id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.866 Rolnummer: A. 225544/VII-40316 Zaak: Arrest 244866 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-01 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:22 Fiche Arrest nr 244.866 van 20 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.866 van 20 juni 2019 in de zaak A. 225.544/VII-40.
- In zake : Henri VAN CAUWENBERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Beleyn en Merlijn De Rechter kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE AMBTENAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 Waregem Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0830 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 8 mei 2018 in de zaak 1617/RvVb/0278/A. VII-40.316-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 244.374 van 2 mei 2019 is het debat heropend en zijn de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Beleyn, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Yves François, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bert Van Weerdt, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Bij arrest RvVb/A/1516/1298 van 30 juni 2016 vernietigt de RvVb de beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) waarbij aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend “voor het bouwen van een windpark bestaande uit 3 windturbines en 2 middenspanningscabines” en beveelt aan de GSA een nieuwe beslissing te nemen binnen een vervaltermijn van vier maanden over de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij. VII-40.316-2/6
- Met een besluit van 28 oktober 2016 verleent de GSA opnieuw aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning “voor de bouw van een windpark bestaande uit 3 windturbines en 2 middenspanningscabines”.
- Het bestreden arrest: - verwerpt het eerste, tweede, derde, vijfde en zesde middel en het tweede onderdeel van het vierde middel van verzoeker tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de GSA, en - heropent het debat voor het eerste onderdeel van het vierde middel van verzoeker en stelt een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker legt ter zitting een nota neer.
- Het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) voorziet niet in de mogelijkheid om een nota ter zitting neer te leggen. De nota kan derhalve niet als procedurestuk in aanmerking worden genomen.
- Voor zover dat stuk de neerslag vormt van de uiteenzetting van verzoeker ter terechtzitting, wordt het niet als een procedurestuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. Samenvattende memorie
- Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. VII-40.316-3/6 Beoordeling
- Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie zijn opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan.
- Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van verzoeker niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van het enige middel enkel rekening houden met het in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middel en de eventuele toelichting ervan.
- Verzoeker voert in de memorie van wederantwoord één middel aan waarin hij “aangaande het gebrek aan toetsing aan en de onverenigbaarheid met de in acht te nemen stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften” de schending opwerpt van “artikel 2.2.5 VCRO […] artikel 4.1.1, 1° VCRO […] artikel 4.3.1 VCRO […] het GRUP ‘Leievallei en open ruimte omgeving Kortrijk’ […] artikel 1.1.4 VCRO”.
- In de uiteenzetting van dat ene middel onder de randnummers 6 tot en met 11 komt verzoeker er echter niet toe toe te lichten, laat staan aan te tonen, op welke wijze het bestreden arrest de opgeworpen bepalingen schendt. Verzoeker beperkt zich tot een repliek op de standpunten van de overige partijen. Deze repliek laat niet toe te achterhalen op welke wijze het bestreden arrest volgens verzoeker de aangevoerde bepalingen schendt.
- Verzoeker belet de Raad van State aldus om kennis te nemen van zijn argumenten om cassatieberoep in te stellen tegen het bestreden arrest teneinde overeenkomstig artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit uitspraak te VII-40.316-4/6 doen over de gegrondheid van zijn enige middel dat in de samenvattende memorie moet worden opgenomen.
- Het feit dat het auditoraatsverslag voorstelt om het cassatie- beroep op basis van een beoordeling van het in het inleidende verzoekschrift aangevoerde enige middel gegrond te verklaren, doet niets aan deze vaststelling af.
- Uit het door verzoeker aangehaalde arrest nr. 31517/12 van 18 oktober 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Miessen tegen België kan niet worden afgeleid dat het te dezen toe te passen artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit op zich strijdig is met artikel 6, § 1, EVRM. Verzoeker voert dat ten andere ter zitting ook niet aan.
- Het cassatieberoep wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.316-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.316-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.866 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div