← België

Arrest 244753 - O.C.M.W. - 11/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.753 Rolnummer: A. 218212/IX-8804 Zaak: Arrest 244753 - O.C.M.W. - 11/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-20 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 06:56 Fiche Arrest nr 244.753 van 11 juni 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.753 van 11 juni 2019 in de zaak A. 218.212/IX-8804 In zake: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KAPELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Elke Cloots en Joos Roets kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door:

  1. de Vlaamse Regering
  2. de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Marion HUIBRECHTS die woonplaats kiest te 2950 Kapellen Koning Albertlei 106 en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 28 januari 2016, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van het statutaire gemeente-, provincie- en OCMW-personeel van 14 december 2015 IX-8804-1/27 waarbij de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Kapellen van 5 mei 2015 om aan Marion Huibrechts de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, wordt vernietigd en voor niet bestaande wordt gehouden. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Marion Huibrechts heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 februari
  5. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 mei
  6. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Van Diest, die loco advocaten Elke Cloots en Joos Roets verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest anders- luidend advies gegeven. IX-8804-2/27 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De tussenkomende partij is ten tijde van de bestreden beslissing financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna: OCMW) van Kapellen. 3.
  9. Op 10 juni 2013 stelt de secretaris van het OCMW een verslag op over een vooronderzoek dat zij heeft gevoerd “inzake de rol van de financieel beheerder Marion Huibrechts inzake het plaatsingsdossier [R.P.]”. Dit verslag luidt als volgt: “a. Mogelijk relevante feiten - Ter zitting van 12 maart 2012 van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst van het OCMW van Kapellen wordt beslist om voor de heer [R.P.] op- genomen in het WZC Plantijn, de opnamekosten ten laste te nemen en het be- heer van de spaargelden over te nemen. Tevens werd besloten dat de praktische afhandeling van de overname van het beheer van de spaargelden evenals de eventuele verkoop van de gezinswoning zal worden geregeld door de ontvan- ger, mevrouw Marion Huibrechts. Op 12 maart 2012 werd de praktische tus- senkomst in plaatsing met financieel beheer door de ontvanger ook goedge- keurd De plaatsing en het financieel beheer geschieden conform het reglement van plaatsing in woonzorgcentra met tussenkomst van het OCMW zoals op 30 maart 2011 goedgekeurd door de Raad van Maatschappelijk Welzijn van Kapellen. - Notaris [E.D.B.] richt op 14 augustus 2012 een factuur van 180,00 euro aan de heer [M.V.T.] De heer [M.V.T.] was tot 31 december 2012 lid van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Kapellen. De factuur van notaris [E.D.B.] heeft betrekking op „volmacht aanvaarding schenking‟. - Uit een attest van Europese Overschrijving, op 14 augustus 2012 opge- maakt ter attentie van mevrouw Marion Huibrechts blijkt dat mevrouw Marion Huibrechts de factuur van notaris [E.D.B.], gericht aan de heer [M.V.T.] heeft voldaan vanaf de rekening van de heer [R.P.]. Zoals reeds aangegeven had deze factuur betrekking op de notariële volmacht die de heer [M.V.T.] had gegeven aan mevrouw Marion Huibrechts met het oog op de aanvaarding van een schenking van de heer [R.P.], door de heer [M.V.T.]. Uit een ander attest van IX-8804-3/27 Europese Overschrijving, eveneens op 14 augustus 2012 opgemaakt ter attentie van mevrouw Marion Huibrechts blijkt dat mevrouw Marion Huibrechts, ook van de rekening van de heer [R.P.], een betaling van 275,00 euro heeft gedaan aan het kantoor van notaris [E.D.B.] in het kader van het testament van de heer [R.P.]. Inderdaad had mevrouw [M.N.] van het kantoor van notaris [E.D.B.] bij e-mail van 14 augustus 2012 (16.01u) aan mevrouw Marion Huibrechts laten weten dat de kosten van de notariële volmacht (van de heer [M.V.T.] aan me- vrouw Huibrechts) 180,00 euro bedroegen. Bij e-mail bericht van 14 augustus 2012 (16.35u) liet mevrouw Huibrechts aan mevrouw [M.N.] weten dat zij de kosten van de notariële volmacht reeds op rekening van de notaris had gestort. - Op 14 augustus 2012 wordt voor notaris [E.D.B.] een notariële volmacht opgemaakt tot aanvaarding van een schenking, waarbij de heer [M.V.T.] aan mevrouw Marion Huibrechts de volmacht geeft om voor hem en in zijn naam de schenking te aanvaarden van de verzekeringspolis genaamd „Belfius Life Pri- vate‟ met contractnummer [...] en aanvangsdatum eenentwintig juni tweedui- zend en twaalf die hem zal worden gedaan door de heer [R.P.]. In de akte wordt bepaald: „Met het oog op wat voorafgaat, heeft de lasthebber de macht om alle akten en stukken te tekenen, alle pleegvormen te vervullen, één of meer per- sonen in de plaats te stellen voor de uitvoering van al of een deel van de te- genwoordige machten en alles te doen wat noodzakelijk of nuttig zal zijn, zelfs niet uitdrukkelijk in deze vermeld‟ - Bij e-mailbericht van 16 augustus 2012 (8.34u) van mevrouw Marion Huibrechts aan notaris [E.D.B.] schrijft mevrouw Huibrechts wat volgt: „Ge- achte heer notaris, veel dank voor het vele werk in dit dossier. Ik kom morgen (vrijdag) tegen 10u15 naar RVT Plantijn [...]. [R.P.] komt naar beneden zodat wij in een rustig bureau de aktes kunnen ondertekenen.‟ - Op 17 augustus 2012 wordt voor notaris [E.D.B.] een akte verleden van schenking van roerende goederen door de heer [R.P.] aan de heer [M.V.T.] „alhier vertegenwoordigd [door] mevrouw Huibrechts [...], ingevolge notariële volmacht tot aanvaarding van schenking verleden voor ondergetekende notaris [E.D.B.], op veertien augustus tweeduizend en twaalf. Partijen verklaren dat deze notariële volmacht samen met onderhavige akte één geheel vormt om samen als authentieke akte te gelden‟. Bij e-mailbericht van 20 augustus 2012 (15.281u) richt de heer [M.V.T.] zich tot mevrouw Marion Huibrechts als volgt: „Vraag misschien eens per mail, als je wil, of ze zicht hebben op de timing van die registratie van die schenkingsakte; ... zo langs de neus weg hè :) :) en al dikke merciekes, voor alles!!‟. Mevrouw Marion Huibrechts antwoordt hierop bij e-mailbericht van 20 augustus 2012 (15.31u) aan de heer [M.V.T.] wat volgt: „Het geeft een goed gevoel een dossier naar ieders genoegdoening te kunnen afwerken‟. - Bij e-mailbericht van 4 september 2012 bezorgt mevrouw [A.L.] aan mevrouw Marion Huibrechts (in cc) kopie van de geregistreerde akte van schenking van goederen dd. 17 augustus
  10. Bij schrijven van 4 september 2012 bezorgt notaris [E.D.B.] aan mevrouw Marion Huibrechts kopie van de akte van schenking van roerende goederen dd. 17 augustus 2012 - Ter zitting van 17 september 2012 neemt het Bijzonder Comité voor de Sociale dienst akte van het financieel verslag van Marion Huibrechts inzake de financiële situatie van de heer [R.P.]. In dit verslag wordt op geen enkele wijze IX-8804-4/27 melding gemaakt van de schenking van de heer [R.P.] aan de heer [M.V.T.], overigens op dat ogenblik lid van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst. Integendeel, in het verslag van de financieel beheerder wordt de geschonken portefeuille verkeerdelijk opgenomen in het overzicht van de huidige bezittin- gen van de heer [R.P.]. Over het testament van de heer [R.P.] (dat moet worden onderscheiden van de schenking onder levenden) schrijft mevrouw Marion Huibrechts: „[R.P.] heeft via een testament aan de notaris instructies gegeven over wat er dient te gebeuren na zijn overlijden. Die informatie is vertrouwe- lijk.‟ - Bij e-mailbericht van 24 mei 2013 stelt [V.V.P.] (voorzitter van het OCMW) de volgende vraag aan mevrouw Marion Huibrechts: „Dag Marion, Vorige week had ik een gesprek met notaris [E.D.B.]. In het kader van dit ge- sprek bezorgde de notaris mij een kopie van een notariële volmacht tot aan- vaarding van een schenking. Het gaat om een volmacht van [M.V.T.] aan jou, in verband met een schenking van de heer [R.P.] aan [M.V.T.]. Zou je mij tegen maandag ek. hierover een schriftelijke toelichting kunnen geven? Waarom heeft [M.V.T.] aan jou een volmacht gegeven? Wat was jouw aandeel precies in heel dit gebeuren?‟ Bij mailbericht van 26 mei 2013 antwoordt Marion Huibrechts aan mevrouw [V.V.P.] wat volgt: „Voor een correct inzicht in het gebeuren, even een kort overzicht van het dossier [R.P.]. De opstart van het dossier ge- beurde eerder warrig omdat [M.D.], de echtgenote van [R.P.], overleed één dag voor zijn opname vanuit het ziekenhuis in RVT Plantijn. Zijn echtgenote ver- bleef wegens dementie reeds lange tijd in die instelling. Omdat er een vijftal achterneven en -nichten betrokken waren in het dossier, was mijn eerste reactie een voorlopig bewindvoerder te laten aanstellen. De huisarts van [R.P.] was niet akkoord met een onbekwaam verklaring en weigerde een attest af te leveren. Zonder een doktersattest kan geen aanvraag bij de Vrederechter gebeuren. Op 12 maart 2012 keurde het bijzonder comité voor de sociale dienst het plaat- singsdossier goed. Door die beslissing kreeg ik de in de OCMW wetgeving voorziene taak en verantwoordelijkheid om als financieel beheerder het beheer van de goederen en financiële middelen van [R.P.] op mij te nemen. Secretaris liet mij per mail weten dat de aanwezigheid van de maatschappelijk assistente, in casu [V.B.], niet vereist was bij de verdere financiële afhandeling van het dossier. In samenwerking met [M.P.] van het lokaal kantoor Belfius, gelegen onder de OCWM administratieve diensten, werd het nodige gedaan om de fi- nanciële middelen van [R.P.] op een veilige wijze en zonder risico te beleggen. U kan contact opnemen met [M.P.] voor bijkomende informatie over het ganse financiële dossier. Op 18 juni 2012 kreeg ik een met de hand geschreven tes- tament van [R.P.]. Ik weigerde het document te aanvaarden, omdat de afwik- keling van een nalatenschap niet tot mijn taken [behoort]. [R.P.] had daar begrip voor en verzocht mij een afspraak te maken met „de‟ notaris om zijn wensen officieel op papier te zetten. Het lag voor de hand dat notaris [E.D.B.] werd aangesproken, aangezien zijn kantoor enkele maanden eerder de nalatenschap van wijlen [M.D.] had verzorgd. Alle noodzakelijke gegevens waren op het kantoor aanwezig. Door de tussenkomst van de vakantieperiode werd de af- spraak vastgesteld op vrijdag 17 augustus
  11. Op vraag van [R.P.] gaf ik zijn wensen door aan de notaris, met de uitdrukkelijke vraag van mezelf om een clausule op te nemen aangaande de lasten van de schenking. De artikelen 4 en 5 IX-8804-5/27 van de schenkingsakte van de roerende goederen werden opgenomen ter be- scherming van de rechten van OCMW Kapellen. Op 12 augustus 2012 ontving ik een mail van [M.V.T.] waarin hij mij verzocht om, op vraag van [R.P.], tij- dens het bezoek van de notaris „voor begeleiding‟ te zorgen. Nadien bleek dat [M.V.T.], gezien de goede weersvooruitzichten, had beslist om het verlengde weekend dat volgde op feestdag 15 augustus 2012 met zijn vriendin enkele dagen naar Frankrijk te trekken. Ik bracht een kort bezoekje aan [R.P.], waarin hij me bevestigde dat het zijn wens was dat ik aanwezig zou zijn tijdens het bezoek van de notaris. „Om zeker te zijn dat het een echte notaris is‟, voegde hij eraan toe. Als financieel beheerder van zijn dossier, stemde ik toe en beloofde aanwezig te zijn. Op de middag van dinsdag 14 augustus 2012 kreeg ik een mail van het notariskantoor waarin werd gevraagd naar de contactgegevens van [M.V.T.]. Blijkbaar diende hij namens de familie aanwezig te zijn bij de on- dertekening van de documenten op vrijdag 17 augustus
  12. Ik bezorgde de nodige informatie. Waarom [M.V.T.] diezelfde dag een „Volmacht tot aan- vaarding van een schenking‟ heeft ondertekend bij de notaris, waarin hij mij bovendien als volmachthouder aanduidde, is ook voor mij een vraagteken. Er waren voldoende andere familieleden die ook hadden kunnen optreden. Blijk- baar is [M.V.T.] tijdens de late namiddag of avond nog snel naar het notaris- kantoor gegaan alvorens op vakantie te vertrekken. Ik was niet op de hoogte van het bestaan van de notariële volmacht en heb deze dan ook niet ondertekend voor akkoord. Mocht het document mij zijn aangeboden, had ik geweigerd te aanvaarden. Voor een antwoord op uw vraag naar het waarom van de volmacht aan mij, dient u zich tot [M.V.T.] te richten. Bij de ondertekening van het tes- tament en de schenking op vrijdag 17 augustus 2012 was ik op vraag van [R.P.] ter plaatse. Twee getuigen waren eveneens aanwezig om de wensen van [R.P.] te aanhoren en de correctheid van het testament en de schenking te bevestigen. Het ging om twee onafhankelijke getuigen, omdat ik als vertrouwenspersoon en beheerder van de goederen en financiële middelen van de OCMW residenten in rust- en verzorgingstehuizen om deontologische redenen niet wens op te treden als getuige. [S.M.] van RVT Plantijn was één van hen en zal u ongetwijfeld willen ontvangen om verduidelijking te geven over wat er zich afspeelde bij de ondertekening van de documenten. Ikzelf heb geen handtekening gezet op 17 augustus
  13. Het was pas een volledige maand later – ergens midden september 2012 – toen de geregistreerde documenten per post toekwamen op het OCMW, dat ik ontdekte dat mijn naam werd vermeld in de schenkingsakte. Ik heb toen onmiddellijk uw voorgangster [A.S.] op de hoogte gebracht. De volmacht en de aanvaarding van de schenking werden geregistreerd op het bevoegde registratiekantoor. Enkele weken geleden bezorgde ik u een kopij van beide documenten. Daaruit blijkt duidelijk dat ik geen handtekening heb ge- plaatst. Als antwoord op uw vraag naar mijn aandeel in dit gebeuren, kan ik u antwoorden dat ik aanwezig was op vraag van [R.P.] en in functie van mijn wettelijke opdracht als financieel beheerder van OCMW Kapellen. Daar stopte mijn betrokkenheid.‟ [...] b. Enkele bedenkingen - De verklaring die mevrouw Marion Huibrechts bij e-mailbericht van 26 mei 2013 aan mevrouw [V.V.P.] geeft is mogelijk onverenigbaar met de IX-8804-6/27 feiten zoals deze blijken uit [d]e stukken. Naar aanleiding van haar bezoek aan notaris [E.D.B.] heeft de voorzitter één en ander nader laten onderzoeken en kwam zij in kennis van onder meer gevoerde mailcommunicatie en bewijzen van betaling. - Mevrouw Huibrechts was, blijkens de stukken, zeer goed op de hoogte van de notariële volmacht. Zij deed vooraf de betaling van de daaraan ver- bonden kosten. De factuur betreffende deze kosten was evenwel gericht aan de heer [M.V.T.]. - Mevrouw Marion Huibrechts heeft de kwestie van de schenking niet opgenomen in haar financieel verslag aan het Bijzonder Comité van de Sociale Dienst, van welk comité de heer [M.V.T.] ook deel uitmaakte. De beleggings- korf was in dit verslag nog steeds opgenomen bij het roerend en onroerend vermogen van de heer [R.P.]. - Mevrouw Marion Huibrechts heeft, blijkens de toetsing van haar verkla- ring met de feiten zoals deze uit de stukken blijken, mogelijk een valse verkla- ring afgelegd t.a.v. mevrouw [V.V.P.]. Deze verklaring betreft een zeer be- langrijke kwestie, met name een schenking van een onroerend goed ter waarde van 575.000 euro door de heer [R.P.] wiens gelden door het OCMW werden beheerd (en wel in het bijzonder door mevrouw Marion Huibrechts) aan de heer [M.V.T.], op dat ogenblik lid van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn en lid van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst, welke schenking voor de notaris (hetgeen blijkt uit de akte van de notaris, welke akte inhoudelijk correct moet zijn, nu ze ook ondertekend werd door de notaris zelf) werd aanvaard door mevrouw Marion Huibrechts als notarieel gevolmachtigde van de heer [M.V.T.] ... - Op basis van deze feiten, welke blijken uit stukken, is de kans reëel dat mevrouw Marion Huibrechts niet onafhankelijk is opgetreden, dat zij de be- langen van de heer [R.P.] bij het beheer van diens financiën niet voorop heeft gesteld, dat zij een valse verklaring heeft afgelegd aan de huidige voorzitter van het OCMW, dat zij bewust informatie heeft onthouden aan de vorige voorzitter van het OCMW, dat zij bewust informatie heeft onthouden aan het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst. c. Besluit Mogelijk maken de geschetste feiten en nog eventuele andere feiten tuchtfeiten uit. Het lijkt in het belang van het OCMW dat deze feiten en moge- lijke andere feiten verder en grondig worden onderzocht in het kader van een tuchtonderzoek.” 3.
  14. Op 18 juni 2013 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn kennis van dat verslag en beslist hij een tuchtonderzoeker aan te stellen. 3.
  15. Op 9 augustus 2013 legt de tuchtonderzoeker een tuchtverslag neer. IX-8804-7/27 3.
  16. Op 24 augustus 2013 neemt de raad voor maatschappelijk wel- zijn akte van dat tuchtverslag en beslist hij de tussenkomende partij te horen “ten einde al dan niet een tuchtstraf op te leggen”. 3.
  17. Met een brief van 26 augustus 2013 wordt de tussenkomende partij in kennis gesteld van de haar ten laste gelegde feiten, die wezenlijk worden omschreven zoals in het hiervóór sub 3.2 aangehaalde verslag van de secretaris, en wordt zij opgeroepen om daarover te worden gehoord. 3.
  18. Op 19 september 2013 wordt de tussenkomende partij door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Diezelfde dag nog beslist de raad voor maatschappelijk welzijn aan de tussenkomende partij de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De raad oordeelt dat de aan de tussenkomende partij ten laste gelegde feiten moeten worden gekwalificeerd als tuchtfeiten, dat ze bewezen zijn en niet-verjaard en dat ze aan de tussenkomende partij toerekenbaar zijn. 3.
  19. Met een op 25 oktober 2013 gedateerd beroepschrift stelt de tussenkomende partij tegen het tuchtbesluit van 19 september 2013 een beroep in bij de beroepscommissie voor tuchtzaken van het statutaire gemeente-, provincie- en OCMW-personeel (hierna: de beroepscommissie). 3.
  20. Op 6 maart 2014 beslist de beroepscommissie dat het beroep van de tussenkomende partij ontvankelijk, maar niet gegrond is. 3.
  21. Op vordering van de huidige tussenkomende partij beveelt de Raad van State bij arrest nr. 230.498 van 12 maart 2015 de schorsing van de ten- uitvoerlegging van die beslissing van de beroepscommissie. IX-8804-8/27 De Raad van State bevindt het middel waarin onder meer de verjaring van de ten laste gelegde feiten wordt aangevoerd, in welbepaalde mate ernstig. Het voormelde arrest overweegt daaromtrent: “
  22. Artikel 129, § 1, van het OCMW-decreet bepaalt: „De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na ver- loop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tucht- vervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek op te starten als vermeld in artikel 123.‟ Op 18 juni 2013 besliste de raad voor maatschappelijk welzijn om ten laste van verzoekster een tuchtonderzoek op te starten. De vaststelling of de ken- nisname van de door de tuchtoverheid in aanmerking genomen feiten mag derhalve slechts dateren van zes maanden vóór 18 juni
  23. Het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 19 sep- tember 2013 legt aan verzoekster meerdere tuchtfeiten ten laste, namelijk „het afleggen van leugenachtige verklaringen aan de voorzitter‟, „het gebrek aan onafhankelijkheid t.a.v. een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn‟, „de betaling van kost ten laste van de heer (M.V.T.) met gelden van een rekening van de heer (R.P.)‟ en „de niet opname van de schenking in het financieel ver- slag aan het Bijzonder Comité‟.
  24. Op de grief die verzoekster in haar beroepschrift ontwikkelt met be- trekking tot de verjaring van de tuchtfeiten antwoordt de beroepscommissie in de bestreden beslissing als volgt: „De Beroepscommissie stelt vast dat de bestreden beslissing niet aangetast is door een onwettigheid. Het feit waarvoor aan mevr. Huibrechts de tuchtstraf werd opgelegd, is evenmin verjaard. Immers, het is naar aanleiding van de mail van 24 mei 2013 van de voorzitter van het OCMW, dat mevr. Huibrechts op 26 mei 2013 een schriftelijke ver- klaring aflegt. Het is in die schriftelijke verklaring dat mevr. Huibrechts liegt en de voorzitter daardoor verkeerde informatie geeft. Dat in het kader van het daaropvolgend tuchtonderzoek dat op 18 juni 2013 startte, deze verklaring getoetst wordt aan feiten en handelingen die meer dan 6 maanden voordien plaatsvonden, is evi- dent. Ten onrechte probeert mevr. Huibrechts daarover verwarring te brengen terwijl er niet kan aan voorbijgegaan worden aan de essentie, zijnde het verstrekken van onjuiste informatie en het verzwijgen van de correcte informatie in de verklaring van 26 mei
  25. Zelfs in de hypothese dat mevr. Huibrechts zou bewijzen dat de tuchtoverheid (of een lid ervan) voordien op de hoogte was van de feiten die mevr. Huibrechts in augustus 2012 stelde – bewijs dat absoluut niet geleverd wordt en waarover de analyse die dienaangaande in de initiële tuchtbeslissing wordt gedaan, IX-8804-9/27 grondig en correct is – zou dit irrelevant zijn in het kader van het tuchtfeit dat zich voltrok in haar verklaring van 26 mei
  26. Immers, in haar verklaring van 26 mei 2013 liegt mevr. Huibrechts uitdrukke- lijk met het doel de tuchtoverheid de juiste toedracht te verzwijgen.‟ Uit deze motivering blijkt op het eerste gezicht dat de beroepscommissie de niet-verjaring afleidt uit de vaststelling dat de verklaringen van verzoekster in haar e-mailbericht van 26 mei 2013, waarin zij zou hebben gelogen en onjuiste informatie zou hebben verstrekt, als hét wezenlijke tuchtfeit moeten worden beschouwd. De beroepscommissie stelt immers dat „het tuchtfeit (…) zich voltrok in (verzoeksters) verklaring van 26 mei 2013‟. De beroepscommissie gaat aldus – ten onrechte zo lijkt – voorbij aan de veelheid van tuchtfeiten die in het tuchtbesluit in aanmerking zijn genomen ter verantwoording van de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege: eensdeels feiten die te maken hebben met wat zich reeds tijdens de maanden augustus 2012 en september 2012 heeft afgespeeld, namelijk „leugenachtige verklaringen‟ aan de toenmalige voorzitter van het OCMW, een gebrek aan onafhankelijkheid ten aanzien van een toenmalig lid van de raad voor maat- schappelijk welzijn, de betaling van een kost ten laste van dat raadslid met gelden van een rekening van een rusthuisbewoner die aan dat raadslid een schenking had gedaan en de niet-opneming van die schenking in het financieel verslag aan het bijzonder comité voor de sociale dienst, en anderdeels een feit dat zich pas op 26 mei 2013 heeft voltrokken, namelijk „leugenachtige verkla- ringen‟ aan de huidige voorzitter van het OCMW. 23.
  27. Wat de eerstgenoemde feiten betreft, lijkt met verzoekster op basis van de stukken van het dossier te moeten worden vastgesteld dat de informatie die zij in haar schriftelijke verklaring van 26 mei 2013 aan de huidige voorzitter van het OCMW heeft verstrekt, wezenlijk dezelfde is als deze waarover de vo- rige voorzitter van het OCMW reeds in het najaar van 2012 beschikte. Die vaststelling lijkt niet betwist, temeer nu in de overwegingen van het tuchtbesluit, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, wordt gesteld dat „de Raad meent dat mevrouw Marion Huibrechts, net zoals in haar mailberichten van mei 2013 aan mevrouw (V.V.P.), de huidige voorzitter van het OCMW, ook de vorige voorzitter van het OCMW om de tuin heeft willen leiden door in- correcte informatie te verschaffen over haar eigen aandeel in de schenking van (R.P.) aan (M.V.T.)‟. Weliswaar stelt de tussenkomende partij terecht dat leugens die tuchtfeiten camoufleren niet kunnen leiden tot de verjaring van die tuchtfeiten. Het lijkt evenwel anders wanneer die beweerde leugens van meet af aan zichtbaar zijn of zouden moeten zijn en een nader onderzoek kunnen wettigen. In dat geval kunnen de voor tuchtvervolging in aanmerking komende feiten bij het aan- vankelijk uitblijven van een dergelijk onderzoek niet van verjaring gevrijwaard blijven louter door het vragen van een nieuwe verklaring aan het betrokken personeelslid. 23.
  28. Overeenkomstig artikel 129, § 1, van het OCMW-decreet kan de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. IX-8804-10/27 Die verjaringstermijn vangt aan zodra enig orgaan waaraan de wet de be- voegdheid heeft opgedragen een tuchtstraf op te leggen, de tuchtrechtelijk strafbare misdraging vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld. Op het eerste gezicht volstaat het te dezen dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn kennis neemt van de in aanmerking komende feiten opdat de verja- ringstermijn zou aanvangen. De omstandigheid dat de voorzitter die kennis heeft van die feiten, wordt opgevolgd door een andere voorzitter, lijkt in be- ginsel geen beletsel te vormen voor de toepassing van de voormelde regel, aangezien laatstgenoemde de functie van eerstgenoemde voortzet. Voorts kunnen feiten slechts nuttig in een tuchtprocedure worden aange- wend zodra de tuchtoverheid over voldoende bewijskrachtige gegevens be- schikt. Aldus wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruch- ten, speculaties of onzekere gegevens, een tuchtvervolging wordt aangevat. De verjaringstermijn strekt ertoe te voorkomen dat de tuchtoverheid ein- deloos blijft twijfelen aan de opportuniteit van een tuchtvervolging of het in- stellen ervan blijft uitstellen tot het haar schikt. De tuchtoverheid dient daarover een beslissing te nemen en desgevallend de tuchtvervolging te beginnen voor- aleer de voormelde termijn van zes maanden verstreken is nadat de feiten door haar werden vastgesteld of, indien zij er niet bij was, nadat zij er kennis van nam. De Raad van State vermag in het kader van het bij hem ingestelde annula- tieberoep of de bijbehorende vordering tot schorsing na te gaan of de tucht- overheid in redelijkheid de gepaste initiatieven heeft genomen om klaarheid in de zaak te brengen. 23.
  29. In het verslag van het gesprek van de tuchtonderzoeker met A.S., de vorige voorzitter van het OCMW, kan het volgende worden gelezen: „Aan de ontvanger is in september 2012 gevraagd om alle dossiers waar het OCMW toen optrad als financieel beheerder op het bijzonder comité van 17 september 2012 te brengen en toe te lichten. Het ging in totaal om 3 dossiers waaronder het dossier (R.P.). Uit de toelichting van mevrouw Huibrechts Vraag tot aanpassing (...) door (A.S.) (...): „Aan de ontvanger is in september gevraagd om een financieel verslag voor te leggen aan het bijzonder comité sociale dienst van 17 september 2012 m.b.t. de dossiers van residenten die over voldoende financiële middelen beschikken en waar de ontvanger optreedt als financieel beheerder. Het ging in totaal over 3 dossiers, waaronder het dossier (R.P.). Uit het financieel verslag van mevrouw Huibrechts....‟ bleek dat de heer (R.P.) een behoorlijk grote beleggingsportefeuille bezat, naast onroerend goed, zijnde een woning en 2 garages. Op basis hiervan besliste het bijzonder comité dat de heer (R.P.) op een eenpersoonskamer mocht verblijven, dat er een hy- potheek moest genomen worden op de gezinswoning en een volmacht op de beleggingsportefeuille. (A.S.) verklaart verder dat zij Marion Huibrechts dienvolgens op de hoogte bracht van de beslissing van het bijzonder comité. Marion Huibrechts was immers zelf niet aanwezig op het bijzonder comité van 17/09/
  30. Tijdens het gesprek deelde Marion Huibrechts aan (A.S.) echter mee dat er geen volmacht op de beleggingsportefeuille meer kon genomen worden, aan- gezien de portefeuille was geschonken aan de heer (M.V.T.), toenmalig raadslid van het OCMW. IX-8804-11/27 (A.S.) vroeg Marion Huibrechts om toelichting omdat de vermelding van de schenking ontbrak op het financieel verslag dat Marion Huibrechts had voorgelegd over dit dossier. Marion Huibrechts verklaarde daarop dat dit niet hoefde, daar de gelden pas voor (M.V.T.) beschikbaar zouden zijn bij het overlijden van de heer (R. P.) en dat de gelden nog steeds recupereerbaar waren. Marion Huibrechts gaf hiermee aan mevrouw (A.S.) de indruk dat er geen probleem was. Marion Huibrechts verklaarde, tijdens hetzelfde gesprek aan (A.S.) dat zij pas bij het openen van de omslag, afkomstig van notaris (E.D.B.), welke kopie bevatte van de notariële schenkingsakte ontdekt had dat zij was aangeduid als gevolmachtigde voor de heer (M.V.T.). Marion Huibrechts heeft verklaard aan (A.S.) dat zij absoluut niet eerder op de hoogte was van een volmacht en dat ze vragen had bij het optreden van (M.V.T.). Marion Huibrechts vertelde (A.S.) ook dat zij slechts op 17 augustus 2012, bij het verlijden van het testament te weten was gekomen dat tegelijkertijd ook de akte van schenking zou worden verleden. Marion Huibrechts verklaarde, nog steeds in hetzelfde gesprek, aan mevrouw (A.S.) dat ze derhalve voor 17 augustus 2012 er niet van op de hoogte was dat de beleggingsportefeuille zou geschonken worden aan de heer (M.V.T.). (A.S.) verklaart (tijdens het gesprek van heden met (S.C.)) dat Marion Huibrechts tijdens hun gesprek heel verbouwereerd en geëmotioneerd was en duidelijk stelde dat deze zaak helemaal niet gelopen was zoals zij dit voor ogen had gehad. Marion Huibrechts deelde aan (A.S.) nog mee dat zij op 17 augustus 2012 enkel aanwezig was op vraag van (R.P.) om hem bij te staan bij het ondertekenen van de akte. (A.S.) bevestigt dat zij naar aanleiding van de beslissing van het bijzonder comité naar Marion Huibrechts gestapt is en dat Marion Huibrechts haar dan pas heeft gesproken over de akte en de rol die zij daarin speelde. (S.C.) vraagt (A.S.): „U kreeg kennis van het feit dat Marion opgetreden was als gevolmachtigde bij de schenking ten voordele van (M.V.T.). Wat is er dan gebeurd?‟ (A.S.) verklaart dat zij geen enkele reden had om aan de verklaring van Marion Huibrechts te twijfelen. Daarna heeft zij het feit dat de schenking niet was opgenomen in het fi- nancieel verslag besproken met de OCMW-secretaris. De OCMW-secretaris was immers niet aanwezig op het bijzonder comité van 17 september
  31. (A.S.) verklaart dat zij en de OCMW-secretaris geen enkele reden hadden om te twijfelen aan de oprechtheid van Marion Huibrechts in het dossier (R.P.). De aandacht ging immers eerst en vooral uit naar het feit dat (R.P.) een zeer substantiële schenking had gedaan aan de heer (M.V.T.). (A.S.) verklaart dat zij enkele weken later het dossier besproken heeft met de burgemeester (D.V.M.), omdat zij het opmerkelijk vond dat de portefeuille aan (M.V.T.) was geschonken. Zij heeft de burgemeester niet aangesproken over de rol van Marion Huibrechts. (A.S.) benadrukt dat zij er op dat moment van overtuigd was dat Marion Huibrechts haar de feiten (in het bijzonder wat haar eigen positie betreft) op correcte wijze had weergegeven. (A.S.) verklaart verder dat zij vanaf 01 januari 2013 geen OCMW-voorzitter meer is.‟ IX-8804-12/27 23.
  32. Uit de verklaringen van de vorige voorzitter van het OCMW lijkt te kunnen worden afgeleid dat zij reeds in september 2012 ervan op de hoogte was dat verzoekster enerzijds voorhield niet als gevolmachtigde in de schenking van R.P. aan M.V.T. te zijn opgetreden, maar dat anderzijds verzoeksters naam toch als volmachthouder in de schenkingsakte, een authentieke akte opgesteld door de notaris, een openbaar ambtenaar, werd vermeld. Redelijkerwijze lijkt te moeten worden aangenomen dat op dat ogenblik bij de tuchtoverheid het vermoeden diende te ontstaan dat ofwel verzoekster niet de waarheid sprak met betrekking tot haar optreden, ofwel de notariële akte niet overeenstemde met de werkelijkheid. Een andere hypothese was op het eerste gezicht immers niet denkbaar. Het is echter pas in mei 2013 dat, kennis hebbend van diezelfde gegevens, de huidige voorzitter van het OCMW zich uiteindelijk tot de notaris heeft ge- wend om deze contradictie uit te klaren. In het tuchtbesluit waarnaar de bestreden beslissing verwijst, wordt weliswaar vermeld dat er voor de vorige voorzitter geen reden was om de rol van de financieel beheerder in twijfel te trekken en dat haar aandacht toen uit- ging naar het feit dat een belangrijke schenking werd gedaan door een resident aan een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Dit lijkt evenwel niet te rechtvaardigen dat werd nagelaten toen reeds de voor de hand liggende on- derzoeksverrichtingen te stellen, die in mei 2013 zo snel verduidelijking hebben gebracht. 23.
  33. Het eerste middel is dan ook ernstig voor zover het aanvoert dat de bestreden beslissing ten onrechte niet de verjaring heeft aangenomen van de in aanmerking genomen tuchtfeiten waarvan de voorzitter in september 2012 kennis heeft kunnen nemen.
  34. Wat evenwel het in aanmerking genomen tuchtfeit van de „leugenach- tige verklaringen‟ van 26 mei 2013 betreft, lijkt te moeten worden aangenomen dat dit feit – dat als zodanig losstaat van de hiervóór sub 23.5 bedoelde feiten – niét verjaard was toen op 18 juni 2013 tegen verzoekster de tuchtprocedure werd ingeleid. Dat een beoordeling van die verklaringen een toetsing zou im- pliceren aan de reeds verjaarde feiten doet daaraan geen afbreuk. Uit niets blijkt evenwel dat de tuchtoverheid, die zoals gezegd verscheidene tuchtfeiten in aanmerking heeft genomen, deze „leugenachtige verklaringen‟ op zich als een voldoende verantwoording voor de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft beschouwd. Het staat niet aan de beroepscom- missie om in de plaats van de tuchtoverheid te oordelen dat dit het geval is.” 3.
  35. Op 26 maart 2015 trekt de beroepscommissie haar geschorste beslissing van 6 maart 2014 in. 3.
  36. Op 27 april 2015 beslist ook de raad voor maatschappelijk wel- zijn van het OCMW van Kapellen om zijn tuchtbesluit van 19 september 2013 IX-8804-13/27 waarbij aan de tussenkomende partij de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd, in te trekken. 3.
  37. Op 5 mei 2015 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn, met verwijzing naar de overwegingen van het zo-even aangehaalde arrest nr. 230.498 van 12 maart 2015 van de Raad van State, een nieuwe tuchtbeslissing ten aanzien van de tussenkomende partij, waarbij haar opnieuw de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, met uitwerking vanaf 1 oktober
  38. Met betrekking tot de in aanmerking genomen tuchtfeiten stelt de raad voor maatschappelijk welzijn: “Deze tuchtbeslissing is [...] uitsluitend gebaseerd op de mail van 26 mei 2013 van mevrouw Huibrechts aan voorzitter [V.V.P.], niet op andere tuchtfeiten. De mail van 26 mei 2013 bevat echter diverse leugenachtige ver- klaringen. [...] De feiten waarover de Raad van State in het arrest van 12 maart 2015 heeft geoordeeld dat deze verjaard lijken vormen niet de tuchtrechtelijke basis van dit besluit.” 3.
  39. Met een beroepschrift van 5 juni 2015 stelt de huidige tussen- komende partij tegen het tuchtbesluit van 5 mei 2015 een beroep in bij de be- roepscommissie. 3.
  40. De beroepscommissie verklaart op 14 december 2015 het beroep van de tussenkomende partij “ontvankelijk en gegrond” en beslist dat “de beslis- sing van 5 mei 2015 waarin aan mevr. Huibrechts het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, [wordt] vernietigd en voor niet bestaande [wordt] gehouden”. Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende beoordeling van het beroep: “Het enige feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn in aanmerking neemt als grondslag voor het tuchtbesluit in betwisting, is de mail van mevr. IX-8804-14/27 Huibrechts van 26 mei 2013 aan de voorzitter van het OCMW in antwoord op de mail van 24 mei
  41. De tuchtfeiten die vermeld werden in de ingetrokken beslissing van 27 april 2015 [versta: 19 september 2013], zijnde de feiten die zich reeds tijdens de maanden augustus 2012 en september 2012 hebben afgespeeld, namelijk leugenachtige verklaringen aan de toenmalige voorzitter van het OCMW, een gebrek aan onafhankelijkheid ten aanzien van een toenmalig lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, de betaling van een kost ten laste van dat raadslid met gelden van een rekening van een rusthuisbewoner die aan dat raadslid een schenking had gedaan en de niet-opneming van die schenking in het financieel verslag aan het bijzonder comité voor de sociale dienst, komen in de beslissing die thans ter beoordeling ligt niet meer in aanmerking. De tuchtoverheid lijkt aan te geven dat deze elementen verjaard zijn waar zij stelt onder punt 34 dat dit tuchtfeit niet verjaard is (bedoeld wordt het huidig weerhouden tuchtfeit) ook als deze eerdere leugens zouden verjaard zijn. De bestreden beslissing stelt duidelijk in punt 62 dat het gaat over „de zeer grote ernst van het weerhouden tuchtfeit‟, dus in het enkelvoud. Ook onder ti- tel G, p. 23 wordt dit zo aangegeven. Het is niet duidelijk waarom de tucht- overheid onder punt 61 verwijst naar de inhoud van een ingetrokken tuchtbe- sluit dat niet wordt hernomen, behalve dan voor de motivatie van de terug- werkende kracht van de tuchtbeslissing. De Beroepscommissie stelt vast dat de tuchtoverheid op een correcte ma- nier toepassing heeft gemaakt van art. 129, § 4, 2de lid van het OCMW-decreet en de procedure heeft hernomen vanaf het ogenblik waarop het feit van de vernietiging zich voordoet, inzonderheid de vraag of de verklaring van 26 mei 2013 op zich als een voldoende verantwoording voor de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt beschouwd. Het hernemen houdt niet in dat de ganse procedure opnieuw dient gevoerd te worden zodat in casu de hoorzitting niet opnieuw diende gehouden te worden. Thans baseert de tuchtoverheid het thans in betwisting zijnde tuchtbesluit op het feit van 26 mei 2013 waar dit feit voorheen, volgens het arrest van de Raad van State, op zich niet als een voldoende verantwoording voor de opge- legde tuchtstraf werd beschouwd. In deze beslissing blijft dit feit van 26 mei 2013 als enige tuchtfeit overeind en wordt gemotiveerd waarom dit tuchtfeit als voldoende wordt beschouwd om de tuchtstraf op te leggen. Het valt de Beroepscommissie op dat de tuchtover- heid, ter ondersteuning van de tuchtstraf, zich verder steunt op andere elemen- ten zoals „de gegeven omstandigheden en het verloop van de diverse procedures ...‟, zie punt 62 van het tuchtbesluit. De Beroepscommissie stelt, zoals door de mevr. Huibrechts uiteengezet, vast dat het feit van 26 mei 2013 op geen zelfstandigheid is gesteund maar op een reeks feiten die dateren van voor 18 december 2012, d.i zes maanden voor de datum tot het instellen van de tuchtprocedure. Bij nazicht van het tuchtbesluit kan niet anders dan besloten worden dat het tuchtdossier op basis van het feit van 26 mei 2013, samengesteld is uit gegevens en elementen die zich voor 18 december 2012 hebben voorgedaan. De tucht- beslissing, in haar uiteenrafeling van de elementen van het feit van 26 mei 2012, IX-8804-15/27 verwijst immers telkens naar elementen die zich voordeden voor 18 december
  42. Artikel 129, § 1, van het OCMW-decreet bepaalt: „De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek op te starten als vermeld in artikel 123.‟ De vraag blijft weliswaar of het feit van 26 mei 2013, zijnde de beweerde valse verklaring, kan gekwalificeerd worden als een zelfstandig tuchtfeit. De Beroepscommissie moet inderdaad vaststellen dat de voorzitter bij brief van 24 mei 2013 uitleg vraagt over zaken die zij reeds weet en waarvan zij ook kon weten dat zij reeds zes maanden voordien hadden plaatsgevonden. Immers, er staat vast dat de feiten waarover de voorzitter uitleg vraagt, reeds gekend waren door de vorige voorzitter, wat blijkt uit haar verklaring en uit het arrest van de Raad van State waarin gesteld wordt: „Wat de eerstgenoemde feiten betreft, lijkt met verzoekster op basis van de stukken van het dossier te moeten worden vastgesteld dat de informatie die zij in haar schriftelijke verklaring van 26 mei 2013 aan de huidige voorzitter van het OCMW heeft verstrekt, wezenlijk dezelfde is als deze waarover de vorige voorzitter van het OCMW reeds in het najaar van 2012 beschikte. Die vast- stelling lijkt niet betwist, temeer nu in de overwegingen van het tuchtbesluit, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, wordt gesteld dat „de Raad meent dat mevrouw Marion Huibrechts, net zoals in haar mailberichten van mei 2013 aan mevrouw (V.V.P.), de huidige voorzitter van het OCMW, ook de vorige voor- zitter van het OCMW om de tuin heeft willen leiden door incorrecte informatie te verschaffen over haar eigen aandeel in de schenking van (R.P.) aan (M.V.T.)‟. In het zelfde arrest verduidelijkt de Raad van State dat de omstandigheid dat de voorzitter die kennis heeft van die feiten, wordt opgevolgd door een andere voorzitter, in beginsel geen beletsel lijkt te vormen voor de toepassing van de regel dat de verjaringstermijn aanvangt van zodra enig orgaan waaraan de wet de bevoegdheid heeft opgedragen een tuchtstraf op te leggen, de tucht- rechtelijke misdraging vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld, aangezien laatstgenoemde de functie van eerstgenoemde voortzet. Dit bevestigt de stelling dat de huidige voorzitter die op 24 mei 2013 uitleg vraagt, uitleg vraagt over feiten die zij al kent in functie van haar ambt. Uit de omstandigheid dat in de brief van 24 mei 2003 wordt geschreven dat de voor- zitter de week ervoor een telefonisch onderhoud had met de notaris, is een bijkomende bevestiging van dit gegeven. Er kan dus niet omheen dat er uitleg gevraagd wordt over feiten die door de tuchtoverheid gekend waren en die zich reeds zes maanden voordien hadden voorgedaan, feiten waarop toen niet werd gereageerd. Zoals de Raad van State in het arrest verduidelijkte – met betrekking tot de feiten die zich in 2012 hadden voorgedaan – lijkt redelijkerwijze te moeten worden aangenomen dat op dat ogenblik bij de tuchtoverheid het vermoeden diende te ontstaan dat ofwel verzoekster niet de waarheid sprak met betrekking IX-8804-16/27 tot haar optreden, ofwel de notariële akte niet overeenstemde met de werke- lijkheid. Een andere hypothese was op het eerste gezicht immers niet denkbaar. Er moet dus in navolging daarvan aangenomen worden dat die beweerde leugens van meet af aan zichtbaar zijn of hadden moeten zijn en een nader onderzoek hadden kunnen wettigen. Het is duidelijk dat de huidige voorzitter de mogelijke nalatigheid van de vorige voorzitter heeft willen rechtzetten door de (verjaarde) feiten die zich in 2012 hadden voorgedaan, te laten herleven via haar mail van 24 mei
  43. Andere, zelfstandige feiten, zijn er niet en worden niet naar voor gebracht. De voorzitter heeft gepoogd dezelfde beweerde valse verklaringen die reeds in 2012 door de tuchtoverheid gekend waren – en waaraan geen gevolg werd ge- geven – opnieuw als actuele valse verklaringen te laten kwalificeren. Bovendien is het merkwaardig dat dit niet gebeurt in het kader van een tuchtonderzoek maar in het kader van een formeel verzoek om te herhalen wat de tuchtoverheid al weet. De Beroepscommissie dient vast te stellen dat de vraag niet in een tuchtrechtelijke sfeer werd gesteld en mevr. Huibrechts geen toepassing heeft kunnen maken van haar zwijgrecht. Zoals de Raad van State stelde kunnen in dat geval de voor tuchtvervolging in aanmerking komende feiten bij het aanvankelijk uitblijven van een dergelijk onderzoek niet van verjaring gevrijwaard blijven louter door het vragen van een nieuwe verklaring aan het betrokken personeelslid. Aldus dient de Beroepscommissie te besluiten dat de feiten in de brief van 26 mei 2013 dezelfde zijn als deze die in 2012 al door de tuchtoverheid waren gekend en de verklaring dienaangaande niet als een zelfstandig tuchtfeit kan gekwalificeerd worden. De tuchtoverheid lijkt dit ook te beseffen omdat, ter ondersteuning van de beslissing, verwezen wordt naar de omstandigheden en het verloop van de diverse procedures. Dit kan niet nuttig in aanmerking worden genomen. Vermits de inhoud van het tuchtfeit gebaseerd is op feiten die verjaard zijn, kunnen deze feiten niet meer als basis dienen voor een tuchtfeit en navolgende tuchtsanctie. Een verdere analyse leidt niet tot een andere beoordeling.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  44. De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van de artikelen 118 en 129, § 1, van het decreet van 19 december 2008 „be- treffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn‟ (hierna: het OCMW-decreet) en van “de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”. Volgens haar vormen de leugenachtige verkla- ringen die door de tussenkomende partij op 26 mei 2013 ten aanzien van de voor- IX-8804-17/27 zitter van het OCMW van Kapellen werden afgelegd, een opzichzelfstaand tuchtfeit in de zin van artikel 118 van het OCMW-decreet. De bestreden beslissing schendt die decretale bepaling, alsook de materiëlemotiveringsplicht “door op grond van een niet-afdoende motivering te stellen dat het tuchtfeit van 16 mei 2013 geen zelfstandig tuchtfeit is in de zin van artikel 118 OCMW-decreet”. Diezelfde beslissing schendt ook artikel 129, § 1, van het OCMW-decreet “door te stellen [dat] de inhoud van het tuchtfeit verjaard is”. De verzoekende partij argumenteert dat de tussenkomende partij in de administratieve beroepsprocedure terecht heeft aangenomen dat een leugen buiten een tuchtrechtelijke procedure een zelfstandig tuchtfeit kan uitmaken. De beslissing van de tussenkomende partij om op 26 mei 2013 een leugenachtige e-mail naar de voorzitter van het OCMW te zenden, is een handeling die zij vol- strekt vrijwillig heeft gesteld en die een tuchtfeit kan uitmaken. De betrokken ambtenaar heeft immers, wanneer om een verklaring wordt gevraagd, steeds de keuze om ofwel geen verklaring af te leggen, ofwel een correcte verklaring, ofwel een leugenachtige verklaring. Door te kiezen voor de laatstgenoemde optie stelde de tussenkomende partij onmiskenbaar een nieuwe handeling. Die handeling staat volkomen los van het feit dat de leugens op zich niet nieuw waren en reeds eerder door de tussenkomende partij werden verteld. Ze staat eveneens los van de feiten die door de leugenachtige verklaringen worden verhuld en de vraag of die feiten al dan niet verjaard zijn. Ondanks die eensgezindheid tussen de partijen voor de be- roepscommissie, komt deze commissie – zo vervolgt de verzoekende partij – tot de intern tegenstrijdige conclusie, eensdeels, dat de vraag van de voorzitter van 24 mei 2013 niet in een tuchtrechtelijke sfeer werd gesteld en, anderdeels, dat de verklaring van de tussenkomende partij niet als een zelfstandig tuchtfeit kan worden gekwalificeerd. Volgens de verzoekende partij gaat de beroepscommissie uit van de foutieve premisse dat elke vraag om een verklaring een nieuwe leugen noodzaakt en dat de tussenkomende partij geen andere keuze had dan haar vroe- gere leugenachtige verklaringen te herhalen. IX-8804-18/27 De verzoekende partij benadrukt daarbij dat de vraag van de voorzitter rechtstreeks voortkwam uit de spontane verklaringen van de tussenko- mende partij omtrent de feiten. Laatstgenoemde was immers “herhaaldelijk én op eigen initiatief haar onschuld […] komen declareren bij de [nieuwe] voorzitter” en zij vroeg zelf naar “een verder onderzoek van de feiten”. Volgens de verzoekende partij gaat de beroepscommissie er tevens ten onrechte van uit “dat de verschillende feiten uit 2012, waaronder de eerste leugen (tegen voorzitter [A.S.]), de verjaringstermijn deed ingaan van de tweede leugen (tegen voorzitter [V.V.P.]) lang vóór die leugenachtige verklaring werd afgelegd”. Zij wijst erop dat zij de feiten van 2012 wel heeft onderzocht “om vast te stellen dat de verklaring van 26 mei 2013 leugenachtig was”, maar dat zij die feiten, in tegenstelling tot wat de beroepscommissie doet uitschijnen, niet heeft beoordeeld in het tuchtbesluit. Zij besluit daaruit dat de motivering van de be- roepscommissie dan ook in feite onjuist is. De verzoekende partij stelt dat zij met haar nieuw tuchtbesluit is tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de Raad van State in arrest nr. 230.498 van 12 maart 2015, terwijl de motivering van de bestreden beslissing van de be- roepscommissie daarmee strijdt. Geheel ten onrechte leidt de beroepscommissie uit het voormelde schorsingsarrest af dat de leugenachtige verklaringen van “26 mei 2016” (versta: 26 mei 2013) geen zelfstandig tuchtfeit kunnen uitmaken. Bovendien maakt de beroepscommissie “een juridische denkfout door te stellen dat de toetsing van een nieuwe leugen aan oudere (hypothetisch verjaarde) feiten een tuchtrechtelijke beoordeling van de oude feiten zou impliceren”. De verzoekende partij benadrukt dat de vraag of de feiten van 2012 al dan niet verjaard waren op 24 mei 2013, niet relevant is bij de be- oordeling van het nieuwe tuchtbesluit van 5 mei 2015 dat alleen de leugenachtige verklaringen van de tussenkomende partij van 26 mei 2013 sanctioneert. Zij voegt eraan toe dat de beroepscommissie, “[d]oor voor te houden dat de e-mail van IX-8804-19/27 26 mei 2013 toch geen tuchtfeit kan uitmaken omdat de inhoud verwijst naar verjaarde feiten”, artikel 129 van het OCMW-decreet schendt.
  45. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing correct en afdoende weergeeft om welke redenen de inhoud van het enige reste- rende tuchtfeit gebaseerd is op feiten die verjaard zijn, waardoor “deze feiten niet meer als basis kunnen dienen voor een tuchtfeit en navolgende tuchtsanctie”. Volgens de verwerende partij neemt de beroepscommissie daarmee een volkomen te rechtvaardigen standpunt in en doet het loutere feit dat de verzoekende partij dit anders ziet, daaraan geen afbreuk. Dat de beoordeling van de bestreden beslissing, waarvan de kennelijke onredelijkheid niet wordt aangetoond, niet zou steunen op eerdere rechtspraak, betekent nog niet dat ze onwettig is. De beroepscommissie heeft de stelling van het schorsingsarrest bovendien consequent doorgetrokken.
  46. De tussenkomende partij doet gelden dat artikel 118 van het OCMW-decreet in het voorliggende geschil niet ter zake doet, aangezien het niets afdoet aan de bevoegdheid van de beroepscommissie om te onderzoeken of de raad voor maatschappelijk welzijn, naast het formeel in aanmerking genomen tuchtfeit, in werkelijkheid geen andere feiten in aanmerking heeft genomen die tuchtrech- telijk wel verjaard zijn. Zij betoogt dat de beroepscommissie in het licht van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn en de daartegen bij haar geformuleerde grieven heeft onderzocht of de beweerde valse verklaring van 26 mei 2013 kan worden gekwalificeerd als een zelfstandig tuchtfeit. Daarbij is de beroepscommissie tot het besluit gekomen “dat, vermits de inhoud van het tuchtfeit zich identificeert als doublure van de vermeende leugens die mevrouw Huibrechts in september 2012 aan de voormalige Voorzitter zou hebben meegedeeld en deze vermeende leugen gebaseerd is op feiten die verjaard zijn, deze feiten niet meer als basis kunnen dienen voor een tuchtfeit en een navolgende tuchtsanctie”. IX-8804-20/27 Volgens de tussenkomende partij kan een vermeende leugen tuchtrechtelijk worden vervolgd “voor zover de ontmaskering ervan geen toetsing inhoudt van feiten welke tuchtrechtelijk verjaard zijn”. De beroepscommissie is terecht tot de bevinding gekomen dat de tuchtbeslissing van het OCMW niet aan dit vereiste voldoet. In dit geval staat immers vast dat de onderliggende feiten tuchtrechtelijk verjaard zijn. De tussenkomende partij betwist “de prima facie overweging van de Raad van State, welke de tuchtoverheid in aanmerking heeft genomen in het beroepen tuchtbesluit dd. 5 mei 2015 en waarop het middel ook steunt”. Die overweging komt volgens de tussenkomende partij neer op “een complete uithol- ling van de tuchtrechtelijke verjaringstermijn, gezien deze de tuchtoverheid na de tuchtrechtelijke verjaring van de materiële feiten, alsnog de mogelijkheid geeft om een verklaring over de (per hypothese aangenomen) verjaarde tuchtfeiten aan de betrokken ambtenaar te vragen”. Die nieuwe verklaring zou dan “als een nieuw tuchtfeit [kunnen] worden vervolgd […] welke een toetsing van de tuchtrechtelijk verjaarde feiten mogelijk maakt”. Dit zou neerkomen op een onwettige omzeiling van de norm van artikel 129 van het OCMW-decreet. Het voordeel van de tucht- rechtelijke verjaring zou dan aan de tussenkomende partij op een discriminatoire wijze worden ontzegd. Volgens de tussenkomende partij is het niet correct dat de be- roepscommissie haar stelling dat een leugen niet op zelfstandige grond tucht- rechtelijk kan worden gesanctioneerd, zonder meer is bijgevallen. De beroeps- commissie heeft daarover geen standpunt ingenomen. Voorts is volgens de tus- senkomende partij de vaststelling van de beroepscommissie dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van haar zwijgrecht, niet als een decisief beoordelingselement in aanmerking genomen om tot de vernietiging van de akte te besluiten. De be- streden beslissing is immers gesteund op de schending van de verjaringsregels en niet op de schending van het zwijgrecht. Er is volgens de tussenkomende partij ook geen sprake van een “merkwaardige en intern tegenstrijdige conclusie” in de be- streden beslissing. In de mate dat de verzoekende partij staande houdt dat Marion IX-8804-21/27 Huibrechts steeds heeft gelogen, moet volgens de tussenkomende partij worden vastgesteld dat zij steeds heeft betwist te hebben gelogen. De bewering van de verzoekende partij dat de beroepscommissie van oordeel zou zijn dat Marion Huibrechts zowel in september 2012 als op 26 mei 2013 heeft gelogen, vindt geen enkele steun in de motieven van de bestreden akte. Uit die motieven blijkt dat de beroepscommissie van oordeel is dat de tuchtrechtelijke verjaringsregels zich ertegen verzetten dat een onderzoek naar het leugenachtige karakter van de ver- klaring van 26 mei 2013 wordt gevoerd. De tussenkomende partij stelt in het aangevoerde middel niet te kunnen lezen welke rechtsgrond zich verzet tegen “deze beoordelingswijze” van de beroepscommissie. Evenmin formuleert de verzoekende partij een begrijpelijke wettigheidskritiek voor zover zij stelt dat de beroepscommissie de overwegingen van het schorsingsarrest van 12 maart 2015 verkeerd heeft begrepen. Volgens de tussenkomende partij heeft de beroepscom- missie de leugenachtige verklaring van 26 mei 2013 terecht niet als een zelfstandig tuchtfeit gesanctioneerd. De tussenkomende partij betoogt voorts dat de kritiek van de verzoekende partij dat de beroepscommissie een juridische denkfout maakt wan- neer zij stelt dat de toetsing van een nieuwe leugen aan oudere, bij veronderstelling verjaarde feiten een tuchtrechtelijke beoordeling van oude feiten zou impliceren, betrekking heeft op “een element [...] dat niet doorslaggevend is voor het genomen besluit”. Volgens de tussenkomende partij is de beroepscommissie terecht van oordeel dat de beweerde leugen van 26 mei 2013 “zich identificeert met de be- weerde leugen uit september 2012, [die] in ieder geval verjaard is” en “in wezen neerkomt op een „uiteenrafeling‟ van op zich tuchtrechtelijk verjaarde feiten”. Beoordeling
  47. In zijn arrest nr. 230.498 van 12 maart 2015 heeft de Raad van State, zij het voorlopig, als volgt geoordeeld over het door het initiële tuchtbesluit in aanmerking nemen van de “leugenachtige verklaringen” van de tussenkomende partij van 26 mei 2013: IX-8804-22/27 “Wat evenwel het in aanmerking genomen tuchtfeit van de „leugenachtige verklaringen‟ van 26 mei 2013 betreft, lijkt te moeten worden aangenomen dat dit feit – dat als zodanig losstaat van de hiervóór sub 23.5 bedoelde feiten – niét verjaard was toen op 18 juni 2013 tegen verzoekster de tuchtprocedure werd ingeleid. Dat een beoordeling van die verklaringen een toetsing zou impliceren aan de reeds verjaarde feiten doet daaraan geen afbreuk. Uit niets blijkt evenwel dat de tuchtoverheid, die zoals gezegd verscheidene tuchtfeiten in aanmerking heeft genomen, deze „leugenachtige verklaringen‟ op zich als een voldoende verantwoording voor de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft beschouwd. Het staat niet aan de beroepscom- missie om in de plaats van de tuchtoverheid te oordelen dat dit het geval is.” De Raad van State ziet thans geen reden om anders te oordelen. Met andere woorden kan het loutere feit dat de tussenkomende partij op 26 mei 2013 ten aanzien van de voorzitter leugenachtige verklaringen heeft afge- legd, door de verzoekende partij als een tuchtfeit in aanmerking worden genomen en tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd. De omstandigheid dat de kwalificatie van die verklaringen als leugenachtig een toetsing van die verklaringen vergt aan feiten die op zich verjaard zijn, doet daaraan geen afbreuk en impliceert als zoda- nig niet dat ook de leugenachtige verklaringen verjaard zouden zijn.
  48. In het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 5 mei 2015 wordt uitdrukkelijk gesteld dat het uitsluitend gesteund is op het e-mailbericht van 26 mei 2013 van de tussenkomende partij gericht aan de voor- zitter van het OCMW. Op grond van een uitvoerige analyse van de stukken van het tuchtdossier komt de tuchtoverheid in het tuchtbesluit tot de overtuiging “dat me- vrouw Huibrechts op 26 mei 2013 bij mailbericht van 12u33 over verschillende punten heeft gelogen tegen de voorzitter van het OCMW”. Uitsluitend deze vaststelling en niet “[d]e feiten waarover de Raad van State in het arrest van 12 maart 2015 heeft geoordeeld dat deze verjaard lijken” ligt volgens het tuchtbesluit aan de opgelegde tuchtstraf ten grondslag.
  49. Volgens de bestreden beslissing van de beroepscommissie is het beroepen tuchtbesluit “op geen zelfstandigheid [...] gesteund maar op een reeks feiten die dateren van voor 18 december 2012, d.i. zes maanden voor de datum tot IX-8804-23/27 het instellen van de tuchtprocedure”. Aangezien “de inhoud van het tuchtfeit ge- baseerd is op feiten die verjaard zijn, kunnen deze feiten [volgens de beroeps- commissie] niet meer als basis dienen voor een tuchtfeit en navolgende tuchtsanctie”.
  50. Terecht voert de verzoekende partij aan dat de beroepscommis- sie aldus eraan voorbijgaat dat de leugenachtige verklaringen van de tussenko- mende partij op 26 mei 2013 als zodanig in aanmerking kunnen worden genomen als een zelfstandig tuchtfeit, dat op zich niet verjaard is, dat aan de tussenkomende partij kan worden toegerekend en dat een tuchtmaatregel vermag te verantwoor- den. De omstandigheid dat de leugenachtigheid van die verklaringen slechts kan worden vastgesteld door ze te beoordelen in het licht van handelingen die de tus- senkomende partij in het verleden heeft gesteld en die als zodanig verjaard zijn, staat er niet aan in de weg dat de tuchtoverheid de leugenachtige verklaringen als een tuchtfeit en derhalve als een grondslag voor een tuchtmaatregel in aanmerking mocht nemen. Evenzeer terecht voert de verzoekende partij aan dat de be- roepscommissie door anders te oordelen de in het middel aangevoerde bepalingen van het OCMW-decreet en het materiëlemotiveringsbeginsel schendt.
  51. Het eerste middel is gegrond. V. Toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State Verzoek van de tussenkomende partij
  52. De tussenkomende partij verzoekt in haar memorie dat in het arrest dat desgevallend de nietigverklaring uitspreekt “de maatregelen [worden verduidelijkt die] moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen”. IX-8804-24/27 Zij betoogt dat in het licht van de door de verzoekende partij voor de Raad van State aangevoerde middelen alvast één van de administratieve beroepsgrieven die zij voor de beroepscommissie heeft doen gelden, niet ter sprake komt. Volgens de tussenkomende partij zal “indien de betrokken beroepsgrief [...] niet wordt beoordeeld als een „maatregel‟ in de zin van art. 35/1, [...] niet op een rechtszekere wijze worden verholpen aan de [...] „onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring‟”. Zij licht toe dat zij voor de beroepscommissie de schending heeft aangevoerd van de artikelen 124 en 125 van het OCMW-decreet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, de rechten van verdediging, het hoorrecht, het zorgvuldig- heidsbeginsel, het onpartijdigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel, doordat de raad voor maatschappelijk welzijn haar op 5 mei 2015 tuchtrechtelijk heeft gesanctioneerd zonder haar opnieuw te horen, niettegenstaande nieuwe ge- gevens aan het licht waren gekomen, waarvan zij pas per brief van 22 april 2015 in kennis is gesteld en waarover zij nooit gehoord is geweest. Volgens de tussenkomende partij moet de verzoekende partij “deze nieuwe gegevens in de besluitvorming betrekken en [haar] het recht geven om haar verdediging op grond van deze nieuwe gegevens mede te voeren”. Zij leidt uit die gegevens tevens “de vooringenomenheid van het OCMW” af. Zij besluit dat “[h]et [...] derhalve gepast [is] dat [de Raad van State] hierover duidelijkheid schept, met name door verzoekende partij erop te wijzen dat het rechtsherstel te dezen inhoudt dat minstens een hoorzitting voor de OCMW-raad als tuchtoverheid moet worden georganiseerd, alvorens de raad zich uitspreekt over de initiële tuchtvordering”. IX-8804-25/27 Beoordeling
  53. De bestreden beslissing van de beroepscommissie wordt ver- nietigd omdat ze ten onrechte ervan uitgaat dat de leugenachtige verklaringen van de tussenkomende partij van 26 mei 2013 niet als een afzonderlijk tuchtfeit dat op zich niet verjaard is, in aanmerking kunnen worden genomen als grondslag van een tuchtmaatregel ten aanzien van betrokkene. De vernietiging steunt aldus op de vernietigingsgrond dat de bestreden beslissing berust op een onwettig motief.
  54. Na en ingevolge de vernietiging van de bestreden beslissing komt de beroepscommissie in de situatie dat zij zich opnieuw dient uit te spreken over het administratief beroep dat de tussenkomende partij bij haar heeft ingesteld tegen het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 5 mei
  55. Daarbij zal de beroepscommissie de voormelde vernietigingsgrond in acht dienen te nemen. De voormelde vernietigingsgrond heeft evenwel niets te maken met de hiervóór vermelde grief van de tussenkomende partij dat zij opnieuw door de raad voor maatschappelijk welzijn had dienen te worden gehoord. Het valt desgevallend de beroepscommissie toe om zich over die grief van de tussenkomende partij uit te spreken wanneer zij het administratief beroep van de tussenkomende partij opnieuw in behandeling neemt. De Raad van State vermag, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij beoogt, zich thans nog niet daarover uit te spreken, aangezien hij anders de grenzen van het huidige geding te buiten zou gaan en zelfs in de plaats van de beroepscommissie zou tre- den. Pas wanneer de beroepscommissie zich opnieuw over het administratief be- roep van de tussenkomende partij heeft uitgesproken en betrokkene – bij veron- derstelling – door die nieuwe uitspraak in haar belangen zou zijn geschaad, zou zij die nieuwe beslissing van de beroepscommissie met een beroep tot nietigverkla- ring bij de Raad van State kunnen aanvechten. IX-8804-26/27 BESLISSING
  56. De Raad van State vernietigt de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van het statutaire gemeente-, provincie- en OCMW-personeel van 14 december 2015 waarbij de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Kapel- len van 5 mei 2015 om aan Marion Huibrechts de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, wordt vernietigd en voor niet bestaande wordt gehouden.
  57. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 juni 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8804-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.