id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.760 Rolnummer: A. 220708/X-16796 Zaak: Arrest 244760 - Energie - 11/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-20 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:27 Fiche Arrest nr 244.760 van 11 juni 2019 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 244.760 van 11 juni 2019 in de zaak A. 220.708/X-16.
- In zake :
- Agnes VANDEPUT
- de BVBA VANSIMO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Geerts kantoor houdend te 2140 Antwerpen Lodewijk Van Berckenlaan 190/6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Valérie De Schepper en Jean-François De Bock kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV FLUXYS BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 “waarbij de oprichting van installaties voor vervoer van aardgas door middel van leidingen, die private gronden bezetten op het grondgebied van de gemeenten Overijse en Hoeilaart van openbaar nut wordt verklaard ten voordele van de nv Fluxys Belgium”. X-16.796-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 december
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 mei
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Toon Denayer, die loco advocaat Johan Geerts verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dorian Pycke, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-16.796-2/17 III. Feiten 3.
- Eerste verzoekster is mede-eigenaar van enkele percelen grond gelegen te Overijse, Rameistraat 108, kadastraal bekend afdeling 3, sectie I, nrs. 73/c, 72/z, 72/w, 72/n en 72/y (72/b/2). Zij is tevens zaakvoerster van de tweede verzoekende partij, die een gebruiksrecht heeft op deze percelen en er landbouwactiviteiten uitoefent. 3.
- Teneinde de toekomstige toename van het aardgasverbruik van huishoudens en KMO‟s in de regio Brussel op te vangen en de aardgasbevoorradingszekerheid van de regio te blijven verzekeren, wil de tussenkomende partij, beheerder van het aardgasnetwerk, op het grondgebied van de gemeenten Overijse en Hoeilaart een nieuwe aardgasleiding aanleggen. Het betreft een aftakking op de twee bestaande Fluxysleidingen (Winksele - Le Roeulx) tot de aankoppeling met het project van de openbare distributie (Sibelga) ter hoogte van de Welriekendedreef (Jezus-Eik). Te Overijse (Maleizen) wordt een drukreduceerstation voorzien in aansluiting op de voormelde aftakkingen. 3.
- Op grond van artikel 10 van de wet van 12 april 1965 „betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen‟ (hierna: de wet van 12 april 1965) kan de Koning, na onderzoek, het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen, van openbaar nut verklaren. 3.
- Op 28 oktober 2015 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij de federale minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling, waarbij zij vraagt om de uitvaardiging van een koninklijk besluit tot verklaring van openbaar nut voor het aanleggen en exploiteren van de in randnummer 3.2 vermelde gasvervoerinstallatie. X-16.796-3/17 3.
- Met een brief van 19 november 2015 worden alle betrokken steden en gemeenten verzocht om een openbaar onderzoek te organiseren en het proces-verbaal van onderzoek over te maken binnen veertien dagen na het sluiten van het onderzoek. 3.
- Met een brief van 29 januari 2016 maakt de gemeente Overijse de resultaten van het openbaar onderzoek over aan de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie. Er worden twintig bezwaarschriften ingediend, waaronder enkele door de verzoekende partijen. 3.
- Met een brief van 10 februari 2016 maakt de gemeente Hoeilaart de resultaten van het openbaar onderzoek over aan de FOD Economie. Er wordt één bezwaarschrift ingediend. 3.
- Op 20 mei 2016 bezorgt de tussenkomende partij aan de FOD Economie een kopie van de brieven die zij heeft gericht aan de personen die een bezwaarschrift hebben ingediend. 3.
- Met een koninklijk besluit van 30 augustus 2016 wordt de oprichting, volgens de ingediende plannen, van de installaties voor aardgasvervoer door middel van leidingen onder, op of boven onbebouwde private gronden die niet omsloten zijn met muren of met omheiningen volgens de bouw- en stedenbouwverordeningen, van openbaar nut verklaard ten gunste van de tussenkomende partij. Dit is het bestreden besluit. X-16.796-4/17 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 16 van de Grondwet, van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 10 en 11 van de wet van 12 april 1965, van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 „tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties‟ (hierna: het koninklijk besluit van 11 maart 1966), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de motiveringswet), van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, van het bijzonder plan van aanleg nr. 65 “Plateau van Overijse en Lanevallei”, van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partijen betogen vooreerst dat het bestreden besluit niet aantoont dat het beoogde project noodzakelijk is voor het algemeen belang omdat geen behoefte wordt aangetoond die de aanleg van een nieuwe aardgasleiding verantwoordt. De stelling dat elke aardgasleiding per definitie het openbaar nut dient, kan volgens hen niet worden aanvaard. De verwerende partij dient in concreto te motiveren dat bijkomende capaciteit noodzakelijk is. Middels de verklaring van openbaar nut wordt immers een erfdienstbaarheid van openbaar nut gevestigd ten voordele van Fluxys, die onder andere hun percelen aanzienlijk bezwaart. Een dergelijke aantasting van het privaat eigendomsrecht (beschermd door artikel 16 van de Grondwet en artikel 544 BW) vereist een concrete motivering van het nut en de noodzaak van de aanleg van de aardgasleiding, en dit op basis van een correct feitenonderzoek. Gelet op de opkomst van hernieuwbare energiebronnen is het volgens de verzoekende partijen geenszins X-16.796-5/17 “evident” dat de vraag naar aardgas nog zal stijgen. De aanvoer van L-gas (uit Nederland), waarvoor de geplande leiding bestemd zou zijn, zal zelfs met zekerheid sterk dalen, met name vanaf
- Bijgevolg stoelt het bestreden besluit niet op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. Daarnaast wordt volgens de verzoekende partijen geen noodzaak aangetoond om de aardgasleiding op die bepaalde plaats aan te leggen. De leiding loopt vlak bij hun woning en beperkt de mogelijkheden voor de landbouwexploitatie omdat het tracé dwars door hun percelen loopt. Zo zal de kweek van kerstbomen sterkt bemoeilijkt worden, alsook het oprichten van constructies voor paarden. Verder zal de aardgasleiding onder een ingeplande KMO-zone lopen (aan de overzijde van de Rameistraat) en verstrekte de gemeente Overijse een negatief advies. De verzoekende partijen menen voorts dat hun bezwaren aangaande het vanzelfsprekende gevaar van de aanleg en exploitatie van een aardgasleiding kort bij bewoning en bedrijven en de impact op de goede ruimtelijke ordening en het leefmilieu in het bestreden besluit niet worden beantwoord. Er werd ook geen risicoanalyse uitgevoerd en geen onderzoek naar mogelijke alternatieve tracés gedaan. Tenslotte hekelen de verzoekende partijen dat de bezwaren niet door de verwerende partij werden beoordeeld, maar werden “doorgespeeld” naar de aanvrager van de verklaring van openbaar nut. 4.
- In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat uit het bestreden besluit niet de behoefte aan een bijkomende capaciteit blijkt, evenmin als de noodzaak waarom de aardgasleiding juist op die plaats moet worden aangelegd. Het feit dat het vervoeren van aardgas een activiteit is van openbaar belang, betekent niet dat op eender welk moment op eender welke plaats nieuwe infrastructuur mag worden aangelegd. De repliek van de verwerende partij en de tussenkomende partij maakt volgens de verzoekende partijen een a posteriori motivering uit, die niet in aanmerking kan worden X-16.796-6/17 genomen. Verder benadrukken zij dat het enkel aan de verwerende partij toekomt om de behandeling van de bezwaarschriften op zich te nemen. Het gebrek aan een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag brengt volgens de verzoekende partijen automatisch een schending van artikel 16 van de Grondwet en artikel 544 BW met zich mee. Het gaat dan immers om een onterechte grondinname, onder de vorm van een erfdienstbaarheid van openbaar nut. 4.
- De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie nog gelden dat de loop van het tracé niet wordt gemotiveerd en dat het feit “dat dit ook nog voorwerp uitmaakt van een stedenbouwkundige vergunning […] hieraan geen afbreuk [doet]”. Tot slot menen zij dat “niet [is] aangetoond dat [de] verwerende partij zich de replieken op de […] ingediende bezwaarschriften eigen heeft gemaakt”. Beoordeling 5.
- De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift niet uiteen op welke wijze het bestreden besluit artikel 16 van de Grondwet, artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, het BPA nr. 65 “Plateau van Overijse en Lanevallei” en artikel 4.3.1 VCRO schendt. De summiere toelichting die de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord dienaangaande verstrekken, is laattijdig en vermag dit gebrek niet recht te zetten. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre erin de schending van de voormelde rechtsregels wordt aangevoerd. De desbetreffende exceptie van de verwerende partij is gegrond. 5.
- Het toentertijd geldende artikel 10 van de wet van 12 april 1965 luidt: “Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedebouwverordeningen. X-16.796-7/17 Deze verklaring van openbaar nut verleent aan de houder van een vervoervergunning, ten voordele van wie zij wordt gedaan, het recht gasvervoerinstallaties op te richten onder, op of boven deze private gronden, het toezicht op deze installaties te houden en de werken uit te voeren die nodig zijn voor de werking en het onderhoud ervan, onder de voorwaarden welke in die verklaring zijn genoemd.” De in dit artikel bedoelde erfdienstbaarheid kan slechts opgelegd worden ten behoeve van het algemeen belang. Het komt aan de Koning toe om vast te stellen of de plaatsing van de bedoelde gasvervoerinstallaties van algemeen belang is en de beslissing tot plaatsing te motiveren, in voorkomend geval in antwoord op de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren. 5.
- Het bestreden besluit verklaart de oprichting van de gasvervoersinstallatie op onder meer de percelen van de verzoekende partijen van openbaar nut ten voordele van de NV Fluxys Belgium op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat zowel uit de bepalingen van de voormelde wet van 12 april 1965 als uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het vervoer van aardgas door middel van leidingen door de wetgever wordt beschouwd als een activiteit van algemeen belang; Overwegende dat bovendien ook de activiteiten van de NV Fluxys Belgium van algemeen belang zijn; dat in haar hoedanigheid van enige en gecertificeerde beheerder van het aardgasvervoersnet in België, de NV Fluxys Belgium een wettelijke opdracht van openbaar nut heeft (die de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het aardgasvervoersnet behelst), inclusief de interconnecties met andere aardgasvervoersnetten, het grens-tot-grensvervoer, de verbindingen en de aansluitingen van nieuwe klanten op het vervoersnet; Overwegende dat de geplande leiding past in deze context aangezien ze bestemd is voor de versterking van het distributienetwerk van Sibelga in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door het creëren van een nieuw injectiepunt. Vanuit dit punt legt de netbeheerder Sibelga haar eigen leidingen naar haar verdeelpunten binnen de regio Brussel; Overwegende dat de nieuwe infrastructuur bestemd is om de toekomstige toename van het aardgasverbruik van huishoudens en KMO‟s in de regio Brussel op te vangen en zo de aardgasbevoorradingszekerheid van de regio te blijven verzekeren; Overwegende dat de NV Fluxys Belgium de aanleg plant van een aardgasleiding DN 600 te Overijse en Hoeilaart die op lage druk (maximaal 14,7 bar) zal geëxploiteerd worden. Het betreft een aftakking op de twee bestaande Fluxysleidingen (Winksele — Le Roeulx) tot de aankoppeling met het project van de openbare distributie (Sibelga) ter hoogte van de X-16.796-8/17 Welriekendedreef (Jezus-Eik). Te Overijse (Maleizen) wordt een drukreduceerstation gebouwd in aansluiting op de voormelde aftakkingen; Overwegende dat gelet op het bovenvermelde het openbaarnutskarakter van de geplande vervoersinstallaties derhalve vaststaat; [...] Overwegende dat, na nauwgezet onderzoek van de ingediende bezwaren en van de commentaren van de NV Fluxys Belgium, wij van mening zijn dat de ingediende bezwaren niet van dien aard zijn om de aanvraag tot verklaring van openbaar nut ingediend door de NV Fluxys Belgium af te wijzen, en dit om volgende redenen: [...] - Betreffende de bezwaarschriften aangaande de noodzakelijkheid van de leiding en het gebruik van fossiele brandstoffen: ● de geplande leiding is bestemd voor de versterking van het distributienetwerk van Sibelga in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door het creëren van een nieuw injectiepunt ter hoogte van de Welriekendedreef. Vanuit dit punt legt de netbeheerder Sibelga haar eigen leidingen naar haar verdeelpunten binnen de regio Brussel. De nieuwe infrastructuur moet de toekomstige toename van het aardgasverbruik van huishoudens en KMO‟s in de regio Brussel opvangen en zo de aardgasbevoorradingszekerheid van de regio blijven verzekeren. ● van alle fossiele brandstoffen heeft aardgas de laagste impact op het milieu. Het vervoer ervan per pijpleiding heeft een zeer lage maatschappelijke kost in vergelijking met bijvoorbeeld het wegvervoer. In de optiek om de uitstoot van broeikasgassen tegen een aanvaardbare prijs terug te dringen, zal aardgas dankzij zijn milieutroeven ook in de toekomst een centrale factor in de energiemix blijven. Zo is aardgas de fossiele brandstof met de laagste uitstoot van broeikasgassen en heeft aardgastechnologie belangrijke voordelen qua energie-efficiëntie. Bovendien heeft aardgas bijzondere troeven voor huishoudelijke verwarming, als brandstof voor voertuigen en als energiebron voor elektriciteitsproductie die als back-up moet dienen voor stroomopwekking met hernieuwbare energiebronnen zoals wind of zon, die niet constant beschikbaar zijn.” 5.
- De voormelde motieven volstaan om het algemeen belang van de voorziene aardgasvervoerinstallatie te verantwoorden. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, is het bestreden besluit immers niet beperkt tot de loutere vaststelling dat “de aanleg van een bijkomende aardgasleiding „automatisch‟ kadert in het algemeen belang en ook automatisch noodzakelijk is ten bate van het algemeen belang” of dat “elke aardgasleiding per definitie het openbaar nut dient”. Er wordt concreet toegelicht dat er een nieuw injectiepunt wordt gecreëerd voor de versterking van het distributienetwerk Sibelga in het X-16.796-9/17 Brusselse Hoofdstedelijke Gewest teneinde de toekomstige toename van het aardgasverbruik van de huishoudens en KMO‟s te kunnen verzekeren. 5.
- De niet nader onderbouwde stelling van de verzoekende partijen met betrekking tot de opkomst van hernieuwbare energie, noch hun betoog dat de aanvoer van laagcalorisch gas uit Nederland sterk zou dalen vanaf 2024, volstaan om de ondeugdelijkheid van de motieven aan te tonen. 5.
- Met betrekking tot de kritiek van de verzoekende partijen om het tracé van de aardgasleiding op hun percelen aan te leggen, wordt in het bestreden besluit het volgende gesteld: “- Betreffende de bezwaarschriften aangaande het gevaar voor beschadiging van de leiding door landbouwmachines en zwaar vervoer in de nabijheid van de installaties: ● de leiding zal op een diepte van minimum 1,10 m t.o.v. het maaiveld worden aangelegd. Deze diepte laat de uitvoering van normale landbouwactiviteiten toe. Activiteiten zoals diepwoelen, diepspitten en de aanleg van drainage boven de leiding zijn daarentegen niet toegelaten en moeten altijd vooraf aan de NV Fluxys Belgium worden gemeld. Er kan in onderling overleg een aanvaardbare werkwijze overeengekomen worden. Eventuele beschadigingen moeten altijd en onverwijld aan de NV Fluxys Belgium gemeld worden. ● er worden slechts beperkingen opgelegd voor vervoer met aslasten groter dan 15 ton per as voor zover de assen minimaal 1,5 meter van elkaar zijn verwijderd en de wielen een tussenafstand hebben van minimaal 1,9 meter. Voor landbouwvoertuigen uitgerust met lagedrukbanden mag de maximale toegelaten aslast worden opgetrokken tot 20 ton per as. […] - Betreffende de bezwaarschriften aangaande de afstanden tussen gebouwen en gasleidingen: de NV Fluxys Belgium voorziet dat enkel binnen een zone van 5 meter aan weerszijden van de leiding, niet mag overgegaan worden tot de oprichting van gebouwen en gesloten lokalen. Buiten deze zone is bebouwing dus wel toegelaten. Na overleg kan deze zone in bepaalde gevallen nog verder gereduceerd worden. Het is dus niet ongebruikelijk dat gasleidingen tot op 5 meter van bestaande gebouwen worden aangelegd. […] - Betreffende het bezwaarschrift aangaande de gronden van de bvba Vansimo: ● tijdens de beheers- en exploitatiefase zijn er geen rechtstreekse effecten te verwachten naar wonen, werken en recreatie toe. De X-16.796-10/17 aanwezigheid van de geplande leiding vormt geen belemmering voor de huidige aanwezige woningen, bedrijven en recreatieve voorzieningen. Met betrekking tot de gronden van de bvba Vansimo wijst Fluxys Belgium op de zone-non-aedificandi van 31 m langs weerzijden van de E411 waarin vaste constructies niet zijn toegelaten. Het tracé van de leiding werd zodanig aangepast dat deze grotendeels in deze non-aedificandi-zone komt te liggen. ● de aanwezigheid van de leiding staat de uitbating van een zelfstandige activiteit rond paarden niet in de weg. Ook qua landbouwgewassen worden er geen beperkingen opgelegd, zodat de vrijheid van teeltkeuze te allen tijde behouden blijft.” 5.
- De kritiek die de verzoekende partijen in hun verzoekschrift op de motivering uiten, betreft in wezen louter opportuniteitskritiek. Bovendien hebben de verzoekende partijen, anders dan zij in hun verzoekschrift voorhouden, in hun bezwaarschrift niet aangedrongen op het verleggen van het tracé van de leiding buiten hun perceel. Alleen stelden zij de zeer algemene vraag of het niet mogelijk is om het reduceerstation en de leiding aan de andere kant van de autosnelweg te leggen. Hun bezwaar werd als volgt beantwoord: “Overwegende dat het gewettigd is de inplanting van het voorgenomen project te voorzien onder, op of boven de betrokken privé-percelen; Overwegende dat het gekozen tracé het meest adequate is gelet op het feit dat het enerzijds het kortst mogelijke tracé is vastgesteld in samenspraak met de betrokken overheden en anderzijds, dat dit tracé parallel loopt met bestaande leidingen en infrastructuren; Overwegende dat het niet mogelijk is over de ganse lengte van het tracé het openbaar domein te gebruiken; Overwegende dat in sommige gevallen privé-gronden niet kunnen vermeden worden wegens de noodzakelijkheid om bepaalde bestemmingszones te vermijden, om technische en/of economische redenen en omwille van bepaalde eisen van openbare besturen en diensten in het kader van de vervoersvergunning voor de betreffende vervoersinstallaties; [...] - Betreffende de bezwaarschriften aangaande de ligging en het gekozen tracé: ● het tracé is tot stand gekomen na overleg met de verschillende betrokken en bevoegde administraties. De voorontwerpen van tracé worden systematisch bijgestuurd in het kader van ruim overleg met de diverse betrokken besturen waaronder het Departement Ruimte Vlaanderen en het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse Overheid, de gemeenten, enz. X-16.796-11/17 Daarbij dient tevens rekening gehouden te worden met de stedenbouwkundige voorschriften opgelegd door de bevoegde overheden. Een tracé volgt dus niet noodzakelijk de kortste of de meest rechte weg. ● in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt bovendien de beleidsoptie nagestreefd om ondergrondse pijpleidingen te bundelen met bestaande infrastructuren, zoals o.a. het volgen van bestaande pijpleidingen, van bestaande en ontworpen lijninfrastructuren, primair en secundair wegennet, spoorwegen, waterwegen en hoogspanningsleidingen. Het tracé werd dan ook in de mate van het mogelijke langsheen de E411 voorzien rekening houdend met de zone non-aedificandi en het vermijden van het kruisen van bebouwde en omheinde percelen. ● ook het systematisch volgen van perceelsgrenzen is onmogelijk gezien de beperkte vrijheidsgraden bij een leiding DN 600 mm. (minimale kromtestralen, werkstrookbreedte, enz.).” 5.
- Gelet op het algemene karakter van verzoeksters‟ bezwaar volstaat het voormelde antwoord, dat zij overigens niet concreet bij de uiteenzetting van hun middel betrekken. 5.
- Dat “het tracé […] dwars door de percelen van verzoekers loopt” of “vlak bij de woning van verzoekers”, toont als dusdanig nog niet aan dat de in het bestreden besluit uitgedrukte motieven niet afdoende zouden zijn. 5.
- In de mate dat de verzoekende partijen aanvoeren dat niet werd ingegaan op andere dan hun eigen bezwaren, zijn zij zonder belang. Bovendien werden de bezwaren omtrent de gevaren en de aanwezigheid van een KMO-zone wel degelijk beantwoord, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen (pp. 5 - 11 van het bestreden besluit). 5.
- De verzoekende partijen laten na een rechtsregel aan te duiden die de overheid tot een risicoanalyse zou verplichten. Wat de risicoanalyse en veiligheid betreft, blijft verzoeksters‟ betoog voorts beperkt tot vage en algemene opmerkingen. X-16.796-12/17 5.
- Dat de tussenkomende partij ten slotte betrokken is geweest bij het beantwoorden van de tijdens het openbaar onderzoek geuite bezwaren, vermag het bestreden besluit niet te vitiëren, nu de verwerende partij deze antwoorden tot de hare heeft gemaakt. In het bestreden besluit leest men in dit verband immers dat “gelet op het technische karakter van de onderhavige aanvraag tot verklaring van openbaar nut en de specifieke kennis aanwezig bij de NV Fluxys Belgium, het opportuun werd geacht het geheel van de bezwaarschriften voor opmerkingen voor te leggen aan de betrokken firma” en dat “na nauwgezet onderzoek van de ingediende bezwaren en van de commentaren van de NV Fluxys Belgium, wij van mening zijn dat de ingediende bezwaren niet van dien aard zijn om de aanvraag tot verklaring van openbaar nut ingediend door de NV Fluxys Belgium af te wijzen”. 5.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
- De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van artikel 4.3.2 en volgende van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: DABM), van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 „houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage‟ (hierna: het besluit van 10 december 2004), van de artikelen 10, 11 en 13 van de wet van 12 april 1965, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voeren aan dat het bestreden besluit geen enkele toets van de milieueffecten van de geplande aardgasleiding doorvoert, terwijl het project X-16.796-13/17 onder de toepassing van de bijlage II van het besluit van 10 december 2004 valt, en zich kennelijk laat kwalificeren als een project waarvoor een projectmilieueffectrapport (hierna: project-MER) moet worden opgemaakt. De verzoekende partijen stellen geen weet te hebben van de opmaak van een project- MER naar aanleiding van de aanleg van de aardgasleiding en het reduceerstation. Nochtans dient de overheid een afweging te maken van alle belangen in het dossier: het (beweerde) belang inzake aardgasdistributie, het belang van (de veiligheid van) de omwonenden en het belang van het leefmilieu. Een dergelijke afweging ligt niet voor. De verwerende partij kan er zich volgens verzoeksters niet vanaf maken door te stellen dat de milieueffecten in andere procedures zullen worden beoordeeld. De vastlegging van het tracé betreft volgens hen immers de meest cruciale beslissing van het project. 6.
- In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat het project zich op Vlaams grondgebied (Overijse) bevindt, zodat met alle ter plaatse geldende regelgeving rekening moet gehouden worden, waaronder het DABM en het project-MER-besluit. De vraag die volgens de verzoekende partijen rijst, is of het kwestieuze project kan begrepen worden als een “project” dat onder de toepassing van titel IV DABM en het besluit van 10 december 2004 valt. Zij menen dat een verklaring van openbaar nut kan begrepen worden als een “vergunning” voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project. De aanleg van een aardgasleiding is een “project” in de zin van het DABM, waarvoor overeenkomstig de artikelen 4.3.2, §§ 2 en 2bis, DABM een project-MER of screeningsnota moet worden opgesteld. De verzoekende partijen betwisten voorts dat het project niet zou vallen onder bijlage II, 10, van het besluit van 10 december
- 6.
- De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie ondergeschikt nog gelden dat de verwerende partij de project-MER- X-16.796-14/17 screeningsnota die werd opgemaakt ten behoeve van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag in haar besluitvorming diende te betrekken. Beoordeling 7.
- In het verzoekschrift wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden besluit de artikelen 10, 11 en 13 van de wet van 12 april 1965 zou schenden. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 7.
- De verzoekende partijen menen dat het bestreden besluit betrekking heeft op een project dat valt onder bijlage II, 10, k), van het besluit van 10 december
- Deze bepaling luidt: “Bijlage II. De categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, § 2 en § 3, van het decreet een project-MER of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing moet worden opgesteld [...] 10 Infrastructuurprojecten [...] k) Aanleg in open sleuf van buisleidingen en aanleg van randvoorzieningen behorend bij die buisleidingen die niet gelegen zijn binnen de rooilijnen van een openbare weg, en waarbij een van de volgende voorwaarden vervuld is : 1) ten minste 2000 m2 van de randvoorziening ligt in een bijzonder beschermd gebied; 2) de buisleiding heeft een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied; 3) de buisleiding heeft een lengte van 10 km of meer.” 7.
- Opdat de bepalingen van artikel 4.3.2, § 2 en § 3, DABM van toepassing zouden zijn, is vereist dat er sprake is van een “project”, dat in artikel 4.1.1, 5°, DABM als volgt wordt gedefinieerd: “5° project : a) een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende vergunning en die bestaat uit : - de uitvoering van bouwwerken, de totstandbrenging en in voorkomend geval de exploitatie van andere installaties, werkzaamheden of andere X-16.796-15/17 ingrepen in het milieu, inclusief de grondwaterwinningen en de ingrepen voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen; of - de exploitatie van een inrichting; dit is het hele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; of b) een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking.” 7.
- Het bestreden besluit dat de oprichting van installaties voor het vervoer van aardgas door middel van leidingen, die private gronden bezetten op het grondgebied van Vlaamse gemeenten van openbaar nut verklaart, is niet te beschouwen als een in de voormelde bepaling bedoelde “vergunningsplichtige activiteit”. Evenmin betreft het een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking. Het uitgangspunt van de verzoekende partijen faalt naar recht. 7.
- In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun laatste memorie aanvoeren dat de verwerende partij de project-MER-screeningsnota die werd opgemaakt ten behoeve van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag in haar besluitvorming diende te betrekken, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk.
- Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. VI. Kosten
- De kosten van de tussenkomst blijven ten laste van de tussenkomende partij. Artikel 30/1, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State sluit haar uitdrukkelijk uit van het krijgen van een rechtsplegingsvergoeding. X-16.796-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf juni 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.796-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.