id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.957 Rolnummer: A. 219975/XIV-37159 Zaak: Arrest 244957 - Wapens - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:16 Fiche Arrest nr 244.957 van 26 juni 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.957 van 26 juni 2019 in de zaak A. 219.975/XIV-37.159 In zake : Kimberly VANDEWEYER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 25 februari 2016 inzake het beroep van verzoeker tegen het besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 6 augustus
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.159-1/13 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daniël Plas, die loco advocaat Simon Verhoeven verschijnt voor verzoekster, en advocaat Bijou D‟Haeyer, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is houder van een sportschutterslicentie en van vergunningen voor het voorhanden hebben van een aantal vuurwapens. 3.
- Op 6 augustus 2015 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen verzoeksters vergunningen in alsook het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Ook wordt de registratie van een bijkomend vuurwapen niet ingewilligd. 3.
- Verzoeksters beroep tegen die beslissing wordt op 25 februari 2016 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. XIV-37.159-2/13 Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging - Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie wat de tijdigheid van het (aanvullend) beroepschrift betreft Standpunt van de partijen
- De verwerende partij stelt vast dat verzoekster op 22 april 2016, binnen de termijn, een eerste verzoekschrift heeft ingediend dat om verschillende redenen niet in overeenstemming was met de procedurevoorschriften. Nadat de hoofdgriffier van de Raad van State verzoekster had verzocht het verzoekschrift in overeenstemming te brengen met het procedurereglement, zond verzoekster op 9 augustus 2016, bijna vier maanden later, aan de griffie een verzoekschrift tot nietigverklaring dat inhoudelijk en formeel voldoet aan de procedurele eisen. De verwerende partij voert aan dat, als dat verzoekschrift als nieuw wordt beschouwd, het duidelijk te laat is en derhalve niet-ontvankelijk. Wordt het aanzien als een aanvulling op het initiële verzoekschrift, dan is het eveneens niet-ontvankelijk. Het initiële vormgebrek, met name het gebrek aan middelen, kan na het verstrijken van de beroepstermijn niet meer worden goedgemaakt.
- In het verzoekschrift van 9 augustus 2016 licht verzoekster onder de rubriek “tijdigheid” toe dat zij op 22 april 2016 besliste tot het instellen van de voorliggende vordering tot nietigverklaring en dat zij daartoe op 22 april 2016 een aangetekende brief richtte tot de Raad van State en dat de vordering aldus zonder meer tijdig is ingesteld. Zij zet voorts uiteen dat zij wel met een brief van de griffie van 26 april 2016 in kennis werd gesteld “van het feit dat het aangetekend schrijven van 22 april 2016 niet voldeed aan de voorschriften van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State en het procedurereglement en dat aldus een verzoekschrift conform deze bepalingen XIV-37.159-3/13 diende ingediend te worden.” Volgens haar wordt “met huidig verzoekschrift” aldus een verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en de algemene procedureregeling. Voorts wordt gesteld dat “dit gegeven […] geen afbreuk [doet] aan de tijdigheid van de indiening van de vordering tot nietigverklaring door verzoekende partij. De vordering tot nietigverklaring is tijdig, namelijk op 22 april 2016, ingesteld met het aangetekend schrijven van verzoekende partij van die datum […]. Huidig verzoekschrift tot nietigverklaring wordt louter ingediend om de reeds ingediende vordering tot nietigverklaring in overeenstemming [te brengen] met de toepasselijke voorschriften die zijn neergelegd in de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en het procedurereglement.” In de memorie van wederantwoord repliceert verzoekster dat het nieuw, c.q. aanvullende verzoekschrift geen afbreuk doet aan de tijdigheid van het ingediende beroep. Dit werd volgens haar uitdrukkelijk bevestigd door de griffie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarenboven is, zelfs indien geen rekening mag worden gehouden met het eerste verzoekschrift, dat van 9 augustus 2016 tijdig. Volgens verzoekster heeft de verwerende partij immers de voorschriften niet nageleefd vervat in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Concreet staat volgens verzoekster vast dat de verwerende partij naliet te vermelden dat het opschrift van het verzoekschrift “verzoekschrift tot nietigverklaring” dient te vermelden, alsook dat keuze van woonplaats dient te worden gedaan. De gedeeltelijke naleving van voormeld artikel 19, tweede lid, staat gelijk aan een niet-naleving en het beroep is zonder meer tijdig. In de laatste memorie doet verzoekster gelden dat er wat het tweede verzoekschrift betreft, geen sprake is van een nieuwe dan wel bijkomende termijn waarin een nieuw verzoekschrift is ingediend. In wezen heeft verzoekster door indiening van een verzoekschrift conform de voorschriften toepassing gemaakt van de regularisatiemogelijkheid voorgeschreven in artikel 3bis, tweede XIV-37.159-4/13 en derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemene procedureregeling). Beoordeling
- Met een op 22 april 2016 ter post aangetekende brief van 22 april 2016 meldt verzoekster dat zij “met dit schrijven [beroep] [wil] aantekenen inzake de beslissing van de minister van Justitie dd 25/2/2016 inzake mijn beroep tegen het besluit van de gouverneur van Antwerpen dd 6/8/2015.” Vanuit louter temporeel oogpunt is dit beroep derhalve tijdig.
- Met een op 26 april 2016 ter post aangetekende brief brengt de hoofdgriffier van de Raad van State aan verzoekster ter kennis dat die brief van 22 april 2016 niet voldoet aan de voorwaarden gesteld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State en bij de algemene procedureregeling. Voorts wordt gemeld dat, “indien het uw bedoeling is om, op grond van artikel 14 van voormelde wetten, bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen een beslissing die uitgaat van een administratieve overheid, dan dient u het procedurereglement na te leven”. Als bijlage worden de belangrijkste wets- en reglementsbepalingen betreffende het indienen van een beroep bij de Raad van State gevoegd en wordt aangegeven dat verzoekster eventueel bij een raadsman, of bij een justitiehuis, inlichtingen kan inwinnen omtrent de wijze waarop haar belangen of rechten het best kunnen worden beschermd.
- Uit het op 9 augustus 2016 ingediende verzoekschrift blijkt dat het niet de bedoeling van verzoekster was om een nieuw verzoekschrift in te dienen, maar wel om met dat verzoekschrift van 9 augustus 2016 zich te conformeren aan de procedurele voorschriften. Dit blijkt met zoveel woorden ook uit verzoeksters laatste memorie waar zij stelt dat “er geen sprake [is] van een nieuwe dan wel bijkomende termijn waarin een nieuw verzoekschrift is XIV-37.159-5/13 ingediend”, maar wel dat zij “naar aanleiding van het schrijven van de griffie […] dd 26 april 201[6] […] haar verzoekschrift […] [heeft] geregulariseerd door indiening van een verzoekschrift conform deze vormvoorschriften op 9 augustus 2016.” De exceptie wordt daarom vanuit dat oogpunt onderzocht.
- Artikel 3bis van de algemene procedureregeling luidt: “Art. 3bis. Het verzoekschrift wordt niet op de rol ingeschreven indien : 1° uitgaande van een rechtspersoon, het niet vergezeld gaat van de stukken opgesomd in artikel 3, 4°; 2° het niet is ondertekend of niet vergezeld gaat van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften; 3° het geen woonplaatskeuze bevat, wanneer deze vereist is; 4° (...) 5° het niet vergezeld gaat van een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen, tenzij de verzoekende partij verklaart dat ze niet in het bezit is van een zodanig afschrift; 6° er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn. In geval van toepassing van het eerste lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren. De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het tweede lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan. Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.” Anders dan hoe verzoekster het ziet, is de hiervoor vermelde brief van de hoofdgriffier geen brief in de zin van artikel 3bis van de algemene procedureregeling, zodat die bepaling geen toepassing kan vinden. De griffiebrief van 26 april 2016 strekt er immers niet toe om overeenkomstig die bepaling verzoekster uit te nodigen haar ingediend verzoekschrift tijdig te regulariseren omdat het ingediende beroep een of meer van de in artikel 3bis, eerste lid, opgesomde tekortkomingen telt. Hij beoogt wel verzoekster erop te wijzen dat, naar het oordeel van de hoofdgriffier, haar beroep niet voldoet aan de voorwaarden gesteld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State en bij de algemene procedureregeling. De betrokken brief sterkt er derhalve enkel toe aan verzoekster mee te delen op welke wijze zij rechtsgeldig een annulatieberoep kon indienen, XIV-37.159-6/13 waarbij die inlichtingen verzoekster toelieten uit te maken of zij haar eerder ingediend verzoekschrift misschien nog kon regulariseren of aanvullen, maar dat zij in geen geval kunnen worden gezien als de vaststelling van een verzoek tot regularisatie in de zin van artikel 3bis, tweede lid, van de algemene procedureregeling. De Raad van State bemerkt overigens dat, indien hij de lezing van verzoekster zou bijtreden, dan zou zulks impliceren dat bij gebreke aan tijdige regularisatie, haar verzoekschrift van 22 april 2016 zou moeten worden geacht niet te zijn ingediend. Verzoekster heeft immers verzuimd binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek van de griffie, haar verzoekschrift te regulariseren, zodat in die hypothese de sanctie bepaald in het laatste lid van artikel 3bis toepassing zou moeten vinden.
- Voorts verbiedt geen enkele bepaling dat, ook buiten de specifieke context van het te dezen niet van toepassing zijnde artikel 3bis van de algemene procedureregeling, een verzoekende partij, haar eerder tijdig ingediend verzoekschrift, aanvult op bepaalde punten, dan wel vervangt of, desgevallend, gebreken in het initieel ingediende verzoekschrift rechtzet. Zulks kan evenwel enkel op ontvankelijke wijze indien dat gebeurt binnen de beroepstermijn. Zonder dat moet worden onderzocht of de hoofdgriffier andere informatie aan verzoekster zou hebben verleend - enig (begin van) bewijs ter zake ligt niet voor - zou zulks hoe dan ook niet tot een andere conclusie leiden nu de termijnregeling de openbare orde raakt en de hoofdgriffier hieraan in een individueel geval geen afbreuk mag doen. Het argument in de memorie van wederantwoord tot slot dat op grond van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de beroepstermijn op 9 augustus 2016 nog niet was verstreken, faalt in rechte. Het voorschrift om bij de kennisgeving van een griefhoudende beslissing aan de belanghebbende de beroepsmogelijkheden te vermelden omvat niet te verplichting XIV-37.159-7/13 mee te delen dat het opschrift van het verzoekschrift “verzoekschrift tot nietigverklaring” dient te vermelden, noch dat keuze van woonplaats dient te worden gedaan.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het op 22 april 2016 ingediende beroep tijdig is en dat de op 9 augustus 2016 ingediende “regularisatie” is ingediend buiten de beroepstermijn en derhalve niet-ontvankelijk is. De exceptie is derhalve in de aangegeven mate gegrond.
- Voor de verdere behandeling van het beroep wordt enkel rekening gehouden met het op 22 april 2016 ingediende beroep. B. Exceptie wegens het gebrek aan middelen in het verzoekschrift
- In dezelfde exceptie als die welke hiervoor is toegelicht voert de verwerende partij aan dat het verzoekschrift van 22 april 2016 geen uiteenzetting van de middelen bevat en dat bijgevolg, bij gebrek aan enig middel, dat verzoekschrift derhalve niet-ontvankelijk is.
- In het auditoraatsverslag wordt uiteengezet dat in het verzoekschrift het hierna behandelde middel wordt ingeroepen. Nadat de verwerende partij in het auditoraatsverslag aldus mocht lezen dat het verzoekschrift een ontvankelijk middel bevat, verzaakt zij aan de mogelijkheid om dit nog tegen te spreken in een laatste memorie die zij niet heeft ingediend. De Raad van State concludeert hieruit dat de verwerende partij niet langer op deze exceptie aandringt. De exceptie wordt verworpen. XIV-37.159-8/13 V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift van 22 april 2016 licht verzoekster het volgende toe “ingevolge het incident op 30 april 2015 en het mogelijks intrekken van mijn wapenvergunning”: “Op 30 april 2015 is er een misverstand geweest waarvan ik uiteraard veel spijt heb. Die dag had ik een zeer slechte dag achter de rug en kreeg ik enkele tegenslagen te verwerken. Ik besprak dit telefonisch met mijn zus en heb haar toen gezegd in een bui van weemoed: „misschien kan ik er beter niet meer zijn‟. Enkele seconden later na het gesprek besefte ik dat ik dat beter niet had gezegd en wilde ik haar terug bellen maar ik kreeg enkele keren een bezettoon. Ik dacht dan zal ik haar morgen wel terugbellen en wou voor mezelf eens rustig overlopen wat ik kon doen om mijn leven terug op rails te krijgen. Ik heb toen mijn gsm uit gezet omdat ik wilde gaan slapen. Uiteindelijk heb ik nog even tv gekeken vooraleer ik ging slapen. Na een tijdje heeft mijn zus gezien dat ik haar had proberen te bellen en zij belde mij terug maar aangezien ik mijn gsm had uitgezet hoorde ik de gsm niet. Zij dacht toen mogelijks dat ik meende wat ik zei en heeft de politie gebeld. Plots werd er op mijn deur geklopt toen ik al in bed lag en stond er politie aan mijn deur. Na die slechte dag die ik reeds had was dit echt niet aangenaam. Er volgde een heel onaangenaam gesprek tussen mij en de politie waarna zij besloten om mijn wapens in bewaring te nemen. Zij zeiden mij dat ik die „s anderendaags terug kon komen ophalen op het politiekantoor. Aangezien ik mijn wapens niet direct mee terug kreeg na mijn bezoek aan het politiekantoor omdat er nog een aantal formaliteiten moesten worden vervuld en ik nog een aantal schietoefeningen in de sportclub moest doen besloot ik met mijn nog geldige vergunning een ander wapen te kopen. Blijkbaar had ik dat niet mogen doen maar hiervan ben ik niet in kennis gesteld. Mijns inziens heb ik hierdoor geen overtreding begaan aangezien ik in het bezit was van een geldige vergunning en ook alles officieel werd geregistreerd. De melding die de politie op 28 mei 2015 ontving was van mijn buurman en ex-vriend, [XXX], die in het appartementsblok langs mij woont. Ik had sedert kort terug contact met hem en hij zei dat zijn relatie ook was spaak gelopen. Even dacht ik inderdaad dat we de draad terug zouden kunnen opnemen - dat had mij eerder toch laten verstaan - maar op 28 mei zei hij dat hij een nieuwe relatie met mij niet of toch op dit moment niet zag zitten. Ik heb toen inderdaad wenend zijn appartement verlaten maar begreep zijn reactie ook wel want ik had onze relatie destijds zelf beëindigd om met iemand anders een relatie te beginnen. Niettemin was ik er wel verdrietig over maar dat kon ik eigenlijk alleen mezelf verwijten. Dezelfde avond stuurde hij mij nog enkele sms‟jes maar ik heb daar niet op geantwoord. Waarschijnlijk omdat [XXX] gehoord had van het incident op 30 april heeft hij voor zekerheid de politie gebeld omdat ik zijn sms‟jes niet beantwoordde. XIV-37.159-9/13 De politie stond die avond (alweer) voor mijn deur en vroeg of alles in orde was. Ik zei dat alles absoluut in orde was. Ze zeiden dat ze een telefoon van [XXX] hadden ontvangen. Ik heb de agenten gerustgesteld dat er niets was en ze zijn ook onmiddellijk weggegaan. Ik kan er echter niets aan doen dat anderen de politie bellen en vooral omdat er helemaal niets aan de hand was. Na een gesprek met de politiecommissaris van Schoten zei hij dat hij een positief advies zou geven voor het teruggeven van mijn wapens. Dit is echter niet gebeurd. Echter omdat ik een ander wapen had aangekocht met mijn geldige vergunning heeft men dit aanzien alsof ik een intrekkingsbesluit probeer te omzeilen. Er werd mij nooit meegedeeld dat het een intrekking is, integendeel een bewaring en ik zou het spoedig terug krijgen. Dit bleek helaas niet het geval. Uit het verslag van de politie lijkt het alsof ik mijn wapen niet zorgvuldig bewaard heb. Ik had dit in een kast in een gesloten geldkoffer bewaard in mijn afgesloten kelder waar over de volledige kelderruimte tevens camerabewaking is. Dit is één van de elementen dat men aanhaalt om te zeggen dat ik risicogedrag vertoon. Zodra ik had vastgesteld dat er ingebroken was in mijn kelder heb ik dat aan de politiecommissaris van Schoten, [YYY], meegedeeld. Ik heb hier ook een verklaring voor afgelegd. [YYY] geloofde mijn verhaal echter niet en heeft dit ook te kennen gegeven in het verhoor. Hij heeft dan ook geen enkele moeite gedaan om mijn verhaal na te checken. Ik heb hem verteld dat er in de kelderruimte camerabewaking is en dat hij de camerabeelden kan opvragen bij de beheerder van het appartementsgebouw. Ik heb de beheerder 6 maanden later gesproken en deze heeft mij gezegd dat er geen enkel verhoor is geweest en er geen camerabeelden zijn opgevraagd door de politie. Mijns inziens hebben commissaris [YYY] en zijn collega‟s ernstig nagelaten om een diefstal die ik gemeld heb te onderzoeken. Zij hebben niet eens de moeite gedaan om de camerabeelden van de kelder op te vragen, noch hebben zij de beheerder van het appartementsgebouw gesproken. Omdat commissaris [YYY] mij niet geloofde (zie verhoor) heeft hij geen enkele moeite gedaan om na te gaan of mijn verhaal klopte. Ik kan dit niet anders dan te beschouwen als machtsafwending, machtsoverschrijding of misbruik van macht door geen deftig onderzoek te voeren, of eigenlijk geen enkel onderzoek te voeren. Tot slot wil ik het volgende meedelen: Het gaat om een eenmalig incident (woorden met de politie) waar ik helemaal niet trots over ben maar waarbij er niets is gebeurd. Ik heb een blanco strafregister en ben nog nooit in aanraking gekomen met de politie. Er worden vermoedens gecreëerd die totaal niet waar zijn en helemaal niet aangetoond. Ik heb een document voorgelegd waarin mijn huisdokter verklaart dat ik bekwaam ben om met vuurwapens om te gaan. Mijn eigen vader heeft een verklaring afgelegd waarin hij verklaart dat ik bekwaam ben om met vuurwapens om te gaan. De politie van Schoten onder leiding van commissaris [YYY] hebben geen enkele onderzoeksdaad gesteld in verband met de diefstal die ik aangegeven heb, zelfs niet de beelden van de bewakingscamera opgevraagd. Het is totaal niet juist om te stellen dat mijn wapen in de kelder niet goed bewaard heb aangezien ik het in een gesloten geldkistje, in een kast en in een gesloten kelderruimte heb bewaard waar camera‟s hangen. XIV-37.159-10/13 Het is voor mij onverklaarbaar waarom de politie van schoten deze bewakingsbeelden niet heeft opgevraagd nadat ik hun daarvan in kennis heb gesteld dat ze die konden opvragen bij de beheerder. Als laatste wil ik zeggen dat ik mijn hobby ontzettend graag doe en hoop te kunnen blijven uitoefenen. Eventueel kan ik mijn wapens in de schietclub zelf laten bewaren indien dit een argument is om mijn schietlicentie terug te geven. Ik wil graag het recht voorbehouden om bij deze beroepsinstelling later meer argumenten naar voor te brengen om mijn dossier nog beter te staven.” In de memorie van wederantwoord antwoordt verzoekster op de repliek van de verwerende partij inzake de middelen die verzoekster had ontwikkeld in het (hier niet-ontvankelijk bevonden) verzoekschrift van 9 augustus
- In haar laatste memorie voert verzoekster aan, wat het middel betreft uit het (eerste) verzoekschrift, dat de minister van Justitie in de bestreden beslissing niet heeft onderzocht of de motieven aangehaald door de provinciegouverneur om de wapenvergunning in te trekken nog steeds actueel zijn. Evenmin bevat de bestreden beslissing motieven waarom de minister van Justitie van oordeel zou zijn geen onderzoek te moeten voeren naar de actualiteit van de motieven om de wapenvergunning in te trekken. Ten overvloede verwijst zij tot slot naar hetgeen hieromtrent is gesteld in haar verzoekschrift van 9 augustus
- Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het enige middel op grond van de volgende overwegingen: “
- Het Auditoraat is van oordeel dat in het verzoekschrift als middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel wordt ingeroepen. Enige aanvulling van het middel of een andere invulling ervan in de memorie van wederantwoord moet als laattijdig worden verworpen.
- Bij de invulling van het begrip „openbare orde‟ beschikt de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid. Zij mag uit bepaalde feiten afleiden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De verwerende partij moet aldus inschatten voor de toekomst of het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, waarbij rekening kan worden gehouden met iemands algemene XIV-37.159-11/13 moraliteit en persoonlijkheid. De Wapenwet laat het bestuur toe om preventieve maatregelen te nemen om een gevaar voor de openbare orde te voorkomen. Ook artikel 5 van richtlijn nr. 477/91 van de Raad van 18 juni 1991 „inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens‟ stipuleert dat een vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens uitsluitend kan worden toegekend aan personen die „waarschijnlijk geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de openbare veiligheid zullen vormen‟.
- [Verzoekster] erkent dat zij wegens autisme medicijnen heeft genomen, die hebben geleid tot zelfmoordneigingen, met een tussenkomst van de politie als gevolg. Zo heeft zij op 30 april 2015 verontrustende berichten gestuurd naar haar zus, met inbegrip van een foto waarop zij een wapen aan het laden was. In de brief van 30 april 2015 van de politie aan de gouverneur van de provincie Antwerpen is te lezen: „Bedoeling is dat Vandeweyer zich vrijwillig zou laten opnemen in het ziekenhuis‟. Los van de zelfmoordneigingen, blijkt uit de bestreden beslissing dat de handeling van 30 april 2015 tevens erop was gericht om druk uit te oefenen op de voormalige partner, wat door de verzoekende partij niet wordt tegengesproken.
- Er moet worden vastgesteld dat de feiten van 30 april 2015 ertoe hebben geleid dat de verzoekende partij op het moment van het nemen van de bestreden beslissing, te weten minder dan één jaar na die feiten, niet kon worden beschouwd als een persoon die waarschijnlijk geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de openbare veiligheid vormde. Het potentieel gevaar voor de openbare en (eigen) veiligheid, dat de verzoekende partij inhield, maakt dat niet kan worden geoordeeld dat de verwerende partij kennelijk onredelijk heeft gehandeld. Dat dergelijk gevaar voorhanden was, waarvan de vaststelling de verwerende partij toekomt en niet verzoeksters huisarts of vader, wordt inderdaad versterkt door het bijkomend gegeven dat de verzoekende partij op 6 mei 2015 - dus enkele dagen na de bestuurlijke inbewaringneming van haar wapens op 30 april 2015 - een vergunningsplichtig wapen aankocht. Het voornoemde volstaat om de bestreden beslissing te dragen en die als niet kennelijk onredelijk te beschouwen. De kritiek in het verzoekschrift, die betrekking heeft op de omstandigheid van het bewaren van het wapen met schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als gevolg, is bijgevolg niet dienstig, nu er een dragend motief voorhanden is.”
- Verzoekster betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het poneren dat het standpunt van het auditoraat onjuist is en tot het aanvoeren van nieuwe wettigheidskritieken. Zij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. Aldus heeft verzoekster niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel ongegrond. XIV-37.159-12/13
- Wat voorts de in de laatste memorie aangevoerde wettigheidskritieken betreft, toont verzoekster niet aan dat zij die niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.159-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.957 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div