id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.789 Rolnummer: Zaak: Arrest 244789 - Milieuvergunningen - 13/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-21 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 22:25 Fiche Arrest nr 244.789 van 13 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.789 van 13 juni 2019 in de zaken I. A. 216.363/VII-39.439 II. A. 218.193/VII-39.588 III. A. 221.414/VII-39.
- In zake :
- Wilfried VERLOOY
- Ann VAN ROY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Vaartstraat 68-70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te 1000 Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ETABLISSEMENTS MALICE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Houssiau kantoor houdend te 1180 Brussel Vossendreef 6, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- Het beroep in de zaak sub I, ingesteld op 6 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 30 april 2015 waarbij het bestuurlijk beroep van Wilfried Verlooy en Ann Van Roy tegen de beslissing van het college van VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-1/15 burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 8 december 2014, houdende het verlenen aan de NV Etablissements Malice van de milieuvergunning voor het exploiteren van een “aannemersbedrijf”, gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd. Het beroep in de zaak sub II, ingesteld op 25 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 november 2015 waarbij de termijn van de proefvergunning, verleend met het in de zaak sub I bestreden besluit, met één jaar wordt verlengd. Het beroep in de zaak sub III, ingesteld op 6 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 24 november 2016 houdende het verlenen aan de NV Etablissements Malice van de milieuvergunning voor het exploiteren van de inrichting, gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, voor een termijn van 20 jaar. II. Verloop van de rechtsplegingen
- Bij arrest nr. 232.889 van 12 november 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zaak sub I verworpen. Bij arrest nr. 237.950 van 20 april 2017 zijn de zaken sub I, II en III gevoegd en is het debat in de zaken sub I en II heropend. De verwerende partij heeft in de zaak sub III een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben in deze zaak een memorie van wederantwoord ingediend. VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-2/15 De tussenkomende partij heeft in de zaak sub III een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 maart
- De tussenkomende partij heeft in deze zaak een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 maart
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon Claes, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karel Van Alsenoy, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Philippe Vande Casteele, die loco advocaat Nicolas Houssiau verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-3/15 III. Feiten 3.
- Op 10 september 2014 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een inrichting aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, omvattende: - de opslag en sortering van 800 m³ steenpuin, 800 m³ betonpuin en 990 m³ uitgegraven grond; - de opslag en sortering van 90 ton niet gevaarlijke afvalstoffen; - de opslag en mechanische behandeling van 990 m³ uitgegraven grond; - garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor maximaal 5 motorvoertuigen; - een inrichting voor het fysisch behandelen van gassen, met een totale drijfkracht van 12 kW; - een opslagplaats voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen van 800 liter; - de opslag van 2.900 liter stookolie in een bovengrondse opslagtank; - een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen met 1 verdeelslang; - een inrichting voor het mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een drijfkracht van 30,6 kW. 3.
- De geplande inrichting is volgens het geldende gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in industriegebied. Overeenkomstig het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) “Verbrande Brug” is het betrokken perceel bestemd voor “wonen en werken”. De verzoekende partijen zijn eigenaars en bewoners van een woning gelegen aan de Gerselarendries 100/2 te Grimbergen. Hun perceel grenst aan het perceel waarop de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft. 3.
- Bij besluit van 8 december 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-4/15 milieuvergunning gedeeltelijk voor een termijn van 1 jaar op proef. Een aantal aangevraagde indelingsrubrieken wordt ambtshalve gewijzigd. Tegelijk worden aan de vergunning een reeks bijzondere voorwaarden verbonden. 3.
- Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in. 3.
- Met een besluit van 30 april 2015 beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om het beroep slechts gedeeltelijk in te willigen, en de verleende vergunning op proef voor één jaar te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing in de zaak sub I (A. 216.363/VII-39.439). 3.
- Na de nodige adviezen te hebben ingewonnen, beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 12 november 2015 de vergunning op proef met één jaar te verlengen. Dit is de bestreden beslissing in de zaak sub II (A. 218.193/VII-39.588). 3.
- Na opnieuw de nodige adviezen te hebben ingewonnen, verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 24 november 2016 de milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar te rekenen vanaf de eerste beslissingsdatum van de proefvergunning op 8 december
- Het betreft de bestreden beslissing in de zaak sub III (A. 221.414/VII-39.910), gemotiveerd als volgt: “Evaluatie en verslag van het onderzoek De inrichting ligt volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (KB van 07.03.1977) in een industriegebied en in een zone voor industrie (zone D3) van het BPA nr. 36 „Verbrande Brug‟ (bedrijvenzone langs Zeekanaal), goedgekeurd bij MB d.d. 22.03.1995: VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-5/15 Volgende bestemmingen of een combinatie van deze bestemmingen zijn toegelaten: wonen, handel, horeca, kantoren, openbaar nut, diensten en ambachtelijke bedrijven. Bedrijven ingedeeld in klasse I volgens de indelingslijst van Vlarem I en inrichtingen die abnormaal hoge rook-, reuk-, lawaai-, verkeers-, of andere hinder teweegbrengen zijn niet toegelaten. Op 14.06.2010 werd voor deze site een stedenbouwkundige vergunning (BA/50/10) verleend voor het verbouwen van een bestaande opslagplaats, uitbreiding vooraan kantoren met 2 appartementen, uitbreiding achteraan opslagplaats met laadkades met toegangshelling. De industriële bestemming van het terrein is dus sinds 2010 gekend. Malice is een aannemersbedrijf dat renovatiewerken uitvoert, voornamelijk op het grondgebied Brussel. Op de locatie in Grimbergen is er een afdeling metaalconstructie waarin kleinere metalen elementen zoals trappen, leuningen, kaders, en afsluitingen worden samengesteld. Op de site is er ook een kleinschalige containerdienst aanwezig, apart van de metaalconstructie voor de opslag en sortering van werfeigen afvalstoffen: inerte afvalstoffen, papier en karton, PVC, hout, gyproc, glas. De afvalstoffen zijn enkel van eigen werven afkomstig omdat er gebrek aan opslagruimte is voor containers bij de werven in de binnenstad van Brussel. Op plaatsbezoek van 12.09.2016 werden door AMV volgende vaststellingen gedaan: - er werden geen storende geluiden van de metaalbewerkingsoperaties waargenomen buiten de muren van de werkhal. Alle deuren, alsook de toegangspoort werden gesloten gehouden; - er waren geen buitenactiviteiten; - er was geen aan- noch afvoer van afvalstoffen, noch andere transportbewegingen; - in de loods achteraan het bedrijf gebeurden sorteerwerkzaamheden d.m.v. één wiellader. Deze loods is voorzien van een rolpoort die bij luidruchtige werkzaamheden gesloten kan worden; - buiten de loods stonden een drietal afvalcontainers, waarvan één gevuld met uitgesorteerd bedrijfseigen afval van breekwerven klaar voor het afvoeren; - het inert puin dat tegen de keermuur gebracht werd, overtrof de hoogte van deze muur geenszins en de maximale hoogte werd gerespecteerd; - er waren geen breek-, noch zeefactiviteiten; - er is een groenscherm met streekeigen beplanting aangebracht; - er was geen stofhinder en het terrein gaf een propere indruk. De toezichthouder van de afdeling Milieu-inspectie voerde controles bij Malice uit op 10 december 2015, 20 april 2016, 3 augustus 2016 en 8 september
- Ook bij deze plaatsbezoeken werd de naleving van de vergunningsvoorwaarden gecontroleerd. Tijdens 2 bezoeken werd opgemerkt dat de rolpoort en de toegangsdeuren tot de bedrijfshal metaalbewerking niet volledig gesloten waren. Nochtans is er echter duidelijk voor de werknemers aangeplakt dat de betreffende poort en toegangsdeuren altijd gesloten moeten worden. Deze werden ook op eenvoudig verzoek van de toezichthouder door een werknemer gesloten. De exploitant moet er wel verder over waken dat de gegeven instructies door alle werknemers worden nageleefd. VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-6/15 De afvalsortering gebeurt gescheiden, in het achterste deel van een loods. Deze wordt inmiddels afgesloten met een nieuw geplaatste rolpoort. Tijdens elke controle van afdeling milieu-inspectie was deze poort gesloten en geen geluidshinder voor de buurt vast te stellen. De afvalfracties vermeld in art. 4.3.2 van het Vlarema worden naar behoren uitgesorteerd. Buiten de loods staan naast enkele lege afvalcontainers nog een aantal met afvalstoffen gevulde containers. De uitgesorteerde afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd. Afvalstoffen worden niet opgeslagen met een stapelhoogte van meer dan 4 meter. Bij de controles werd telkens maar een beperkte opslag van puin en grond aangetroffen. De locatie waar de afvalstoffen buiten de loods worden opgeslagen is nu volledig voorzien van een betonnen vloer. Bij geen enkele van de controles was een (mobiele) breekinstallatie aanwezig op het terrein. Ook zeefactiviteiten vonden er niet plaats. In het advies van milieuinspectie van 2015 werd gesteld dat er voor een reliëfwijziging achteraan het terrein granulaten werden gebruikt die niet voldeden aan de bepalingen van het eenheidsreglement. Hieraan werd integraal verholpen. Er werd vastgesteld dat het steenpuin op een ordentelijke manier verwijderd werd. Het terrein gaf een heel verzorgde indruk. De uitgevoerde activiteiten gaven geen aanleiding tot stofhinder voor de omgeving. Het opgelegde groenscherm werd aangeplant en de gevraagde afsluiting geplaatst. Het werkplan voor de afvalverwerkende activiteiten werd door de exploitant ter beoordeling bezorgd aan de gemeente Grimbergen. De cel leefmilieu van de gemeente bracht tevens een onaangekondigd plaatsbezoek uit en kon geen overtredingen vaststellen. Een werkplan en een brandweerverslag zijn ter beschikking van de gemeente. In het advies van het college wordt vermeld dat in vergelijking met vorig jaar aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden wordt voldaan. Globaal kan gesteld worden dat de risico‟s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de waterhuishouding in de omgeving, op de natuur, en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie bij naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. IV. Ontvankelijkheid van de beroepen in de zaken sub I en II Exceptie - ambtshalve
- Bij besluit van 24 november 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan de tussenkomende partij een definitieve milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar, die een aanvang neemt vanaf de eerste beslissingsdatum van de proefvergunning op 8 december
- VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-7/15 Gelet op deze aanvangstermijn wordt vastgesteld dat de twee opeenvolgende proefvergunningen zijn opgegaan in deze milieuvergunning van 24 november 2016, zodat het belang bij het bestrijden van de voorgaande proefvergunningen is verloren gegaan. Uit het hiernavolgend onderzoek ten gronde van het beroep in de zaak sub III blijkt bovendien dat voornoemd besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 24 november 2016 dient te worden vernietigd. Met de nietigverklaring van de definitieve milieuvergunning moeten de voorgaande proefvergunningen worden geacht mee te zijn vernietigd.
- De beroepen in de zaken sub I en II zijn niet ontvankelijk. V. Onderzoek ten gronde van het beroep in de zaak sub III Eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 17, eerste lid, en artikel 18 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 21, § 2, 1° en 2°, en 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), artikel 4.3.1, §§1 en 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het BPA nr. 36 “Verbrande Brug”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 maart 1995, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-8/15 De verzoekende partijen betogen dat een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag niet alleen op haar milieuhygiënische, doch ook op haar stedenbouwkundige verenigbaarheid dient te worden beoordeeld, wat impliceert dat de verenigbaarheid met de gewestplanbestemming en de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening eveneens wordt beoordeeld. In een eerste onderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat uit de bestreden beslissing en uit het gevoerde onderzoek zou moeten blijken dat de verwerende partij de overeenstemming met het van toepassing zijnde BPA terdege heeft onderzocht en dat zij in alle redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de aangevraagde inrichting toelaatbaar is, omdat de uitbating de limieten, zoals omschreven in het BPA, niet te buiten gaat. De verzoekende partijen betogen onder meer dat de betrokken inrichting is gelegen in “zone D3” van het BPA “Verbrande Brug”, dit is een “gemengde zone wonen en werken”, terwijl in de bestreden beslissing op geen enkel moment naar die bestemming wordt verwezen. De bestreden beslissing baseert zich aldus op een foutieve juridische situatie en is dan ook onmogelijk afdoende en draagkrachtig gemotiveerd, waardoor zij de formele- en materiëlemotiveringsplicht schendt. Tevens werd de verplichting om op een zorgvuldige wijze een stedenbouwkundige toets van de milieuvergunningsaanvraag uit te voeren, geschonden, nu deze toets manifest onvolledig en onzorgvuldig werd uitgevoerd.
- De verwerende partij repliceert dat de argumentatie dat de uitbating onverenigbaar zou zijn met het BPA reeds uitvoerig aan bod kwam bij de behandeling in eerste aanleg en tijdens de beroepsprocedure. Er kan worden verwezen naar de bespreking van de bezwaren in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarin wordt gesteld dat volgens de geldende BPA-voorschriften klasse 1-bedrijven niet zijn toegelaten en de aangevraagde hoeveelheden dan ook dienen te worden teruggebracht tot aanvaardbare VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-9/15 hoeveelheden voor een klasse 2-bedrijf. Na een voorstel van de exploitant om rubriek 2.2.1.a te verlagen, volgde nog het advies van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de ambtshalve aanpassing van de rubrieken. De verwerende partij citeert de overwegingen van het toen bestreden besluit. Zij betoogt vervolgens dat de inrichting (en ook de woning van de verzoekende partijen) volgens het gewestplan “wel degelijk in een industriegebied [ligt] (zie trouwens ook paars ingekleurde situering in het verzoekschrift van verzoekers)”. Dit gaf volgens de verwerende partij in het advies van LNE aanleiding om bovendien nog te vermelden dat uit de RWO-GIS kaart blijkt dat geen overdruk is gebeurd van de gemengde bestemming “wonen en werken” conform het BPA nr. 36 tegenover het gewestplan waaruit kan worden afgeleid dat de hoofdfunctie “industrie” is van de zone waar zowel het bedrijf als de beroeper zich situeren, mits inachtname van de stedenbouwkundige voorschriften zoals deze bepaald zijn in genoemd BPA. Deze verwijzing in het advies van LNE en het bestreden besluit “naar een „zone voor industrie D3‟, wordt -naast de kwestie- bekritiseerd door verzoekende partijen nu het hier alleszins géén woonzone is doch […] de voorschriften van deze zone D3 (waarin ook wonen voorzien is) worden weergegeven (en bij de bespreking betrokken)”.
- De tussenkomende partij zet in haar memorie uiteen dat het BPA “Verbrande Brug” buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijdigheid met het gewestplan. De overeenstemming met de bestemming van het gewestplan moet anders worden beoordeeld, omdat er geen rekening mag worden gehouden met de onwettige BPA (her)bestemming: “wonen, handel, horeca, kantoren, openbaar nut, diensten”. Gelet op het buiten toepassing laten van het BPA en het ten volle laten gelden van de gewestplanbestemming, industriegebied, is de bestreden beslissing noch onredelijk, noch onzorgvuldig. Wat de schending van de decretale en wettelijke formelemotiveringsplicht betreft, neemt het loutere feit dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de motivering van de bestreden beslissing, niet weg VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-10/15 dat is voldaan aan de vereisten ter zake. De gegeven motivering is voldoende concreet.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij, verwijzend naar het auditoraatsverslag, dat de bestreden beslissing wel degelijk van de juiste planbestemming is uitgegaan.
- De tussenkomende partij herhaalt in haar laatste memorie dat de toepassing van het onwettige BPA moet worden geweerd, en er sprake is van “industriegebied” in het gewestplan, en niets anders. Beoordeling
- Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I bepaalt dat de adviezen van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer “een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) een dergelijke beoordeling te bevatten. Deze bepalingen vereisen een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften, en met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-11/15 milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom zulks het geval is. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
- Uit de formele motieven zoals weergegeven sub 3.7 blijkt dat de bestreden beslissing er zich, wat betreft de overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en van het BPA, toe beperkt deze voorschriften te beschrijven, zonder een beoordeling te maken. De bestreden beslissing bevat niet de minste aanwijzing van de motieven die de verwerende partij ertoe gebracht hebben de inrichting als verenigbaar met de bestemmingsvoorschriften te beschouwen. De loutere verwijzing naar een stedenbouwkundige vergunning “voor het verbouwen van een bestaande opslagplaats, uitbreiding vooraan kantoren met 2 appartementen, uitbreiding achteraan opslagplaats met laadkades met toegangshelling” kan -daargelaten de vraag of deze stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de exploitatie van de inrichting als dusdanig- dit gebrek niet goedmaken, evenmin als de overweging dat de industriële bestemming van het terrein als gevolg daarvan sinds 2010 dus “gekend” is. Naast voornoemde overwegingen wordt in de bestreden beslissing alsdan een omschrijving wordt gegeven van de activiteiten van de inrichting, van de vaststellingen gedaan door de afdeling Milieuvergunningen op 12 september 2016 en van de verschillende controles uitgevoerd door de toezichthouder van de afdeling Milieu-inspectie, alsook wordt verwezen naar het plaatsbezoek van de cel leefmilieu van de gemeente waaruit blijkt dat aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden van de vergunning op proef wordt voldaan. VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-12/15 Geconcludeerd wordt dat de risico‟s voor hinder bij naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Deze overwegingen betreffen de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, terwijl de bestreden beslissing daarentegen de vraag naar de verenigbaarheid van de milieuvergunningsaanvraag met de gewestplanbestemming en het BPA gewoon open heeft gelaten. Waar de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar de “bespreking van de bezwaren in de beslissing van het CBS” en bevestigt dat de inrichting volgens het gewestplan gelegen is in industriegebied, met verwijzing naar de motivering dienaangaande in “het verslag van de LNE (adm. dossier stuk 7)” (d.i. van 23 februari 2015), blijkt dat deze motiveringen niet zijn opgenomen in de bestreden beslissing, en bijgevolg niet dienstig zijn. Waar de tussenkomende partij argumenteert dat het BPA “Verbrande Brug” buiten toepassing moet worden gelaten -terwijl de bestreden beslissing er uitdrukkelijk naar verwijst- verstrekt zij eveneens een a posteriori-motivering, dat het motiveringsgebrek niet vermag goed te maken. Het gebrek aan motivering wat de stedenbouwkundige verenigbaarheid betreft, klemt te dezen des te meer nu de verzoekende partijen in de voorafgaande procedures, in het bijzonder in hun verweernota van 26 oktober 2016 voorafgaand aan de zitting van de PMVC op dezelfde dag, uitdrukkelijk op deze stedenbouwkundige toets en de onverenigbaarheid van de aangevraagde vergunning met de bestemming van het BPA hebben gewezen.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-13/15 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de beroepen in de zaken sub I en II.
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 24 november 2016 houdende het verlenen aan de NV Etablissements Malice van de milieuvergunning voor het exploiteren van de inrichting, gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, voor een termijn van 20 jaar.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing in de zaak sub I en van de drie gevoegde beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 2.240 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 450 euro. VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.439 & VII-39.588 & VII-39.910-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.789 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div