← België

Arrest 244805 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.805 Rolnummer: A. 222514/X-16943 Zaak: Arrest 244805 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-20 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 23:22 Fiche Arrest nr 244.805 van 14 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 244.805 van 14 juni 2019 in de zaak A. 222.514/X-16.

  1. In zake : de BVBA PUBLIMA LICHTRECLAME bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 27 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het (stilzwijgende) besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 4 mei 2017 waarbij het administratief beroep gericht tegen de weigeringsbeslissing dd. 27 oktober 2016 van het college van burgemeester en schepenen van de stedenbouwkundige aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning voor de plaatsing van een lichtgevend uithangbord op een gebouw gelegen te 1120 Brussel, Béjarlaan 1, wordt verworpen en de aanvraag dus wordt geweigerd”, en van “het negatieve advies dd. 16 februari 2017 dat per 4 mei 2017 geldt als de weigering van de stedenbouwkundige vergunning”. X-16.943-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Junior Geysens, die loco advocaat Thomas Eyskens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij dient op 13 juni 2016 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een stedenbouwkundige aanvraag in om op het dak van een gebouw aan de Béjarlaan 1 een lichtgevend paneel met de letters TVH en het logo van de firma aan te brengen. X-16.943-2/13 Volgens de bouwaanvraag bedraagt de letterhoogte 260 cm en de totale lengte van de “tekst + logo” 1051cm. De “[l]etters zijn individueel gemaakt in aluminium, voorzijde voorzien van een plexiglasdeksel (lichten op langs de voorzijde), intern [zijn] deze voorzien met een verlichting (uitvoering in leds)”. 3.
  7. De gewestelijke overheidsdienst Brussel Mobiliteit, de gemachtigde ambtenaar van het bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvestiging van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel verlenen een negatief advies over de aanvraag. 3.
  8. Met een besluit van 27 oktober 2016 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel de vergunning. Daarin wordt onder meer overwogen “dat de aanvraag afwijkt van de Gew. S.V. Titel VI art. 38 omdat het uithangbord de maximale hoogte van 3m overschrijdt met 0,25 m”, “dat het uithangbord nadrukkelijk zichtbaar is vanaf de autosnelweg, zowel overdag door zijn grote afmetingen al[s] ‟s nachts door de interne verlichting van het uithangbord”, “dat [dusdanig] het uithangbord een impact zal hebben op de directe omgeving en een afleiding kan vormen voor de automobilisten welke de veiligheid in het gedrang brengt”, “dat de veiligheid te alle[n] tijde gevrijwaard moet blijven en de impact op de omliggende omgeving beperkt moet blijven” en dat “het project niet strookt met het stedenbouwkundig karakter van het omliggend stedelijk kader en in tegenspraak is met de goede ruimtelijke ordening”. 3.
  9. Op 7 december 2016 tekent de verzoekende partij tegen de voormelde weigeringsbeslissing bestuurlijk beroep aan bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering. Haar argumentatie luidt: “
  10. De zone van aanvraag is gelegen binnen de 30m van de snelweg Dit is niet correct en moet gebaseerd zijn op een misverstand. De zone van inplanting van het uithangbord is verder dan 30m verwijderd van de snelweg. In bijlage 1 kan U meer details vinden omtrent deze inplanting zodat het duidelijk is dat het uithangbord zeker buiten deze 30m zone zou X-16.943-3/13 worden geplaatst. Het uithangbord zal zich ongeveer 70m van de snelweg bevinden.
  11. Er wordt gevreesd voor een afleidend karakter van de verlichting van het uithangbord Het uithangbord is opgebouwd met interne LED verlichting en een voorzijde bestaande uit een plexiglasdeksel. Door deze opbouw is er een homogene verlichting op de voorzijde die de 800 cd/m² niet overschrijdt. Doordat de verlichting volledig afgedekt is en dus enkel de voorzijde van het uithangbord oplicht zonder verdere lichtstraling zoals een normaal lichtpunt, kan dit zeker geen storend of afleidend karakter hebben dat de eventuele veiligheid in gedrang zou brengen.
  12. Het uithangbord overschrijdt de maximale hoogte van 3m met 0,25m (GSV, Titei VI, art. 38) Dit klopt en is inderdaad een fout in onze aanvraag. zie GSV (bijlage), pg. 34 „2 ° de inrichting mag maximaal 3 m hoog zijn. Voor een gevel hoger dan 15 m mag de inrichting niet hoger zijn dan 20 % van de gevelhoogte, met een maximum van 6 m;‟ Wij hebben dit hertekend en verkleind zodat we binnen deze maximum hoogte vallen. U kan dit terugvinden in bijlage 2”. 3.
  13. Op 26 januari 2017 wordt de verzoekende partij door het stedenbouwkundig college van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gehoord. 3.
  14. Op 16 februari 2017 brengt het voormeld college een negatief advies over de aanvraag uit. Daarin wordt het volgende overwogen: “Overwegende dat het beroep ontvankelijk is; Overwegende dat het goed gelegen is in een gebied voor stedelijke industrie op het gewestelijk bestemmingsplan; Overwegende dat de aanvraag het plaatsen van één uithangbord boven op het dak betreft; Overwegende dat de beroepster de afmetingen van het uithangbord heeft gereduceerd, en tijdens de hoorzitting nieuwe plannen heeft ingediend, waaruit blijkt dat de maximale hoogte van 3m, zoals bepaald in Titel VI, art. 38 van de CSV niet meer wordt overschreden ; Overwegende dat de aanvraag in de nabijheid van de autosnelweg (RO) gelegen is en dat beroepster tijdens de hoorzitting heeft verduidelijkt dat het onderwerp van de aanvraag zich bevindt op 70 meter van de boordsteen van de ring, en dus niet in de bouwvrije strook van 30 meter, zoals eerder beschreven in het advies van de gemachtigde ambtenaar ; dat bijgevolg, het Koninklijk Besluit van 4 juni 1958 betreffende de vrije stroken langs de autosnelwegen niet van toepassing is; Overwegende dat Titel VI van de Gewestelijke Stedenbouwkundige verordening van 21 november 2006 in art. 7 stelt dat reclame-inrichtingen, X-16.943-4/13 hun naaste omgeving, evenals de uithangborden niet hinderlijk mogen zijn voor de veiligheid en de zichtbaarheid van alle weggebruikers ; Overwegende dat dit paneel niet kan beschouwd worden als reclame- inrichting, maar dient beschouwd te worden als een uithangbord ; Overwegende dat het uithangbord zeer goed zichtbaar is van de autosnelweg, zowel overdag door zijn afmetingen, als 's nachts door een interne verlichting door middel van LED ; Overwegende dat de ruimtelijke context getypeerd wordt, door een kilometers lange en dense vegetatie, onder de vorm van een groene berm, langsheen de autostrade, en dat juist ter hoogte van dit bedrijfsgebouw een venster, dus een lokale onderbreking van de groene berm is ontstaan, doordat in een recent verleden bomen werden gekapt; Overwegende dat er eveneens recentelijk nieuwe bomen werden geplant langsheen de autostrade waaruit duidelijk blijkt dat het herstel van de groene berm langsheen de autostrade een bewuste landschappelijke keuze is; Overwegende dat de plaatsing van dit uithangbord niet strookt met het stedenbouwkundig karakter en de landschappelijke context en dus in tegenspraak is met de goede ruimtelijke aanleg”. In artikel 3 van de voormelde beslissing wordt erop gewezen dat “[b]ij ontstentenis van de beslissing door de Regering na een herinnering conform artikel 173 van het BWRO, […] dit advies [geldt] als beslissing tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning”. Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State “binnen de 60 dagen na de termijn van dertig dagen volgend op de herinnering aan de Regering”. 3.
  15. Op 4 april 2017 richt de verzoekende partij een herinneringsbrief aan de Brusselse Hoofdstedelijke regering, waarin zij haar argumenten tegen het negatief advies van het stedenbouwkundig college ontwikkelt. 3.
  16. Op 29 juni 2017, dit is na het verstrijken van de in artikel 173 van het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (hierna: het BWRO) voorziene termijn van 30 dagen, beslist de Brusselse Hoofdstedelijke regering over het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij. 3.
  17. De verzoekende partij heeft de laatst vermelde beslissing met een annulatieberoep bij de Raad van State bestreden (zaak A 222.949/X-17.000). X-16.943-5/13 Nadat de Brusselse Hoofdstedelijke regering haar beslissing van 29 juni 2017 op 18 januari 2018 heeft ingetrokken, verwerpt de Raad van State met zijn arrest nr. 241.478 van 15 mei 2018 het vernietigingsberoep wegens gebrek aan voorwerp. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  18. De verzoekende partij betoogt in haar verzoekschrift dat de stilzwijgende beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering een “aanvechtbare akte” betreft, daar zij “belet dat er rechtsgevolgen ontstaan, nl. de inwilliging van het administratieve beroep en dus de verlening van de aangevraagde stedenbouwkundige vergunning en [dus] belet […] dat een rechtsregel tot stand komt”. 4.
  19. Luidens artikel 173 BWRO “geldt het advies van het (stedenbouwkundig) College als beslissing” in het geval dat “bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen vanaf de verzending van de herinnering de Regering haar beslissing niet naar de partijen heeft gestuurd”. 4.
  20. Partijen blijken niet te betwisten dat de voormelde situatie zich te dezen voordoet, zodat het advies van het stedenbouwkundig college van 16 februari 2017 (zie randnummer 3.6) overeenkomstig artikel 173 BWRO als beslissing geldt en voor de Raad van State kan bestreden worden. In zoverre het beroep gericht is tegen “het (stilzwijgende) besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 mei 2017”, is het niet ontvankelijk. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij zich naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. 4.
  21. Het beroep is enkel ontvankelijk in zoverre het tegen het als beslissing geldende advies van het stedenbouwkundig college van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 16 februari 2017 is gericht, hierna “de bestreden beslissing” genoemd. X-16.943-6/13 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  22. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van “de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet, art. 174, derde lid BWRO, en van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële- en de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht om zijn standpunt uiteen te zetten”. Zij bekritiseert het feit dat de stilzwijgende beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering niet gemotiveerd is, in het bijzonder wat de argumenten betreft die zij in haar herinneringsbrief in reactie op het ongunstig advies van het stedenbouwkundig college heeft aangevoerd. Volgens de verzoekende partij moet uit “de eindbeslissing” blijken waarom haar argumentatie in dat verband niet wordt aangenomen. Verder stelt zij dat de bestreden beslissing evenmin een antwoord biedt op de argumenten die zij in haar herinneringsbrief doet gelden. Beoordeling 6.
  23. In zoverre het middel gericht is tegen het stilzwijgen van de Brusselse Hoofdstedelijke regering is het, gezien het gestelde onder randnummer 4.1 en volgende, onontvankelijk. 6.
  24. De bestreden beslissing dateert van 16 februari
  25. Dat ze niet ingaat op de argumentatie die de verzoekende partij in haar herinneringsbrief doet gelden, vermag haar niet te vitiëren, nu deze brief van 4 april 2017 is. Het betoog van de verzoekende partij dat het advies van het stedenbouwkundig college per 4 mei 2017 als beslissing is gaan gelden “op grond van de wettelijke fictie, bepaald in art. 173, derde lid van het BWRO”, doet niet anders besluiten. X-16.943-7/13 6.
  26. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  27. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van “de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet, art. 7 van titel VI GSV, art. 5.
  28. van het GBP en van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële- en de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel”. 7.
  29. Zij zet uiteen dat titel VI van de Brusselse gewestelijke stedenbouwkundige verordening (hierna: de GSV) vier verschillende gebieden onderscheidt wat de reglementering inzake reclame en uithangborden betreft. De bouwsite maakt deel uit van het “algemeen gebied” waar volgens de verzoekende partij “de minst strenge regels inzake uithangborden gelden”, wat volgens haar “uiteraard van belang [is] voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening”. Voorts wijst zij op artikel 7 van titel VI van de GSV, dat bepaalt dat reclame-inrichtingen en uithangborden “niet hinderlijk voor de veiligheid en de zichtbaarheid van alle weggebruikers” mogen zijn. De verzoekende partij wijst erop dat het uithangbord op een afstand van 70 meter van de ring is voorzien, waardoor het door het stedenbouwkundig college aangenomen motief dat het bord “zeer goed zichtbaar” zal zijn “geen pertinent motief” kan worden genoemd en volgens de verzoekende partij ook “nietszeggend” is, nu het precies de bedoeling is van een commercieel uithangbord dat het goed zichtbaar is. Waarom die goede zichtbaarheid een probleem voor de verkeersveiligheid zou vormen, preciseert het stedenbouwkundig college niet. De verzoekende partij wijst er in dit verband op dat het bord zich aan de binnenkant van de kromming van de ring zou bevinden, zodat “de weggebruikers het uithangbord niet automatisch in hun blikveld krijgen”. De afmetingen en de wijze van verlichting maken volgens de verzoekende partij niet dat er specifieke problemen voor de verkeersveiligheid zouden zijn. Zij stelt dat zij voor het stedenbouwkundig college ook heeft X-16.943-8/13 geargumenteerd dat elders langs de ring op het grondgebied van het Brusselse gewest reclame-inrichtingen aanwezig zijn die een veel grotere visibiliteit hebben voor de gebruikers van de ring. 7.
  30. Wat het door het stedenbouwkundig college aangenomen motief van de groene berm betreft, meent de verzoekende partij dat het weigeren van de vergunning om een reden van goede ruimtelijke ordening “rechtsgrond” mist. De beginselbepaling van artikel 2 BWRO werkt volgens haar enkel door naar planinstrumenten en het stedenbouwkundig college verwijst overigens niet naar die bepaling. Integendeel affirmeert het college uitdrukkelijk dat de aanvraag verenigbaar is met het geldende bestemmingsvoorschrift van het gewestelijk bestemmingsplan als gebied voor stedelijke industrie. De door dat stedenbouwkundig voorschrift opgelegde inpassing in het stedelijk milieu impliceert volgens haar geenszins dat de aanvraag ook inpasbaar moet zijn “binnen een kilometerlange berm langs de ring rond Brussel” die “ter hoogte van de bouwplaats ook in het gebied voor stedelijke industrie ligt”. Dergelijk gebied behoeft geen reglementaire buffer, ook niet “ten aanzien van de ring”. Het betreffende weigeringsmotief is in de ogen van de verzoekende partij “ook onbegrijpelijk” omdat het haaks staat op het motief dat het uitgangbord te zichtbaar zou zijn voor de weggebruikers op de ring. Aan die zijde van de binnenring is volgens de verzoekende partij ook “geen dense vegetatie te ontwaren”, wat overigens ook niet zou kunnen en mogen nu ter plaatse een aansluitingscomplex aanwezig is waarlangs overeenkomstig artikel 3 van het Koninklijk besluit van 4 juni 1958 „betreffende de vrije stroken langs autosnelwegen‟ over een diepte van 10 meter geen hoogstammige bomen mogen geplant worden. Ter plaatse zou hoogstens sprake zijn van “een beplantingsrand”. Tot slot meent de verzoekende partij dat met de verwijzing naar de ring de schaal van de notie “omgeving” te dezen kennelijk wordt overschreden en dat de aanwezigheid langs diezelfde ring van andere uithangborden “die véél hoger en dichter bij de ringweg zijn geplaatst dan het aangevraagde uithangbord” een “voor de hand liggende feitelijke vaststelling” is die het stedenbouwkundig college echter niet in zijn besluitvorming heeft betrokken. X-16.943-9/13 Beoordeling 8.
  31. Artikel 5.6, 2°, van het Gewestelijk Bestemmingsplan Brussel (GBP) stelt als algemene voorwaarde voor de bestemming stedelijke industrie, die te dezen toepassing vindt, dat “de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en de landschappelijke inrichting van hun omgeving […] hun inpassing mogelijk [maken] in het stedelijk milieu.” In dit licht stond het aan het stedenbouwkundig college om de stedenbouwkundige verenigbaarheid van het gevraagde met zijn omgeving te boordelen. 8.
  32. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, wordt in de bestreden beslissing niet gesteld dat “de aanvraag overeen[stemt] met het bestemmingsgebied voor een gebied voor stedelijke industrie”. Overwogen wordt enkel “dat het goed gelegen is in een gebied voor stedelijke industrie op het gewestelijk bestemmingsplan”. 8.
  33. Het kwestieuze uithangbord is lichtgevend en blijkt minstens 2,60 meter hoog te zijn en 10 meter breed. Het bevindt zich op 70 meter van de autosnelweg. De bestreden beslissing vermocht daaruit af te leiden dat “het uithangbord zeer goed zichtbaar is van de autosnelweg, zowel overdag door zijn afmetingen, als ‟s nachts door een interne verlichting”. 8.
  34. De bestreden beslissing overweegt voorts dat de ruimtelijke context “getypeerd wordt, door een kilometers lange en dense vegetatie, onder de vorm van een groene berm, langsheen de autostrade”, stelt dat “juist ter hoogte” van het kwestieuze bedrijfsgebouw “een venster, dus een lokale onderbreking van de groene berm is ontstaan, doordat in een recent verleden bomen werden gekapt” en “dat er eveneens recentelijk nieuwe bomen werden geplant langsheen de autostrade waaruit duidelijk blijkt dat het herstel van de groene berm langsheen de autostrade een bewuste landschappelijke keuze is”. X-16.943-10/13 Het stedenbouwkundig college concludeert dat de plaatsing van het kwestieuze uithangbord “niet strookt met het stedenbouwkundig karakter en de landschappelijke context en dus in tegenspraak is met de goede ruimtelijke aanleg”. 8.
  35. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, vermocht het stedenbouwkundig college het herstel van de groene berm langs de ring als een “pertinent gegeven” in aanmerking te nemen om de aanvraag te beoordelen. Dat het kwestieuze uithangbord en de groene berm ter hoogte van de bouwplaats overeenkomstig het GBP in een gebied voor stedelijke industrie zijn gelegen, vermag daaraan geen afbreuk te doen. 8.
  36. Dat de “stedenbouwkundige aanvaardbaarheid” van het kwestieuze uithangbord volgens de verzoekende partij “in eerste instantie wordt beoordeeld met betrekking tot de onmiddellijke omgeving”, brengt nog niet met zich mee dat de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van het gevraagde met de verder gelegen omgeving niet als weigeringsgrond in aanmerking zou kunnen komen. 8.
  37. De verzoekende partij kan niet begrepen worden waar zij voorhoudt dat “[h]et motief van de groene berm langs de ringweg” “in strijd komt met het motief dat het uithangbord de zichtbaarheid en de veiligheid van de weggebruikers in het gevaar dreigt te brengen” omdat “[e]en groene berm […] precies het zicht op het uithangbord [zal] belemmeren”. In redelijkheid moet aangenomen worden dat het herstel van de groene berm ter hoogte van de bouwplaats meer tijd zal vragen dan het plaatsen van het kwestieuze uithangbord. Bovendien wordt in de bestreden beslissing niet gesteld “dat het uithangbord de zichtbaarheid en de veiligheid van de weggebruikers in het gevaar dreigt te brengen”. 8.
  38. Dat het volgens de verzoekende partij krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juni 1958 „betreffende de vrije stroken langs autosnelwegen‟ verboden is “om langs de aansluitingscomplexen van de X-16.943-11/13 autoweg, over een diepte van tien meter gemeten van de grens van het domein van de autosnelweg, hoogstammige bomen te planten” en de bouwplaats vlak aan zo‟n aansluitingscomplex ligt, toont nog niet aan dat er “[a]an de zijde van de binnenring […] geen dense vegetatie te ontwaren” is. Hetzelfde geldt voor verzoeksters bewering dat er “ter plaatse enkel een smalle, op meerdere plaatsen onderbroken, beplantingsrand [is] op te merken”. De in dit verband in het verzoekschrift weergegeven foto is allerminst duidelijk en kan de Raad van State daarvan niet overtuigen. 8.
  39. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, kan het kwestieuze uithangbord, met de afmetingen vermeld onder randnummer 8.3, geenszins als “kleinschalig” beoordeeld worden. Het betoog van deze partij dat het “kennelijk onredelijk [is] om de ruimtelijke verenigbaarheid van een kleinschalig uithangbord af te toetsen ten opzichte van een langgerekte kilometerlange strook grond”, kan dan ook geen bijval vinden. 8.
  40. De verzoekende partij betoogt tenslotte dat “uit het bijgevoegde fotomateriaal van andere uithangborden blijkt dat ook deze – die véél hoger en dichter bij de ringweg zijn geplaatst dan het aangevraagde uithangbord –, liggen langs een deel van de ringweg die is voorzien van een groene buffer”, en concludeert daaruit dat de landschappelijke keuze van een groene buffer “er dus niet aan in de weg [staat] dat er weldegelijk verschillende uithangborden langs de ringweg aanwezig zijn”. Verzoekster verduidelijkt in de uiteenzetting van haar middel evenwel niet welk “bijgevoegd fotomateriaal” zij precies bedoelt, noch geeft zij enige toelichting betreffende de locatie van deze “andere uithangborden” of concrete gegevens die de vergelijkbaarheid ervan met de situatie van het kwestieuze uithangbord aannemelijk maken. Gezien het voormelde overtuigt de verzoekende partij er niet van dat het stedenbouwkundige college deze volgens haar “voor de hand liggende feitelijke vaststellingen” bij haar besluitvorming diende te betrekken. X-16.943-12/13 8.
  41. Het motief dat de plaatsing van het kwestieuze uithangbord “niet strookt met het stedenbouwkundig karakter en de landschappelijke context en dus in tegenspraak is met de goede ruimtelijke aanleg”, is van aard om het bestreden besluit te dragen. Verzoeksters kritiek op het beweerde “motief” aangaande de veiligheid en de zichtbaarheid vermag daar niet aan af te doen. 8.
  42. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien juni 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.943-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.