← België

Arrest 244845 - Personeel van de rechterlijke orde - 18/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.845 Rolnummer: A. 226697/V-1979 Zaak: Arrest 244845 - Personeel van de rechterlijke orde - 18/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-21 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-21 22:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 244.845 van 18 juni 2019 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 244.845 van 18 juni 2019 in de zaak A. 226.697/V-

  1. In zake:
  2. de VZW NEDERLANDSTALIGE VERENIGING VAN MAGISTRATEN,
  3. Dirk VAN OVERLOOP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fernand Keuleneer kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Marc DALLEMAGNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Tulkens kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
  4. Het beroep, ingesteld op 19 november 2018, strekt tot de nie- tigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de federale overheidsdienst Justitie betreffende de vacante betrekking voor eerste V-1979-1/16 voorzitter van het arbeidshof te Brussel, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 21 september
  5. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Marc Dallemagne heeft een verzoekschrift tot tussenkomst in- gediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni
  7. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Fernand Keuleneer, die verschijnt voor de verzoe- kende partijen, advocaten Emmanuel Jacubowitz en Daisy Daniels, die verschij- nen voor de verwerende partij en advocaat François Tulkens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. V-1979-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Op 15 mei 2013 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een me- dedeling aangaande vacante betrekkingen in de magistratuur. Een van de vacante betrekkingen is die van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, vanaf 2 april
  10. De mededeling vermeldt dat met toepassing van artikel 43ter, § 3, van de wet van 15 juni 1935 „op het gebruik der talen in gerechtszaken‟, in deze plaats dient te worden voorzien door de benoeming van een Franstalige kandi- daat. Bij koninklijk besluit van 26 januari 2014, dat in werking treedt op de datum van de eedaflegging, welke niet mag gebeuren vóór 2 april 2014, wordt A.S. aangewezen tot het mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, voor een termijn van vijf jaar. Niet wordt betwist dat A.S. behoort tot het Franse taalstelsel. 3.
  11. Op 1 juni 2018 deelt A.S. mee dat zij geen verlenging van haar mandaat zal vragen. 3.
  12. Hierop verschijnt in het Belgisch Staatsblad van 21 september 2018 (ed. 2, 73381) een bericht betreffende de vacante betrekking van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel. Het bericht bevat nog de volgende me- dedeling: “In toepassing van artikel 259quater, § 6 van het Gerechtelijk Wetboek dient dit mandaat voor de hernieuwingsperiode te worden toegekend aan een kandidaat die door zijn diploma bewijst de examens van doctor, licen- tiaat of master in de rechten in het Frans te hebben afgelegd.” V-1979-3/16 IV. Tussenkomst
  13. Marc Dallemagne blijkt voordeel te halen uit de bestreden be- slissing en heeft er belang bij dat het beroep wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid A. Verzoekster Exceptie
  14. Met betrekking tot verzoekster, een rechtspersoon, herinnert de verwerende partij in haar nota met opmerkingen aan het specialiteitsbeginsel, de vereiste van representativiteit en het beginsel nul ne plaide par procureur, die het optreden in rechte van een rechtspersoon begrenzen. Zij betoogt dat verzoekster geen voldoende belang heeft bij het beroep (voetnoot weggelaten): “De statuten van de eerste verzoekende partij stellen dat de vzw als doel- stelling heeft de beroepsbelangen van de magistraten te verdedigen en te bevorderen (blz. 5 van het verzoekschrift). Artikel 3 van de statuten maakt geen onderscheid tussen Franstalige en Nederlandstalige magistraten. Zonder onderscheid naar taalaanhorigheid kunnen alle „beroepsmagistra- ten, emeriti, eremagistraten, alsook gerechtelijke stagiairs lid worden van de vereniging‟ (art. 6 van de statuten van de eerste verzoekende partij). Ook Franstalige magistraten kunnen dus lid worden van de eerste verzoe- kende partij en deze laatste streeft de verdediging van de belangen van al- le magistraten na, zonder enig onderscheid. Welnu, is het rechtspraak van Uw Raad dat een vereniging die beweert de belangen van haar leden te verdedigen door het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een beslissing die voordelig is voor een deel van haar leden doch nadelig voor een ander deel, doet blijken van een tegen- strijdig belang, en dus niet het rechtens vereiste belang heeft om een be- roep tot nietigverklaring in te stellen. Zulks is in casu het geval.
  15. Uit het principe „nul ne plaide par procureur‟ volgt overigens dat de vzw niet kan optreden ter bescherming van de belangen van één individu- eel lid. Dit is in casu echter wel het geval. V-1979-4/16 Uit het belang en de hoedanigheid van de tweede verzoeker blijkt name- lijk dat het verzoek tot schorsing volgt uit het feit dat hij zich niet kandi- daat kon stellen voor de vacante betrekking van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel. Het verzoek raakt bijgevolg niet de beroepsbelangen van alle magistraten, maar betreft slechts de situatie van één individueel lid, zijnde de tweede verzoeker.” Beoordeling
  16. Verzoekster, een vereniging zonder winstoogmerk, heeft zich in haar statuten tot doel gesteld “middelen te zoeken om de rechtsbedeling doel- treffender te maken”, “de persoonlijke contacten en de solidariteit tussen de ma- gistraten te bevorderen” en “hun morele en beroepsbelangen te verdedigen en te bevorderen” (artikel 3 van de statuten). In het inleidend verzoekschrift ziet zij haar belang hierin, dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft “dat de beroepsbelangen van Nederlandsta- lige magistraten ernstig geschaad worden”; zij voert met andere woorden niet haar persoonlijk belang aan en beroept zich op een collectief belang, namelijk de verdediging van de beroepsbelangen van haar leden. Uit haar statuten blijkt ove- rigens dat zij tot haar maatschappelijk doel daarnaast ook het nastreven van ideële belangen rekent.
  17. Los van de vaststelling dat in (artikel 5 van) de statuten inder- daad geen beperking is te lezen wat het taalstelsel van de magistraten betreft die lid kunnen worden van de vereniging, blijkt uit de benaming van de vereniging als “Nederlandstalige” vereniging van magistraten en haar acties dat zij de belan- gen van specifiek de Nederlandstalige magistraten beoogt te verdedigen. De stelling van de verwerende partij kan dan ook niet worden bijgevallen. V-1979-5/16
  18. De bestreden bestuurshandeling heeft een nadelige weerslag op de situatie van de groep personen als zodanig waarvan verzoekster de belangen verdedigt. De voorliggende beslissing verspert immers definitief de weg tot kan- didaatstelling en vervolgens aanwijzing als korpschef aan alle Nederlandstalige magistraten en ze belet bijgevolg ook om aan het arbeidshof de leiding van een Nederlandstalige korpschef te geven waarop het volgens verzoekster thans over- eenkomstig de toepasselijke wetgeving recht heeft. Dit overstijgt het individuele belang van nauwkeurig bepaalbare personen die in eigen naam een beroep zou- den kunnen instellen. In zoverre een betrokken belangenvereniging zoals ver- zoekster beoogt zich te beroepen op het collectief belang van de groep die zij wordt geacht te vertegenwoordigen, kan haar toegestaan worden om ter verdedi- ging van dit belang op te komen tegen dergelijke onpersoonlijke besluiten die haar groep nadelig treffen. Hierdoor wordt zij niet geacht op te komen voor een belang dat samenvalt met dit van de aanwijsbare kandidaten voor de functie.
  19. Vanuit haar statutaire doelstellingen mag verzoekster, ter be- hartiging van de beroepsbelangen van de Nederlandstalige magistraten, opkomen tegen de beslissing die de kandidaatstelling voorbehoudt aan enkel Franstalige gegadigden.
  20. Het beroep is ontvankelijk in hoofde van verzoekster. B. Verzoeker Exceptie
  21. Ook met betrekking tot verzoeker, die raadsheer is in het hof van beroep te Antwerpen, werpt de verwerende partij op dat hij niet beschikt over het rechtens vereiste belang (voetnoot weggelaten): “Immers de tweede verzoekende partij beweert belang te hebben doordat de bestreden beslissing het haar onmogelijk maakt om haar kandidatuur in te stellen aangezien de bestreden beslissing „dit mandaat enkel openstelt V-1979-6/16 voor kandidaten behorende tot het Franse taalstelsel‟ (blz. 6 van het ver- zoekschrift). Echter moet vastgesteld worden dat de tweede verzoekende partij reeds raadsheer bij het hof van beroep te Antwerpen is. Ze is ook woonachtig in het Noorden van de Antwerpse regio (Ekeren). Het is dan ook volstrekt onduidelijk waarom zij zich nu plotseling kandidaat zou stellen voor een mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel. De verweren- de partij kan, in alle objectiviteit, geen enkele reden bedenken waarom de tweede verzoekende partij zoiets zou doen. Het minste dat men kan zeg- gen is in ieder geval dat een dergelijk motief niet in het oog springt. De tweede verzoekende partij diende haar persoonlijk, rechtstreeks en con- creet belang dan ook toe te lichten in haar verzoekschrift. Zij doet dit ech- ter niet. De tweede verzoekende partij licht haar belang bij het inruilen van haar huidige positie bij het hof van beroep te Antwerpen voor het va- cante mandaat bij het arbeidshof te Brussel immers helemaal niet toe. Ze beweert enkel dat zij zich niet kandidaat kon stellen voor het mandaat en dat daaruit een voldoende en rechtmatig belang volgt. De onderliggen- de stelling dat de tweede verzoekende partij haar kandidatuur had willen indienen blijkt echter nergens uit en wordt enkel „pour le besoin de la cause‟ geformuleerd nu er niet de minste precisering, laat staan bewijs- stuk, wordt aangebracht om die stelling, op welke wijze dan ook, aanne- melijk te maken. Er is geen enkel gegeven voorhanden dat toelaat om te besluiten tot het bestaan van enig werkelijk nadeel in hoofde van de twee- de verzoekende partij. Integendeel zelfs nu de verzoekende partij niet doet blijken van enige interesse in het arbeidsrecht en men redelijkerwijze niet kan inzien welk voordeel zij zou halen uit het dagelijks moeten doorkrui- sen van twee belangrijkste verkeersknopen van het land (Antwerpen en Brussel). Het aangevoerde belang is dan ook niet geloofwaardig. Aangezien een louter hypothetisch belang niet volstaat, heeft ook de tweede verzoeker geen belang bij het instellen van het beroep.” Beoordeling
  22. De verwerende partij weerspreekt niet dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden om zich kandidaat te mogen stellen voor het mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel. Het valt noch de verwerende partij, noch de Raad van State toe om in de plaats van verzoeker een afweging te maken van de weerslag van een eventuele aanwijzing op zijn privéleven of zijn arbeidsomstandigheden en op V-1979-7/16 grond daarvan de geloofwaardigheid of de kansen van de kandidaatstelling in te schatten. Dat het belang van verzoeker “louter hypothetisch” is, wordt door de verwerende partij niet hard gemaakt.
  23. De exceptie faalt. VI. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  24. Volgens de verzoekers schendt de bestreden rechtshandeling artikel 43ter, § 3, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 „op het gebruik der talen in gerechtszaken‟ (Taalwet Gerechtszaken) ten gevolge van een foute toepassing van artikel 259quater, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek (GerW), aangezien de vacante betrekking van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel voorbe- houden wordt aan kandidaten behorend tot het Franse taalstelsel, terwijl deze net voorbehouden dient te worden aan kandidaten behorend tot het Nederlandse taal- stelsel. Zij zetten uiteen dat de huidige eerste voorzitter van het ar- beidshof te Brussel behoort tot het Franse taalstelsel. De bestreden beslissing is volgens hen het gevolg van een foutieve interpretatie van artikel 259quater, § 6, GerW door een onjuiste lezing van de voorbereidende werken van de wet van 18 december 2006, waarbij de verwerende partij de vervanging ingevolge het voortijdig openvallen van een mandaat verwart met een mandaat dat openvalt omdat, zoals in casu, de betrokkene geen hernieuwing vraagt. Het initiële wetsontwerp bepaalde dat in geval van een oproep tot de kandidaten op straffe van verval zich enkel de personen kandidaat kunnen stellen die beantwoorden aan dezelfde taalkundige voorwaarden als de korpschef V-1979-8/16 van wie het mandaat voortijdig beëindigd wordt of niet verlengd is. In de initiële versie van het wetsontwerp werd derhalve inderdaad bepaald dat zowel bij het voortijdig openvallen als bij het niet verlengen van een mandaat van korpschef te Brussel, dit mandaat enkel toegekend kon worden aan een kandidaat van hetzelf- de taalstelsel. Dit zou inhouden dat de huidige voorzitter van het arbeidshof te Brussel enkel door een kandidaat van het Franstalige taalstelsel opgevolgd zou kunnen worden aangezien zij geen verlenging van haar mandaat verzocht had. Het ontwerp werd evenwel ingrijpend gewijzigd door amende- ring in het parlement en een nieuw wetsontwerp, en de uiteindelijke wetsbepaling bevat niet langer die taalvoorwaarden, aangezien enkel nog bij voortijdige beëin- diging van het mandaat van de korpschef, en niet langer bij niet-verlenging van zijn mandaat, vereist is dat zijn opvolger tot hetzelfde taalstelsel behoort. Artikel 259quater, § 6, GerW bepaalt derhalve nergens dat bij het niet verlengen van het mandaat van een korpschef te Brussel, zoals de eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, diens betrekking voorbehouden dient te worden voor kandidaten behorend tot hetzelfde taalstelsel. Bijgevolg dient, wan- neer een eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel zijn mandaat niet ver- lengt, het opengevallen mandaat, conform artikel 43ter, § 3, derde lid, Taalwet Gerechtszaken, voorbehouden te worden aan een kandidaat van een verschillend taalstelsel.
  25. In haar nota antwoordt de verwerende partij dat een mandaat van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel verleend wordt voor een ter- mijn van vijf jaar en in beginsel rechtstreeks eenmaal wordt verlengd. De verlen- ging betreft geen opportuniteitsbeoordeling, maar is een gebonden bevoegdheid van de Koning. Na een termijn van tien jaar dient het mandaat vervolgens door iemand anders te worden ingevuld; iemand anders die behoort tot een ander taal- stelsel. V-1979-9/16 De verwerende partij stelt dat het voortijdig openvallen van het mandaat als bedoeld in artikel 259quater GerW ook de situatie inhoudt waarin de korpschef ervoor kiest na het verstrijken van de eerste mandaattermijn van vijf jaar de uitoefening van het mandaat stop te zetten en het mandaat bijgevolg niet te verlengen voor de gehele periode van tien jaar. Artikel 43ter, § 3, derde lid, Taalwet Gerechtszaken moet in casu bijgevolg niet worden toegepast. Artikel 259quater GerW dient immers in het licht van zijn normdoel te worden geïnter- preteerd, namelijk het garanderen door “taalalternatie” van het taalevenwicht op het niveau van alle verschillende hogere korpschefs te Brussel. De aanvang en het einde van de mandaten van de verschillende korpschefs lopen de facto gelijk. Ter ondersteuning van haar zienswijze citeert de verwerende partij onder meer uit een amendement van de regering op het wetsontwerp „tot wijziging van diverse bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de evaluatie van de magistraten en de mandaten van korpschef en tot wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken‟ (Parl.St. Se- naat 2005-06, nr. 3-1707/2) over de “vier perioden [die worden] onderscheiden tijdens welke een mandaat voortijdig kan worden beëindigd” en in het bijzonder de volgende passus (nadruk door de verwerende partij): “het mandaat kan worden beëindigd in de loop van de twee jaar die voor- afgaan aan het normale einde van het eerste mandaat. In dat geval wordt de titularis van het mandaat vervangen door een lid van de rechtbank be- doeld in artikel 319, tweede lid, tot het verstrijken van de lopende periode van vijf jaar. Deze vervanger wordt niet geëvalueerd. Bovendien wordt, binnen de termijnen bedoeld in artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek, overgegaan tot een oproep aan de kandidaten met het oog op de aanwij- zing van een korpschef van dezelfde taalrol die een mandaat zal uitoefe- nen dat in ieder geval 10 jaar na het begin van het eerste mandaat ten einde zal lopen. Naar dit mandaat kan worden gesolliciteerd door degene die de functies van korpschef heeft uitgeoefend op grond van artikel 319, tweede lid. De aldus aangewezen korpschef zal worden onderworpen aan de evaluaties bedoeld in artikel 259nonies, § 9.” Vanuit de vaststelling dat het normdoel van artikel 259quater, § 6, GerW het garanderen van het taalevenwicht op het niveau van alle verschil- lende korpschefs betreft, is het een logisch gevolg dat onder de woorden „voortij- V-1979-10/16 dig openvalt‟ alle redenen van voortijdige beëindiging begrepen dienen te worden die tot gevolg kunnen hebben dat voormeld evenwicht verstoord wordt. De situa- tie waarbij een korpschef beslist om halverwege, dus na de eerste termijn van zijn of haar mandaat, te stoppen, valt bijgevolg ook onder het uitzonderingsregime. In elke andere interpretatie zou artikel 259quater, § 6, GerW zijn doel niet bereiken en derhalve het principe van het taalevenwicht tussen de verschillende hogere korpschefs in het gedrang komen. Voormeld artikel werd, in het licht van het voorgaande, niet foutief toegepast en artikel 43ter, §3, derde lid, van de Taalwet Gerechtszaken werd niet geschonden. Beoordeling
  26. Artikel 43ter, § 3, van de Taalwet Gerechtszaken luidt: “De Koning waakt ervoor dat het aantal magistraten-leden van het ar- beidshof met zetel te Brussel, zowel in de zetel als bij het parket, die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het doctoraat in de rechten in het Frans hebben afgelegd, en dat van de magistraten-leden van dit hof die bewijzen deze examens in het Nederlands te hebben afgelegd, bepaald wordt met inachtneming van de behoeften van de dienst van het hof. Ten minste een derde van die magistraten moeten het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en de Franse taal. Bovendien moeten de opeenvolgende eerste voorzitters van het arbeids- hof te Brussel, luidens hun diploma, behoren tot een verschillend taalstel- sel. Dit geldt ook voor de opeenvolgende voorzitters van de arbeidsrecht- bank te Brussel.”
  27. Artikel 259quater, § 6, GerW luidt: “Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van artikel 287sexies. Indien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voortijdig openvalt, wordt ar- tikel 287sexies enkel toegepast voor zover de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is van het tijdstip waarop het mandaat openvalt. Indien deze termijn korter is dan twee jaar, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in artikel 319, tweede lid, tweede zin. Indien op het tijdstip waarop een mandaat van federale procureur, van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, van procureur- V-1979-11/16 generaal bij het hof van beroep te Brussel of van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is, wordt artikel 287sexies toe- gepast. Indien op het tijdstip waarop een mandaat bedoeld in het derde lid voor- tijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in artikel 319, tweede lid, tweede zin. Indien de vervanging bedoeld in het vierde lid in de loop van het eerste mandaat gebeurt, wordt artikel 287sexies toegepast voor de toekenning van een mandaat voor de hernieuwingsperiode of voor het resterende deel van deze periode. In geval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het twee- de, derde en vijfde lid, kunnen op straffe van onontvankelijkheid enkel degenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt, zich kandidaat stellen. De duur van het mandaat van degene die met toepassing van het tweede, derde of vijfde lid, tot korpschef wordt aangewezen, wordt in afwijking van § 1 beperkt tot de resterende duur van het mandaat dat voortijdig af- loopt. Indien de aanwijzing in een mandaat bedoeld in het derde lid even- wel gebeurt in de loop van het eerste mandaat, wordt voor de hernieu- wingsperiode § 3bis toegepast.” Artikel 287sexies GerW, waarnaar het geciteerde artikel meer- maals verwijst, regelt de wijze van bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad en de wijze van kandidaatstelling.
  28. De verwerende partij verantwoordt haar beslissing op grond van artikel 259quater, § 6, zesde lid, GerW: enkel zij die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als “de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt”, mogen zich kandidaat stellen en aangezien A.S. Franstalige is, is de vacature voorbe- stemd voor een Franstalige. Voormeld zesde lid verwijst evenwel naar het derde, vierde en vijfde lid van die paragraaf en ziet dus op de vervanging van een korpschef wiens mandaat “voortijdig openvalt” – het zij méér dan wel minder dan twee jaar vóór de normale einddatum ervan. In het laatste geval mag de vervanging gebeuren voor het resterende deel van het mandaat of voor de hernieuwingsperiode. V-1979-12/16
  29. Het mandaat van A.S. is evenwel niet voortijdig opengevallen: zij heeft haar mandaat tot de normale einddatum uitgeoefend. Artikel 259quater, § 6, zesde lid, GerW is bijgevolg niet van toepassing. De mandaatperiode duurt vijf jaar, ze is éénmaal verlengbaar, en nu de betrokkene haar mandaatperiode ook effectief uitdoet, is er van een voortijdige stopzetting van het mandaat geen sprake.
  30. Volgens de verwerende partij druist dit in tegen de bedoeling van de wetgever. Haar betoog kan de Raad evenwel niet overtuigen om voormeld artikel tegen zijn uitdrukkelijke bewoordingen in te interpreteren. De verwijzing van de verwerende partij naar wetgevingsstuk 3-1707/2 waarin vier perioden on- derscheiden worden waarin een mandaat voortijdig kan worden beëindigd, in het bijzonder het tweede streepje, is immers niet relevant. De gegeven voorbeelden betreffen aldaar ook telkens de voortijdige beëindiging van het mandaat vóór de normale einddatum. In casu wordt het mandaat niet voortijdig beëindigd in de loop van de twee jaar die voorafgaan aan het normale einde van het eerste man- daat. Het eerste mandaat wordt immers volledig uitgedaan, of nog, het bereikt zijn normale einde.
  31. De door de verwerende partij verdedigde interpretatie is des te minder bij te vallen omdat uit de parlementaire bespreking blijkt dat ze door de wetgever is afgewezen – meer bepaald is de vermeende bedoeling van de wetge- ver te lezen in een regeringsamendement dat door de wetgever nu net is afgewe- zen. In het ontwerp dat aan de Senaat was voorgelegd, was effectief een regeling voorgesteld die tegemoet kwam aan de huidige zienswijze van de verwerende partij (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/1, 17; de Raad cursiveert): “In geval van een oproep tot de kandidaten overeenkomstig het tweede of derde lid, kunnen op straffe van verval zich enkel de personen kandidaat V-1979-13/16 stellen die beantwoorden aan dezelfde taalkundige voorwaarden als de korpschef van wie het mandaat voortijdig wordt beëindigd of niet is ver- lengd.” Daarop echter heeft de regering haar ontwerp zelf middels een amendement gewijzigd (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1707/2, 4) tot de tekst die de huidige paragraaf 6 is: er is nog enkel sprake van de korpschef “wiens man- daat voortijdig afloopt” en niet meer van de korpschef wiens mandaat “niet is verlengd”. Het is de verantwoording bij dit amendement die de verwerende partij citeert in haar nota. Ook die verantwoording beperkt zich, zoals hiervóór reeds is opgemerkt, tot het onderscheiden van vier perioden “tijdens welke een mandaat voortijdig kan worden beëindigd” en bespreekt niet de (taalalternatie bij de) niet- verlenging ervan. Deze verantwoording leert dus enkel wat reeds in de tekst is te lezen, namelijk dat de vervanger van wie het mandaat voortijdig beëindigt, tot hetzelfde taalstelsel moet behoren en dat bij een eventuele verlenging van het mandaat van die vervanger zijn of haar mandaat in ieder geval tien jaar na het begin van het eerste mandaat ten einde zal lopen.
  32. De Raad kan er niet toe komen om artikel 259quater, § 6, GerW zo te lezen dat het ook van toepassing is op de hernieuwing van het man- daat.
  33. In tegenstelling tot hetgeen in het bekendmakingsbericht wordt vermeld, is er geen sprake van een hernieuwingsperiode, maar van een daadwer- kelijk nieuw mandaat. Het mandaat van A.S. kan niet worden hernieuwd om de vrij eenvoudige reden dat zij geen verlenging ervan vraagt. Het mandaat valt dan open. Met toepassing van artikel 43ter van de Taalwet Gerechtszaken moet de volgende eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, luidens zijn of haar diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel, met andere woorden het Nederlandse. V-1979-14/16
  34. Het middel is gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat een kort debat volstaat om de zaak op te lossen. VII. Vordering tot schorsing
  35. De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoekers ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerleg- ging ervan geen voorwerp meer heeft. BESLISSING
  36. Het verzoek van Marc Dallemagne tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  37. De Raad van State vernietigt de beslissing van de federale overheidsdienst Justitie betreffende de vacante betrekking voor eerste voorzitter van het ar- beidshof te Brussel, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 21 sep- tember
  38. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  39. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing.
  40. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, en een bijdrage van 40 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. V-1979-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 juni 2019, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren V-1979-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.