id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.700 Rolnummer: A. 223561/XIV-37542 Zaak: Arrest 244700 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 22:47 Fiche Arrest nr 244.700 van 5 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.700 van 5 juni 2019 in de zaak A. 223.561/XIV-37.542 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Tiffanie Lippens kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 oktober 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 191.962 van 13 september 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.588 van 7 november
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.542-1/14 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Deborah Unger, die loco advocaat Dominique Andrien verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is België binnengekomen in
- Met een beslissing van 15 januari 2007 wordt hem de subsidiaire beschermingsstatus toegekend. 3.
- Op 21 juni 2016 ontvangt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) een brief waarmee de staatssecretaris voor Asiel en Migratie vraagt verzoekers subsidiaire beschermingsstatus in te trekken. XIV-37.542-2/14 Op 26 september 2016 neemt de commissaris-generaal een beslissing tot intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoeker. Verzoeker tekent tegen deze beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 28 oktober
- Met een arrest van 13 september 2017 bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van 26 september 2016 houdende intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 2 en 6 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 55/5/1, § 2, 1° iuncto 55/4, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), gelezen in het licht van de artikelen 17 en 19 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en van het evenredigheidsbeginsel. XIV-37.542-3/14 Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 47 van het Handvest voor de grond- rechten van de Europese Unie en “het recht van de verdediging en van hoor en wederhoor” heeft geschonden door hem de mogelijkheid te ontnemen met een nota de argumenten van de verwerende partij te beantwoorden omdat deze mogelijkheid niet zou zijn voorzien in de vreemdelingenwet of in het procedurereglement van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Volgens verzoeker antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin op de mondelinge argumenten van verzoeker, zodat ook de in artikel 149 van de Grondwet opgenomen motiverings- plicht is geschonden. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat het begrip “gevaar voor de samenleving” zeer vaag is en noch in richtlijn 2011/95 noch in de vreemdelingenwet is omschreven, doch dat de in artikel 55/4 van de vreemdelingenwet voorziene uitsluitingsgronden voor de subsidiaire bescher- mingsstatus restrictief moeten worden geïnterpreteerd. In een eerste grief van het tweede middelonderdeel laat verzoeker gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek heeft geschonden door zelf de inhoud van het begrip “gevaar voor de samenleving” in te vullen. Hij acht ook artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden omdat een beroep tegen een praktijk waarvan de betrokkene de reikwijdte niet kent bij gebrek aan een definitie in de wet en aan constante of absolute rechtspraak geen doeltreffende voorziening in rechte vormt. Verzoeker stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor waarop hij het antwoord “cruciaal en van doorslaggevend belang in de verdere beoordeling ten gronde” acht. In een tweede grief van het tweede middelonderdeel laat verzoeker gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing overneemt waarin geen rekening werd gehouden met XIV-37.542-4/14 “feitelijke en gerechtelijke elementen” zoals het tijdsverloop en verzoekers huidige gedrag ten aanzien van vrouwen. Doordat de aanvankelijk bestreden beslissing werd overgenomen zonder het huidige gevaar van verzoeker voor de samenleving te overwegen hoewel verzoeker elementen heeft aangevoerd die op het tegendeel wezen, acht verzoeker het evenredigheidsbeginsel en artikel 55/4, § 2 van de vreemdelingenwet, gelezen in het licht van de artikelen 17 en 19 van richtlijn 2011/95, geschonden. In ondergeschikte orde wijst verzoeker op de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de arresten nr. 181.955 en 182.109 van 8 februari 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen over het begrip “gevaar voor de samenleving” als reden voor de weigering of intrekking van de vluchtelingenstatus zoals voorzien in de artikelen 52/4, tweede lid, en 55/3/1 van de vreemdelingenwet. Verzoeker acht deze vragen cruciaal en van doorslaggevend belang voor de huidige zaak, zodat hij vraagt deze naar de bijzondere rol te verwijzen in afwachting van het antwoord op die prejudiciële vragen.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Wat het eerste middelonderdeel betreft, wijst verzoeker erop dat hij op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had gepleit over de interpretatie van het begrip “openbare orde” in punt 79 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 juni 2015 in de zaak C-373/13 doch dat dit niet wordt vermeld in het bestreden arrest. Wat de tweede grief van het tweede middelonderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat het evenredigheidsbeginsel ook een algemeen beginsel van het Unierecht is, dat door artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt opgelegd bij een beperking van de door dat handvest erkende rechten en vrijheden. De intrekking van de subsidiaire bescherming vormt een beperking van het non refoulement-beginsel dat door de artikelen 18 en 19.2 van het voornoemde handvest wordt gewaarborgd. Ook artikel 57/32 van de XIV-37.542-5/14 vreemdelingenwet voorziet dat de beslissing tot uitsluiting van de vluchte- lingenstatus “wordt genomen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel”. Verder heeft de Europese Commissie in een mededeling van 2 juli 2009 gewezen op het belang van de beoordeling van de evenredigheid wanneer de autoriteiten hebben vastgesteld dat het gedrag van de betrokkene een voldoende ernstige maatregel vormt om een beperkende maatregel te rechtvaardigen. De Europese Commissie acht het noodzakelijk om de persoonlijke en de gezinssituatie te analyseren. Verzoeker acht de door hem aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie relevant voor de huidige zaak hoewel ze niet direct betrekking heeft op het begrip “gevaar voor de samenleving”. Hij acht ook het antwoord op de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen reeds gestelde vragen relevant omdat het onderscheid tussen de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus nauwelijks geldt voor het Unierecht. Beoordeling Wat het eerste middelonderdeel betreft
- Naar luid van artikel 47, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, heeft “eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, […] recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden”. Het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, houdt onder meer in dat de partijen kennis moeten kunnen nemen van alle aan de rechter voorgelegde stukken en dat zij er op nuttige wijze standpunt over moeten kunnen innemen. Dit geldt zeker voor processtukken zoals de nota met opmerkingen in een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen. Met uitzondering van de in artikel 39/76, § 1, zesde lid, van de vreemdelingenwet voorziene situatie, die te dezen niet van toepassing is, voorziet noch de vreemdelingenwet noch het koninklijk besluit van 21 december 2006 XIV-37.542-6/14 ‘houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’ de mogelijkheid voor de kandidaat-vluchteling om een replieknota in te dienen als antwoord op de nota met opmerkingen van de commissaris-generaal. Wel hebben de partijen en hun advocaat overeenkomstig artikel 39/60 van de vreemde- lingenwet de mogelijkheid hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting. Het Grondwettelijk Hof heeft reeds in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 geoordeeld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg zijn beroofd. Het heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen dat het “hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terecht- zitting, zoals daarin is voorzien in artikel 39/60, (…) geen afbreuk (doet) aan het recht op een rechterlijke toetsing en een daadwerkelijk rechtsmiddel”. In zijn arrest nr. 45/2010 van 29 april 2010 heeft het Grondwettelijk Hof nog overwogen dat “het schriftelijke karakter van de procedure verbiedt dat nieuwe middelen ter terechtzitting worden voorgelegd, maar het kan de partijen niet beletten ter terechtzitting mondeling te antwoorden op de argumenten in feite en in rechte die voor de eerste keer in de laatste proceduregeschriften zouden zijn aangevoerd” en dat dit “des te meer [geldt] wanneer zij elk slechts beschikken over één enkel proceduregeschrift en de terechtzitting bijgevolg het enige ogenblik is waar de verzoekende partij kan antwoorden op de argumenten die de tegenpartij in haar nota heeft uiteengezet. Precies omwille van deze mogelijkheid, houdt de omstandigheid dat de vreemdeling niet schriftelijk kan repliceren op de nota van de commissaris-generaal, niet in dat de vreemdeling niet over een daadwerkelijk rechtsmiddel zou beschikken.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker op de terecht- zittingen van 25 januari 2017, die tot een tussenarrest van 21 april 2017 heeft geleid, en 30 juni 2017 werd gehoord. In punt 4.4.4.2 van het bestreden arrest wordt uitdrukkelijk ingegaan op het door verzoeker bij zijn “nota in antwoord” XIV-37.542-7/14 gevoegde verslag van de justitie-assistent van 28 januari 2016 en op verzoekers ter terechtzitting van 25 januari 2017 vertolkte standpunt. Hierna wordt in het bestreden arrest nog eens ingegaan op “de documenten bijgebracht op de zitting van 25 januari 2017”. Vervolgens wordt in punt 4.4.4.4 van het bestreden arrest het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag behandeld, dat niet voorkwam in het verzoekschrift tot beroep. In het licht van het bovenstaande, maakt verzoeker met de algemene stelling in het verzoekschrift tot cassatie dat “in het bestreden arrest niet [wordt] gewezen op de argumenten die in de daaropvolgende nota zijn opgenomen” en dat “evenmin op […] verzoekers mondeling aangevoerde argumenten” wordt geantwoord, niet aannemelijk dat hij niet nuttig standpunt heeft kunnen innemen in antwoord op de nota met opmerkingen van de verwerende partij. Er is derhalve geen schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers “nota in antwoord” uit het debat heeft geweerd, noch blijkt een schending van het recht op tegenspraak.
- Om dezelfde redenen blijkt evenmin een schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoeker geeft in het verzoekschrift tot cassatie immers niet aan welke concrete door hem aangevoerde elementen niet zouden zijn beantwoord met het bestreden arrest. Slechts in de memorie van wederantwoord laat hij concreet gelden dat zijn standpunt over de interpretatie van het begrip “openbare orde” in punt 79 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 juni 2015 in de zaak C-373/13 niet zou zijn beantwoord. Vermits hij de voorgehouden tekortkoming reeds in het verzoekschrift tot cassatie kon vermelden, vermag verzoeker deze kritiek niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord op te werpen. XIV-37.542-8/14
- Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Wat de eerste grief van het tweede middelonderdeel betreft
- Naar luid van artikel 19.3, a), van richtlijn 2011/95 trekken de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of een staatloze in indien “hij, nadat hem de subsidiaire beschermingsstatus is verleend, op grond van artikel 17, leden 1 en 2, van subsidiaire bescherming is uitgesloten of uitgesloten had moeten zijn”. Artikel 17.1, d), van deze richtlijn bepaalt dat een onderdaan van een derde land of een staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming “wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt”. Het voornoemde artikel 17.1, d), is omgezet in het Belgische recht door artikel 55/5/1, § 2, iuncto artikel 55/4, § 2, van de vreemdelingenwet, op grond waarvan de commissaris-generaal de subsidiaire beschermingsstatus intrekt ten aanzien van de vreemdeling die “een gevaar voor de samenleving of voor de nationale veiligheid” vormt. Noch de bepalingen van de voornoemde richtlijn noch de desbetreffende bepalingen van de vreemdelingwet bevatten een definitie van het begrip “gevaar voor de samenleving”. Bij het beoordelen van dit begrip beschikt de commissaris-generaal bijgevolg over een discretionaire bevoegdheid waarbij hij geval per geval nagaat of het persoonlijk gedrag van de betrokken vreemdeling een daadwerkelijk gevaar voor de samenleving vormt.
- In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker met een arrest van het hof van beroep te Luik van 4 november 2013 werd veroordeeld voor verkrachting van een vrouw, dit met bepaalde verzwarende omstandigheden, en dat er in dat arrest uitdrukkelijk op XIV-37.542-9/14 werd gewezen dat verzoeker een gebrek aan inlevingsvermogen heeft en vrouwen beschouwt als een soort van koopwaar die ter beschikking wordt gesteld tegen een gereduceerde prijs. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat uit verzoekers persoonlijk gedrag blijkt dat hij geen enkele vorm van respect heeft voor de fysieke integriteit van anderen, dat verzoeker niet terugschrikt voor fysiek geweld teneinde een jonge vrouw, die duidelijk in een zeer kwetsbare positie verkeerde, te dwingen seksuele handelingen te stellen, dat het ontkennen van zijn aandeel in de feiten wijst op een gebrek aan schuldinzicht of berouw en dat verzoekers gedrag getuigt van een gebrek aan normbesef en een gewelddadige en gevaarlijke persoonlijkheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat verzoeker tijdens het gehoor op 9 september 2016 opnieuw alle feiten ontkende en dat die ontkenning overeenstemt met de vaststelling van het hof van beroep dat verzoeker noch schuldinzicht noch berouw heeft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst dan naar de door verzoeker op 15 september 2016 overgelegde documenten doch oordeelt dat deze geen afbreuk doen aan de vaststelling dat verzoeker een gevaar vormt voor de samenleving omdat hij definitief werd veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt verder op dat verzoeker met een arrest van het hof van beroep te Luik van 29 juni 2012 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden wegens heling van een ongekend aantal maaltijdcheques, waarvoor hem een werkstraf werd ontzegd wegens de ernst van de feiten. Naast de vaststelling dat de verwerende partij in casu ook toepassing had kunnen maken van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van de vreemdelingenwet aangezien verzoeker werd veroordeeld voor een “ernstig misdrijf” of “ernstige misdrijven”, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker omwille van zijn gerechtelijk verleden in België wel degelijk aanzien kan worden als een “gevaar voor de samenleving”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt “de vaststelling dat verzoeker, in strenge termen, werd veroordeeld tot gevangenisstraffen voor verkrachting (drie jaar effectief) en wegens heling (één jaar effectief) […] tot het besluit dat hij een ‘gevaar voor de samenleving’ vormt zoals bepaald in artikel 55/5, § 2, van de vreemdelingenwet” en “klemt [dit] des te meer aangezien verzoeker zowel voor zijn justitieassistent als voor de Raad blijft XIV-37.542-10/14 stellen dat hij onschuldig werd veroordeeld wegens verkrachting”. Steeds volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doen de door verzoeker ter terechtzitting van 25 januari 2017 overgelegde documenten geen afbreuk aan de voornoemde vaststelling.
- Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen na een onderzoek van verzoekers beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing op grond van de omstandigheden eigen aan verzoekers zaak en rekening houdend met de informatie uit het administratief dossier, met het standpunt van verzoeker en met de door verzoeker overgelegde stukken, de intrekking van verzoekers subsidiaire beschermingsstatus heeft bevestigd. Met het bestreden arrest is geen uitspraak gedaan bij wege van algemene en als regel geldende beschikking, zodat geen schending blijkt van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen op grond van artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet en derhalve met hervor- mingsbevoegdheid uitspraak gedaan over verzoekers beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Dit beroep heeft devolutieve werking, hetgeen inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis neemt van het geschil in zijn geheel en derhalve de aanvankelijk bestreden beslissing kan hervormen, ongeacht de motieven op grond waarvan deze beslissing werd genomen. Tot slot heeft verzoeker administratief cassatieberoep tegen het bestreden arrest kunnen instellen bij de Raad van State. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie doordat hij niet over een daadwerkelijk rechtsmiddel zou beschikken.
- Verzoeker stelt voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag te stellen of “een nationale bepaling die de intrekking XIV-37.542-11/14 van de subsidiaire bescherming [voorziet] op grond dat de betrokkene een ‘gevaar voor de samenleving’ vormt […], zoals artikel 55/5/1, § 2, 1° juncto artikel 55/4, § 2, van de vreemdelingenwet zonder het begrip te definiëren, noch de evaluatiecriteria van [dit] begrip, en dat het bijgevolg de definitie aan de administratie en de administratieve rechtbanken overlaat overeenkomstig met artikelen 17, § 1 en 19, § 3, b) van de kwalificatierichtlijn gelezen in samenhang met artikel 47 van de Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”. Verzoeker stelt aldus een prejudiciële vraag voor betreffende de overeenstemming van de nationale wetgeving met het recht van de Europese Unie. Op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie spreekt het Hof van Justitie van de Europese Unie zich enkel uit over prejudiciële vragen met betrekking tot de uitlegging van de verdragen of de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Bijgevolg dient de voorgestelde prejudiciële vraag niet te worden gesteld.
- De eerste grief van het tweede onderdeel van het enige middel is ongegrond. Wat de tweede grief van het tweede middelonderdeel betreft
- Zoals ook blijkt uit de behandeling van de eerste grief van het tweede middelonderdeel supra, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel de strafrechtelijke veroordeling uit 2013 wegens verkrachting in rekening gebracht, doch ook de strafrechtelijke veroordeling uit 2012 wegens heling van maaltijdcheques en de ernst van die misdrijven zoals ze blijkt uit de bepaling van de strafmaat. Daarenboven is rekening gehouden met het gehoor van verzoeker door de commissaris-generaal, de door verzoeker overgelegde stukken en zijn standpunt ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, om te besluiten dat verzoeker een gevaar vormt voor de samenleving. Het XIV-37.542-12/14 tijdsverloop en hetgeen verzoeker voorhield over een gewijzigde houding tegenover vrouwen zijn dus mee in overweging genomen. Verzoeker toont in dat opzicht geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- De vraag of de voornoemde beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen al dan niet evenredig is, vormt een feitelijke beoordeling. De Raad van State is als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
- Verzoeker vraagt in ondergeschikte orde nogmaals de hoger genoemde prejudiciële vraag te stellen en verwijst daartoe uitdrukkelijk naar de zaken C-77/17 en C-78/18 bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze verwijzing is echter niet dienend omdat het in die zaken prejudiciële vragen betreft die betrekking hebben op de verenigbaarheid van richtlijnbepalingen met bepalingen uit het Handvast voor de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie terwijl verzoeker een prejudiciële vraag suggereert betreffende de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het Unierecht.
- De tweede grief van het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Conclusie
- Het enige middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. XIV-37.542-13/14
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.542-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.