id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.954 Rolnummer: A. 219333/XIV-37050 Zaak: Arrest 244954 - Varia (justitie) - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-24 01:19 Fiche Arrest nr 244.954 van 26 juni 2019 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.954 van 26 juni 2019 in de zaak A. 219.333/XIV-37.050 In zake : Albert VAN DAMME bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Mattias De Clercq kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 mei 2016, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 24 maart 2016 inzake het beroep van verzoeker tegen het besluit van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 21 april
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.050-1/16 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefaan Sonck, die loco advocaten Walter Van Steenbrugge en Mattias De Clercq verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bijou D‟Haeyer, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in de hoedanigheid van jager houder van vuur- wapens, geregistreerd onder model
- 3.
- Met een brief van 5 december 2014 meldt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen dat zowel de procureur des Konings als verzoekers lokale politie negatief oordelen omtrent verzoekers wapenbezit. “Alvorens mijn ambt zal beslissen”, wordt verzoeker in die brief uitgenodigd om zijn standpunt schriftelijk naar voor te brengen. XIV-37.050-2/16 3.
- Op 5 januari 2015 dient verzoeker een verweerschrift in waarin hij zich verzet tegen de intrekking van zijn wapenvergunning. In zijn verweer dat een wapenvergunning enkel kan worden ingetrokken indien er het gevaar bestaat dat de openbare orde zou worden verstoord, doet verzoeker gelden dat “uit de rechtspraak van de Raad van State […] consistent [blijkt] dat een dergelijk risico enkel bestaat indien er aanwijzingen zijn dat de persoon met de wapenvergunning gewelddaden zou plegen en hij aldus een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van personen” en dat er echter “geen sprake [kan] zijn van een gevaar voor het verstoren van de openbare orde wanneer er in een dossier geen aanwijzingen bestaan dat een persoon mogelijks gewelddadig of agressief zou optreden of reageren op een bepaalde situatie”. Hij zet dat standpunt kracht bij door het verwijzen naar en het citeren van arresten van de Raad van State. Hij besluit dat er te dezen “geen enkele aanwijzing in het dossier terug te vinden [is] waaruit blijkt dat [verzoeker] zijn vergunde wapens op gewelddadige of bedreigende manier zou gebruiken opzichtens personen.” 3.
- Tussen 9 januari 2015 om 10:18 uur en 14 januari 2015 om 13:47 uur vindt de volgende e-mailuitwisseling plaats: “Van: [D.F.] Verzonden: woensdag 14 januari 2015 13:47 Aan: [D.B.E.] Onderwerp: RE: verweerschrift inzake intrekking recht voorhanden hebben vuurwapens (artikel 13 WW) Toevoegen aan dossier betrokkene. Van: [D.B.E.] Verzonden: vrijdag 9 januari 2015 15:47 Aan: [D.F.] CC: [D.W.] Onderwerp: FW: verweerschrift inzake intrekking recht voorhanden hebben vuurwapens (artikel 13 WW) Ter info mbt verweerschrift Albert Van Damme (mr. Matthias De Clercq) [E.D.B.] attaché Dienst Wapenvergunningen Federale Diensten Gouverneur Oost-Vlaanderen […] Van: [I.F.] […] Verzonden: vrijdag 9 januari 2015 15:44 Aan: [D.B.E.] XIV-37.050-3/16 Onderwerp: RE: verweerschríft inzake intrekking recht voorhanden hebben vuurwapens (artikel 13 WW) [E.], Dit verwijst naar de recente rechtspraak die ertoe neigt het gevaar voor de openbare orde te herleiden tot feiten die doen vrezen voor geweld. We gaan ons echter nog niet neerleggen bij zulke arresten. Er zijn een paar vernietigingen gebeurd die duidelijk maken dat we alleen feiten mogen aanhalen die actueel nog relevant zijn en die wijzen op een gevaar voor de openbare orde. Er is slechts één arrest dat zegt dat het gevaar bovendien reëel moet zijn, dus ook dat aanvaarden we nog niet, omdat er oudere arresten zijn die bevestigen dat ook een potentieel maar wel actueel risico kan worden afgeleid uit oudere feiten. Tevens moet er meer gemotiveerd worden naarmate de feiten ouder zijn en volstaat één oud feit niet. Ik besluit daaruit dat, als we rekening houden met het bovenstaande, nog altijd kunnen proberen te weigeren op basis van feiten die het vertrouwen in de betrokkene aantasten. De wet zegt dat aanvragen van personen die zijn veroordeeld voor geweldfeiten én vertrouwenszaken onontvankelijk zijn, zonder een onderscheid te maken zoals ze wel doet met andere misdrijven. Zolang er geen arrest is dat ons verbiedt dit te doen, blijven we proberen, maar we zorgen er wel voor dat het telkens goed gedetailleerd en concreet wordt gemotiveerd. Mvg, [F.] Van: [D.B.E.] […] Verzonden: Friday 9 January 2015 10:28 AM.” 3.
- Op 21 april 2015 trekt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen verzoekers recht in om op basis van het statuut als jager de op registratieformulier model 9 vermelde wapens voorhanden te houden. 3.
- Verzoeker dient een administratief beroep in tegen deze beslissing. 3.
- In het raam van het horen legt verzoeker op 18 februari 2016 een “aanvullend verweer omtrent de beslissing van de gouverneur van Oost-Vlaanderen van 21 april 2015 tot intrekking van de wapenvergunning van de heer Albert Van Damme” neer. In dat verweerschrift doet verzoeker gelden dat hem de toegang tot een onpartijdig bestuursorgaan is ontzegd. Met een brief van 19 februari 2016, uitgaande “voor de minister” van F. I. en ondertekend “i.o.” door M.-A.D.B., antwoordt de verwerende partij op dat verweerschrift, argumenterend dat “de kwestieuze e-mail van 9 januari 2015 […] geenszins een door de federale Wapendienst vooropgestelde beslissing XIV-37.050-4/16 [betrof] inzake de behandeling van het dossier van [verzoeker]”, maar “integendeel, het betreft een algemeen advies door de federale Wapendienst gegeven m.b.t. beslissingen tot intrekking van het recht tot voorhanden hebben van vuurwapens (art. 13 WW).” Ook wordt vermeld dat de Federale Wapendienst “in het kader van haar wettelijke opdracht […] overleg [mag] plegen met de verschillende overheden inzake besluiten en maatregelen te nemen in uitvoering van de wapenwet (artikel 36 wapenwet). Het is dus volstrekt normaal dat ervaringen en visies inzake relevante rechtspraak worden uitgewisseld teneinde de behandeling van wapendossiers te uniformiseren.” Op 16 maart 2016 dient verzoeker een “tweede aanvullende verweer” in, waarin hij uiteenzet waarom “de uitleg die dhr. F.I. en zijn attaché, post factum en middels hun schrijven dd. 19 februari 2016, aan deze verontrustende briefwisseling pogen te geven” niet volstaat. 3.
- Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 24 maart 2016 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is genomen en ondertekend “voor de Minister” door F.I., adviseur. Inzake de problematiek betreffende (on)partijdigheid stelt de beslissing: “Uw raadsman stelde tijdens [het] hoorrecht dat er sprake was van partijdigheid van de kant van de administratie. Hiertoe verwees hij naar een mailbericht d.d. 9 januari 2015 van dhr. [I.] - diensthoofd van de federale wapendienst - aan dhr. [D.B.] - Attaché bij de provinciale wapendienst. Uw raadsman leidde hier een vooringenomenheid uit af die volgens hem allerminst getuigt van behoorlijk bestuur en stelde dat het bijgevolg geen enkele zin meer had om nog verder te gaan met het hoorrecht. De soevereiniteit van de gouverneur is volgens uw raadsman duidelijk aangetast door het mailbericht van dhr. [I.]. U werd bovendien niet gehoord door de gouverneur en de bestreden beslissing heeft het over drie wapens terwijl het nog maar over één wapen gaat. De federale wapendienst benadrukte dat wel degelijk op onpartijdige wijze wordt geoordeeld inzake beroepschriften tegen beslissingen van de gouverneur, zo ook in dit dossier. In het tijdens het hoorrecht neergelegde aanvullend verweerschrift stelde uw XIV-37.050-5/16 raadsman dat u de toegang tot een onpartijdig bestuursorgaan wordt ontzegd. Hij verwijst daartoe naar voormeld emailverkeer waar hij uit afleidt dat zijn verweerschrift wordt besproken. De kwestieuze email bevatte concreet volgende informatie: […] Uit de inhoud van deze email blijkt echter niet dat dit in enige mate rechtstreeks betrekking zou hebben op uw beroepschrift. Meer bepaald wordt in de raadgeving van dhr. [I.] gefocust op „feiten die het vertrouwen in de betrokkene aantasten‟. Van dergelijke vertrouwensdelicten is in uw dossier geen sprake. Daarenboven blijkt uit uw dossier dat er sprake is van zowel minder recente als van recente en dus actuele feiten die te maken hebben met inbreuken op de wapenwet doch tevens met geweld (doodschieten van een kat) zodat bijgevolg voorgaande raadgeving helemaal niet ter zake is aangezien deze juist dossiers viseert waarin dergelijke elementen ontbreken. Dit trachtte de federale wapendienst aan uw raadsman uit te leggen door hem op 19 februari 2016 een aangetekend schrijven te sturen waarin onder meer het volgende werd meegedeeld: „Wat betreft tenslotte het ongelukkig verloop van het mondelinge hoorrecht waarbij u aan het bestuur de mogelijkheid ontnam om op een zinvolle wijze te reageren op de onterechte beschuldiging inzake vooringenomenheid en partijdig- heid bij de behandeling van het beroepsdossier van uw cliënt wens ik alsnog het volgende te vermelden. De kwestieuze email van 9 januari 2015 betreft geenszins een door de federale wapendienst vooropgestelde beslissing inzake de behandeling van het dossier van uw cliënt. Integendeel, het betreft een algemeen advies door de federale wapen- dienst gegeven m.b.t. beslissingen tot intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens (artikel 13 WW). In het kader van haar wettelijke opdracht mag de federale wapendienst overleg plegen met de verschillende betrokken overheden inzake besluiten en maatregelen te nemen in uitvoering van de wapenwet (artikel 36 wapenwet). Het is dus volstrekt normaal dat ervaringen en visies inzake relevante rechtspraak worden uitgewisseld teneinde de behandeling van wapendossiers te uniformiseren. Het is dan ook in het kader van haar wettelijke opdracht dat voormelde email werd verzonden. De er in meegedeelde visie van de federale wapendienst werd geenszins specifiek opgemaakt als zijnde een directe instructie voor het concrete dossier van uw cliënt. De email werd klaarblijkelijk nadien doorgestuurd binnen de provinciale wapendienst en op eigen beslissing aldaar opgenomen als raadgeving inzake intrekkingsbeslissingen van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens op basis van artikel 13 wapenwet en dus meer bepaald ook in het dossier van uw cliënt. De federale wapendienst betreurt het dan ook ten zeerste dat een hoorrecht wordt misbruikt om onterechte aantijgingen op tafel te gooien zonder enig gehoor te hebben voor het bestuur zelf dat u had kunnen wijzen op de misplaatste interpretatie van een volstrekt normale gedachtewisseling tussen de federale en provinciale wapendienst over rechtspraak inzake artikel 13 van de wapenwet‟. […] In een laatste aanvullende verweerschrift - in reactie op voormeld schrijven van de federale wapendienst d.d. 19 februari 2016 - hernam uw raadsman het argument van de schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Hij stelde dat dhr. [I.], door middel van zijn advies op gouverneursniveau, de bestreden beslissing neemt waarna u tegen deze beslissing beroep aantekent om opnieuw beoordeeld te worden door diezelfde heer [I.]. Uw raadsman stelde dat minstens een schijn van partijdigheid werd gewekt en dat dit volstaat om te besluiten dat uw beroep ontvankelijk en gegrond is en dat iedere intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben met betrekking tot uw wapens zonder voorwerp is. XIV-37.050-6/16 Het administratief beroep ingediend bij de federale wapendienst op basis van artikel 30 van de wapenwet heeft evenwel een devolutieve werking Dit betekent dat de federale wapendienst die zich in beroep moet uitspreken, opnieuw een volledig onderzoek ten gronde zal doen omtrent de betreffende erkenning/vergunning. Het eventueel miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur door de provinciegouverneur doet dan ook niet ter zake aangezien het beroep dat werd ingesteld een volledig nieuwe beoordeling van het dossier inhoudt”. IV. Onderzoek van het enige middel Exceptie van belang bij het enige middel Uiteenzetting van de exceptie
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoeker bij het middel. Zij wijst op artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, waaruit blijkt dat administratief beroep kan worden aangetekend bij de minister of zijn gemachtigde en dat geen ander bestuursorgaan het administratief beroep kan ontvangen en er zich over uitspreken. Indien de Raad van State het middel gegrond zou bevinden, dan zou zulks er niet toe leiden dat het beroep van verzoeker gegrond zou worden verklaard. Immers, ook die uitspraak kan niet worden gedaan als het orgaan dat uitspraak moet doen, als partijdig wordt aanzien en zich dus moet onthouden: niemand anders dan de verwerende partij kan zich immers over het administratief beroep uitspreken. Zij wijst erop dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat het onpartijdigheidsbeginsel niet kan worden ingeroepen als het nemen van een regelmatige beslissing dan onmogelijk wordt. Verzoeker is er, aldus de verwerende partij, niet mee geholpen de partijdigheid van de verwerende partij in twijfel te trekken omdat, bij het gegrond bevinden van het middel, de Federale Wapendienst zich opnieuw over het administratief beroep moet uitspreken, terwijl verzoeker die dienst juist van partijdigheid verdenkt. Voorts wijst zij erop dat het administratief beroep de beslissing van de gouverneur niet opschort en de beslissing in eerste administratieve aanleg uitvoerbaar blijft. Aldus blokkeert verzoeker het nemen van een beroepsbeslissing als zijn middel gegrond wordt bevonden door de Raad van State. XIV-37.050-7/16 Beoordeling
- Deze exceptie betreft de draagwijdte van het door verzoeker geschonden geachte onpartijdigheidsbeginsel. Ze gaat immers uit van de hypothese dat, indien het middel gegrond wordt bevonden, het onmogelijk is om op regelmatige wijze te beslissen over het in artikel 30 van de Wapenwet ingerichte administratief beroep. De exceptie is derhalve verbonden met de grond van de zaak, nu verzoeker in dit middel precies aanvoert dat het onpartijdigheidsbeginsel toepasselijk is. Bijgevolg is er aanleiding om het middel te onderzoeken.
- De exceptie wordt verworpen. De gegrondheid van het enige middel Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel en “van het recht op een eerlijk proces conform artikel 6 EVRM.” Hij voert aan dat het te dezen overduidelijk is dat hij is geconfronteerd met een schending van het onpartijdigheidsbeginsel, minstens met de schijn dat dit beginsel geschonden werd. Verzoeker verwijst naar het e-mailverkeer tussen E.D., attaché bij de Dienst Wapenvergunningen van de gouverneur van Oost-Vlaanderen en F.I., het hoofd van de Federale Wapendienst. Naar verzoeker stelt, geeft F.I. in dit e-mailverkeer aan “hoe de diensten van gouverneur […] zich dienen te positioneren ten aanzien van de argumenten opgeworpen in het verweerschrift van verzoeker”. Volgens verzoeker stelt F.I. dat “de juridische argumenten opgeworpen door verzoeker berusten op de meest recente rechtspraak van de Raad van State” en dat hij “toch […] onmiddellijk aan[geeft] deze rechtspraak niet te willen respecteren en stelt hij dat de wapendiensten moeten blijven proberen om XIV-37.050-8/16 het begrip „openbare orde‟ zo breed mogelijk te interpreteren.” Volgens verzoeker zorgen zulke poneringen er ook voor dat verzoeker in de onmogelijkheid werd gebracht om zich nog voor een onpartijdige beroepsinstantie te verdedigen omtrent de beslissing van de gouverneur. F.I. gaf reeds op 9 januari 2015 aan dat hij de rechtspraak van de Raad van State terzijde wilde schuiven en wilde proberen om de wapenvergunningen van verzoeker in te trekken. Meer nog, stelt verzoeker, blijkt dat de beslissing van de gouverneur tot stand kwam op grond van het advies van F.I.. In het schrijven van 19 februari 2016 gaat F.I. en zijn attaché dit ook niet uit de weg en erkennen zij dit. Volgens verzoeker volstaat de uitleg niet die F.I. en zijn attaché in hun brief van 19 februari 2016 en in de bestreden beslissing “aan deze verontrustende briefwisseling” pogen te geven. Wat het argument betreft dat het slechts om een algemeen advies zou gaan dat niet specifiek werd opgesteld naar aanleiding van het concrete dossier - en dus de concrete argumenten van verzoeker - blijkt volgens verzoeker het tegendeel uit de betrokken e-mails. Alle pertinente e-mails zijn opgesteld op 9 januari 2015, alle e-mails dragen als hoofding de titel “verweerschrift inzake intrekking recht voorhanden hebben vuurwapens (artikel 13 WW)”. E.D. geeft bij het doorsturen van de e-mail uitdrukkelijk aan dat het een specifieke reactie betrof op het verweerschrift opgesteld door verzoeker en ook de wijze waarop F.I. zijn e-mailbericht opstelt, toont volgens verzoeker duidelijk aan dat hij dit deed met de intentie om het verweerschrift van verzoeker te becommentariëren en aan te geven hoe de dienst Wapenvergunningen zich daar het beste omtrent kon positioneren. Evenzo is de bewering onjuist dat zijn algemeen advies zonder zijn medeweten om binnen de provinciale wapendienst zou zijn rondgestuurd en op die manier de uiteindelijke beslissing zou hebben beïnvloed. Uit het e-mailverkeer blijkt duidelijk dat F.I. rechtstreeks de e-mails uitwisselde met E.D. die attaché is bij de provinciale wapendienst. Inzake het argument dat artikel 36 van de wapenwet toelaat dat de Federale Wapendienst beslissingen stuurt in concrete dossiers die nog aanhangig zijn bij de gouverneur, betoogt verzoeker dat die bepaling enkel gaat om de minister van Justitie te adviseren inzake de algemene richtlijnen die hij dient te nemen om de toepassing van de XIV-37.050-9/16 wapenwet te uniformiseren. Die bepaling laat niet toe dat de Federale Wapendienst rechtstreeks contact opneemt met de provinciale wapendiensten om hen aan te sturen in concrete dossiers. Verzoeker vat tot slot het middel als volgt samen: “dhr. [F.I.] neemt, door middel van zijn advies op gouverneursniveau, de bestreden beslissing waarna verzoeker tegen deze beslissing beroept aantekent om opnieuw beoordeeld te worden door diezelfde heer [I.]. Dit is bijzonder verontrustend en schendt het onpartijdigheidsbeginsel, minstens wordt er een schijn van partijdigheid gewekt. Uit het e-mailverkeer dat zich in het administratief dossier bevindt blijkt dat dhr. [F.I.] reeds gedurende de procedure voor Gouverneur […] achter de schermen de uiteindelijke beslissing die ten aanzien van verzoeker werd genomen, orkestreerde. Het is dan ook onaanvaardbaar dat verzoeker zich voor diezelfde Federale Wapendienst, geleid door dhr. [F.I.], moest komen verantwoorden in het kader van zijn beroepsprocedure. Zeker ook nu blijkt dat de aantijgingen van partijdigheid ten aanzien van dhr. [F.I.] door die persoon zelf, zo blijkt uit de brief die verzoeker heeft ontvangen op 19 februari 2016 en uit de bestreden beslissing d.d. 24 maart 2016, werden onderzocht en beoordeeld. Dhr. [F.I.] stuurde niet enkel de procedure voor Gouverneur […] en vormde de beroepsinstantie inzake maar behandelt ook de aantijgingen van partijdigheid die lastens hemzelf worden geformuleerd. Ook de bestreden beslissing d.d. 24 maart 2016 werd door dhr. [F.I.] opgesteld en ondertekend. Een dergelijke situatie tart werkelijk alle verbeelding en kan op geen enkele manier voldoen aan de onpartijdigheidsvereisten vervat onder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 6 EVRM.”
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat verzoeker precieze, ernstige feiten moet opgeven om te besluiten tot de schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Dat bewijs wordt niet geleverd door de e-mail van 9 januari 2015 van F.I. - diensthoofd van de Federale Wapendienst - aan E.D., attaché bij de provinciale wapendienst. In zijn verweerschrift van 5 januari 2015 verwees verzoeker naar rechtspraak van de Raad van State. “Zoals ook in andere dossiers bezit de provinciale wapendienst slechts een beperkte kennis van rechtspraak en rechtsleer, zodat daaromtrent advies wordt ingewonnen bij de federale Wapendienst”, want het particulier wapenbezit kan niet worden beschouwd als een zaak van provinciaal belang. De Federale Wapendienst moet erop toezien dat de uitvoering van de Wapenwet op dezelfde wijze wordt XIV-37.050-10/16 uitgevoerd in de provincies. De gouverneur heeft geen enkele beleidsmarge en ook uit de wetsgeschiedenis van de Wapenwet blijkt dat de wetgever beoogde een uniforme toepassing van de wet te verzekeren. Om die reden werden de bevoegdheden inzake vergunning gecentraliseerd op het niveau van de gouverneurs. Artikel 36 van de Wapenwet geeft daarom aan de Federale Wapendienst de opdracht om de minister van Justitie te adviseren over het geven van richtlijnen die hij in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken aan de gouverneurs kan geven in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden krachtens de Wapenwet. Wat de draagwijdte van de e-mail van 9 januari 2015 betreft, betoogt de verwerende partij dat die e-mail de interpretatie bevat die F.I. geeft aan de evolutie van de rechtspraak en dewelke van toepassing is op alle dossiers waarin een maatregel moet worden genomen om een potentieel gevaar voor de openbare orde te verijdelen. Het gebruik van de woorden “kunnen proberen” duidt volgens de verwerende partij “niet op het sturen van de individuele beslissing inzake verzoeker, doch wel op de mogelijkheden die de provinciale wapendienst beschikt bij de uitoefening van diens discretionaire bevoegdheid.” Beoordeling
- Het onpartijdigheidsbeginsel waarborgt, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, zowel de persoonlijke onpartijdigheid als de structurele onpartijdigheid van het orgaan van actief bestuur, op het vlak van het verloop van de procedure en het tot stand komen van haar beslissingen. Het onpartijdigheidsbeginsel moet aldus eveneens in acht worden genomen door een administratieve beroepsinstantie, zij het dat de toepassing ervan er niet mag toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het XIV-37.050-11/16 bevoegde adviesorgaan of van het beslissend orgaan van actief bestuur onmogelijk zou maken.
- Uit het middel blijkt dat verzoeker de subjectieve of persoonlijke partijdigheid aanvoert van F.I. Het wordt niet betwist dat deze ambtenaar in de hoedanigheid van gemachtigde van de minister van Justitie, zoals bepaald in artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, uitspraak heeft gedaan over het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur. Het bestaan van de subjectieve partijdigheid wordt derhalve in zijn hoofde onderzocht. Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Aangenomen wordt ook dat het aangevoerde algemeen rechtsbeginsel, dat ook besloten ligt in de rechtsspreuken Justice should not only be done, but should also be seen to be done en Likelihood of bias, inhoudt dat iemand die een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij een zaak, zich moet onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces wat die zaak aangaat. Dit kan ook een moreel belang zijn. Uit wat volgt blijkt dat zulks te dezen wordt aangetoond door verzoeker.
- Op grond van de gegevens van de zaak en in bijzonder op grond van de lezing van de voormelde e-mailketting (zie supra, punt 3.4.) wordt het standpunt van verzoeker bijgetreden dat de e-mail van F.I. van 9 januari 2015 om 15u44 uitdrukkelijk betrekking heeft op het door verzoeker op 5 januari 2015 ingediende verweerschrift dat, luidens de beslissing van de gouverneur in eerste aanleg, op de provinciale administratie is ontvangen op 7 januari
- Het betreft te dezen een e-mailketting afkomstig uit de e-mailaccount van E.D. , waarbij alle e-mails als hoofding de titel dragen van “verweerschrift inzake intrekking recht XIV-37.050-12/16 voorhanden hebben vuurwapens (artikel 13 WW)”. E.D geeft bij het doorsturen van de e-mail van F.I. uitdrukkelijk aan “ter info mbt verweerschrift Albert van Damme […]” en verzoeker maakt aannemelijk dat ook de wijze waarop F.I. zijn e-mailbericht opstelt, doet blijken dat die dit deed vanuit een duidelijke commentaar op zijn verweerschrift. Op dat punt overtuigt de verwerende partij niet dat de e-mail van F.I. een interpretatie en evolutie van de rechtspraak aangeeft “dewelke van toepassing is op alle dossiers waarin een maatregel moet worden genomen om een potentieel gevaar voor de openbare orde te verijdelen.” De verwerende partij verzuimt overigens op dat punt om ter adstructie van haar bewijsvoering, de start van de e-mailketting - die blijkens het overgelegde uittreksel aanvangt met een e-mail van 9 januari 2015 om 10h28 - over te leggen. Die e-mail - met de geadresseerde ervan, alsook met de concrete vraag of vragen die aanleiding gaven tot het antwoord (“RE”) van F.I. op dezelfde datum om 15u44 - had desgevallend volkomen uitsluitsel kunnen brengen en iedere twijfel ter zake kunnen wegnemen omtrent het standpunt van de verwerende partij. Uit wat voorafgaat volgt aldus dat verzoeker aannemelijk maakt dat de betrokken e-mail verzoekers concrete zaak betreft en meer bepaald verzoekers verweerschrift bij de gouverneur en dat de e-mail van F.I. geen betrekking heeft op de (eenvormige) interpretatie van het concept “gevaar voor de openbare orde en veiligheid”, maar wel op een eigen beoordeling van de juridische argumenten uit het verweerschrift van verzoeker. Wat de inhoud van de e-mail van F.I. betreft, blijkt dat die erin een duidelijke positie of standpunt inneemt omtrent verzoekers (juridische) argumenten uiteengezet in het verweerschrift en waaruit kan worden afgeleid dat hij aanstuurt op een verwerping van het beroep. Voorts blijkt ook dat F.I. de aantijgingen van partijdigheid die lastens hemzelf door verzoeker worden geformuleerd, behandelde: het antwoord op verzoekers verweerschrift van 18 februari 2016 waarin de subjectieve partijdigheid van F.I. werd aangebracht, werd behandeld door F.I. in de brief van 19 februari 2016 (zie supra, punt 3.7.). Tot slot werd ook de bestreden beslissing waarin over verzoekers beroep en bezwaren betreffende de partijdigheid van F.I. werd geoordeeld, genomen door F.I. XIV-37.050-13/16
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker aannemelijk maakt dat er een voldoende precies feit of aanwijzing is van het feit dat F.I. minstens een mogelijks rechtstreeks en persoonlijk belang heeft van morele aard bij de beantwoording van het administratief beroep van verzoeker en met betrekking tot zijn positie die hij in de eerste administratieve aanleg heeft ingenomen inzake verzoekers standpunt en de erin ontwikkelde (juridische) argumenten, alsook bij de oplossing ervan. Het voorgaande kan aldus een redelijke twijfel doen ontstaan omtrent het vermoeden van (minstens de schijn van) partijdigheid van F.I. in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de minister van Justitie bij het afdoen van verzoekers administratief beroep.
- Het argument dat, naar de verwerende partij doet gelden, de betrokken e-mailwisseling moet worden gekaderd in het licht van de door artikel 36 van de Wapenwet aan de Federale Wapendienst toekomende mogelijkheid tot het plegen van overleg, leidt niet tot een andere conclusie. Vooreerst wordt het in artikel 36, eerste lid, 3° van de Wapenwet bedoelde overleg “met de verschillende sectoren en overheden” toegewezen aan de Federale Wapendienst, terwijl te dezen uit artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet blijkt dat niet die dienst, maar enkel de minister van Justitie en diens gemachtigde (hierna: de beroepsinstantie) uitspraak kunnen doen over het beroep tegen de beslissing van de gouverneur. De bestreden beslissing is overigens niet genomen door de Federale Wapendienst maar door de door de minister daartoe gemachtigde. Niet blijkt voorts dat de kwestieuze e-mailwisseling tussen E.D. en F.I. moet worden gekaderd binnen die bevoegdheden die wettelijk zijn toegewezen aan deze federale dienst. Uit wat voorafgaat blijkt dat ze daarentegen passen binnen het concrete onderzoek van verzoekers verweerschrift in eerste administratieve aanleg. Los van de vraag of de in artikel 36, eerste lid, 3° van de Wapenwet aan de Federale Wapendienst toegewezen bevoegdheid ook zou toekomen aan de beroepsinstantie en zonder dat moet worden onderzocht of die overlegbevoegdheid ook slaat op individuele dossiers, belet zulks in elk geval niet dat de XIV-37.050-14/16 beroepsinstantie, wanneer zij zou overleg plegen met de diensten van de gouverneur in een concreet dossier, er nadien over moet waken dat - eens dat concrete dossier bij haar op grond van artikel 30 van de Wapenwet aanhangig is en waarover zij derhalve met devolutieve kracht moet beslissen - zij hierbij niet de algemene rechtsbeginselen miskent waaronder het verbod tot (schijn van) subjectieve partijdigheid. Uit wat voorafgaat blijkt evenwel dat het laatste te dezen het geval is.
- Leidt evenmin tot een andere conclusie, het verweer bij de exceptie (zie supra, punt 4.) dat het onmogelijk is om nog op regelmatige wijze te beslissen over het in artikel 30 van de Wapenwet ingerichte administratief beroep. Niet alleen blijkt uit de lezing van artikel 30 van de Wapenwet dat de minister van Justitie bevoegd is om, desgevallend, te oordelen over het beroep, zonder dat hij daartoe een beroep moet doen op een door hem gemachtigde. Bovendien blijkt niet, noch wordt aannemelijk gemaakt dat geen andere door de minister gemachtigde dan F.I. zich kon uitspreken over verzoekers administratief beroep. In dat verband bemerkt de Raad van State dat in de op 1 oktober 2012 in het Belgische Staatsblad bekendgemaakte ministeriële beslissing van 21 september 2012 aan meerdere functiehouders delegatie van bevoegdheid werd verleend om te beslissen over de beroepen die op basis van artikel 30 van de Wapenwet worden ingesteld. Aldus is niet aangetoond dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt indien de persoon op wie een schijn van partijdigheid rust, zich onthoudt van deelname aan het besluitvormingsproces wat die zaak aangaat. Uit wat voorafgaat volgt dat aan verzoeker de toegang tot een onpartijdige beroepsinstantie werd ontzegd.
- Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. XIV-37.050-15/16 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 24 maart 2016 inzake het beroep van verzoeker tegen het besluit van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 21 april
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.050-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div