← België

Arrest 244905 - Media - 20/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.905 Rolnummer: A. 223794/IX-9182 Zaak: Arrest 244905 - Media - 20/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 07:19 Fiche Arrest nr 244.905 van 20 juni 2019 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.905 van 20 juni 2019 in de zaak A. 223.794/IX-9182 In zake: de VZW RADIO CLUB FM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Lesaffer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV B.G. - CONSULTING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 november 2017, strekt tot de nie- tigverklaring van het ministerieel besluit van 15 september 2017 „houdende de erkenning als netwerkradio-omroeporganisatie van B.G. - Consulting, Naamloze vennootschap voor frequentiepakket netwerkradio-omroeporganisatie 4 – Ander profiel 2‟. IX-9182-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 240.815 van 26 februari 2018 is de vordering tot schorsing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State‟. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoekschrift ingediend dat strekt tot de toepassing van artikel 14ter van de wet- ten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De verzoekende partij heeft schriftelijke opmerkingen doen gelden en heeft een verzoekschrift ingediend dat strekt tot de toepassing van de artikelen 35/1 en 36, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. De verwerende partij heeft schriftelijke opmerkingen doen gel- den. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 93, tweede lid, van het besluit van de Re- IX-9182-2/11 gent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei
  5. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Christiaan Lesaffer, die verschijnt voor de verzoe- kende partij, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat het bedrag van de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 16 mei 2017 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een op- roep tot kandidaatstelling voor erkenning als netwerkradio-omroeporganisatie. Op 15 september 2017 beslist de Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel dat de nv B.G.-Consulting “wordt erkend als netwerkra- IX-9182-3/11 dio-omroeporganisatie voor frequentiepakket netwerkradio-omroeporganisatie 4 – Ander profiel 2”. Dit is het bestreden besluit. 3.
  8. Bij arrest nr. 242.804 van 25 oktober 2018 vernietigt de Raad van State het besluit van de Vlaamse regering van 21 april 2017 „houdende bepa- ling van het aantal particuliere landelijke, regionale, netwerk- en lokale radio- omroeporganisaties dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale, netwerk- en lokale radio- omroeporganisaties‟ (hierna: het frequentiebesluit). 3.
  9. Op 29 maart 2019 neemt de Vlaamse regering een nieuw be- sluit „houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale, net- werk- en lokale radio-omroeporganisaties dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale, net- werk- en lokale radio-omroeporganisaties‟. Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 april 2019 en treedt diezelfde dag in werking. 3.
  10. Bij ministerieel besluit van 5 april 2019 wordt het thans bestre- den besluit opgeheven omdat het, aldus is te lezen in de considerans van het op- heffingsbesluit, “niet langer over de wettelijk vereiste rechtsgrond beschikt voor wat betreft de toegekende frequentie” en “het dus aangewezen is het besluit dat niet meer over de vereiste rechtsgrond beschikt uit de rechtsorde te verwijderen”. Bij een ander ministerieel besluit van dezelfde datum wordt de tussenkomende partij opnieuw erkend als netwerkradio-omroeporganisatie voor frequentiepakket netwerkradio-omroeporganisatie 4 – Ander profiel
  11. IX-9182-4/11 IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen 4.
  12. De tussenkomende partij werpt in haar memorie op dat ver- zoekster niet over de procesbekwaamheid beschikt, zoals bepaald in artikel 3, § 1, van de wet van 27 juni 1921 „betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen‟ (hierna: vzw-wet). Verzoekster legt geen enkel stuk voor waaruit blijkt dat zij rechtspersoonlijkheid heeft verworven. 4.
  13. Daarnaast heeft zij volgens de tussenkomende partij geen be- lang bij het beroep omdat zij slechts op de derde en laatste plaats staat gerang- schikt.
  14. Op de terechtzitting werpt de verwerende partij op dat het be- roep zijn voorwerp heeft verloren en doelloos is geworden, ingevolge de tussen- gekomen opheffing bij ministerieel besluit van 5 april
  15. Beoordeling
  16. In het auditoraatsverslag is te lezen: “Uit het administratief dossier blijkt dat de in artikel 3, § 1, eerste lid, vzw-wet aangeduide documenten zijn neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel en deze werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.” Op de terechtzitting weerspreekt de tussenkomende partij deze vaststelling niet. De exceptie, afgeleid uit een schending van de vzw-wet, mist feitelijke grond. IX-9182-5/11
  17. De rangschikking van de kandidaten is niet bindend. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van de bevoegde overheid is de vaststelling dat verzoekster als derde is gerangschikt geen voldoende reden om haar ab initio belang te ontzeggen bij het beroep; na een nietigverklaring heeft zij immers een nieuwe kans om een erkenning te verkrijgen. Dat het frequentiebesluit ondertus- sen is vernietigd doet niet anders besluiten.
  18. Een opheffing geldt enkel voor de toekomst. Dat het beroep geen voorwerp meer heeft, is dan ook een on- juiste gevolgtrekking. Ingevolge de nietigverklaring van het frequentiebesluit kan verzoekster niet meer hopen om nog een erkenning te krijgen op grond van dat besluit. Dit neemt niet weg, dat het bestreden besluit – en de eruit blijkende wei- gering om verzoekster te erkennen – tot aan de datum van zijn opheffing uitwer- king heeft gehad en dat verzoekster de toepassing en de gevolgen ervan heeft moeten ondergaan. De verwerende partij toont niet aan dat verzoekster aan de ge- vorderde nietigverklaring geen enkel voordeel meer kan ontlenen; het is in dit verband des te opvallender dat zij in de considerans van het opheffingsbesluit aanneemt dat het thans bestreden besluit “uit de rechtsorde te verwijderen [is]” – wat op een intrekking alludeert – maar het vervolgens enkel opheft en er dus zelf ook voor kiest om de rechtsgevolgen ervan overeind te houden. Daar voegt zich nog aan toe dat zij vervolgens opnieuw dezelfde erkenning aan dezelfde begun- stigde verleent en zulks zonder nieuwe oproep of onderzoek van dossiers, maar louter op grond van de onder de toepassing van het vernietigde frequentiebesluit geformuleerde rangschikking, wat evenmin van aard is om te concluderen tot een verloren belang. IX-9182-6/11
  19. Uit wat voorafgaat volgt dat de excepties niet worden aange- nomen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  20. Het eerste middel is genomen uit “de schending van artikel 1.1, artikel 5.5, artikel 7 van de Machtigingsrichtlijn, artikel 6 van de Kaderrichtlijn, eveneens genomen uit de schending van de formele motiveringsplicht als begin- sel van behoorlijk bestuur en de bepalingen van de artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit steunt op een onwettig frequentiebesluit en dus geen deugdelijke rechtsgrond heeft.
  21. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoekster bij het middel: meedoen aan een procedure om een erken- ning te verkrijgen verdraagt zich volgens haar niet ermee om dan te beweren dat die procedure zelf onwettig is. Beoordeling
  22. Nog daargelaten dat de onbevoegdheid van de steller van de akte een middel is waarbij blijkens artikel 14, § 1, tweede lid, RvS-Wet geen be- lang moet worden aangetoond, heeft verzoekster belang bij dit middel. Een nieuw frequentiebesluit kan haar immers een nieuwe kans bieden op een erkenning. Het middel is ontvankelijk.
  23. Dat het middel ook gegrond is, wordt niet meer betwist. Bij arrest nr. 242.804 van 25 oktober 2018 is het frequentiebesluit immers vernietigd. IX-9182-7/11 Het auditoraat heeft dan ook terecht voorgesteld om deze zaak met een kort debat af te doen. VI. Toepassing artikel 14ter RvS-Wet – handhaving van de gevolgen Verzoeken
  24. De verwerende partij vraagt “dat de tussenkomende partij ver- der kan genieten van de rechten die voortvloeien uit het desgevallend […] vernie- tigde besluit totdat het nieuwe reglementaire frequentiebesluit is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad”. De tussenkomende partij merkt op dat het onredelijk zou zijn om haar uitzendrechten “met onmiddellijke ingang te doen stopzetten” en zij vraagt dat zij “verder kan genieten van de rechten die voortvloeien uit het desge- vallend […] vernietigde Besluit tot dat het nieuwe reglementaire frequentiebesluit is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en de beslissingen over de erkenningen aan de kandidaten ter kennis zijn gebracht”. Beoordeling
  25. De verwerende partij en de tussenkomende partij beogen aldus te vermijden dat de tussenkomende partij na een nietigverklaring en in afwach- ting van een nieuw reglementair frequentiebesluit haar activiteiten als netwerk- radio-omroeporganisatie zou moeten stopzetten. De verwerende partij gaat er – al dan niet terecht – van uit dat de bekendmaking van het nieuwe frequentiebesluit volstaat om dit te verhelpen. De tussenkomende partij nuanceert en wenst ook de kennisge- ving van “de beslissingen over de erkenningen” af te wachten. IX-9182-8/11
  26. Sinds het neerleggen van haar verzoek tot handhaving van de gevolgen heeft de verwerende partij echter niet stilgezeten. Het “nieuwe reglementaire frequentiebesluit” is ondertussen gepubliceerd, in het Belgisch Staatsblad van 4 april
  27. Met een brief van 9 april 2019 zijn vervolgens “de beslissingen over de erkenningen aan de kandidaten ter kennis […] gebracht”.
  28. Voor een beoordeling van hun verzoeken, volstaat thans dan ook de feitelijke vaststelling dat de tussenkomende partij bij ministerieel besluit van 5 april 2019 opnieuw is erkend en haar activiteiten dus voortzet op grond van die erkenning en de daaraan gekoppelde zendvergunning. De verwerende partij heeft met dit nieuwe erkenningsbesluit zelf reeds het gevreesde gevolg van de nietigverklaring vermeden. Er is hoe dan ook geen reden meer om nog te bevelen dat de tussenkomende partij haar rechten “verder kan genieten” op grond van de bestre- den erkenning, aangezien zij thans over een nieuwe erkenning beschikt.
  29. Op de terechtzitting brengen de partijen de gevraagde handha- ving van de gevolgen ook in verband met mogelijke vorderingen tot schadever- goeding. Het volstaat vast te stellen dat dit vreemd is aan het verzoek om “verder te genieten” van de vernietigde erkenning zoals geformuleerd in hun respectieve- lijke verzoekschriften, wat duidelijk enkel in een toekomstperspectief is bedoeld en dat in die verzoeken geen enkele concrete redenering of bewijsvoering is uit- eengezet in verband met schadevergoedingen. Deze argumentatie is bijgevolg hoe dan ook laattijdig en niet in te passen in de verzoekschriften. IX-9182-9/11 VII. Verzoek toepassing artikel 35/1 en artikel 36, § 1, RvS-Wet
  30. Op de terechtzitting doet verzoekster afstand van haar vraag om toepassing van artikel 35/1 en artikel 36, § 1, RvS-Wet. BESLISSING
  31. De Raad van State vernietigt het ministerieel besluit van 15 september 2017 ‘houdende de erkenning als netwerkradio-omroeporganisatie van B.G. - Consulting, Naamloze vennootschap voor frequentiepakket netwerk- radio-omroeporganisatie 4 – Ander profiel 2’.
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-9182-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 juni 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9182-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.905 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.