id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.925 Rolnummer: A. 214154/IX-8530 Zaak: Arrest 244925 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 24/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Arrest nr 244.925 van 24 juni 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.925 van 24 juni 2019 in de zaak A. 214.154/IX-8530 In zake: Kurt HOUF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van der Gucht en Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34-36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27 B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- Siska CROUBELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen
- Sylvie DAMINET
- Jeroen DEWULF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederick Bruloot kantoor houdend te 8820 Torhout Bassinstraat 1 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-8530-1/16 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 12 september 2014 tot bevordering tot hoogleraar van H.F., Siska Croubels, Sylvie Daminet en Jeroen Dewulf. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.382 van 12 oktober 2017 is het debat hero- pend. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partijen hebben een aanvullende memorie ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een aanvullend verslag op- gesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 mei
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Frederick IX-8530-2/16 Bruloot, die verschijnt voor de tweede en de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is hoofddocent in de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent. Hij is, onder anderen, kandidaat in het kader van de zogenaam- de gecontingenteerde bevorderingsronde
- De raad van bestuur van de universiteit beslist op 12 september 2014 conform het advies van de beoordelingscommissie en de voordracht door de faculteit om H.F., S. Croubels, S. Daminet en J. Dewulf met ingang van 1 oktober 2014 te bevorderen tot voltijds hoogleraar. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De tweede en de derde tussenkomende partij onderzoeken en bespreken in hun toelichtende memorie de ontvankelijkheid van de beide aange- voerde middelen in relatie tot hun eigen bevordering. Zij besluiten dat verzoeker geen belang heeft bij de middelen, minstens niet wat hun bevordering betreft, zodat het beroep in zijn geheel niet ontvankelijk is of opnieuw minstens waar het hun bevordering betreft. IX-8530-3/16 4.
- Deze exceptie behoeft geen nader afzonderlijk onderzoek. Ze hangt immers samen met het onderzoek van de aangevoerde middelen, waarvan hierna zal blijken dat ze hoe dan ook worden verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artike- len 2 en 3 van de wet 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Verzoeker zet in het inleidend verzoekschrift die aange- voerde schending van de formelemotiveringsplicht uiteen als volgt: “Uit de bestreden beslissing van de raad van bestuur van 12 september 2014 blijkt duidelijk geen enkele motivering waarom de vier uiteindelijk bevorderde kandidaten werden weerhouden ten opzichte van de andere kandidaten. De beslissing vermeldt enkel de stemming, met name 23 stemmen voor en 1 stem tegen. Het resultaat van een stemming kan evenwel niet worden weerhouden als een afdoende motivering. Op geen enkele wijze werd ook aangegeven waarom niet kon tegemoet gekomen worden aan de herhaaldelijk door de verzoekende partij geuite bezwaren. Dit gebeurde evenmin door de Commissie gecontingenteerde bevorderin- gen of door de faculteitsraad in hun aan de bestreden beslissing ten grond- slag liggende voorafgaande beslissingen. Wat de zwaarteafweging van de taken van de verzoekende partij als audi- tor bij BELAC betreft werd nooit gemotiveerd waarom dit niet als een zware taak kon beschouwd worden. Integendeel in de laatste beslissingen, waar de kandidatuur van de verzoekende partij in de voorgaande nota be- ne weerhouden werd, werd eenvoudig het standpunt gehuldigd dat de be- slissing over de zwaarteafweging reeds genomen was, en niet meer als een materiële vergissing kon beschouwd worden. Dit terwijl dezelfde commissie, en met haar de faculteitsraad, m.b.t. ande- re kandidaten taken overhevelde van de rubriek ‘onderwijs’ naar ‘dienst- verlening’ en t.a.v. één bepaalde kandidaat die taak zelfs als middelzwaar quoteerde. Een en ander geldt a fortiori ten aanzien van de opmerkingen van de ver- zoekende partij aangaande de taak in het dossier van Prof. Dr. Siska Croubels, welke minstens formeel eerst aanving buiten de referentieperio- IX-8530-4/16 de. Daaromtrent werd enkel geargumenteerd dat er in het laatste kwartaal van 2013 reeds veel voorbereidende activiteiten zouden hebben plaats ge- vonden. Een argument dat bezwaarlijk als afdoende kan beschouwd wor- den, enerzijds gelet op het verslag van de facultaire commissie weten- schappelijk onderzoek met daarin de werkelijke datum van de kennisname van de noodzaak om een nieuwe persoon aan te duiden, zijnde 13 decem- ber 2013 en voordracht van Prof. Dr. Croubels op 20 december 2013, en anderzijds vermits zelfs de eigen ombudsdienst van de verwerende partij terecht opmerkt dat dan bezwaarlijk objectief te bepalen valt waar de pe- riode precies wordt afgebakend.”
- In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe “dat ook in de aan de bestreden beslissing voorafgaande beslissingen en ver- slagen op geen enkele wijze werd aangegeven waarom niet kon worden tegemoet gekomen aan de herhaaldelijk door hem geuite bezwaren”. Het verweer dat het ZAP-reglement niet voorziet in een be- roepsmogelijkheid tegen de beslissing van de bevorderingscommissie of van de faculteitsraad, zodat er ook geen verplichting zou bestaan om te motiveren waar- om met de door de kandidaat aangehaalde argumenten geen rekening werd ge- houden, noemt verzoeker niet relevant, daar de verwerende partij de kandidaten zelf om opmerkingen heeft verzocht. Wat de inschatting betreft van zijn taken als auditor voor BEL- AC – een accreditatiebureau voor laboratoria, keurings- en certificatie- instellingen – blijkt uit de verslagen wel dat de commissie en dus met haar de faculteitsraad, van oordeel was dat de opmerkingen van verzoeker niet werden aangenomen, doch blijkt geenszins waarom. Verzoeker moet dienaangaande vast- stellen dat zijn taak als BELAC auditor nooit als een aparte taak is opgenomen, terwijl dit wel het geval was voor taken van andere kandidaten: “WHO” bij kan- didaat R., gerechtelijk expert bij kandidaat O., “GLP-labo” bij kandidaat S. Crou- bels. Waarom voor deze taken wel een aparte rubriek werd gemaakt en niet voor de taak van verzoeker als BELAC auditor, wordt nergens duidelijk gemaakt. Er zijn trouwens na de oproep van de decaan betreffende even- tuele materiële vergissingen ook nog aanpassingen gemaakt in de toekenning van IX-8530-5/16 taken, vermits kandidaat S. nadien een punt voor de taak van gerechtelijk expert toegewezen heeft gekregen. Er wordt derhalve nergens gemotiveerd waarom de ene op- dracht niet als een aparte taak kan worden aangezien en punten opleveren en an- dere opdrachten wel. Dit heeft nochtans verstrekkende gevolgen in de rangschik- king van de kandidaten. Verzoeker werd immers driemaal bij de in aanmerking te nemen kandidaten geklasseerd. Pas nadat men aanpassingen van de taken is be- ginnen maken, werd verzoeker op de zesde plaats geklasseerd. Wanneer in dergelijk geval nergens wordt aangegeven waarom de ene taak wel apart wordt opgenomen in het dossier van een kandidaat en een andere taak niet en al evenmin wordt aangegeven op welke wijze de zwaarte- inschatting van een taak wordt verantwoord, kan volgens verzoeker enkel gecon- cludeerd worden dat de noodzakelijke motivering volkomen ontbreekt.
- In zijn aanvullende memorie stelt verzoeker dat uit stuk 25 van het administratief dossier blijkt dat S. Daminet bij brief van 27 mei 2014 bezwa- ren heeft geformuleerd aangaande het feit dat bij de beoordeling van het aspect ‘dienstverlening’ geen of onvoldoende rekening werd gehouden met de in haar bevorderingsdossier vermelde taak als “coördinator van het programma roterend internship KHD”. Met deze opmerkingen heeft de verwerende partij wel rekening gehouden. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt niet waarom met de bezwaren van de ene kandidaat rekening werd gehouden en met de andere niet.
- Ook in zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat hij in zijn bezwaarschrift van 10 juni 2014 opmerkingen gaf op het feit dat met zijn taak als auditor van BELAC totaal geen rekening werd gehouden. Noch in het verslag van de vergadering van de faculteitsraad, noch in de uiteindelijke beslissing van de raad van bestuur wordt hiervoor een motivering gegeven. IX-8530-6/16 Hij blijft ook bij het standpunt dat wanneer een bestuur aan de kandidaten voor een bevordering vraagt om opmerkingen te formuleren over de materiële correctheid van hun beoordelingsdossier, deze kandidaten mogen ver- wachten dat door dat bestuur vervolgens wordt gemotiveerd waarom met deze opmerkingen geen rekening wordt gehouden. Vooral als blijkt dat met de opmer- kingen van bepaalde andere kandidaten wel rekening werd gehouden, zelfs in die mate dat de initiële rangschikking van de kandidaten hierdoor ingrijpend werd gewijzigd en dat met betrekking tot de opmerkingen van andere kandidaten wel wordt gemotiveerd waarom deze al dan niet werden weerhouden. Beoordeling
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de raad van bestuur het voorstel van de faculteitsraad van 11 juni 2014 aanneemt. Blijkens dit voorstel van de faculteitsraad neemt deze op zijn beurt het advies van de bevorderingscommissie van 4 juni 2014 over. Bij die do- cumenten zijn de evaluaties voor de benoemingscriteria ‘dienstverlening’, ‘on- derwijs’ en ‘onderzoek’ gevoegd. Voormelde voorstellen zijn als bijlage bij de bestreden beslissing opgenomen, samen met de methodologie die gehanteerd is bij de weging van de verschillende criteria. Verzoeker betwist niet dat hij kennis had van deze omstandige documenten – immers in het tweede middel geeft hij er inhoudelijke kritiek op. Dat de bestreden beslissing dan zelf niet nogmaals een uitdruk- kelijke neerslag bevat van die bijgevallen adviezen, heeft verzoeker geen nadeel opgeleverd.
- Aan de kandidaten is de mogelijkheid gegeven om “materiële vergissingen” aan de commissie te signaleren. De commissie heeft over die mo- gelijkheid het volgende genotuleerd: IX-8530-7/16 “De voorzitter wijst er op dat er geen duidelijkheid bestaat over het begrip ‘materiële vergissing’. De kandidaten vermelden als materiële vergissing enerzijds vergeten/foutieve zaken en anderzijds een verkeerde inschatting van de zwaarte van bepaalde taken; de commissie is unaniem van oordeel dat enkel vergeten/foutieve zaken geformuleerd in en door de commis- sie/subcommissies kunnen weerhouden worden. Tevens wijst de voorzit- ter erop dat, indien een materiële vergissing zou opgetreden zijn bij één kandidaat, grondig dient nagekeken te worden of bij de andere kandidaten geen gelijkaardige vergissing werd gemaakt.” Het gegeven dat de kandidaten de gelegenheid is gegeven om vergissingen te signaleren en dat zij om feitelijke rechtzettingen kunnen vragen, houdt geen georganiseerde bezwaarprocedure in. Met betrekking tot het verwijt dat niet is geantwoord op verzoekers opmerkingen, stelt de verwerende partij dan ook terecht dat de formelemotiveringsplicht als bedoeld bij de wet van 29 juli 1991 in wat een benoemingsprocedure is, zo ver niet reikt en dat ook het ZAP- reglement geen voorschriften in die zin bevat. Dat met sommige opmerkingen rekening is gehouden en met andere niet roept voorts ook geen bijzondere motiveringsplicht in het leven. Louter ten overvloede, zij vastgesteld dat verzoeker in de do- cumenten kon lezen dat met zijn opmerking geen rekening meer is gehouden om- dat ze niet als een rechtzetting van een “materiële vergissing” werd aangezien, zoals de commissie die begreep. Hij kon daaruit ook begrijpen dat de commissie van oordeel was de bedoelde taken met kennis een appreciatie te hebben toebe- deeld waarop zij meende niet te moeten terugkomen. Verzoeker vergist zich ook, als hij van het bestuur verwacht dat het in de beslissing niet enkel de criteria weergeeft en de gevolgde methodologie, maar daarenboven ook een verantwoording van haar gedachtegang om zijn taken niet op de door hem gewenste manier in te schalen. Verzoeker weet uit de bestre- den beslissing hoe zijn taken als auditor BELAC en de taken van zijn concurren- ten door de verwerende partij zijn ingeschaald als ‘minder zwaar’, ‘middelmatig’ of ‘zwaar’. Of die inschaling correct is, is geen zaak van formele- maar wel van IX-8530-8/16 materiëlemotiveringsplicht. Met andere woorden, indien verzoeker meent dat aan een bepaalde taak te weinig of aan een andere taak te veel gewicht is gegeven, is dat een kwestie van materiële motivering en niet van formele motivering.
- Voor zover verzoeker kritiek heeft op de inschaling van de ta- ken van de eerste tussenkomende partij, komt dit ter sprake bij het tweede mid- del. Ook die kritiek is immers vreemd aan de in het eerste middel aangevoerde formelemotiveringsplicht, maar betreft de vraag naar de deugdelijke materiële grondslag van de beslissing.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artike- len 10 en 11 van de Grondwet en “van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in de zin dat een gelijke toegang tot het openbaar ambt dient verzekerd te worden” en de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbe- ginsel. Verzoeker betoogt: “Ter zake dient vastgesteld dat in de onderliggende selectieprocedure ten einde tot vier weerhouden kandidaten te komen de kandidaten niet op een gelijke wijze werden behandeld. Aan de ene zijde weigerde de verwerende partij de taak van de verzoe- kende partij als auditor bij BELAC afzonderlijk als een taak in rekening te brengen. Ondanks het feit dat door de verzoekende partij uitvoerig onder- bouwd werd dat hij jaarlijks – en dit over de volledige 10 jaar periode on- der evaluatie – meer dan 300 uren aan deze taak diende te besteden, werd door de verwerende partij op geen enkel moment in de eerste bezwaren medegedeeld of deze taak al dan niet was opgenomen, en al zeker niet gemotiveerd waarom dit mogelijks slechts als een lichte taak en dan nog onder de algemene rubriek ‘wetenschappelijke commissie + jury + dienst- verlening’ kon gecatalogeerd worden. Daarbij dient onderstreept dat de IX-8530-9/16 verzoekende partij deze problematiek onmiddellijk, binnen de voorziene procedure, en vooraleer enige beslissing was genomen meermaals onder de aandacht van de verwerende partij heeft gebracht. Aan de andere zijde aanvaardt de verwerende partij vooreerst dat kandida- ten, nadat uiteindelijk reeds tweemaal een rangschikking door de commis- sie was opgemaakt en alle kandidaten voordien reeds uitdrukkelijk was verzocht om na te gaan of er geen zaken ontbraken of onjuist waren, alsnog beweerde materiële vergissingen opwerpen, met gevolgen op de reeds tot tweemaal toe opgemaakte rangschikking. Bovendien aanvaardt de verwerende partij bij één bepaalde kandidaat een taak in rekening te brengen, welke zich niet binnen de betrokken referen- tieperiode van tien jaar situeerde, doch eerst op 1 januari volgend op de referentieperiode zou worden opgenomen. De motivering dat daarbij in het laatste voorafgaande kwartaal (van de betrokken periode van tien jaar) reeds voorbereidend werk zou gebeurd zijn, kan, zoals hoger reeds ge- staafd, daarbij bezwaarlijk gevolgd worden. Zoals door de eigen ombudsdienst reeds werd aangegeven, kan men op die wijze nooit objectief een periode afbakenen, hetgeen in het kader van de te volgen procedure nochtans noodzakelijk blijkt. Bovendien werden andere kandidaten, althans toch zeker niet de verzoe- kende partij, nooit ingelicht dat dergelijke voorbereidend werk voor een taak, die eerst buiten de referentieperiode zou worden aangevat, in reke- ning kon worden gebracht. Vermits de kandidaten aanvankelijk ook enkel inzage hadden in hun eigen dossier, konden zij zelf ook niet nagegaan dat een andere kandidaat dergelijke kunstgreep had toegepast. De kandidaten voor de bevordering tot hoogleraar werden op deze wijze door de commissie, de faculteitsraad en uiteindelijk de raad van bestuur, dan ook op ongelijke wijze behandeld.”
- In de memorie van wederantwoord is het voor verzoeker duide- lijk dat de kandidaten in deze niet op gelijke wijze behandeld zijn: “Willekeurig werden bij bepaalde kandidaten opdrachten als een afzon- derlijke taak voor de kandidatuur opgenomen en bij andere, en met name de verzoekende partij, dan weer niet. Daarbij dient enerzijds rekening te worden gehouden met het feit dat de verzoekende partij deze anomalie eerst na de bestreden beslissing heeft kunnen vaststellen, vermits hij voordien enkel inza[g]e kreeg van zijn ei- gen dossier. Anderzijds heeft de verzoekende partij de problematiek ook onmiddellijk binnen de voorzien[e] procedure ter kennis gebracht van de commissie. Op geen enkel moment heeft de commissie of welk ander or- gaan hierover duidelijkheid verschaft. De bedoelde onderverdeling van de taken berust dan ook op willekeur. Bovendien aanvaardde men bij één bepaalde kandidaat zelfs een taak in rekening te brengen, welke in wezen buiten de betrokken referentieperio- de viel, onder het mom dat er binnen de referentieperiode reeds voorbe- reidend werk was geschied. IX-8530-10/16 Los van het feit dat, zoals de eigen ombudsdienst van de verwerende par- tij aangaf, men op die wijze nooit objectief een referentieperiode kan af- bakenen, is de verzoekende partij er nooit van op de hoogte gebracht dat men ook voorbereidend werk voor een taak buiten de referentieperiode mocht aangeven, en dat dat in rekening kon worden gebracht. Ook op die wijze werden de kandidaten derhalve op een ongelijke wijze behandeld.”
- In zijn aanvullende memorie voert verzoeker nog aan dat met de bezwaren van S. Daminet wel rekening werd gehouden en met de zijne niet, hetgeen nogmaals de ongelijke behandeling bevestigt. Tevens merkt verzoeker op dat J. Dewulf in zijn kandidatuur bij het aspect ‘dienstverlening’ melding maakt van het feit dat hij verantwoorde- lijk was voor de financiële organisatie van de vakgroep en dat hiermee rekening werd gehouden bij de beoordeling van zijn kandidatuur. Elk der kandidaten, dus ook verzoeker, staat per definitie in voor het beheer van de financiën van de vak- groep. Dit aspect mocht bijgevolg niet in aanmerking worden genomen als onder- scheidend element. Uit het bezwaar van J. Dewulf van 9 mei 2014 blijkt ook diens zeer gedetailleerde kennis van de scores van de andere kandidaten terwijl in het verslag van de faculteitsraad van 5 mei 2014 is gesteld dat de kandidaten en- kel inzage hebben gekregen in hun eigen dossier. Aangezien dus minstens één en wellicht nog meerdere kandidaten inzage hebben gekregen in dossiers van de andere kandidaten, terwijl aan de kandidaten nadien nog de mogelijkheid werd gegeven om wijzigingen in hun dossiers aan te brengen, werd het gelijkheidsbe- ginsel geschonden.
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat hij reeds in de eerste fase van de bevorderingsprocedure opmerkingen heeft geformuleerd over het niet afzonderlijk in aanmerking nemen van zijn taak als auditor BELAC, ter- wijl andere kandidaten pas na de tweede rangschikking nieuwe opmerkingen hebben geformuleerd waar dan wel rekening mee werd gehouden. Bij kandidaat S. Croubels werd zelfs rekening gehouden met een taak buiten de referentieperiode. Het feit dat verzoeker niet nuttig zou zijn IX-8530-11/16 gerangschikt indien met deze taak geen rekening was gehouden, neemt niet weg dat de kandidaten niet op een gelijke wijze zijn behandeld. Wat het argument betreft met betrekking tot het onterecht in aanmerking nemen van het door kandidaat J. Dewulf opgesomde criterium dat hij verantwoordelijk was voor de financiële organisatie van de vakgroep, betwist verzoeker dat dit reeds kon worden aangevoerd in het verzoekschrift. In de verge- lijkende tabel gevoegd bij het verslag van de beoordelingscommissie van 4 juni 2014 wordt met betrekking tot het criterium ‘kliniek/labo verantwoordelij- ke/GLP’ bij kandidaat J. Dewulf vermeld ‘financieel D108’. Van verzoeker kan niet worden verwacht dat hij weet dat daarmee wordt bedoeld dat deze kandidaat verantwoordelijk was voor de financiële organisatie van de vakgroep. Beoordeling
- Verzoeker beweert dat de derde tussenkomende partij inzage heeft gekregen in de stukken en hij niet. Verzoeker, op wie de bewijslast rust voor zulke bewering, maakt ze onvoldoende concreet. De derde tussenkomende partij van haar kant wijst in haar aanvullende memorie wel concreet op de docu- menten van de faculteitsraad waar alle kandidaten uiterlijk 7 mei 2014 kennis van hadden en waaruit zij de door haar gebruikte gegevens heeft gehaald, zonder hier- in door verzoeker te worden weersproken. Het middelonderdeel is in zoverre on- ontvankelijk.
- Verzoeker stelt in zijn middel dat met opmerkingen van ande- ren rekening is gehouden, maar hij geeft in zijn verzoekschrift niet aan om wie het gaat of welke taak het betreft. Pas in zijn memorie van wederantwoord en dus laattijdig, geeft hij, dan nog bij de bespreking van het eerste middel, enkele voor- beelden. Het valt niet aan de Raad van State toe om aan de hand van zulke algemene beweringen een eigen onderzoek van de stukken te voeren, noch IX-8530-12/16 aan de verwerende of tussenkomende partijen om te gissen over wie of over wel- ke taken verzoekers kritiek betrekking heeft. Het valt verzoeker toe minimale aanwijzingen te verschaffen die aannemelijk kunnen maken dat hij door de ver- werende partij aan een andere beoordelingsmaatstaf is onderworpen dan zijn con- currenten, zonder dat daarvoor een deugdelijke verantwoording bestaat. In zoverre is het middel eveneens onontvankelijk.
- Het grieft verzoeker dat aan zijn taak als auditor bij BELAC onvoldoende gewicht is gegeven. Hij maakt evenwel in de toelichting bij het middel geenszins concreet waarom dat zo is. De constatering dat hij “over de volledige 10 jaar periode onder evaluatie – meer dan 300 uren aan deze taak diende te besteden” volstaat niet om aan te tonen dat hem ten onrechte een in- schaling van deze taak als ‘zwaar’ is ontzegd. De uitleg van de verwerende partij – namelijk dat uit stuk 14 blijkt dat de audit wordt uitgevoerd door een team be- staande uit een coördinator, een hoofdauditor en één of meer technische specialis- ten; dat verzoeker aangeeft technisch auditor te zijn; dat er niet blijkt dat de audits enkel door verzoeker worden uitgevoerd en dat het bijgevolg geen zware taak betreft – laat verzoeker onbesproken. Wat de waardering van zijn taken bij BELAC betreft, toont verzoeker dan ook geen schending aan van de in het middel aangevoerde bepa- lingen en beginselen.
- Wat de mogelijkheid betreft voor de kandidaten om zogenaam- de materiële vergissingen te signaleren, is verzoeker niet verschillend behandeld: ook hem is die mogelijkheid geboden. De opmerking van verzoeker over zijn taak als auditor betreft evenwel geen rechtzetting van wat de commissie begrijpt als een materiële ver- gissing, maar een verschil in visie over en inhoudelijke appreciatie van zijn titels en verdiensten. Daarop, zoals verzoeker zelf schrijft, had hij de commissie ook IX-8530-13/16 eerder al geattendeerd en, zoals bij het eerste middel is overwogen, oordeelde de commissie dat zij geen reden zag om op haar standpunt terug te komen. Bovendien betroffen de wijzigingen die wel werden aangeno- men de analyse van de subcommissie van de beoordelingscommissie, die boven- dien slechts een voorstel formuleert. Hieruit konden de kandidaten nog geen rech- ten putten. Verzoeker toont niet aan dat de commissie verkeerd heeft ge- handeld door de voorgestelde waardering van zijn taak als auditor niet te wijzi- gen, noch dat zij verkeerd heeft gehandeld bij de wijzigingen die zij bij andere kandidaten wel doorvoerde. De aangevoerde bepalingen en beginselen zijn dan ook op dit punt niet geschonden.
- Terecht werpt de verwerende partij op dat het middelonderdeel met betrekking tot de taak van J. De Wulf reeds in het inleidend verzoekschrift kon – en dus moest – worden aangevoerd. In de vergelijkende tabel opgenomen in de bestreden beslissing is het beheer van de financiën van de vakgroep door J. De Wulf reeds opgenomen. Van verzoeker mag, anders dan hij stelt, wel wor- den verwacht dat hij voldoende met het departement bekend is om te weten of te kunnen weten dat “D108” staat voor de vakgroep Voortplanting, Verloskunde en Bedrijfsdiergeneeskunde. Het middel is derhalve in die mate laattijdig. Voorts weer- spreekt verzoeker niet het verweer dat de derde tussenkomende partij zich in die zin van de anderen onderscheidt dat zij de financiën van de hele vakgroep be- heert, terwijl de andere kandidaten enkel de financiën beheren van hun eigen on- derzoek terwijl het algemene financiële beleid doorgaans door de vakgroepvoor- zitter ter harte wordt genomen. IX-8530-14/16
- Gelet op wat voorafgaat, blijft enkel nog de kritiek van verzoe- ker onbeantwoord met betrekking tot het in aanmerking nemen van een taak van de eerste tussenkomende partij die volgens verzoeker buiten de referentieperiode valt. Verzoeker toont niet aan, zelfs niet nadat hij erop gewezen is door de andere partijen, welke taken hij net zoals de eerste tussenkomende partij had kunnen laten valoriseren, met name omdat hij er zoals die partij effectief voorbereidend werk voor had verricht tijdens de referentieperiode. Er blijkt dus niet dat de door de verwerende partij aangenomen werkwijze tekort heeft gedaan aan de waardering van verzoeker – hoogstens heeft zij de waardering van de eer- ste tussenkomende partij overschat. Welnu, zoals de verwerende partij aangeeft met haar bereke- ning, die door verzoeker niet wordt betwist, leidt de eventuele gegrondheid van enkel dit middelonderdeel en het neutraliseren van de bedoelde taak voor de eer- ste tussenkomende partij niet tot een voor verzoeker nuttige rangschikking. Ver- zoeker heeft bijgevolg geen belang bij het middelonderdeel dat, zelfs al ware het gegrond, hem geen voordeel verschaft.
- Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussen- komst, begroot op 450 euro, elk voor een derde. IX-8530-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 juni 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8530-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.925 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.