id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.955 Rolnummer: A. 220643/XIV-37230 Zaak: Arrest 244955 - Penitentiair recht - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 22:14 Fiche Arrest nr 244.955 van 26 juni 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.955 van 26 juni 2019 in de zaak A. 220.643/XIV-37.230 In zake : Ali KARDASH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Verkeyn kantoor houdend te 8400 Oostende Kaïrostraat 85 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Brugge van 4 oktober 2016 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie wordt opgelegd van “de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte - voorwaarde- lijke sanctie valt vf 05/10 tem 11/10/2016”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. XIV-37.230-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Maertens, die loco advocaat Charlotte Verkeyn verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is ten tijde van de feiten opgesloten in de gevangenis van Brugge. 3.
- Op 28 september 2016 wordt lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld met daarin de volgende vaststellingen: “Bovenvermelde gedetineerde stoort de beweging van de wandeling en brengt daardoor de veiligheid van de inrichting in het gevaar. Het BEGINNEN wandelen op het moment dat de rest van de gedetineerden reeds naar binnen aan het gaan zijn maakt dat de beweging met 5 minuten vertraagd wordt door zijn extra ronde. Daarbovenop stelt betrokkene zich onverschillig op en roept dat ik er 4 mag schrijven (RAD’s).” In dat rapport worden ook twee getuigen van de feiten vermeld. 3.
- Op 4 oktober 2016 wordt aan verzoeker de tuchtstraf “afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte - voorwaardelijke sanctie valt vf 05/10 tem 11/10/2016”, opgelegd wegens een XIV-37.230-2/7 inbreuk van de tweede categorie, met name “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” en voor de feiten “verstoren beweging wandeling”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering: “voorwaardelijke sanctie valt. De gevangenis is een omgeving waar normen en regels noodzakelijk zijn om het voor iedereen leefbaar te houden. Gelet op het feit dat de regels niet werden nageleefd, lijkt een sanctie hier op zijn plaats.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet van 12 januari 2005). Verzoeker voert in essentie aan dat op grond van de motivering opgenomen in de bestreden beslissing hij niet in de mogelijkheid is te begrijpen of, hoe en op welke manier rekening zou zijn gehouden met zijn verweer bij de beoordeling van de feiten. Uit het zittingsverslag van de hoorzitting blijkt dat verzoeker uitdrukkelijk betwist dat er zich enig incident heeft voorgedaan op wandeling en dat hij heeft gevraagd om de camerabeelden te bekijken zodat dit kan worden geverifieerd. Hij vindt het merkwaardig dat werd aangegeven dat de beslissing later op de dag zou worden genomen - net nu verzoeker had aangegeven dat de camerabeelden konden worden bekeken zodat duidelijk zou zijn dat hetgeen in het rapport aan de directeur is gesteld, niet als bewezen kan worden geacht - terwijl naderhand moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing reeds op hetzelfde ogenblik werd genomen als het afsluiten van de hoorzitting. Hij besluit dat hij op geen enkele manier te weten kon komen of, hoe en op welke wijze rekening zou zijn gehouden met zijn XIV-37.230-3/7 verweer bij het beoordelen van de feiten. Bovendien volgt uit artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 dat uit de beslissing omtrent het opleggen van een tuchtstraf moet blijken waarom voor een bepaalde tuchtstraf wordt geopteerd en niet voor de minst zware tuchtstraf. De motivering in de bestreden beslissing laat zulks niet toe: de bestreden beslissing laat immers een voorwaardelijke straf vallen waardoor verzoeker voor een aantal dagen wordt toegewezen aan zijn verblijfs- ruimte.
- Verzoeker voegt in zijn memorie van wederantwoord nog toe dat de a posteriori motivering die door de verwerende partij nu in de memorie van antwoord wordt gegeven omtrent de redenen waarom zijn verweer niet kon worden aangenomen, het gebrek aan motivering van de bestreden beslissing zelf niet kan goed maken. Hij meent dat uit de bestreden beslissing expliciet noch impliciet kan worden afgeleid waarom zijn verweer niet werd aangenomen. Het argument van de verwerende partij dat zij niet genoodzaakt was in te gaan op de vraag van verzoeker omdat zij diende te handelen met de vereiste spoed, werd evenmin opgenomen in de bestreden beslissing. Bovendien heeft de verwerende partij op grond van artikel 144 van de basiswet van 12 januari 2005 voldoende tijd om het verweer van verzoeker na te gaan. Daarnaast meent verzoeker dat de melding dat de beslissing later op de dag zou worden meegedeeld, geen standaardvermelding betreft zoals wordt voorgehouden in de memorie van antwoord. Bovendien werd deze melding in het verslag van de hoorzitting opgenomen in het compartiment waarin de door de directeur uitdrukkelijk gedane mededelingen worden opgenomen. Bijgevolg mocht verzoeker er op vertrouwen dat zijn verweer daadwerkelijk nog zou worden nagegaan. Hij besluit dat, omwille van deze redenen, de bestreden beslissing moet worden vernietigd vermits de formele motiveringsplicht, samengelezen met artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005, wel degelijk geschonden werd. In de laatste memorie herneemt verzoeker woordelijk zijn memorie van wederantwoord. Hij benadrukt dat er in de bestreden beslissing geen enkele motivering te bespeuren valt aangaande het gegeven waarom niet werd XIV-37.230-4/7 ingegaan op het verweer van verzoeker, of, hoe en op welke manier met dit verweer rekening werd gehouden. Het gegeven dat verzoeker uit de samenhang tussen de beslissing en het rapport aan de directeur kennis kan nemen van de feiten waartegen hij zich dient te verweren, doet geen afbreuk aan het gegeven dat de bestreden beslissing de motieven moet bevatten op het gestelde verweer van verzoeker. Beoordeling
- In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet faalt het middel in rechte vermits die bepaling enkel de motivering van jurisdictionele beslissingen betreft.
- Verzoeker voert in het verzoekschrift in essentie aan dat, ten eerste, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 zijn geschonden doordat hij niet weet of, hoe en op welke manier rekening zou zijn gehouden met zijn verweer bij het beoordelen van de feiten en, ten tweede, artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 is geschonden doordat niet blijkt waarom voor een bepaalde tuchtstraf is geopteerd en niet voor bijvoorbeeld de minst zware straf. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. In zoverre verzoeker voorts voor het eerst in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het enig middel op grond van de volgende overwegingen: “4.
- De formele motivering van de bestreden beslissing […] laat toe in te zien voor welke feiten de tuchtstraf werd opgelegd: ‘verstoring beweging wandeling’ XIV-37.230-5/7 wat wordt beschouwd als een inbreuk op het huishoudelijk reglement. Samen gelezen met het rapport aan de directeur, waar verzoeker ook kennis van gekregen heeft, is het voldoende duidelijk dat het gaat om het gedrag dat verzoeker stelde toen de wandeling ten einde liep, waarbij hij slechts begon aan zijn wandeling toen de andere gedetineerden reeds terug naar binnen gingen. Het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen wordt beschouwd als een inbreuk van de tweede categorie, zoals bepaald in artikel 130 van de Basiswet. Op grond van artikel 132 van de Basiswet kan voor inbreuken van de tweede categorie een algemene tuchtsanctie worden opgelegd, zoals de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor een maximumduur van 15 dagen. De gevangenisdirecteur motiveert in de bestreden beslissing nog dat de regels dienen te worden nageleefd omdat de gevangenis een omgeving is waar normen en regels noodzakelijk zijn om het voor iedereen leefbaar te houden. Deze motieven geven aan verzoeker op afdoende wijze aan op grond van welke feiten de tuchtsanctie werd opgelegd en waarom de tuchtsanctie van het effectief worden van de voorwaardelijke sanctie van de afzondering in een aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte werd opgelegd. Aldus kent verzoeker de motieven waarom hem de tuchtstraf werd opgelegd, zodat hij er zich inhoudelijk kan tegen verweren, getuige hiervan overigens de inhoudelijke kritiek die verzoeker hiertegen in het middel aanvoert. Dat volstaat in het licht van de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. Verzoeker heeft zich er luidens het verslag van de hoorzitting toe […] beperkt de feiten te ontkennen, zonder dat enige reden werd aangevoerd waarom getwijfeld diende te worden aan de waarachtigheid van de feiten. Ten aanzien van een dergelijk verweer dient de tuchtoverheid haar beslissing niet met bijzondere redenen te omkleden. Het enkele feit dat verzoeker vroeg dat de directeur de camerabeelden zou bekijken, geeft op zich geen aanleiding tot een ruimere motiveringsverplichting in hoofde van de directeur van de gevangenisinstelling. Zoals de verwerende partij stelt, blijkt uit [het] feit dat op dit verzoek niet werd ingegaan impliciet maar afdoende dat de directeur van oordeel was dat de feiten zoals opgenomen in het rapport aan de directeur voldoende bewezen waren. Wat betreft de keuze van de tuchtstraf moet worden vastgesteld dat het gaat om een verval van een reeds voorwaardelijk opgelegde straf die naar aanleiding van een vorig tuchtvergrijp werd opgelegd onder de voorwaarde dat verzoeker binnen een periode van twee maanden geen nieuwe tuchtfeiten zou plegen. Bovendien kan voor tuchtinbreuken van de tweede categorie de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte worden opgelegd voor maximaal 15 dagen terwijl het verval van de voorwaardelijke straf te dezen inhoudt dat verzoeker slechts voor een periode van 7 dagen deze straf dient te ondergaan. Er werd dan ook niet de zwaarste straf opgelegd. Verzoeker toont niet aan dat in deze omstandigheden de formelemotiveringsverplichting een meer omstandige motivering van de keuze voor de straf was vereist. 4.
- Dat de verwerende partij vervolgens in haar memorie van antwoord een juridisch verweer voert omtrent de omvang van de formelemotiveringsverplichting die op haar rustte, kan niet worden beschouwd als het aanvoeren van een a posteriori motivering.”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het benadrukken en poneren van zijn standpunt of mening zonder evenwel op enige wijze nog inhoudelijk te XIV-37.230-6/7 reageren. Hij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. Aldus heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enig middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.230-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.955 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div