de organisatie van het politioneel apparaat “volledig aan de wetgever op te dragen, evenzo als hij dit nodig achtte met betrekking tot de essentiële elementen van het statuut van het politie- personeel.”. Verzoekster stelt dat “[h]et [principieel aannemen] in de selectieprocedure van de politiediensten en het voorzien in een ongenuanceerde- /ongedifferentieerde (zie ook hoger) toepassing van dergelijk criterium met een absoluut declasserend karakter (naar medische geschiktheid toe) dat bovendien uitsluitend betrekking heeft op een ‘normale’ lichaamseigenschap van een persoon en dus geen abnormaliteit betreft - in de zin van een lichaamsbeperking, een ziekte, lichaamsvervorming, handicap of lichaamsgebrek - zodanig de essentie [raakt] van de organisatie van de geïntegreerde politiedienst en van het personeel van die geïntegreerde politiedienst, dat zij de beperkte uitvoeringsbevoegdheid van de uitvoerende macht - in de hoger beschreven zin - ruim overstijgt”. Verzoekster voegt nog toe dat een subdelegatie van verordenende bevoegdheid door de Koning aan een andere overheid strijdt met de regel dat de Koning belast is met de uitvoering van de wet zoals vervat in artikel 108 van de Grondwet, tenzij het detailmaatregelen van bijkomstig belang betreft. Wettelijke bepalingen die aan de Koning bevoegdheden opdragen die in beginsel bij de wetgever berusten zijn ipso facto slechts vatbaar voor een beperkende interpretatie. “In elk geval komt het een minister - in beginsel - niet toe om zelf reglementair op te treden wanneer de Koning niet in de (voldoende of in overeenstemming met de Grondwet) uitvoering van de wet voorziet. Het bestreden absolute medisch ongeschiktheidscriterium raakt te essentieel de organisatie van de politiedienst en het statuut van het personeel ervan zodat de regeling geenszins aan de minister kon worden overgelaten. Verzoekster vraagt om de bijlage 4bis bij het UBPol buiten toepassing te laten in zoverre daarin wordt bepaald dat de minimumlengte 152 cm moet bedragen, en derhalve een uitsluitingscriterium is. XIV-37.257-11/19 Verder beroept verzoekster zich op het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel en op het grondrecht op arbeid. Verzoekster erkent dat deze beginselen niet absoluut zijn, maar stelt dat een ongelijke behandeling en een beperking van het recht op arbeid niet verder mag reiken dan hetgeen redelijkerwijze noodzakelijk is voor het bereiken van de objectieven die de regelgever zich voor ogen heeft gesteld. Zij verwijst naar het tweede middel waarin zij het gebrek aan differentiatie naargelang de specifiek beoogde functie heeft aangevoerd, en meent dat de uitsluitingsgrens van 152 cm, zonder mogelijkheid tot differentiëring naargelang de beoogde functie, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, en het grondrecht op arbeid schendt, omdat hiervoor geen redelijke en objectieve verantwoording bestaat, en dat er evenmin een band van evenredigheid bestaat tussen de doelstelling van deze norm en de middelen die daarvoor worden aangewend, indien kandidaten die kleiner dan 152 cm zijn over de noodzakelijke vaardigheden voor de functie beschikken. In haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie volhardt verzoekster in alle middelonderdelen en repliceert dat artikel 13, 1°, van de wet van 26 april 2002, bepaalt dat “[t]ot de selectieproeven [niet] wordt toegelaten, de kandidaat die: 1° na een medisch geschiktheidsonderzoek ongeschikt is verklaard voor de uitoefening van het politieambt.”. Verzoekster stelt dat zij toegelaten werd tot alle selectieproeven, en pas nadien uitgenodigd voor een medisch geschiktheidsonderzoek. Zij heeft wel duidelijk belang bij het aangevoerde middel. Zij herhaalt dat de bij haar vastgestelde lichaamslengte (151
  3. cm)niet kan worden aangezien als een gebrek en dat haar “basisconditie en fitheid (…) is getest en afdoende bevonden, met name afdoende om het vereiste fysieke niveau te kunnen bereiken na één jaar.” Wat het dragen van beschermingskledij en wapens betreft, is er geen wezenlijk verschil tussen 152 en 151 cm lichaamslengte. Hetzelfde geldt in het kader van de veiligheid en zichtbaarheid van een verkeersfunctie. Evenmin kan worden aanvaard dat aan iemand die klein van gestalte is, minder gezag zou toekomen. XIV-37.257-12/19 Beoordeling 12. Door bij artikel 184 van de Grondwet de bevoegdheid inzake de regeling van de organisatie van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aan de wetgevende macht toe te wijzen, heeft de grondwetgever willen vermijden dat de erin bedoelde aangelegenheden zouden worden geregeld door de uitvoerende macht alleen. Aldus waarborgt artikel 184 van de Grondwet dat daarover wordt beslist door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. De niet-inachtneming van die bepaling houdt een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in, vermits de waarborg die het optreden van een democratisch verkozen vergadering biedt, aldus op een discriminerende manier aan een categorie van burgers zou worden ontzegd. Een dergelijke delegatie is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn bepaald. Bovendien vermag de wetgever, zonder miskenning van de genoemde grondwetsbepaling, de Koning te machtigen om de nadere regels te bepalen die ter zake in acht moeten worden genomen voor zover de wetgever zelf het ter zake toepasselijke beginsel heeft vastgesteld. In diezelfde zin vermag de wetgever in een complexe aangelegenheid, zonder het wettigheidsbeginsel bedoeld in artikel 184 van de Grondwet te schenden, aan de Koning de technische bevoegdheid toekennen om de bijzondere regels te bepalen waarmee het beginsel dat door de wetgever zelf werd omschreven, in werking kan worden gesteld. 13. Te dezen bepalen artikel 12, eerste lid, 6° en 10°, van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002) eensdeels dat (onder meer) de kandidaat-agent van politie, en -inspecteur van politie “moet beschikken over de vereiste fysieke vaardigheden en vrij zijn van alle gebreken die onverenigbaar zijn met de eisen van het ambt” en, anderdeels, “voor het kader van agenten van politie, het basis- en middenkader, moeten slagen in of, voor het officierskader, XIV-37.257-13/19 slagen in en batig gerangschikt zijn voor de selectieproeven die toegang verlenen tot de basisopleiding”. Krachtens artikel 13, 1°, van diezelfde wet wordt niet tot de selectieproeven toegelaten de kandidaat die na een medisch geschiktheids- onderzoek ongeschikt is verklaard voor de uitoefening van het politieambt. De genoemde artikelen 12 en 13 maken deel uit van “Hoofdstuk III. - algemene indienstnemingsvoorwaarden in het operationeel kader”. Uit die bepalingen volgt dat de wetgever heeft geoordeeld dat het essentieel is dat een (aspirant-)politie-inspecteur beschikt over de vereiste fysieke vaardigheden en vrij moet zijn van elk gebrek dat onverenigbaar wordt geacht met de eisen van het ambt. Deze vereiste - en dus het slagen voor de fysiek - medische proeven - is door de wetgever derhalve beschouwd geworden als een essentieel element van de rechtspositieregeling. Door te vereisen dat een aspirant-inspecteur moet slagen voor de fysiek-medische proeven heeft de wetgever een uitsluitingscriterium geformuleerd zonder dat daarbij evenwel is vereist dat de wetgever zelf alle fysieke gegevens, tekorten, aandoeningen, of, nog, biometrische gegevens vastlegt, zoals het bepalen van de vereiste minimale lichaamslengte, die tijdens die fysieke-medische proeven moeten worden onderzocht. Een schending van artikel 184 van de Grondwet ligt dan ook niet voor. Dat geldt des te meer nu blijkt dat op het ogenblik dat de artikelen 12 en 13 van de wet van 26 april 2002 werden uitgevaardigd de vereiste minimale lichaamslengte van 152 cm voor politionele operationele functies reeds in de regelgeving lag besloten. Immers, reeds bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 april 1999 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de keuringscriteria inzake medische geschiktheid voor de militaire dienst van de dienstplichtigen evenals voor de dienst van de andere militairen en van het personeel van de Rijkswacht en van het koninklijk besluit van 22 maart 1979 betreffende de medische geschiktheidscriteria en de medische onderzoeken voor toelating tot het operationeel korps van de Rijkswacht’ (hierna: het koninklijk besluit van 23 april 1999) zijn de vereiste fysieke hoedanigheden om bepaalde functies te mogen uitoefenen cq. de “lichaamsgebreken” die aanleiding geven tot ongeschiktheid voor de dienst van het personeel van de XIV-37.257-14/19 militairen uitgebreid tot de (toenmalige) Rijkswacht. De bijlage die bij het voormelde koninklijk besluit van 23 april 1999 is gevoegd, betreft dezelfde bijlage als deze die is gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november 1971 ‘tot vaststelling van de keuringscriteria inzake medische geschiktheid voor de militaire dienst van de dienstplichtigen evenals voor de dienst van de andere militairen en van het personeel van de Rijkswacht’. In rubriek 352 van die bijlage, getiteld “Onvoldoende gestalte” wordt al bepaald dat “een gestalte kleiner dan 1 m 52 leidt tot ongeschiktheid voor de gewapende dienst, evenals voor de dienst bij de (toenmalige) Rijkswacht”. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat het vaststellen van de voor de functie vereiste minimale lichaamslengte door de Koning zelf moet worden geregeld en dat een dergelijke aanvullende uitvoeringsmaatregel door Hem niet kan worden gedelegeerd aan de minister die verantwoordelijk is voor de goede werking van de betrokken diensten. De Koning heeft, zonder miskenning van artikel 108 van de Grondwet, bij de artikelen IV.1.27, gelezen in samenhang met artikel IV.1.15 RPPol aan de minister de bevoegdheid kunnen delegeren om met het oog op selectie minimumdrempels te bepalen. De minister heeft vervolgens diezelfde minimaal vereiste lichaamslengte van 152 cm (staand gemeten, met de blote voeten op de grond en met de haren los) opgenomen in de bijlage 4bis die bij het UBPol, is gevoegd. In zijn spraakgebruikelijke betekenis betekent “gebrek” “het niet of niet genoeg aanwezig zijn”, wat, te dezen, moet worden gelezen in zijn specifieke context, namelijk het niet of niet genoeg aanwezig zijn van de lichaamslengte vereist voor de (doelmatige) uitoefening van het betrokken ambt, wat beantwoordt aan het begrip “minimumdrempel” bedoeld in de in artikel IV.1.27, 3°, RPPol aan de minister verleende delegatie. 14. In zoverre verzoekster de schending inroept van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, en van het grondrecht op arbeid omdat zij van oordeel is dat de uitsluitingsgrens van 152 cm verder reikt dan hetgeen redelijkerwijze noodzakelijk is voor het bereiken van het objectief dat de overheid zich heeft gesteld en dat er geen evenredigheid is tussen de doelstelling van de XIV-37.257-15/19 norm en de norm zelf, kan zij in de gegeven omstandigheden die hierna worden uiteengezet, niet worden bijgetreden. Het gelijkheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van de gelijke toegang tot het arbeidsproces sluiten een verschil in behandeling niet uit voor zover dit verschil berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de te beoordelen maatregel, en met de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 18 oktober 2017, C-409/16) blijkt dat de wens om de inzetbaarheid en de goede werking van de politiediensten te verzekeren, een legitieme doelstelling is die het bezit van bijzondere lichamelijke eigenschappen kan verantwoorden. De lichamelijke vereiste van een minimale lichaamslengte mag evenwel niet tot gevolg hebben dat hierdoor een veel groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld of wanneer blijkt dat het gehanteerde criterium niet geschikt noch noodzakelijk is om het ermee nagestreefde doel te bereiken. Uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat verzoekster zich kandidaat heeft gesteld om te worden toegelaten tot de basisopleiding van het basiskader (aspirant-inspecteur van politie). Het betreft een politiefunctie binnen het operationeel kader waarbij het personeelslid moet kunnen worden ingezet volgens de operationele noodwendigheden van de dienst en alle taken moet kunnen vervullen die het wellicht zal moeten vervullen daarin begrepen het (legitiem) gebruik van geweld waarbij veiligheid en gezondheid van henzelf, collega’s en derden essentieel zijn. De te dezen vastgelegde minimale lichaamslengte van 152 cm is een vast en dus objectief criterium. Uit de door de verwerende partij bijgebrachte gegevens blijkt dat de gemiddelde lichaamslengte XIV-37.257-16/19 van vrouwen in België 168 cm bedraagt wat ruim boven de te dezen vereiste minimumlengte ligt voor de werving bij het leger en de geïntegreerde politie. Het gehanteerde uitsluitingscriterium leidt er niet toe dat hierdoor een groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld (cfr. supra). Verzoekster toont voorts niet aan dat die minimumgrens onredelijk of disproportioneel zou zijn. Waar verzoekster kan worden bijgetreden dat zij in het kader van de fysiek-medische geschiktheidsproef weliswaar is geslaagd voor het functioneel parcours waaruit blijkt dat zij de basiscondities en -fitheid heeft die nodig is om de basisopleiding te kunnen aanvatten, slaagt zij er daarmee nog niet in aan te tonen dat de te dezen vereiste minimale lichaamslengte van 152 cm niet geschikt of noodzakelijk zou zijn om het nagestreefde doel te bereiken: garanderen dat de functies en taken die in het operationeel kader moeten kunnen worden vervuld, ook kunnen worden vervuld. Het is niet onredelijk zoals de verwerende partij aangeeft deze -lage- minimumdrempel - noodzakelijk te achten met het oog op de dracht en, het besturen van allerlei politioneel (veiligheids)materieel, de belasting ervan op het lichaam, de vereiste minimumgestalte met het oog op het houden van overzicht bij het uitvoeren van interventies, enzovoort. Het volstaat niet louter te stellen zoals verzoekster doet dat er, wat het dragen van beschermingskledij en wapens betreft, “geen wezenlijk verschil tussen 152 en 151 cm lichaamslengte” is. Een schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van non-discriminatie ligt in die omstandigheden niet voor. Het gegeven dat zij reeds voor die proef is geslaagd, doet er voorts niet aan af dat de vereiste minimumgrens is bepaald op 152 cm en dat artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002 vereist, eensdeels, dat “de kandidaat voldoet aan de vereiste fysieke vaardigheden” en, anderdeels, dat wil zeggen cumulatief, “vrij is van alle gebreken die onverenigbaar zijn met de eisen van het ambt op de datum waarop hij of zij aan de selectieproeven deelneemt”. Weliswaar bepaalt artikel IV.1.16 RPPol dat de proeven “in principe” derwijze XIV-37.257-17/19 plaatsvinden dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald, doch dit doet er finaal niet aan af dat het in artikel 12, eerste lid, 6°, genoemde vereiste vervuld moet zijn “bij de toelating tot de basisopleiding” (cfr. artikel 14 van de wet van 26 april 2002). Uit artikel IV.30, van het UBPol vloeit tot slot voort dat slechts de minimumdrempel voor de proef (dit is de fysiek-medische geschiktheidsproef) wordt bereikt door de kandidaat (
  4. i)waarover de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie de in artikel IV.8ter, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beoordeling (dit is “geschikt” op basis van het functioneel parcours om de basisopleiding aan te vatten) uitbrengt én, cumulatief, (
  5. ii)waarvoor de onderzoekende arts de in artikel IV.9, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beslissing “geschikt” neemt. 15. Het derde middel is in zijn geheel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.257-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.257-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.695 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.