id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.697 Rolnummer: A. 215501/XIV-36353 Zaak: Arrest 244697 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:26 Fiche Arrest nr 244.697 van 5 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.697 van 5 juni 2019 in de zaak A. 215.501/XIV-36.353 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 april 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 140.442 van 6 maart 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 235.348 van 5 juli 2016 is het debat heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. XIV-36.353-1/7 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Raf Jespers, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn weergegeven in het arrest nr. 235.348 van 5 juli
- Er wordt naar verwezen. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster werpt in een eerste middel de schending op van artikel 11 van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en XIV-36.353-2/7 staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’ (Richtlijn 2004/83), van artikel 1, A, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: het vluchtelingenverdrag), van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 48/3, 48/4 en 57/6, eerste lid, 7°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Verzoekster voert aan dat het motief in het bestreden arrest als zou haar vluchtelingenstatus kunnen worden ingetrokken “indien het gedrag van de echtgenoot van verzoekende partij erop wijst dat hij geen vervolging vreest” flagrant in strijd is met artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet. De intrekking moet steunen op het “persoonlijk gedrag” van de betrokkene, hetgeen te dezen niet het geval is. Verzoekster merkt op dat zij nooit is teruggekeerd naar Albanië en dat ook geen ander element van persoonlijk gedrag wordt aangehaald doch enkel het gedrag van haar echtgenoot. Verzoekster heeft de vluchtelingenstatus individueel verkregen. Zij betwist overigens dat het persoonlijk gedrag van haar echtgenoot aanleiding kan geven tot de intrekking van de vluchtelingenstatus.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij voegt toe dat de repliek in de memorie van antwoord dat “verzoeksters algemene geloofwaardigheid werd ondermijnd, gelet op de fundamenteel tegenstrijdige verklaringen die zij aflegde met haar echtgenoot betreffende de omstandigheden van zijn reis naar Albanië” een nieuw motief vormt dat niet kan worden toegevoegd aan het bestreden arrest. Verzoekster acht de redenering van de verwerende partij trouwens foutief vermits, in de hypothese dat verzoekster zelf de waarheid zou vertellen en haar echtgenoot niet, het vertellen van de waarheid zou kunnen leiden tot de intrekking van de vluchtelingenstatus. XIV-36.353-3/7 Beoordeling
- Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze op welke wijze artikel 1, A, van het vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM, artikel 11 van richtlijn 2004/83 en de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Het eerste middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster geeft niet aan in welke mate de motivering van het bestreden arrest geen antwoord zou vormen op de door haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen kritiek. Zij voert enkel aan dat de motivering van het bestreden arrest in strijd is met het bepaalde in artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet, doch deze kritiek houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht. Het eerste middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- Naar luid van artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet, zoals het gold op het ogenblik van het bestreden arrest en zoals te dezen in ogenschouw wordt genomen, was de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevoegd om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire XIV-36.353-4/7 beschermingsstatus in te trekken, onder meer “ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest”. Verzoekster betwist in essentie dat deze bepaling met het bestreden arrest op haar kan worden toegepast vermits de intrekking van de vluchtelingenstatus niet op haar eigen persoonlijk gedrag maar op dat van haar echtgenoot is gesteund. In het bestreden arrest wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “er evenwel op dat verzoekende partij haar asielrelaas steunt op dezelfde motieven als deze voorgehouden door haar echtgenoot, meer bepaald het feit dat haar echtgenoot en diens familie verwikkeld zijn in een bloedvete en opgesloten dienden te leven”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat “derhalve […] verwerende partij wel degelijk de vluchtelingenstatus van verzoekende partij [kan] intrekken indien het gedrag van de echtgenoot van verzoekende partij erop wijst dat hij geen vervolging vreest”. Vervolgens citeert De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen integraal zijn arrest nr. 140.441 van 6 maart 2015 waarmee de vluchtelingenstatus van verzoeksters echtgenoot werd ingetrokken. Daarna besluit hij dat, “gezien het gedrag van haar echtgenoot, met name diens terugkeer naar hun land van herkomst, geenszins in overeenstemming te brengen is met een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade en dat bijgevolg uit niets blijkt dat de bloedvete waarin zij betrokken zijn nog steeds actueel is, kan ten aanzien van verzoekende partij evenmin besloten worden tot het bestaan van een vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade”. Verzoekster betwist niet dat zij geen eigen asielmotief heeft aangevoerd doch uitsluitend werd erkend als vluchteling op grond van de motieven van haar echtgenoot, namelijk de bloedvete waarin haar echtgenoot en zijn familie betrokken waren. Verzoekster betwist ook niet de vaststelling in het bestreden arrest “dat verzoekende partij zich in haar verzoekschrift hoofdzakelijk beperkt tot dezelfde middelen als deze opgeworpen door haar echtgenoot tegen de in zijnen hoofde genomen beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus eveneens van XIV-36.353-5/7 21 augustus 2014” en dat zij “als bijlage bij haar verzoekschrift dezelfde stukken toe[voegt] als deze toegevoegd aan het verzoekschrift van haar echtgenoot”. Nu verzoeksters asielaanvraag en haar erkenning als vluchteling waren gebaseerd op dezelfde motieven als die van haar echtgenoot en nu diens erkenning als vluchteling werd ingetrokken omdat zijn persoonlijk gedrag na de erkenning als vluchteling erop wijst dat hij geen vervolging vreest, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 57/6, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet zich eveneens hierop te beroepen om verzoeksters erkenning als vluchteling in te trekken. Het eerste middel is in die mate ongegrond.
- Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Derde en vierde middel
- Verzoekster werpt een derde en vierde middel op die identiek zijn aan respectievelijk het tweede en derde middel die haar echtgenoot Armando Onuzi in de zaak met het rolnummer A. 215.500/XIV-36.352 heeft opgeworpen tegen het hem aanbelangende arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 140.441 van 6 maart
- Die middelen zijn met ‘s Raads arrest nr. 244.696 van 5 juni 2019 verworpen. Verzoekster kan derhalve geen belang meer doen gelden om dezelfde middelen nog aan te voeren en zij voert geen ander middelen of andere kritiek tegen het bestreden arrest aan.
- Het derde en vierde middel zijn niet-ontvankelijk en kunnen bijgevolg niet tot cassatie leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. XIV-36.353-6/7
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-36.353-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.697 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ORD.11.293 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.