id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.939 Rolnummer: A. 215743/IX-8631 Zaak: Arrest 244939 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-02 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:13 Fiche Arrest nr 244.939 van 25 juni 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging heropening debatten bekendmaking Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.939 van 25 juni 2019 in de zaak A. 215.743/IX-8631 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2015, strekt tot de nietigverkla- ring van “het besluit van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 13 februari 2015 waarbij, in de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, de voltijdse hoofddocenten Jeroen Deploige, Bart Dessein, Roald Docter, Christel Stalpaert, Yves T’Sjoen, Bart Vandenabeele, Peter Van Nuffelen en Koenraad Verboven met ingang van 1 oktober 2014 worden bevorderd tot hoogleraar ‘met een aanstel- lingspercentage van 50% of meer[’] (in casu voltijds)”. IX-8631-1/20 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.467 van 19 oktober 2017 is het debat heropend. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een aanvullende memorie ingediend. Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- IX-8631-2/20 III. Feiten 3.
- Verzoekster is voltijds hoofddocent aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent en is als zodanig lid van het zelfstandig academisch personeel van de universiteit. 3.
- Met een nota van 17 december 2013 stelt de decaan van de fa- culteit Letteren en Wijsbegeerte de hoofddocenten van de faculteit die op 1 oktober 2014 binnen de Universiteit Gent ten minste twee jaar anciënniteit in die graad hebben, ervan in kennis dat in de goedgekeurde AP- en ATP-formaties onder meer is voorzien in “acht bevorderingsplaatsen van voltijds hoofddocent naar hoogleraar en één bevorderingsplaats van deeltijds (minder dan 50%) hoofddocent naar hoogleraar”. 3.
- Voorafgaandelijk, op 11 december 2013, heeft de faculteitsraad de bevorderingscriteria goedgekeurd. Luidens het facultair reglement betreffende “[d]e bevordering tot hoogleraar: criteria en wijzen van scoren” brengen “[d]e bevorderingscriteria […] de verdiensten van de kandidaten in kaart in de drie deelgebieden onderzoek, onderwijs, dienstverlening”. Voor het deelgebied ‘dienstverlening’ gelden de omvang en de kwaliteit van de dienstverlening als twee onderscheiden criteria. Voor de berekening van de totale scores krijgen “[d]e resultaten op de drie deelcomponenten […] de volgende normgewichten”: onderzoek 50%, onderwijs 35% en dienstverlening 15%. 3.
- Verzoekster en dertien andere voltijdse hoofddocenten stellen zich kandidaat voor de voormelde “acht bevorderingsplaatsen van voltijds hoofddocent naar hoogleraar”. IX-8631-3/20 3.
- Op 10 februari 2014 stelt de beoordelingscommissie drie sub- commissies samen, overeenkomstig de drie te onderzoeken deelgebieden: een subcommissie ‘onderzoek’, een subcommissie ‘onderwijs’ en een subcommissie ‘dienstverlening’. 3.
- De subcommissie ‘onderzoek’ vergadert op 18 februari 2014, op 23, 28 en 29 april 2014 en op 5 mei
- Zij kent aan verzoekster de score 6,5/9 toe, die zij heeft bepaald op grond van de volgende criteria: ‘50 blzn. representa- tieve lectuur’, ‘leiding van onderzoek’, ‘publicaties’ en ‘weerklank’. De subcommissie ‘onderwijs’ vergadert op 19 maart 2014 en op 1 en 28 april
- Zij kent aan verzoekster de score 9/19,5 toe, die zij heeft be- paald op grond van de volgende criteria: ‘onderwijsevaluaties’, ‘kwaliteit van het onderwijsmateriaal’, ‘internationalisering’, ‘onderwijsinnovatie’ en ‘onderwijs- professionalisering’. Zij motiveert: “Het onderwijs van mevrouw XXXX wordt door de commissie in globo als onder het gemiddelde van alle kandidaten beoordeeld. De studenten beoordelen haar onderwijs, blijkens de onderwijsevaluaties, als overwegend goed. Het leermateriaal wordt door de commissie als goed beoordeeld. Mevrouw XXXX kan geen initiatieven voorleggen op het vlak van projectmatige onderwijsin- novatie, internationalisering of professionalisering van het onderwijs zoals deze door de Faculteitsraad zijn gedefinieerd.” De subcommissie ‘dienstverlening’ vergadert op 18 en 28 maart 2014, op 28 april 2014 en op 5 mei
- Zij oordeelt over verzoekster: “Zij voerde in de referentieperiode geen als interne hoofd- of nevenfunctie erkende opdrachten uit. Voor occasionele bijdragen intern kent de commissie haar één punt toe, voor functies extern twee punten en voor occasionele dienstverlening, tot slot, één punt. Wat wetenschappelijke uitstralingsactivitei- ten betreft, ligt het aantal door haar opgesomde activiteiten onder de drempel- waarde. Haar totaalscore komt op 4.” 3.
- Blijkens het verslag van de (plenaire) beoordelingscommissie van 8 mei 2014 wordt verzoekster, op grond van de resultaten van de subcom- missies en aan de hand van een rekenmodel, met de eindscore 56,55/100 gerang- IX-8631-4/20 schikt als dertiende van veertien kandidaten en wordt zij opgenomen in groep 4, waarvan de betrokken kandidaten gelet op het gecontingenteerde aantal plaatsen niet kunnen worden voorgedragen. De motivering luidt als volgt: “XXXX: De prestaties van mevrouw XXXX op het vlak van wetenschap- pelijk onderzoek behoren tot de betere van de te evalueren kandidaten. De commissie spreekt zich met name over haar publicatiedossier lovend uit, dat in absolute aantallen (binnen de referentieperiode en rekening houdend met de wegingsfactoren) de hoogste score van alle kandidaten krijgt; hierbij haalt mevrouw XXXX op alle deelrubrieken goede tot zeer goede scores. De kwali- teit van haar publicatiedossier wordt onderstreept door een gunstige weer- klankscore, waarbij het grote aantal citaties in het oog springt. Daarnaast ap- precieert de commissie haar inspanningen voor het verwerven van externe on- derzoeksfinanciering. Wat het door haar aangeleverde lectuurstaal (als inhou- delijke indicator van onderzoekskwaliteit betreft, kent de commissie haar een score toe die met het gemiddelde van de kandidaten overeenstemt. Wat het begeleiden van doctoraatsonderzoek betreft, scoort mevrouw XXXX onder de gemiddelde waarde van de kandidaten. De prestaties van mevrouw XXXX op het vlak van onderwijs worden door de commissie in globo als onder het ge- middelde van alle kandidaten beoordeeld. De studenten beoordelen haar on- derwijs, blijkens de onderwijsevaluaties, als overwegend goed. Het leermate- riaal wordt door de commissie als goed beoordeeld. Mevrouw XXXX kan geen initiatieven voorleggen op het vlak van projectmatige onderwijsinnovatie, in- ternationalisering of professionalisering van het onderwijs zoals deze door de Faculteitsraad zijn gedefinieerd. De prestaties van mevrouw XXXX op het vlak van dienstverlening zijn veeleer beperkt. Haar verdiensten zijn vooral te situe- ren binnen het domein van de externe wetenschappelijke adviesverlening. De commissie betreurt dat ze – ondanks haar grote waardering voor de inzet van mevrouw XXXX op alle genoemde vlakken – haar, gemeten aan de afzonder- lijke globaal gewogen prestaties van de andere kandidaten en rekening houdend met haar taakomschrijving, eveneens in relatie tot de normverwachting, voor- alsnog niet kan toevoegen aan de groep kandidaten die voor bevordering in aanmerking komt.” 3.
- Het voorlopige eindverslag van de beoordelingscommissie wordt op 28 mei 2014 aan de kandidaten bezorgd met het oog op het melden van “materiële vergissingen”. 3.
- Met e-mailberichten van 6 juni 2014 bezorgt verzoekster haar bemerkingen bij het voorlopige eindverslag. IX-8631-5/20 3.
- Op 13 juni 2014 brengt de beoordelingscommissie met betrek- king tot verzoekster de volgende aanpassingen aan: “- de score voor weerklank wordt verhoogd met één punt; - de score voor functies extern wordt verhoogd met twee punten; - bij Onderwijs worden er geen aanpassingen aangebracht.” 3.
- Op 20 juni 2014 komt de beoordelingscommissie tot een nieuwe scoretabel waarbij de eindscore van verzoekster op 59,15/100 wordt vastgesteld. Zij bekleedt nu de elfde rang, maar zij behoort nog steeds tot de vierde groep, waarvan de betrokken kandidaten “vooralsnog niet [worden] voorgedragen voor bevordering vermits het gecontingenteerde aantal plaatsen, i.c. acht is bereikt”. 3.
- Het advies van de beoordelingscommissie wordt op 2 juli 2014 gevolgd door de faculteitsraad die beslist tot voordracht van kandidaten aan de raad van bestuur van de universiteit. 3.
- Op 12 september 2014 beslist de raad van bestuur van de Uni- versiteit Gent dat het dossier wordt uitgesteld. Luidens het verslag van de vergadering van de raad van bestuur vraagt de vicerector om “dit agendapunt terug te sturen naar de faculteit omwille van een ernstig motiveringsprobleem”. 3.
- Op 30 september 2014 en 31 oktober 2014 buigt de beoorde- lingscommissie zich opnieuw over de voordracht van kandidaten en adviseert zij de samenstelling van groep 3 aan te passen. Verzoekster blijft ongewijzigd deel uitmaken van groep 4, waarvan de betrokken kandidaten niet worden voorgedra- gen gelet op het gecontingenteerde aantal plaatsen. 3.
- Op 17 december 2014 beslist de faculteitsraad om het advies van de beoordelingscommissie te volgen en de volgende kandidaten voor te dragen aan de raad van bestuur met het oog op bevordering: IX-8631-6/20 - groep 1: Bart Dessein, Peter Van Nuffelen; - groep 2: Jeroen Deploige, Yves T’Sjoen, Bart Vandenabeele, Koenraad Verbo- ven; - groep 3: Roald Docter, Christel Stalpaert. Met betrekking tot verzoekster, die tot groep 4 behoort, luidt de motivering zoals hiervóór sub 3.7 aangehaald. 3.
- De raad van bestuur van de Universiteit Gent volgt op 13 fe- bruari 2015 het advies van de beoordelingscommissie en de voordracht van de faculteitsraad en beslist om de voltijdse hoofddocenten Jeroen Deploige, Bart Dessein, Roald Docter, Christel Stalpaert, Yves T’Sjoen, Bart Vandenabeele, Peter Van Nuffelen en Koenraad Verboven met ingang van 1 oktober 2014 te bevorde- ren tot hoogleraar met “een aanstellingspercentage van 50% of meer”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – neerlegging van het administratief dossier
- Bij tussenarrest nr. 239.467 van 19 oktober 2017 heeft de Raad van State de verwerende partij bevolen het administratief dossier te vervolledigen met “de stukken betreffende de kandidaatstelling van de benoemde kandidaten en van de overige kandidaten voor de acht voltijdse betrekkingen van hoogleraar bij de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent”. Uit de overwe- gingen van het voornoemde arrest blijkt genoegzaam dat daaronder óók zijn be- grepen “de door deze kandidaten gemaakte opmerkingen bij de tussenresultaten”. Voorts is gewezen op de verplichting van de verwerende partij om het volledige administratief dossier neer te leggen en wordt overwogen dat “[h]et [...] de ver- werende partij allerminst toe[komt] om slechts een selectie van de desbetreffende stukken mee te delen”. IX-8631-7/20
- Nadat de verwerende partij het administratief dossier heeft vervolledigd, merkt verzoekster in haar aanvullende memorie op dat “essentiële stukken [...] nog steeds niet [zijn] neergelegd door de verwerende partij”. Zij vraagt aan de Raad van State om de verwerende partij bij arrest te bevelen het administratief dossier nog aan te vullen met de volgende stukken, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro bij niet-naleving van de daartoe bepaalde termijn: “- de ‘tussentijdse’ commentaren van alle kandidaten op het voorlopig rap- port van de bevorderingscommissie (bv. inzake materiële vergissingen); - diverse verslagen van de subcommissies die niet in de faculteitsverslagen terug te vinden zijn maar die wel een grote rol hebben gespeeld in de rang- schikking en waarvan in de faculteitsverslagen wordt beweerd dat ze bestaan, maar die nooit openbaar zijn gemaakt (bv. de verslagen met de motiveringen van de toegekende scores voor actualiteitswaarde van het onderwijs, voor de kwaliteit van de selectie van 50 pagina’s publicaties, etc.).”
- In haar laatste memorie stelt verzoekster vast dat de verwerende partij bij haar laatste memorie “uiteindelijk de ‘tussentijdse’ commentaren van alle kandidaten op het voorlopig rapport van de bevorderingscommissie [neer]legt, alsook drie verslagen van de subcommissie onderwijs”, maar dat “[d]e verslagen van de subcommissie onderzoek en de subcommissie dienstverlening [...] nog steeds niet [worden] neergelegd”. Volgens haar is de stelling van de verwerende partij dat de ontbrekende verslagen zijn opgenomen in stuk 2 van het administratief dossier niet juist. Verzoekster besluit: “Het is manifest duidelijk dat de verwerende partij weigert het administratief dossier aan te vullen met essentiële stukken, nodig om de bestreden beslissingen te beoordelen. Indien het eerste middelonderdeel van het eerste middel niet gegrond wordt bevonden, dient, zoals aangegeven in het auditoraatsverslag, aan de verwerende partij te worden bevolen het administratief dossier aan te vullen met de ver- slagen van de subcommissie onderzoek en de subcommissie dienstverlening.” IX-8631-8/20
- Aangezien hierna het beroep ontvankelijk wordt bevonden en het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond wordt verklaard, neemt de Raad van State met verzoekster aan dat er geen noodzaak is om het administratief dossier nog te vervolledigen. De uit te spreken nietigverklaring noopt de verwerende partij in beginsel immers tot een nieuw onderzoek van het bevorderingsdossier. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat verzoekster niet over het rechtens vereiste belang bij haar beroep beschikt. Zij argumenteert daartoe dat verzoekster niet werd gerangschikt bij de top 8 van kandidaten die werd voorgedragen voor bevordering. Verzoekster scoorde “globaal minder” dan de andere kandidaten en kreeg enkel voor haar publicatiedossier een uitstekende score. Die minder goede resultaten worden door verzoekster niet betwist. Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslis- sing zou niet tot gevolg hebben dat verzoekster op een hogere, nuttige plaats wordt gerangschikt. Zij zou nog steeds niet tot groep 3 behoren of hoger gerangschikt zijn, aangezien geen enkel van de door haar aangevoerde middelen van aard is om tot dit resultaat te leiden. Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslis- sing zou volgens de verwerende partij aan verzoekster dan ook geen voordeel opleveren. Beoordeling
- Terecht repliceert verzoekster op de exceptie dat haar belang bij het beroep samenhangt met de grond van de zaak. Hierna zal blijken dat het eerste onderdeel van verzoeksters eerste middel, waarin zij de wettigheid van de aangewende criteria ten dele in IX-8631-9/20 vraag stelt, gegrond is. De nietigverklaring van de bestreden beslissing die op deze grond zal worden uitgesproken, dient in beginsel te leiden tot een nieuwe beoor- deling van de kandidaten op een andere, vooralsnog niet vastliggende vergelij- kingsbasis. De verwerende partij toont niet aan dat het dan uitgesloten is dat ver- zoekster alsnog een nuttige rangschikking verkrijgt.
- De exceptie is derhalve niet gegrond. VI. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster voert in een eerste middel onder meer de schending aan van de artikelen V.4, V.24 en V.27 van de Codex Hoger Onderwijs en van artikel 19, § 5, van het reglement van de Universiteit Gent ‘betreffende de be- noeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het beroep van de leden van het Zelfstandig Academisch Personeel’ (hierna: het ZAP-reglement), gelezen in samenhang met artikel 14, § 8, 3, van datzelfde reglement, alsook de schending van de motiveringsplicht en het vertrouwensbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, “dit alles bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet wat betreft de punten 4 tot en met 8 van het Facultair Reglement”. In een eerste middelonderdeel betoogt verzoekster dat de ple- naire beoordelingscommissie tot haar rangschikking van de kandidaten is geko- men, waarop de voordracht van de faculteitsraad aan de raad van bestuur steunt, middels een rekenmodel dat ab initio en als uitgangspunt gegrond is “deels op bepalingen ter zake reguliere evaluatie als hoofddocent, d.i. de ‘taakomschrijving’ en deels op de normcorrectie voor hoogleraar”. Volgens verzoekster betrekt de beoordelingscommissie door het rechtstreeks aanwenden van die uitgangspunten noodzakelijk zowel de (eventuele) wetenschappelijke dienstverlening aan de ge- meenschap als de (mogelijke) organisatorische, coördinerende of administratieve taken van de kandidaten voor bevordering tot hoogleraar in haar rangschikking. IX-8631-10/20 Dat is voor verzoekster ten belope van 17,50% het geval. Deze werkwijze, zo stelt verzoekster, schendt de artikelen V.4 en V.27 van de Codex Hoger Onderwijs, evenals artikel 19, § 5, van het ZAP-reglement, gelezen in samenhang met arti- kel 14, § 8, 3, van datzelfde reglement, aangezien daarin met betrekking tot een benoeming of bevordering tot hoogleraar is bepaald dat alleen het wetenschappe- lijk onderzoek en het academisch onderwijs ter beoordeling staan. De punten 6 tot 8 die zijn opgenomen in het facultair reglement moeten daarom met toepassing van artikel 159 van de Grondwet terzijde worden gelaten. Het voorgaande geldt volgens verzoekster des te meer nu de kandidaten voorafgaand aan hun kandidaatstelling er geen kennis van hadden dat onder meer voor het aspect ‘dienstverlening’ zou worden uitgegaan van de taak- beschrijving van hoofddocent die zij zelf hebben aangegeven met het oog op de reguliere evaluatie. Die evaluatie moet nochtans overeenkomstig het ZAP-reglement worden onderscheiden van de toetsing van de prestaties met het oog op een bevordering. De gevolgde werkwijze, zo vervolgt verzoekster, wordt overigens niet beschreven in het nochtans zeer gedetailleerde facultair reglement, wat bijkomend een schending uitmaakt van het vertrouwensbeginsel en van arti- kel V.24 van de Codex Hoger Onderwijs. Ook door deze interferentie van de re- geling betreffende de evaluatie in de bevorderingsprocedure worden volgens verzoekster de artikelen V.4 en V.27 van de Codex Hoger Onderwijs, alsook ar- tikel 19, § 5, van het ZAP-reglement, gelezen in samenhang met artikel 14, § 8, 3, van datzelfde reglement, geschonden en moet het facultair reglement buiten toe- passing worden gelaten. Verzoekster benadrukt dat zij belang heeft bij het middelonder- deel, aangezien zij voor het aspect ‘dienstverlening’ zelfs na correctie een lagere score heeft gekregen, die onder het gemiddelde ligt van de andere kandidaten, zodat haar eindrangschikking substantieel erdoor is beïnvloed. 12.
- De verwerende partij werpt op dat verzoekster geen belang heeft bij het eerste middelonderdeel, omdat “het buiten toepassing laten van de punten 6 IX-8631-11/20 tot 8 van het facultair reglement [...] er niet automatisch toe [zou] leiden dat zij zou worden voorgedragen als kandidaat, laat staan dat zij zou worden benoemd tot hoogleraar”. Verzoekster vergeet immers dat zij niet alleen op het vlak van dienstverlening onder de norm scoorde, maar ook op het vlak van onderwijs. Volgens de verwerende partij blijkt “[i]ndien beide resterende aspecten, met name onderwijs en dienstverlening [versta: onderzoek] zouden worden samengeteld, [...] des te meer dat [verzoekster] elk belang bij dit middelonderdeel ontbreekt, nu [zij] slechts in groep 5, en dus niet nuttig, zou zijn gerangschikt”. Bovendien “kloppen de normgewichten [dan] niet meer”, net zo min als “[d]e percentages [...] zoals opgenomen in de taakomschrijvingen”. Verzoekster riskeert dan “dat een zwaarder gewicht zou moeten toegekend worden aan de resterende categorieën, zo ook dus voor de lagere score van [verzoekster] voor ‘onderwijs’”. 12.
- Met betrekking tot de gegrondheid van het middel doet de ver- werende partij vooreerst gelden dat uit de artikelen V.4 en V.23 tot V.27 van de Codex Hoger Onderwijs blijkt dat de dienstverlening deel kan uitmaken van de opdracht van het zelfstandig academisch personeel, dat het aan de universiteiten zelf toevalt om de voorwaarden voor bevordering vast te leggen en dat een be- vordering in het bijzonder gegrond moet zijn op een vergelijking van de weten- schappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaat in het betrokken vakgebied. Dit laatste is volgens de verwerende partij ook gebeurd. De verwerende partij leest in de voornoemde bepalingen evenwel geen verbod om naast de as- pecten onderwijs en onderzoek, ook de dienstverlening in rekening te brengen. De beoordeling van de wetenschappelijke en onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten kan immers worden aangevuld in functie van de diverse noden en aspecten van de faculteit. Dat de dienstverlening mede wordt beoordeeld, is vol- gens de verwerende partij niet onlogisch, aangezien het tot de taken behoort, zoals ook het onderwijs en het onderzoek, en binnen de Universiteit Gent een verplich- ting geldt om een bepaald percentage dienstverlening uit te voeren, zo ook binnen de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Het primaire belang van de dienstverlening blijkt bovendien uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 juni 1991 ‘betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap’. IX-8631-12/20 De verwerende partij argumenteert voorts dat verzoekster te- vergeefs een beperking onderkent in artikel 19, § 5, van het ZAP-reglement, ge- lezen in samenhang met artikel 14, § 8, 3, van datzelfde reglement. Verzoekster verliest volgens haar uit het oog dat artikel 19 van het ZAP-reglement niet naar artikel 14, § 8, verwijst, maar enkel naar artikel 14 zonder meer en dat artikel 14, § 8, uitdrukkelijk verwijst naar het aspect dienstverlening. De taakomschrijving die de kandidaten jaarlijks moeten indienen, bevat verplicht een opgave van een percentage onderwijs, een percentage onderzoek en een percentage dienstverle- ning, die “in bepaalde mate zelf [worden bepaald]”. Het niet in rekening brengen van de dienstverlening bij de bevordering zou de kandidaten in wier takenpakket de dienstverlening een groter aandeel uitmaakt, ongelijk behandelen. Overeen- komstig het facultair reglement telt de dienstverlening niet ten volle voor 15% mee, maar worden de normgewichten voor iedere kandidaat als het ware geper- sonaliseerd, doordat rekening wordt gehouden met de takenpakketten, zoals zij die zelf hebben opgesteld. Zo heeft verzoekster de laatste twee jaar telkens 20% dienstverlening in haar taakbeschrijving opgenomen. Volgens de verwerende partij kan niet worden beweerd dat een dergelijke werkwijze enig nadelig gevolg heeft voor de kandidaten. De verwerende partij verbaast zich erover dat verzoekster be- weert dat zij bij de indiening van haar kandidaatstelling niet op de hoogte was van het in rekening brengen van de dienstverlening in verhouding tot de taakbeschrij- ving die zij had ingediend bij de reguliere evaluatie. Daarin is immers letterlijk voorzien in het facultair reglement dat werd goedgekeurd vóór het verzenden van de uitnodiging tot kandidaatstelling. In de faculteitsraad waren de leden van het ZAP-personeel bovendien talrijk vertegenwoordigd. Het goedgekeurd facultair reglement werd op het intranet geplaatst en was gevoegd bij de uitnodigingsbrief. Verzoekster heeft geen opmerkingen geformuleerd bij het indienen van haar kan- didaatstelling, zodat zij de voorgeschreven beoordelingswijze impliciet, maar zeker heeft aanvaard. Het facultair reglement is overigens niet nieuw, maar wordt naar aanleiding van elke bevorderingsronde opnieuw goedgekeurd. IX-8631-13/20 De verwerende partij benadrukt dat ook de wijze waarop de dienstverlening zou worden beoordeeld, duidelijk is omschreven in het facultair reglement van 11 december 2013 en voorafgaandelijk aan de kandidaten bekend was. Die beoordeling heeft kennelijk niets te maken met de gegeven reguliere evaluatie. De bedoelde evaluatie speelt slechts een rol als toegangsvoorwaarde, maar is voor verzoekster als zodanig niet betwist en wordt niet betrokken bij “de scoretoekenning voor de drie aspecten”. Het zijn enkel de verhoudingen inzake de drie aspecten, zoals die in de taakbeschrijving met het oog op reguliere evaluatie zijn opgenomen, die overgenomen worden in het kader van het bepalen van de verhoudingen tussen de aspecten onderwijs, onderzoek en dienstverlening met het oog op de bevordering. Verzoekster voert volgens de verwerende partij dan ook ten onrechte aan dat de reguliere evaluaties een rechtstreeks uitgangspunt vormen bij de beoordeling en de rangschikking van de kandidaten voor bevordering tot hoogleraar. De verwerende partij besluit dat uit niets blijkt dat het facultair reglement strijdig zou zijn met het ZAP-reglement en met toepassing van arti- kel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat ver- zoekster in het middel alleen aanvoert dat het in rekening brengen van het criterium ‘dienstverlening’ op zich strijdig is met de genoemde bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs. Verzoekster argumenteert niet dat de vaststelling van dit crite- rium door het universiteitsbestuur zou moeten gebeuren en dat dit de reden is waarom het in casu niet in rekening kan worden gebracht. Met een uitbreiding van het middel in die zin, wat al in het inleidend verzoekschrift had kunnen gebeuren, mag volgens de verwerende partij geen rekening worden gehouden. Ondergeschikt doet zij nog gelden dat in het ZAP-reglement wel degelijk wordt verwezen naar het criterium ‘dienstverlening’, namelijk in het kader van de individuele taakomschrijvingen in artikel 14, § 6, zesde lid. Daarmee moet rekening worden gehouden, aangezien artikel 19, § 5, van het voornoemde re- IX-8631-14/20 glement niet specifiek naar artikel 14, § 8, verwijst, maar naar artikel 14 zonder meer. Artikel 14, § 8, van het ZAP-reglement mag en kan in geen geval zo worden geïnterpreteerd dat ‘dienstverlening’ niet als criterium zou kunnen worden toe- gepast. Uit niets blijkt immers het limitatieve karakter van die paragraaf. De pa- ragrafen 6 en 8 van artikel 14 kunnen, aldus de verwerende partij, cumulatief worden toegepast. Maar zelfs indien aan het ZAP-reglement een beperkende lezing zou worden gegeven, dan nog wordt volgens de verwerende partij nergens uitge- sloten dat ook de faculteitsraad een bijkomend criterium kan vaststellen. Het be- grip ‘universiteitsbestuur’ wordt immers nergens in de Codex Hoger Onderwijs gedefinieerd, terwijl artikel 4 van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 ‘betref- fende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen’ de faculteits- raden onder de bestuursorganen van de universiteit rekent. Beoordeling
- Voor zover de verwerende partij het belang van verzoekster bij het eerste middelonderdeel betwist, dient er opnieuw – zoals hiervóór sub 9 – op te worden gewezen dat een nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van dat middelonderdeel in beginsel dient te leiden tot een nieuwe beoordeling van de kandidaten op een andere, vooralsnog niet vastliggende vergelijkingsbasis, zodat het niet uitgesloten is dat verzoekster alsnog een nuttige rangschikking verkrijgt. De exceptie van gemis aan belang bij het middelonderdeel moet dan ook worden verworpen.
- Voor zover de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dat verzoekster in de uiteenzetting van het middelonderdeel in haar inlei- dend verzoekschrift alleen aanvoert dat het in rekening brengen van het criterium ‘dienstverlening’ op zich strijdig is met de Codex Hoger Onderwijs en niet argu- menteert dat de vaststelling van dit criterium door het universiteitsbestuur had moeten gebeuren, dient te worden opgemerkt dat de bevoegdheid van het orgaan IX-8631-15/20 dat de bevorderingscriteria vermocht vast te stellen de openbare orde aanbelangt en zo nodig ambtshalve door de Raad van State vermag te worden opgeworpen. De exceptie van laattijdigheid van dat aspect van het middel- onderdeel moet derhalve evenzeer worden verworpen.
- Artikel V.4 van de Codex Hoger Onderwijs bepaalt met betrek- king tot de opdrachten van het academisch personeel: “De leden van het zelfstandig academisch personeel hebben tot opdracht het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verschaffen van academisch onderwijs in het vakgebied of de vakgebieden die hen zijn toegewezen. Deze opdracht kan tevens prestaties van wetenschappelijke dienstverlening aan de gemeenschap omvatten. De onderwijsopdracht kan geheel of gedeeltelijk be- staan uit de begeleiding van studenten bij scripties of eindverhandelingen en van promovendi tijdens de voorbereiding van hun doctoraatsproefschrift. Naast de academische taken bedoeld in het eerste lid kan het universiteits- bestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel ook belasten met organisatorische, coördinerende of administratieve taken.” De artikelen V.24 en V.27 van diezelfde codex bepalen met betrekking tot de benoeming en aanstelling van het academisch personeel: “Art. V.
- Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de benoeming van hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar en maakt deze in de universiteit bekend.” “Art. V.
- Het besluit tot benoeming of aanstelling van een lid van het zelfstandig academisch personeel moet gemotiveerd zijn. In het bijzonder moet de benoeming of aanstelling gegrond zijn op een vergelijking van de weten- schappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten in het be- trokken vakgebied. Het universiteitsbestuur leeft de objectiviteit bij de selectie na. Het benoemings- of aanstellingsbesluit vermeldt het vakgebied of de vak- gebieden waarop het betrokken lid werkzaam zal zijn. Het universiteitsbestuur stelt bij de indiensttreding van ieder personeelslid vast of het al dan niet ten laste valt van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.” Uit de artikelen V.24 en V.27 blijkt de wil van de decreetgever om de bevoegdheid tot benoemen, waaronder ook de bevoegdheid tot het vast- IX-8631-16/20 leggen van de benoemingsvoorwaarden valt, aan het universiteitsbestuur toe te wijzen, met dien verstande dat de laatstgenoemde bepaling voorschrijft dat de benoeming of aanstelling “in het bijzonder” moet zijn gegrond op de weten- schappelijke en onderwijskundige kwaliteiten. De woorden ‘in het bijzonder’ betekenen in de spraakgebruike- lijke betekenis “in de eerste plaats, voornamelijk” (Van Dale). De voormelde bepalingen laten het universiteitsbestuur derhalve toe ook andere criteria, zoals het criterium ‘dienstverlening’, bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten te betrekken, maar de nadruk dient in de eerste plaats te liggen op de wetenschappelijke en onderwijskundige kwali- teiten van de kandidaten.
- Bij de “overgangsbepaling” van artikel 19, § 5, van het ZAP-reglement, worden “[i]n 2012 en 2014, […] nog uitzonderlijk gecontingen- teerde bevorderingen van hoofddocent naar hoogleraar voorzien”. Er wordt voorgeschreven dat “[d]e gecontingenteerde bevorderingen gebeuren op een competitieve wijze op basis van de in artikel 14 beschreven kwalitatieve eisen”. Anders dan de verwerende partij stelt, is de enige bepaling van artikel 14 van het ZAP-reglement die in kwalitatieve eisen voorziet, opgenomen in § 8 van dit artikel. Artikel 14, § 8, 3, van het ZAP-reglement bepaalt evenwel uitsluitend kwalitatieve eisen wat het “[w]etenschappelijk onderzoek” en het “[o]nderwijs” betreft.
- Zoals hiervóór uiteengezet, heeft de decreetgever de bevoegd- heid om het academisch personeel te benoemen en de benoemingsvoorwaarden vast te stellen verleend aan het universiteitsbestuur. In het geval van de verwerende partij valt die bevoegdheid de raad van bestuur toe (memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet ‘betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap’, Parl.St. Vl. Parl. 1990-91, nr. 502/1, 85). IX-8631-17/20 In zijn arrest nr. 220.237 van 10 juli 2012 heeft de Raad van State reeds gesteld dat uit deze bevoegdheid niet kan worden afgeleid dat het universi- teitsbestuur niet zou vermogen het over te laten aan de facultaire en andere organen die hiervoor zijn aangeduid, om ten behoeve van de voorgeschreven advisering de vooraf vastgelegde “generieke” criteria toe te passen naargelang de discipline en de specifieke opdracht. Dit betekent dat de “generieke” criteria kunnen worden verfijnd en gespecificeerd door de facultaire organen, doch niet dat generieke criteria kunnen worden toegevoegd. De Raad van State bevestigt dit standpunt voor de voorliggende zaak.
- Het facultair reglement bepaalt dat naast de deelgebieden on- derzoek en onderwijs ook de dienstverlening als bevorderingscriterium in kaart wordt gebracht voor het vergelijken van de verdiensten van de kandidaten. Aldus wordt evenwel een bijkomend generiek criterium vastge- legd waarin niet is voorzien in de toepasselijke bepalingen van het door de raad van bestuur goedgekeurde ZAP-reglement. Het facultair reglement schendt bijgevolg artikel V.24 van de Codex Hoger Onderwijs, gelezen in samenhang met de arti- kelen 14, § 8, 3 en 19, § 5, van het ZAP-reglement.
- Het eerste middelonderdeel van het eerste middel is derhalve gegrond en dient te leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. VII. Heropening van het debat
- Op 14 juni 2019 heeft verzoekster bij de Raad van State een verzoek ingediend dat strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot her- stel. IX-8631-18/20 Luidens artikel 25/3, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’ wordt het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat is ingediend tijdens de procedure tot nietigver- klaring, uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring. Er is thans dan ook aanleiding om het debat in de voorliggende zaak te heropenen voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. VIII. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoekster dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 13 februari 2015 waarbij, in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, de voltijdse hoofddocenten Jeroen Deploige, Bart Dessein, Roald Docter, Christel Stalpaert, Yves T’Sjoen, Bart Vandenabeele, Peter Van Nuffelen en Koenraad Verboven worden bevorderd tot hoogleraar met ingang van 1 oktober
- Het debat wordt heropend voor het onderzoek van het verzoek tot scha- devergoeding tot herstel.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-8631-19/20
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 juni 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, Bert Thys, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-8631-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.939 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.467 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.183 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.