id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.867 Rolnummer: A. 226631/VII-40423 Zaak: Arrest 244867 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-01 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 07:18 Fiche Arrest nr 244.867 van 20 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.867 van 20 juni 2019 in de zaak A. 226.631/VII-40.
- In zake :
- Bernard MARCHANT
- Christine HURBAIN-MARCHANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Scholasse kantoor houdend te 1300 Waver Chemin du Stocquoy 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Jean-Pierre THIRY -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1819/0116 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 25 september 2018 in de zaak 1516/RvVb/0692/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 10 januari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. VII-40.423-1/8 Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Greg Jacobs, die loco advocaat Michel Scholasse verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 14 april 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de heer en mevrouw Marchant-Hurbain een stedenbouwkundige vergunning “voor het regulariseren van afgebroken muren van een fitnesszaal/poolhouse (afbraak en heropbouw)”. 3.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de heer Thiry de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.423-2/8 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De heer en mevrouw Marchant-Hurbain voeren de schending aan van artikel 4.7.19, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges: “Doordat in het bestreden arrest enerzijds wordt gesteld dat de aanplakking, zijnde het in artikel 4.7.19, §2, eerste lid VCRO bedoelde aanplakken van een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, dient te beantwoorden aan een aantal (niet in die bepaling vermelde) bijkomende kwaliteitsvereisten, en daarmee onder meer lijkt te verstaan dat de essentie van het voorwerp van de vergunning in de aanplakking dient te worden weergegeven, en meer bepaald de of alle ‘belangrijke onderdelen’ van (het voorwerp) de vergunning, Terwijl, artikel 4.7.19, §2, eerste lid VCRO stelt dat een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen dient te worden aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, zonder daarbij bijkomende voorwaarden, naar vorm noch naar inhoud voor te schrijven, en terwijl artikel 4.7.19, §2 eerste lid VCRO weliswaar bepaalt dat de Vlaamse Regering, zowel naar de inhoud als naar de vorm, aanvullende vereisten kan opleggen waaraan de aanplakking moet voldoen, doch dat dergelijke aanvullende vereisten nooit door de Vlaamse Regering werden bepaald noch opgelegd, En doordat, de redenering en redengeving van de RvVb lijkt opgehangen te worden aan de dwingende bepalingen van het verdrag van Aarhus, en meer bepaald artikel 9, 3° lid van het verdrag, doch dat in het bestreden arrest geen motief valt te lezen waaruit blijkt waarom de RvVb meent dat de nochtans duidelijke bepaling vervat in artikel 4.7.19, §2, eerste lid VCRO een interpretatie behoeft of noodzakelijk maakt die voorwaarden aan die bepaling toevoegt, Terwijl, krachtens artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het DBRC-decreet alle arresten van een Vlaams bestuursrechtscollege, waaronder de Raad voor Verguningsbetwistingen, met redenen omkleed zijn, Zodat het bestreden arrest aan de aanplakking een aantal bijkomende voorwaarden en/of vereisten oplegt die niet vermeld worden in artikel 4.7.19, §2, eerste lid VCRO, noch in enige ander decretale of reglementaire bepaling, noch in enige verdragsbepaling, en daarmee de aanplakking onderwerpt aan bijkomende voorwaarden die geen wettelijke noch reglementaire grondslag VII-40.423-3/8 hebben, en de voor de RvVb bestreden beslissing vervolgens ten onrechte strijdig acht met hetgeen bepaald in voormelde bepaling”. Zij lichten toe dat het bestreden arrest aanneemt “dat de aanplakking aan bepaalde kwaliteitsvereisten dient te beantwoorden, waaronder [de RvVb] onder meer lijkt te verstaan dat in de aanplakking duidelijk het voorwerp van de aanvraag dient te worden omschreven evenals alle ‘essentiële elementen’ van de aanvraag. […] Concreet komt dit er op neer dat aldus de RvVb de bekendmaking ook een beschrijving dient te bevatten van het voorwerp van de aanvraag, en dat die beschrijving transparant en niet misleidend mag zijn. Daarmee voegt de RvVb een aantal voorwaarden en/of vereisten toe waaraan de aanplakking dient te voldoen, zonder dat daarvoor een wettelijke, noch reglementaire grondslag valt te vinden. [De RvVb] geeft daarmee aan voormelde bepaling een interpretatie en draagwijdte die niet alleen onwettig is, doch die eveneens geen enkele steun vindt in de voorbereidende werken van desbetreffende bepaling. Het bestreden arrest wijkt daarmee af van het eerdere (correcte) standpunt van de RvVb dat de aanplakking (enkel) tot doel heeft kennisgeving te doen van het feit dat de vergunning of een vergunning is verleend (zonder daarbij als bijkomende voorwaarde te eisen dat de aanplakking ook het voorwerp van de verleende vergunning dient te vermelden, laat staan de verschillende of belangrijkste onderdelen daarvan, zoals thans in het bestreden arrest wordt geponeerd). […] Ook het Grondwettelijk Hof heeft meermaals besloten dat de aanplakking een geschikte vorm van bekendmaking is om belanghebbenden op de hoogte te brengen ‘van het bestaan van een vergunningsbeslissing’ […]”. De finaliteit van de aanplakking bestaat er dus enkel in “de belanghebbenden op de hoogte te brengen van het bestaan van een vergunning, zonder daarbij bijkomend op te leggen dat de belanghebbenden daarmee ook kennis zouden moeten krijgen van de verschillende onderdelen en/of aspecten van hetgeen vergund werd. De mededeling van het enkele feit dat een vergunning is verleend […] is trouwens op zich meer dan afdoende om de doelmatigheid van de kennisgeving te garanderen. Het feit dat in dergelijke kennisgeving niet alle vergunde werken worden opgesomd maakt de kennisgeving nog niet misleidend. De RvVb suggereert in het bestreden arrest nochtans het tegendeel. […] Het feit dat er sprake had kunnen zijn van misleiding VII-40.423-4/8 is dan ook eerder het gevolg van het in gebreke blijven van de [heer Thiry], dan van het feit dat het voorwerp van de verleende beslissing mogelijks misleidend werd gelibelleerd. […] Nochtans is de bedoeling van de bekendmaking volgens de letter en de geest van de decreettekst niet te informeren welke werken er zullen worden uitgevoerd, maar wel aan te geven dat er werken zullen worden uitgevoerd. […] De verwijzingen die in het bestreden arrest worden gemaakt naar het Verdrag van Aarhus […] verandert daar niets aan, te meer nu in het bestreden arrest geen motieven worden aangebracht en dus niet te achterhalen valt waarom een strikte en letterlijke (wetsconforme) interpretatie van artikel 4.7.19, § 2, eerste lid VCRO op zich niet reeds zou beantwoorden aan de waarborgen vastgelegd in het Verdrag. In die mate schendt het bestreden arrest trouwens ook de motiveringsverplichting vervat in artikel 149 van de Grondwet en zoals vervat in artikel 32 van het DBRC-decreet. In de mate dat de RvVb daarmee zou willen aangeven dat de aanplakking zoals zij geschiedde, niet voldoende doeltreffend zou zijn geweest in de zin van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus dat uitgaat van het recht ‘op een toegankelijk en doeltreffend rechtsmiddel in milieuaangelegenheden’, geeft [de RvVb] evenmin aan waarom de aanplakking niet doeltreffend zou zijn geweest, of waarom zij geen doelmatige rechtsbescherming verschafte”. Beoordeling
- Luidens de toepasselijke versie van artikel 4.7.19, § 2, eerste lid, VCRO wordt een mededeling “die te kennen geeft dat de vergunning is verleend” door de aanvrager gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt “op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft”. De daartoe gemachtigde Vlaamse regering heeft geen aanvullende vereisten, naar de inhoud of naar de vorm, opgelegd waaraan de aanplakking moet voldoen. Volgens de parlementaire voorbereiding volstaat het “de mededeling dat de vergunning is verleend aan te plakken. Dat is uiteraard veel VII-40.423-5/8 praktischer dan een aanplakking van de volledige beslissing” (Parl.St. Vl.Parl. 2009-2010, nr. 349/13, 13). Aldus volstaat volgens deze decretale bepaling de aanplakking van de mededeling van het feit dat een vergunning is verleend niet, maar moet de aangeplakte mededeling betrekking hebben op de verleende vergunning zelf.
- Het middel gaat terug op de gegrondverklaring van het eerste middel van de heer Thiry waarin wordt gesteld dat: - “[m]en […] niet tot een correcte mededeling ‘die te kennen geeft dat de vergunning is verleend’ [kan] overgaan, zonder dat wordt gespecificeerd over welke vergunning het gaat” en dat “[h]iervoor [...] uiteraard onder meer de datum en het voorwerp van de vergunning [dient] te worden vermeld”; - de bekendmaking op 27 februari 2013 vermeldt “dat op 7 februari 2013 een stedenbouwkundige vergunning werd verleend die betrekking heeft op ‘het uitbreiden en verbouwen van een ééngezinswoning en plaatsen van een openluchtzwembad’”; - “[e]en essentieel deel van het voorwerp van de vergunning van 7 februari 2013, nl. het uitbreiden van de bestaande garage en het wijzigen van het gebruik ervan, […] uit de aanplakking [werd] weggelaten” terwijl het “geen onderdeel uit[maakt] van ‘het uitbreiden en verbouwen van een ééngezinswoning en plaatsen van een openluchtzwembad’”; - de deputatie het administratief beroep tegen de vergunning van 7 februari 2013 stilzwijgend heeft verworpen.
- Het bestreden arrest verklaart dit middelonderdeel van de heer Thiry gegrond met volgende overwegingen: - de bestreden vergunningsbeslissing wijst het administratief beroep van de heer Thiry tegen de vergunning van 7 februari 2013 “als laattijdig en onontvankelijk af […], ook al wordt dat niet geëxpliciteerd”; - een aanplakking als bedoeld in voormeld artikel 4.7.19, § 2, eerste lid, VCRO moet “haar doel […] bereiken, wat intrinsiek al kwaliteitsvereisten inhoudt”; VII-40.423-6/8 - de aanplakking moet niet “exhaustief en gedetailleerd” zijn “maar ze moet wel op een niet misleidende manier de vergunde werken of handelingen weergeven”; - de kwestieuze aanplakking “omschrijft het voorwerp van de vergunning als ‘het uitbreiden en verbouwen van een ééngezinswoning en plaatsen van een openluchtzwembad’” en “maakt geen melding van de vergunde gebruikswijziging van de bestaande garage en uitbreiding met een nieuwe garage”; - de heer Thiry stelt terecht “dat de aanplakking een essentieel onderdeel van de vergunning weglaat” en “liet niet vermoeden dat de beslissing ook betekent dat het bijgebouw in de nabijheid van de perceelgrens met de [heer Thiry] uitgebreid zou worden en een functiewijziging zou ondergaan, temeer daar de aanplakking de aanleg van het openluchtzwembad wel vermeldde”; - de deputatie die “stelt dat de aanplakking wel de essentie van de vergunning weergeeft en dat de uitbreiding van de garage een randgegeven in het geheel van de aanvraag is […] ziet […] over het hoofd dat de vergunning van 7 februari 2013 […] wel degelijk de gebruikswijziging van garage naar pool house en fitnessruimte inhoudt”; - de stelling van de heer en mevrouw Marchant-Hurbain “dat de aanplakking haar doel bereikt heeft” overtuigt niet omdat “[i]n verhouding tot het geheel van de vergunde werken […] de uitbreiding en de functiewijziging van het bijgebouw een belangrijk onderdeel van de vergunning te noemen” is en “de vergunningsbeslissing van 7 februari 2013 niet door een openbaar onderzoek over de aanvraag voorafgegaan werd”.
- Door aldus te beslissen is het bestreden arrest naar eis van recht gemotiveerd en schendt het niet artikel 4.7.19, § 2, eerste lid, VCRO.
- Het middel wordt verworpen. VII-40.423-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.423-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.867 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div