← België

Arrest 244754 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 11/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.754 Rolnummer: A. 217525/IX-9419 Zaak: Arrest 244754 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 11/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-20 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 22:30 Fiche Arrest nr 244.754 van 11 juni 2019 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.754 van 11 juni 2019 in de zaak A. 217.525/IX-9419 In zake : Andreas LAVEAUX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de beroepsinstantie van 3 september 2015 houdende de bevestiging van de beslissing van de deliberatiecommissie van 13 juli 2015; - de beslissing van de chef van de sectie Vakrichtingen van de algemene directie Human Resources van het ministerie van Defensie van 7 oktober 2015 houdende het verlies van rechtswege van de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger beperkte duur in hoofde van Andreas Laveaux. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9419-1/14 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2019. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij en majoor van het vliegwezen Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 29 september 2014 treedt verzoeker in dienst als kandidaat-vrijwilliger beperkte duur bij Defensie. Diezelfde dag start hij met zijn militaire basisvorming. 3.2. Op 4 december 2014 neemt verzoeker kennis van de statutaire beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden op het einde van zijn militaire basisvorming. Hij behaalt een score van 47 op 100. IX-9419-2/14 Op 10 december 2014 neemt verzoeker kennis van zijn puntenfiche inzake de professionele beoordeling op het einde van de vorming. Hij behaalt een score van 638 op 1000 en wordt op 12 december 2014 geslaagd verklaard voor het professionele gedeelte van zijn militaire basisvorming. 3.3. Op 18 december 2014 verkrijgt verzoeker een heroriëntering naar de professionele rol GS51X (vrijwilliger manoeuvre) bij het Bataljon Bevrijding - 5 Linie (Md Bn Bvr/5 Li). 3.4. Bij de aanvang van zijn gespecialiseerde professionele vorming krijgt verzoeker een briefing over de karakteriële beoordelingen tijdens deze vorming. Hierbij wordt hem meegedeeld dat hij vier tweewekelijkse informatieve beoordelingen zal krijgen en één statutaire beoordeling op het einde van de vormingsmodule. Tijdens de informatieve beoordelingsperiodes ondertekent verzoeker op periodieke tijdstippen zijn beoordelingsnota‟s voor karakteriële hoedanigheden. Uit deze beoordelingsnota‟s blijkt dat verzoeker tijdens de derde beoordelingsperiode voor de generieke competentie „Integer handelen‟ een score van 3 op 9 krijgt. Deze score wordt gemotiveerd met de vermelding „Onwaarheden vertellen‟. Op het individuele opmerkingenblad van verzoeker wordt voor deze periode op 20 mei 2015 genoteerd: “Onwaarheden vertellen t.o.v. kader. Betrokkene ontkent feiten terwijl deze duidelijk zijn waargenomen door het kader. Dit getuig[t] van weinig respect t.o.v. de onderrichters en een onvolwassen houding.” Tijdens de vierde informatieve beoordelingsperiode wordt aan verzoeker voor de competentie „Integer handelen‟ opnieuw een score van 3 op 9 toegekend. Dit wordt gemotiveerd met de vermelding „Geen verbetering‟. Op het individuele opmerkingenblad van verzoeker wordt voor deze periode op 3 juni 2015 genoteerd: IX-9419-3/14 “Betrokkene heeft nog steeds de neiging om onwaarheden te vertellen t.o.v. kader. Positieve noot in deze negatieve opmerking is dat betrokkene het nu toegeeft.” 3.5. Op 19 juni 2015 vindt het functioneringsgesprek plaats tussen verzoeker en zijn pelotonscommandant. Op het „Formulier voor functioneringsgesprek‟ wordt onder de rubriek „Zwakke punten met behulp van de competenties en gedragsindicatoren‟ onder meer vermeld: “Integer handelen, onwaarheden vertellen, maar verbetering.” Onder de rubriek „Te nemen maatregelen om de zwakke punten weg te werken‟ wordt onder meer vermeld: “Eerlijkheid.” 3.6. Op 3 juli 2015 neemt verzoeker kennis van de statutaire beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden op het einde van de vorming. Hij behaalt een totaalscore van 37 op 100. Voor de competentie „Integer handelen‟ scoort hij 3 op 9. Diezelfde dag neemt verzoeker ook kennis van zijn puntenfiche inzake de professionele beoordeling op het einde van de vorming. Verzoeker behaalt een score van 391,5 op 800 en wordt dienvolgens mislukt bevonden in de professionele vorming „GPO Vrijwilligers Manoeuvre‟. 3.7. Eveneens op 3 juli 2015 wordt aan verzoeker een oproep betekend om op 13 juli 2015 te verschijnen voor de deliberatiecommissie aangezien hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden om te slagen als kandidaat-vrijwilliger. Op 13 juli 2015 wordt verzoeker door de deliberatiecommissie gehoord. Vervolgens beslist de deliberatiecommissie dat verzoeker zowel karakterieel als professioneel niet geslaagd is. De beslissing van de deliberatiecommissie wordt als volgt gemotiveerd: IX-9419-4/14 “a. Motivering in rechte - A16-G1, Art 97/1, § 3, 4° ; Art 98/1, § 1, 1° en § 2, 2° Tijdens een periode van opleiding of een periode van schoolvorming bezit de kandidaat de vereiste professionele hoedanigheden indien hij, bij elke beoordeling bedoeld in Art 97, § 2, tegelijk aan de volgende criteria tot slagen voldoet: 2° Ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen behaald hebben. 3° Voor elk uitsluitend element, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. - A16-G1, Art 98/1, § 1, 1° en § 2, 1° Om de vereiste karakteriële hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat, bij elke beoordeling bedoeld in Art 98, § 2, aan de volgende criteria tot slagen voldoen: 1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen behaald hebben. - A16-G1, Art. 101 Een deliberatiecommissie doet uitspraak over de kandidaat die aan de criteria om te slagen niet heeft voldaan voor. b. Motivering in feite De kandidaat slaagt er niet in om de basisbegrippen binnen de voorziene termijnen te verwerken. Zijn volharding, hoewel zeker positief, volstaat niet om zijn gebrek aan „absorptievermogen‟ op te vangen. Hij mist momenteel de maturiteit en de mentale capaciteit om een loopbaan bij de Man Tpn correct te kunnen invullen. De kandidaat heeft inzet en de wil getoond tot slagen maar beschikt niet over het potentieel en capaciteiten om verder te dienen bij Defensie.” 3.8. Op 20 juli 2015 tekent verzoeker tegen de voormelde beslissing van de deliberatiecommissie beroep aan bij de beroepsinstantie. Hij motiveert dit beroep als volgt: “Gaat er niet akkoord mee karakterieel niet gedelibereerd te zijn.” Op 3 september 2015 wordt verzoeker door de beroepsinstantie gehoord. Vervolgens beslist de beroepsinstantie dat verzoeker definitief is mislukt. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “1. Motivering in rechte betreffende hoedanigheid [...] A16-GI90, Art 7, 1° A16-G1 Art 101/1 A16-G1 Art 98/1 § 2 2de alinea 3de lid 2. Motivering in feite betreffende hoedanigheid [...] Het dossier bevat heel wat opmerkingen die de laatste karakteriële beoordeling staven, niettegenstaande de verdediging oppert dat de beoordeling niet volledig conform de regels is gebeurd, dus rekening houdend met het IX-9419-5/14 beoordelingsrooster uit het KB van 13 november 1991. De beroepsinstantie kan bij het herzien van de quoteringen niet tot een nieuw resultaat komen waarbij de kandidaat in totaal meer haalt dan 47% zijnde het resultaat van de vorige karakteriële beoordeling en zonder eliminerende score en alsnog geslaagd zou kunnen zijn voor de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden. Daarenboven acht de beroepsinstantie de onvoldoende score 3 voor integer handelen terecht. Deze score is eliminerend en voldoende om betrokkene mislukt te verklaren. 3. De beroepsinstantie neemt de volgende beslissing(

  1. en)De beroepsinstantie bevestigt de beslissing van de deliberatiecommissie van 13 juli 2015. […]” Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.9. Op 7 oktober 2015 beslist de chef van de sectie Vakrichtingen van de algemene directie Human Resources dat verzoeker op datum van 17 oktober 2015 van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger beperkte duur verliest “omdat hij niet meer over de vereiste karakteriële en professionele hoedanigheden beschikt”. Dat is de tweede bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel is genomen uit de schending van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet), machtsoverschrijding en de schending van het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de motivering van de eerste bestreden beslissing alleen gesteund is op een onvoldoende beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden, terwijl over zijn professionele hoedanigheden met geen woord wordt gerept. Deze motivering houdt geen verband met de motivering van de IX-9419-6/14 beslissing van de deliberatiecommissie van 13 juli 2015, waarin enkel redenen worden aangehaald die betrekking hebben op verzoekers professionele hoedanigheden. De beroepsinstantie heeft derhalve niet de redenen onderzocht die hebben geleid tot de beslissing van de deliberatiecommissie, maar heeft zich beperkt tot de beoordeling van verzoekers karakteriële hoedanigheden. Voorts voert verzoeker ook aan dat, in tegenstelling tot wat de eerste bestreden beslissing laat uitschijnen, de toekenning van de scores voor de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden niet volgens de regels is verlopen. Aan de kandidaten van de groep waartoe hij behoorde, werden gemiddeld zeven punten extra toegekend om toe te laten dat zij allen op karakterieel vlak zouden slagen. Voor verzoeker werd deze maatregel evenwel niet toegepast. Tijdens de zitting van de beroepsinstantie heeft een vertegenwoordiger van de verwerende partij dit ook toegegeven. Het zou gaan om een rechtzetting van een vergetelheid in het Centrum Basisopleiding en Scholing Noord, dat stelselmatig te hoge punten zou toekennen. In de cel Vorming van het Md Bn Bvr/5 Li zouden de punten dan op een aanvaardbaar niveau worden gebracht in vergelijking met de reeds benoemde soldaten van het bataljon. Omdat het niet de bedoeling was om de kandidaten op karakterieel vlak te doen mislukken, werden hun extra punten gegeven. Aan verzoeker werden geen extra punten toegekend, volgens de vertegenwoordiger van de verwerende partij omdat hij zelfs met die extra punten niet zou zijn geslaagd. De wijze van quoteren is derhalve willekeurig. De punten worden aangepast in functie van het gewenste resultaat en zijn geen correcte weergave van de resultaten die werden behaald tijdens de vorming. Deze handelwijze is arbitrair, doet afbreuk aan de rechtszekerheid en heeft in de praktijk tot gevolg dat niet alle kandidaten die zich in dezelfde omstandigheden bevinden op dezelfde manier worden behandeld. 5. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat hij zowel tijdens de zitting van de beroepsinstantie, als in het verzoekschrift, heeft laten gelden dat aan de andere kandidaten van de groep waartoe hij behoorde zeven punten extra werden toegekend, terwijl dit voordeel aan hem niet werd verleend. IX-9419-7/14 Verzoeker stelt hiermee te willen aantonen dat de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden niet objectief is verlopen en dat de aanpassing van de oorspronkelijke scores op een discriminatoire wijze is gebeurd. Of hij, na toekenning van de extra punten, al dan niet een score van minimum 48 op 100 zou hebben behaald is volgens hem irrelevant. Er moet immers worden vastgesteld dat de toekenning van de scores niet op eenduidige wijze is gebeurd en dat de scores achteraf werden aangepast in functie van het gewenste resultaat, om het gewenste aantal kandidaten te laten slagen. 6. In zijn laatste memorie laat verzoeker nog gelden dat hij met het aanvoeren van het middel niet heeft getracht te bewerkstelligen dat hijzelf begunstigde zou worden van een onwettige toestand. Hij heeft enkel willen aantonen dat de scores op een arbitraire en onwettige manier werden toegekend en dat de beide bestreden beslissingen die gesteund zijn op deze onregelmatige beoordelingen, derhalve met dezelfde onwettigheid zijn behept. Beoordeling 7. Het enige middel is genomen uit de schending van de formelemotiveringswet, machtsoverschrijding en de schending van het gelijk- heidsbeginsel.
  2. a)Ontvankelijkheid van het middel 8. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie op wegens gebrek aan belang bij het enige middel. Op de terechtzitting doet de verwerende partij afstand van deze exceptie. 9. De Raad van State neemt akte van deze afstand en ziet geen reden om ambtshalve aan de ontvankelijkheid van het middel te twijfelen. IX-9419-8/14
  3. b)Gegrondheid van het enige middel 10. Voor zover verzoeker “machtsoverschrijding” aanvoert, moet worden vastgesteld dat het middel op dit punt in het geheel niet wordt ontwikkeld, zodat het in zoverre niet-ontvankelijk is. 11.1. In de mate dat verzoeker de schending van de formele- motiveringsplicht aanvoert, namelijk omdat de beroepsinstantie niet de redenen heeft onderzocht die hebben geleid tot de beslissing van de deliberatiecommissie, maar zich heeft beperkt tot de beoordeling van verzoekers karakteriële hoedanigheden, moet worden opgemerkt dat verzoeker zijn beroep bij de beroepsinstantie enkel heeft gemotiveerd met de vermelding “Gaat er niet akkoord mee karakterieel niet gedelibereerd te zijn”. Verzoeker heeft zo het voorwerp van zijn beroep bij de beroepsinstantie uitdrukkelijk beperkt tot de onvoldoende beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden. In die omstandigheden diende de beroepsinstantie in de eerste bestreden beslissing dan ook niet in te gaan op de motieven op grond waarvan de deliberatiecommissie heeft besloten dat verzoeker niet over de vereiste professionele hoedanigheden beschikt. 11.2. Voor zover geput uit de schending van de formele- motiveringsplicht is het middel dan ook niet gegrond. 12.1. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de hem toegekende scores bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van willekeur getuigen aangezien aan zijn collega‟s gemiddeld zeven punten extra werden toegekend om toe te laten dat zij allen op karakterieel vlak zouden slagen terwijl deze maatregel voor hem niet werd toegepast, moet worden opgemerkt hetgeen volgt. 12.2. De beroepsinstantie heeft haar beslissing onder meer gemotiveerd door te oordelen dat de onvoldoende score van 3 op 9 voor „Integer handelen‟ terecht was en dat deze score eliminerend is en op zich voldoende is om verzoeker mislukt te verklaren. IX-9419-9/14 Uit tabel 3.1 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 13 november 1991 „tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht‟ blijkt dat „Integer handelen‟ een generieke competentie is, zijnde een competentie “die vereist [wordt] van alle militairen en die voortvloei[t] uit de missie, visie en waarden van Defensie”. Onder „Integer handelen‟ wordt het “respecteren van ethische normen zowel in de persoonlijke als in de professionele activiteiten” verstaan. Uit tabel 2.1 van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit van 13 november 1991 blijkt dat van een kandidaat-vrijwilliger beperkte duur een “Niveau 1” wordt geëist voor deze generieke competentie. Tabel 3.1 van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit van 13 november 1991 bepaalt dat onder “Niveau 1” voor de competentie „Integer handelen‟ wordt verstaan: “Blijft eerlijk in alle omstandigheden, zelfs in geval van moeilijkheden. Respecteert het vertrouwelijk karakter van de hem toevertrouwde informatie. Geeft een eerlijk advies. Handelt correct, respectvol en ethisch zelfs in situaties waar een grote externe druk wordt uitgeoefend. Neemt verantwoordelijkheid voor het eigen handelen.” Het valt niet aan de Raad van State toe om de beoordeling van de competentie „Integer handelen‟ over te doen in plaats van het bestuur. De Raad van State kan enkel sanctionerend optreden wanneer moet worden vastgesteld dat het oordeel van het bestuur onredelijk is. In dat verband moet worden vastgesteld dat verzoeker tijdens de derde informatieve beoordelingsperiode voor de competentie „Integer handelen‟ een score van 3 op 9 heeft gekregen. Deze score wordt gemotiveerd met de vermelding „Onwaarheden vertellen‟. Op het individuele opmerkingenblad van verzoeker wordt vermeld dat verzoeker onwaarheden vertelt tegenover het kader, dat hij feiten ontkent terwijl deze duidelijk zijn waargenomen door het kader en dat dit van weinig respect getuigt tegenover de onderrichters en van een onvolwassen houding. Tijdens de vierde informatieve beoordelingsperiode wordt aan verzoeker voor de competentie „Integer handelen‟ opnieuw een score van 3 op 9 toegekend IX-9419-10/14 met als motivering „Geen verbetering‟. Op het individuele opmerkingenblad van verzoeker staat daaromtrent vermeld dat verzoeker nog steeds de neiging heeft om onwaarheden te vertellen tegenover het kader. Uit het functioneringsgesprek van 19 juni 2015 blijkt ten slotte dat integer handelen en onwaarheden vertellen worden aangehaald als zwakke punten in hoofde van verzoeker en dat eerlijkheid wordt vermeld als een te nemen maatregel om deze zwakke punten weg te werken. Aangezien onder het vereiste niveau 1 voor de competentie „Integer handelen‟ onder meer moet worden verstaan dat de betrokkene “eerlijk [blijft] in alle omstandigheden, zelfs in geval van moeilijkheden” is het, gelet op wat voorafgaat, niet onredelijk dat verzoeker bij de statutaire beoordeling van zijn karakteriële hoedanigheden op 3 juli 2015 een score van 3 op 9 voor deze competentie werd toegekend. Verzoeker toont het tegendeel niet aan. Uit tabel 1 van de bijlage bij het voormelde koninklijk besluit van 13 november 1991 blijkt dat een score 3 gelijkstaat met de vermelding „Onvoldoende‟. Overeenkomstig artikel 8, derde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 13 november 1991, is de vermelding „onvoldoende‟ voor een generieke competentie eliminerend en bijgevolg ondelibereerbaar. Dat motief op zich volstond aldus om verzoeker definitief mislukt te verklaren voor zijn karakteriële hoedanigheden. 12.3. In de mate dat verzoeker aanvoert dat, in tegenstelling tot zijn collega‟s, hij geen extra punten heeft gekregen, toont hij niet aan en beweert hij evenmin dat die collega‟s ook een ondelibereerbaar cijfer voor „Integer handelen‟ hebben gekregen. Het blijkt dan ook niet dat de situatie van verzoeker te vergelijken valt met deze van die andere collega‟s. 13. Het enige middel, in zoverre ontvankelijk, is ongegrond. IX-9419-11/14 14.1. Het verwerpen van het beroep in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing, heeft voor gevolg dat verzoeker niet kan worden gereclasseerd. 14.2. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 „betreffende het administratief statuut van de militair die een dienstneming van beperkte duur aangaat‟ bepaalt dat de reclassering van een kandidaat-militair die een dienstneming van beperkte duur aangaat, enkel kan worden toegestaan, naargelang het geval, in dezelfde of in een andere hoedanigheid van kandidaat-militair die een dienstneming van beperkte duur aangaat, overeenkomstig de nadere bepalingen van artikel 42 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 „betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader‟. Overeenkomstig artikel 42, § 1, van het laatst vermelde koninklijk besluit kan de reclassering worden toegestaan overeenkomstig artikel 106 van de wet van 28 februari 2007 „tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht‟. Artikel 106 van die wet bepaalt dat de kandidaat-militair die tijdens de door de Koning bepaalde gedeelten van de cyclus basisvorming hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden, hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de karakteriële hoedanigheden, kan worden gereclasseerd. Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 „betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader‟ omvat de cyclus basisvorming vormingsperiodes, die op hun beurt kunnen worden onderverdeeld in deelperiodes, fases en modules. De vormingsperiode kan zo een deelperiode „militaire basisvorming‟ en „gespecialiseerde professionele vorming‟ omvatten. IX-9419-12/14 De definitieve mislukking van verzoeker is te situeren in de deelperiode „gespecialiseerde professionele vorming‟, die als een onderdeel van de cyclus basisvorming moet worden beschouwd. Artikel 42, § 9, van het koninklijk besluit van 7 november 2013 „betreffende de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader‟ bepaalt dat de kandidaat-beroepsvrijwilliger die definitief is mislukt wegens onvoldoende professionele hoedanigheden gereclasseerd kan worden in een andere specifieke vormingscyclus in dezelfde hoedanigheid van kandidaat-beroepsvrijwilliger of in de hoedanigheid van kandidaat-vrijwilliger BDL. Overeenkomstig artikel 42, § 11, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 november 2013 kan de kandidaat die definitief is mislukt wegens onvoldoende karakteriële hoedanigheden enkel gereclasseerd worden in een lagere personeelscategorie. Verzoeker behoort als kandidaat-vrijwilliger tot de laagste personeelscategorie. De definitieve mislukking wegens onvoldoende karakteriële hoedanigheden impliceert derhalve dat hij niet meer kan worden gereclasseerd, aangezien een lagere personeelscategorie niet bestaat. 14.3. Gelet op artikel 9 van het koninklijk besluit van 7 november 2013 „betreffende het administratief statuut van de militair die een dienstneming van beperkte duur aangaat‟, naar luid waarvan de kandidaat-militair BDL die geen reclassering verkrijgt, van rechtswege de hoedanigheid verliest van kandidaat-militair BDL, dient het beroep derhalve ook te worden verworpen in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. IX-9419-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 juni 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9419-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.