id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.696 Rolnummer: A. 215500/XIV-36352 Zaak: Arrest 244696 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-13 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:33 Fiche Arrest nr 244.696 van 5 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.696 van 5 juni 2019 in de zaak A. 215.500/XIV-36.352 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 april 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 140.441 van 6 maart 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 235.347 van 5 juli 2016 is het debat heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. XIV-36.352-1/13 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Raf Jespers, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn weergegeven in het arrest nr. 235.347 van 5 juli 2016. Er wordt naar verwezen. IV. Onderzoek van de middelen Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 11 van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming XIV-36.352-2/13 behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’ (Richtlijn 2004/83), van artikel 1, A, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: het vluchtelingenverdrag), van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 48/3, 48/4 en 57/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat het standpunt in punt 2.2.2 van het bestreden arrest als zou artikel 11 van richtlijn 2004/83 zijn omgezet in de vreemdelingenwet en derhalve geen rechtstreekse werking meer hebben, niet kan worden gevolgd. Het voornoemde artikel 11 is volgens verzoeker enkel omgezet in artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet, doch hierin worden veel ruimere criteria gehanteerd om de vluchtelingenstatus in te trekken dan in de richtlijn zelf. Richtlijn 2004/83 is niet naar behoren omgezet en behoudt dus haar rechtstreekse werking. Verzoeker acht artikel 11 van richtlijn 2004/83 met het bestreden arrest geschonden doordat die richtlijn niet werd toegepast en niet werd nagegaan of was voldaan aan de criteria ervan. Zo had verzoeker gewezen op het zeer korte verblijf in zijn land van herkomst dat op geen enkele manier overeenstemt met “het zich opnieuw vestigen” in het land dat verlaten werd. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat, wat de door hem voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen schending van artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet betreft, in punt 2.2.6 van het bestreden arrest de redengeving uit de aanvankelijk bestreden beslissing wordt overgenomen waardoor deze bepaling opnieuw wordt genegeerd. Volgens verzoeker wordt onmiskenbaar beslist dat hij geen vluchteling is en geen subsidiaire bescherming kan genieten, doch dit heeft niet te maken met de criteria van het voornoemde artikel 57/6, eerste lid, 7°, dat niet eens wordt vermeld in de XIV-36.352-3/13 aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker merkt nog op dat ook in de aanvankelijk bestreden beslissing de criteria vluchteling en subsidiaire bescherming worden gehanteerd en niet het criterium van het meergenoemde artikel 57/6, eerste lid, 7°. Verzoeker werpt in een derde middelonderdeel op dat de motivering in de punten 2.2.10.1 en 2.2.10.2 van het bestreden arrest geen afdoende antwoord vormt op zijn opwerping dat de realiteit van de bloedvete moest worden onderzocht. Volgens hem faalt die motivering ook waar net in het kader van bloedvete ook de familiale situatie in ogenschouw dient te worden genomen, vermits de bloedvete in Albanië is gebonden aan de familiebanden. Tot slot laat verzoeker gelden dat in het bestreden arrest niet wordt ingegaan op de specifieke elementen die hierover tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan bod waren gekomen, evenmin als dat in de aanvankelijk bestreden beslissing het geval was. 5. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Wat het eerste middelonderdeel betreft, wijst verzoeker erop dat de zinsnede in artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet “alsmede ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later er op wijst dat hij geen vervolging vreest” niet voorkomt in richtlijn 2004/83. De omzetting in het Belgische recht via de artikelen 55/3 en 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet hanteert dus een ander en ruimer criterium dan de richtlijn, die derhalve ten onrechte niet van toepassing is verklaard met het bestreden arrest. Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt verzoeker dat de motieven van het bestreden arrest uitsluitend betrekking hebben op de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming en niet op het criterium van artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet. De conclusie in het bestreden arrest dat voldaan is aan de voorwaarden van deze laatste bepaling, staat XIV-36.352-4/13 volgens verzoeker dan ook haaks op de motivering. Verzoeker ziet hierin ook een schending van artikel 149 van de Grondwet. Wat het derde middelonderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat de Raad van State hiertoe geen kennis hoeft te nemen van de feiten doch enkel dient te beoordelen of verzoekers argumentatie werd beantwoord in het bestreden arrest en of dit antwoord duidelijk en ondubbelzinnig is. Volgens verzoeker is het antwoord dat zijn geloofwaardigheid fundamenteel wordt ondermijnd door zijn terugkeer naar Albanië geen antwoord op de opgeworpen realiteit en actualiteit van de bloedvete. Beoordeling 6. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 1, A, van het vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk. 7. Naar luid van artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik van het bestreden arrest en zoals het verder in ogenschouw wordt genomen, was de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevoegd “om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die als vluchteling is erkend of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten, die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, alsmede ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest”. XIV-36.352-5/13 De zinsnede “de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest” heeft betrekking op de situatie van de houder van de vluchtelingenstatus wiens gedrag er later op wijst dat hij ab initio geen vrees koestert, waardoor wordt bewezen dat de vluchtelingenstatus hem indertijd ten onrechte werd toegekend. Dit vormt een toepassing van de in artikel 14.3, b), van richtlijn 2004/83 bedoelde situatie dat de vluchtelingenstatus wordt ingetrokken indien, nadat de vluchtelingenstatus is verleend, wordt vastgesteld dat de betrokkene “feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus”. Artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet bevatte derhalve geen ruimer of ander criterium dan artikel 14.3 van richtlijn 2004/83, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft geoordeeld dat verzoeker zich niet op de schending van deze richtlijn kon beroepen ingevolge haar omzetting in het Belgische recht. Verzoeker acht zijn korte terugkeer naar Albanië niet in overeenstemming met de in artikel 11.1,
- c)van richtlijn 2004/83 bedoelde voorwaarde van er “zich vrijwillig opnieuw gevestigd” te hebben. In het bestreden arrest wordt echter vastgesteld dat “uit de [aanvankelijk] bestreden beslissing blijkt dat de vluchtelingenstatus van verzoekende partij werd ingetrokken omwille van het persoonlijk later gedrag van verzoekende partij dat erop wijst dat zij geen vervolging vreest”, dat “de reis van verzoekende partij naar haar land van herkomst in 2014 geenszins in overeenstemming te brengen is met een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade” vermits “geen enkel geloof kan worden gehecht aan de door verzoekende partij beweerde motieven voor haar terugkeer naar Albanië en de door haar beweerde reisomstandigheden” en dat “door de terugkeer van verzoekende partij naar Albanië […] de geloofwaardigheid van de door verzoekende partij beweerde vrees ten aanzien van Albanië in het algemeen en ten aanzien van haar beweerde belagers die haar in het kader van een bloedwraak wensen te vermoorden in het bijzonder fundamenteel [wordt] ondermijn[d]”. Vermits dit een andere grond vormt voor de intrekking van de vluchtelingenstatus dan het zich opnieuw XIV-36.352-6/13 gevestigd hebben in het land van herkomst, is verzoekers kritiek wat dit laatste betreft te dezen niet dienstig. Het eerste onderdeel van het tweede middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 8. Zoals mede blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, is het bestreden arrest gesteund op een onderzoek door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de geloofwaardigheid van de door verzoeker voorgehouden redenen voor zijn reis naar Albanië. Zo overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “de reis van verzoekende partij naar haar land van herkomst in 2014 geenszins in overeenstemming te brengen is met een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade”, dat uit het geheel van de bevindingen in de aanvankelijk bestreden beslissing terecht wordt besloten “dat geen enkel geloof kan worden gehecht aan de door verzoekende partij beweerde motieven voor haar terugkeer naar Albanië en de door haar beweerde reisomstandigheden”, dat “verzoekende partij […] dan ook geen plausibele reden aan[brengt] die haar terugkeer naar Albanië kan rechtvaardigen, noch maakt zij haar reisomstandigheden aannemelijk” en dat “de kortstondige duur van [verzoekers] verblijf ingegeven kan zijn door tal van praktische motieven”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit uit dit alles dat “door de terugkeer van verzoekende partij naar Albanië […] de geloofwaardigheid van de door verzoekende partij beweerde vrees ten aanzien van Albanië in het algemeen en ten aanzien van haar beweerde belagers die haar in het kader van een bloedwraak wensen te vermoorden in het bijzonder fundamenteel [wordt] ondermijn[d]”. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen beschikt over hervormingsbevoegdheid, heeft geoordeeld dat uit verzoekers later gedrag, namelijk zijn reis naar Albanië waarvoor de door hem aangehaalde redenen en omstandigheden ongeloofwaardig zijn bevonden, blijkt dat hij geen gegronde vrees voor vervolging koestert. Deze XIV-36.352-7/13 beoordeling is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet. Verzoeker toont wat dat betreft ook geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Het tweede onderdeel van het tweede middel is in die mate ongegrond. 9. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekers standpunt wordt in punt 2.2.10.1 van het bestreden arrest weergegeven, met name dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen had moeten nagaan of de bloedvete op het ogenblik van de intrekking van de vluchtelingenstatus al dan niet nog een gegronde vrees voor vervolging in hoofde van verzoeker betekende, dat verzoekers kortstondig verblijf in Albanië niet volstaat om zijn vrees voor vervolging weg te nemen en om afbreuk te doen aan de realiteit van de bloedvete, temeer daar verzoekers vader en drie ooms ook als vluchteling werden erkend (en nog steeds zijn) omwille van deze bloedvete en dat uit verzoekers verklaringen blijkt dat de verzoeningspogingen tot geen enkel resultaat hebben geleid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 2.2.10.2 van het bestreden arrest dat door de terugkeer van verzoeker naar Albanië de geloofwaardigheid van zijn voorgehouden vrees fundamenteel wordt ondermijnd ten aanzien van Albanië in het algemeen en ten aanzien van zijn belagers die hem in het kader van een bloedvete wensen te vermoorden in het bijzonder. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen XIV-36.352-8/13 blijkt uit niets dat verzoeker actueel nog steeds het risico loopt slachtoffer te worden in het kader van een bloedvete. Uit de voornoemde motivering, gesteund op concrete vaststellingen met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van het relaas van verzoekers reis naar Albanië, blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voorgehouden realiteit of actualiteit van de bloedvete en de familiale situatie niet aanvaardt. In de mate dat verzoeker een meer uitgebreide motivering zou wensen, toont hij daarmee geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Het derde onderdeel van het tweede middel is in die mate ongegrond. 10. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Derde middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van artikel 1, A, van het vluchtelingenverdrag, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’ (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 2003) en van “het hoorrecht, recht op tegenspraak en van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in antwoord op verzoekers kritiek dat er “geen enkele confrontatie is geweest tussen verzoeker en zijn echtgenote over de beweerde contradicties” heeft geantwoord “dat de aangehaalde tegenstrijdigheden in de [aanvankelijk] bestreden beslissing evenwel geen tegenstrijdigheden in de XIV-36.352-9/13 opeenvolgende verklaringen van verzoekende partij [zijn], maar tussen de verklaringen van verzoekende partij en deze van haar echtgenote op het commissariaat-generaal” en dat “het commissariaat-generaal een administratieve instantie, geen jurisdictie, is, en om die reden niet verplicht is de betrokken persoon te confronteren met de elementen waarop een eventuele beslissing gebaseerd is”. Verzoeker merkt op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf wel een jurisdictie is en dus verzoeker had moeten confronteren met de voorgehouden tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote. Verzoeker acht de in het bestreden arrest gegeven interpretatie van artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 in strijd met de ratio legis van dit artikel, dat is gesteund op het recht op tegenspraak, het hoorrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens verzoeker is de in het voornoemde artikel 17, § 2, bedoelde confrontatie niet beperkt tot de verklaringen van één lid van de familie maar tot alle leden, zeker indien de verklaringen tegen elkaar worden afgewogen. 12. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 blijkt dat de ambtenaar van het Commissariaat-generaal “in principe verplicht” is de asielzoeker te confronteren met tegenstrijdigheden. Het gaat er volgens verzoeker bovendien niet om dat hij de kans heeft gekregen om voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te reageren op tegenstrijdigheden, daar het voornoemd koninklijk besluit geen betrekking heeft op de procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch op de procedure bij het Commissariaat-generaal. Verder gaat het argument uit de memorie van antwoord als zou een confrontatie niet nodig zijn geweest omdat “de tegenstrijdigheden zo talrijk en zo flagrant” waren dat het “voor de ambtenaar duidelijk was dat het hier niet ging om gewone misverstanden” en “het niet nodig leek de zwaarwichtigheid van de tegenstrijdigheden door middel van een confrontatie verder te overwegen”, niet op. Volgens verzoeker gaat het om een post factum-constructie in de memorie van antwoord die bovendien onjuist is vermits het slechts gaat om twee beweerde tegenstrijdigheden. Tot slot betekent de door de verwerende partij aangehaalde XIV-36.352-10/13 passage uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 niet dat er geen confrontatie moet geschieden, wel dat ze bijvoorbeeld schriftelijk kan geschieden. Beoordeling 13. Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 1, A, van het vluchtelingenverdrag zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Het derde middel is in die mate niet-ontvankelijk. 14. In antwoord op verzoekers kritiek dat hij en zijn echtgenote niet werden geconfronteerd met de voorgehouden tegenstrijdigheden, citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.13.2 van het bestreden arrest artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “stelt vast dat de aangehaalde tegenstrijdigheden in de [aanvankelijk] bestreden beslissing evenwel geen tegenstrijdigheden betreffen in de opeenvolgende verklaringen van verzoekende partij, maar tussen de verklaringen van verzoekende partij en deze van haar echtgenote op het commissariaat-generaal”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er nog op “dat het commissariaat-generaal een administratieve instantie, geen jurisdictie, is, en om die reden niet verplicht is de betrokken persoon te confronteren met de elementen waarop een eventuele beslissing is gebaseerd”. Vervolgens gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgebreid in op de vastgestelde tegenstrijdigheden en de uitleg van verzoeker daarover. Met die overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij verzoekers kritiek verwerpt tegen het feit dat hij niet werd geconfronteerd met de voorgehouden tegenstrijdigheden tussen zijn eigen verklaringen en die van zijn echtgenote en XIV-36.352-11/13 waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zelf verzoeker en zijn echtgenote met die tegenstrijdigheden confronteert. Daarmee is aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht voldaan. Met het betwisten van de juistheid van de gegeven motieven, toont verzoeker geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht aan. Het derde middel is in die mate ongegrond. 15. Artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 heeft inderdaad enkel betrekking op de procedure voor het Commissariaat-generaal. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met hervormingsbevoegdheid uitspraak gedaan over verzoekers beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing en is het bestreden arrest in de plaats gekomen van die beslissing. In de mate dat het voornoemde artikel 17, § 2, zou zijn geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing door verzoeker niet te confronteren met de voorgehouden tegenstrijdigheden tussen zijn eigen verklaringen en die van zijn echtgenote, dient te worden opgemerkt dat dergelijke onregelmatigheid de wettigheid van het bestreden arrest niet kan aantasten. Gezien de devolutieve werking van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, heeft verzoeker heeft immers uitgebreid standpunt kunnen innemen betreffende de in de aanvankelijk bestreden beslissing aangenomen tegenstrijdigheden. Verzoeker heeft derhalve geen belang bij het middel in de mate dat het betrekking heeft op een schending van artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003. Verder toont verzoeker niet aan dat het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, met het bestreden arrest in enigerlei mate zou zijn geschonden doordat hij over bepaalde in aanmerking genomen tegenstrijdigheden geen standpunt zou hebben kunnen innemen. XIV-36.352-12/13 Het derde middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 16. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-36.352-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.696 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ORD.11.292 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div