id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.924 Rolnummer: A. 227423/IX-9505 Zaak: Arrest 244924 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-02 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:15 Fiche Arrest nr 244.924 van 24 juni 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 244.924 van 24 juni 2019 in de zaak A. 227.423/IX-9505 In zake: Dirk LONCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1000 Brussel Emile De Motlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 februari 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 23 november 2018 van de voorzitter ad interim van het directiecomité van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking waar- bij de eindvermelding ‘te verbeteren’ van Dirk Loncke voor de evaluatieperiode van 19 februari 2017 tot 31 december 2017 wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9505-1/9 Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Manoël De Keukelaere, die tevens loco advocaat Jérôme Sohier verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurens De Brucker, die loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is ambtenaar van de buitenlandse carrière bij de fe- derale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikke- lingssamenwerking (hierna: de FOD Buitenlandse Zaken). Bij koninklijk besluit van 17 april 2016 is hij aangesteld als ambassadeur van België in Brazilië. 3.
- Van 2 tot 4 oktober 2017 wordt er in de ambassade van België in Brazilië een inspectie uitgevoerd door twee ambtenaren van de FOD Buitenlandse Zaken. IX-9505-2/9 In het inspectieverslag wordt gesteld dat de post met een dyna- mische ploeg zeer goed functioneert, maar ook dat de leiding van de post erg leed onder een alcoholprobleem van het posthoofd dat moeilijkheden en onrust bij de medewerkers heeft teweeggebracht en een negatieve invloed heeft gehad op de kwaliteit en kwantiteit van de activiteiten van de betrokkene. Luidens het verslag is verzoeker gewezen op de mogelijke gevolgen, namelijk de terbeschikkingstelling van de post in de zomer van
- 3.
- Op 17 november 2017 formuleert verzoeker zijn opmerkingen bij het voormelde inspectieverslag. Hij stelt met “ontsteltenis” vast dat er melding wordt gemaakt van een alcoholverslaving in zijnen hoofde. Hij betwist dit ten stelligste en maakt gewag van “vage geruchten” en “lasterlijke uitlatingen”. Hij wijst erop dat er “in het verleden nooit een formeel verwijt in die zin [is] gefor- muleerd” en dat bij zijn onderhouden met de inspectie ook “geen enkele aandacht besteed werd aan dit aspect”. 3.
- Op 12 maart 2018 wordt aan verzoeker voor de evaluatieperiode van 19 februari 2017 tot 31 december 2017 de eindvermelding “[t]e verbeteren” toegekend. De motivering luidt: “Prestatiedoelstellingen De prestatiedoelstellingen werden behaald. Tevredenheid van het Departement over de rapportering. Adequaat gebruik van de residentie en de actieve representatie. Goede samenwerking met de Consulaten-generaal in Rio en Sao Paulo en de gewestelijke vertegenwoordigers. Ontwikkelingsdoelstellingen Het objectief van aanleren van de Portugese taal werd niet behaald. Er werden geen intensieve taallessen gevolgd. Beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst Economische diplomatie: uw beschikbaarheid op dit vlak wordt gewaardeerd. Bijdrage aan de teamprestaties Op basis van inhoudelijke en concrete gesprekken – o.a. gedurende de post- inspectie (oktober 2017) – cfr. verslag van de postinspectie, pagina’s 3, 4, 5 en 10 – stel ik vast dat Uw doelstellingen mbt de bijdrage aan de teamprestaties IX-9505-3/9 niet behaald werden en dat het niet-nakomen van dit criterium van dien aard is dat het goed werking van de Post ernstig schaadt. Cfr. KB van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal open- baar ambt, art. 14, § 1: ‘De bijdrage tot de teamprestaties wordt beoordeeld als een verzwarend of verzachtend element. Ze kan echter op zich de vermelding ‘te verbeteren’ rechtvaardigen als het niet-nakomen van dat criterium van dien aard is dat het de goede werking of het imago van de dienst ernstig schaadt. Als het personeelslid echter het voorwerp is van een tuchtprocedure voor feiten die dat domein be- treffen, mag hier met die feiten geen rekening worden gehouden.[’] Kwaliteit van de evaluaties De evaluaties verlopen zonder probleem. Naleven van de termijnen voor de evaluaties De termijnen worden nageleefd.” 3.
- Op 5 april 2018 stelt verzoeker tegen de toekenning van de voormelde evaluatievermelding een beroep in bij de interdepartementale be- roepscommissie inzake evaluatie. 3.
- Op 16 oktober 2018 adviseert de voornoemde beroepscommissie met unanimiteit om de eindvermelding ‘te verbeteren’ niet te behouden en de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ toe te kennen. De beroepscommissie overweegt onder meer: “dat [zij] op de zitting en uit het dossier kan afleiden dat de eindvermelding in hoofdzaak werd toegekend omwille van een al dan niet vermeend alcohol- probleem; dat dit probleem wordt vermeld in het Postinspectieverslag, dat hiervoor echter geen bewijzen aanvoert; dat ook het evaluatiedossier geen be- wijzen bevat van het probleem; dat de Beroepscommissie zich afvraagt waarom – als er sprake zou zijn van een probleem – dan de diensten van alcohol- en drugspreventiebeleid niet werden ingeschakeld door de stafdienst P&O; dat de Beroepscommissie verder vaststelt dat het Postinspectieverslag lovend is over de werking van de Post, en de inbreng van de geëvalueerde daarin; […] dat het evaluatieverslag aantoont dat de geëvalueerde het overgrote deel van de prestatiedoelstellingen heeft behaald, over de competenties beschikt die noodzakelijk zijn om zijn functies op een bevredigende wijze uit te voeren en beschikbaar is geweest voor de gebruikers van de dienst; dat, in toepassing van art. 13 Evaluatiebesluit, de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ kan worden toegekend.” IX-9505-4/9 3.
- Met een brief van 23 november 2018 deelt de voorzitter ad in- terim van het directiecomité van de FOD Buitenlandse Zaken aan verzoeker mee dat hij “op basis van de elementen die in het evaluatiedossier werden weerhouden” heeft besloten “de eindvermelding ‘te verbeteren’ te bevestigen”. Dit betreft de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie betreffende de laattijdig- heid van het beroep uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid
- Verzoeker zet de spoedeisendheid van zijn vordering als volgt uiteen in zijn inleidend verzoekschrift: “Het beroep is spoedeisend in de mate dat de bestreden beslissing een ern- stige smet werpt op het blazoen van verzoeker en dat verzoeker allicht voor het einde van de gewone proceduretermijnen zijn pensioen zal moeten nemen. Verzoeker is thans 62 jaar. IX-9505-5/9 Voor het eerst in zijn lange carrière kreeg hij op 12 maart 2018 een beoor- deling ‘te verbeteren’. De bestreden beslissing is echter manifest onwettig en tast op zeer ernstige wijze de reputatie aan van verzoeker en dit net op het einde van zijn mooie carrière in de Belgische diplomatie ... Bij gebrek aan een versnelde procedure zal hij bijgevolg zeer waarschijnlijk niet kunnen genieten van de gevolgen van een eventuele vernietiging. Het risico bestaat dus dat er bij gebrek aan schorsing ernstige en blijvende morele schade zal worden veroorzaakt door de bestreden beslissing.” Ter terechtzitting preciseert hij dat hij “einde juni 2021” op pensioen zal moeten gaan. Volgens hem rijst de vraag of vóór die datum een arrest zal worden uitgesproken over het beroep tot nietigverklaring. Beoordeling
- Zoals hiervóór sub 5 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Luidens artikel 17, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Voor een verzoekende partij bij de Raad van State die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wach- ten, komt het dan ook erop aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit betekent dat het aan deze partij toevalt om in haar inleidend verzoekschrift specifieke gegevens bij te brengen, betrokken op de omstandigheden van haar zaak, die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor IX-9505-6/9 haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
- Voorts kan krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de voor- noemde gecoördineerde wetten een schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wet- gever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere ge- beurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingesteld, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State).
- Verzoeker schrijft de spoedeisendheid van zijn vordering toe aan het feit dat de bestreden beslissing “een ernstige smet werpt op het blazoen”, nu hij “[v]oor het eerst in zijn lange carrière” en “net op het einde van zijn mooie carrière in de Belgische diplomatie” een beoordeling ‘te verbeteren’ krijgt, waardoor op “zeer ernstige wijze” zijn reputatie wordt aangetast. Hij voegt eraan toe “[b]ij gebrek aan een versnelde procedure [...] zeer waarschijnlijk niet [te] kunnen ge- nieten van de gevolgen van een eventuele vernietiging”. Verzoeker roept aldus een louter moreel nadeel in. Een dergelijk nadeel kan evenwel in beginsel worden goedgemaakt door de genoegdoening die hem kan worden verschaft door een eventueel vernietigingsarrest. IX-9505-7/9 Voor zover verzoeker met de verwijzing naar zijn leeftijd van 62 jaar en met de vermelding dat hij bij gebrek aan een versnelde procedure zeer waarschijnlijk niet zal kunnen “genieten van” de gevolgen van een eventuele ver- nietiging, een uitzonderlijke omstandigheid beoogt in te roepen die de Raad van State ertoe zou nopen in zijn geval anders te oordelen, refereert hij aan de moge- lijke duur van de annulatieprocedure. Daargelaten of, zoals verzoeker vreest, het niet mogelijk zou zijn over zijn beroep tot nietigverklaring uitspraak te doen vóór “eind juni 2021”, moet worden opgemerkt dat die vrees alleszins voorbarig is en daarom de spoedeisendheid van zijn huidige vordering niet kan verantwoorden, temeer daar zoals zo-even vermeld, een verzoekschrift tot schorsing kan worden ingediend “op elk moment” en een nieuwe vordering mag worden ingesteld indien ze steunt op nieuwe elementen. Voor zover verzoeker in zijn uiteenzetting doet gelden dat de bestreden beslissing “manifest onwettig” is, moet dan weer worden opgemerkt dat de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing als zodanig niet kan vol- staan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsings- voorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsings- voorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Met zijn opvatting dat de bestreden beslissing “manifest onwettig” is, toont verzoeker derhalve nog niet aan dat er in zijn geval sprake is van spoedeisendheid.
- De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voor- waarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd. IX-9505-8/9 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 juni 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9505-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.924 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div