id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.958 Rolnummer: A. 222625/XIV-37464 Zaak: Arrest 244958 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 22:35 Fiche Arrest nr 244.958 van 26 juni 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.958 van 26 juni 2019 in de zaak A. 222.625/XIV-37.464 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gerechtelijk directeur van de Federale Gerechtelijke Politie Brussel van 8 mei 2017 waarbij verzoeker bij wijze van ordemaatregel wordt overgeplaatst naar een administratieve functie. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.464-1/10 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joy Moens, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de Federale Politie. 3.
- De gerechtelijk directeur van de Federale Gerechtelijke Politie Brussel neemt op 8 mei 2017 de beslissing tot overplaatsing van verzoeker bij wijze van ordemaatregel naar een administratieve functie bij het labo. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Op 24 mei 2017 richt het diensthoofd van de Federale Gerechtelijke Politie, algemene directie - dienst beheer van het personeel aan verzoeker een vraag tot een afspraak betreffende een heroriëntatie van verzoekers loopbaan. XIV-37.464-2/10 3.
- Op 2 augustus 2017 beslist de directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke Politie verzoeker te detacheren naar het DVI-team als lid van het vast team en dit voor een periode van zes maanden met ingang op 1 september 2017 (eventueel verlengbaar). Onder de overwegingen van die beslissing is gemeld: “overwegende [verzoekers] akkoord om te worden gedetacheerd van FGP Brussel naar DJT/ID/DVI-Team.” IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid Ambtshalve exceptie van het actueel belang bij het beroep
- Bij de ingereedheidbrenging van de zaak met het oog op de openbare behandeling ervan ter terechtzitting, werd aan partijen in de beschikking tot oproeping het volgende gevraagd: “De Algemene Vergadering van de Raad van State heeft in twee recente arresten standpunten ingenomen inzake het behoud en het teloorgaan van het (actuele) belang. Verwezen wordt naar de arresten nr. 243.406 van 15 januari 2019, Van Doren en nr. 244.015 van 22 maart 2019, Moors. Deze arresten zijn vrij beschikbaar op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.be). Het valt de kamer toe te onderzoeken of in casu, de leer van die arresten toepassing moet vinden om die, desgevallend ambtshalve, toe te passen op de voorliggende zaak. De partijen worden met het oog hierop in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze ter zake schriftelijk aan de kamer mee te delen voor maandag 27 mei
- Dit mag desgevallend gebeuren aan de hand van een pleitnota die voldoet aan de voorwaarden door de rechtspraak gesteld (zie bijvoorbeeld RvS 19 november 2014, nr. 229.211).”
- Verzoeker zet in zijn pleitnota - die als hernomen ter terechtzitting moet worden beschouwd - uiteen dat de rechtspraak van het arrest van de algemene vergadering van de Raad van State nr. 243.406 van 15 januari 2019 te dezen toepassing vindt. Hij betoogt dat, indien de bestreden beslissing heden geen effecten meer heeft, dit het gevolg is van het handelen van de verwerende partij. Die besloot immers, na het opstarten van de huidige procedure, om verzoeker naar een andere functie over te plaatsen. Hij besluit dat, mocht te XIV-37.464-3/10 dezen anders worden geoordeeld, dit verzoekers recht op toegang tot de rechter disproportioneel zou beperken. In zijn laatste memorie, in repliek op het in het verslag van het auditoraat ingenomen standpunt dat verzoekers belang is teloorgegaan, doet verzoeker gelden dat het voor de goede rechtsbedeling past de bestreden beslissing te vernietigen. Beoordeling
- Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). XIV-37.464-4/10 Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
- Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren).
- Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding - door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen - te faciliteren. Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en de verzoekende partij om die XIV-37.464-5/10 reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde ((RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
- Uit het feitenrelaas blijkt dat verzoeker vanaf 1 september 2017 is gedetacheerd naar het DVI-team. Deze beslissing is definitief geworden. Voorts wordt niet betwist dat die detachering nog steeds uitwerking heeft. De bestreden beslissing heeft aldus geen uitwerking meer sinds 1 september
- Dit heeft tot gevolg dat, gelet op deze gewijzigde feitelijke omstandigheden, de inwilliging van verzoekers beroep tegen de bestreden beslissing, hem geen voordeel meer kan opleveren, nu hij niet langer is tewerkgesteld in de betwiste administratieve functie en een nietigverklaring van de bestreden beslissing dan ook niet langer noodzakelijk is om een einde te stellen aan de betwiste overplaatsing bij ordemaatregel en om derhalve de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen. Het belang van verzoeker is derhalve in de loop van de annulatieprocedure geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig verklaren van de bestreden beslissing, hetgeen uit wat voorafgaat blijkt, een onvoldoende rechtstreeks belang is.
- In het licht van de hiervoor uiteengezette stelplicht komt het te dezen derhalve aan verzoeker toe opheldering te verschaffen en te staven dat, naar zijn mening, te dezen de nietigverklaring (nog) een voordeel verschaft dat een voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde.
- In wat als een eerste argument kan worden beschouwd, doet verzoeker in zijn laatste memorie gelden dat het voor de goede rechtsbedeling past de bestreden beslissing te vernietigen. XIV-37.464-6/10 Dit argument overtuigt niet. De loutere omstandigheid dat een administratieve rechtshandeling, die geen uitwerking meer heeft, in het rechtsverkeer aanwezig blijft aangezien ze niet uitdrukkelijk is ingetrokken of opgeheven, verantwoordt op zich niet de nietigverklaring ervan door de Raad van State. Decisief is immers dat de beslissing de rechtstoestand van verzoeker nog beïnvloedt hetgeen niet blijkt. Voorts kan een nietigverklaring van de bestreden beslissing op zich niet het verleden ongedaan maken voor de periode tijdens dewelke verzoeker werd aangewezen voor de betwiste administratieve functie.
- Evenmin overtuigt het in de pleitnota aangevoerde argument dat het feit dat de bestreden beslissing geen effecten meer heeft, het gevolg is van het handelen van de verwerende partij. Het enkele feit dat door het optreden van de verwerende partij de bestreden beslissing heeft opgehouden rechtsgevolgen te ressorteren, impliceert op zich niet dat verzoeker op grond van dat feitelijk gegeven alleen, zijn belang bij de - zonder uitwerking geworden - bestreden beslissing behoudt en dus hem een voordeel verschaft dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring. Zulks zou immers elke nuttige inhoud ontnemen aan de eis dat het belang moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. Het komt bijgevolg aan verzoeker toe de nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen die kunnen aantonen dat in de concrete omstandigheden van de zaak dat belang nog actueel is gebleven. Verzoeker verschaft te dezen geen dergelijke opheldering. Het is overigens weliswaar op zich correct dat het de verwerende partij is die het initiatief nam tot een heroriëntering van verzoekers loopbaan en dat zulks leidde tot de op 2 augustus 2017 genomen beslissing tot detachering van verzoeker. Uit die beslissing van 2 augustus 2017 blijkt nochtans dat verzoeker de directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke Politie heeft geïnformeerd “dat hij wenste in te gaan op het voorstel tot detachering naar DJT/Divisie ID/DVI-team, met dien verstande uiteraard dat het hierbij niet de bedoeling is dat hij na enige tijd (vb. 6 maanden) XIV-37.464-7/10 gemuteerd of overgeplaatst zou worden naar een andere dienst, en dat hij inderdaad een vastheid van betrekking wenst te bekomen.” Het wordt voorts niet betwist dat die “vastheid van betrekking” zich heeft gerealiseerd en dat bij het sluiten van het debat die detachering nog steeds uitvoering kent. Ter terechtzitting is voorts bevestigd dat de op 2 augustus 2017 besliste detachering is gebeurd in overleg en met akkoord van verzoeker. Anders dan hoe verzoeker het ziet, volgt aldus uit wat voorafgaat dat - bij gebreke aan de nodige opheldering ter zake door verzoeker - moet worden besloten dat verzoeker het voordeel dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing hem kan bieden, uit vrije wil heeft verloren. Het verlies aan belang moet derhalve worden toegerekend aan verzoeker. Van een verzoeker mag immers worden geëist dat, wanneer hij een ordemaatregel tot overplaatsing betwist, hij erover waakt zijn belang bij de nietigverklaring ervan te vrijwaren.
- In die concrete omstandigheden aan verzoeker belang ontzeggen omdat hij met zijn akkoord niet langer de bij de bestreden beslissing toegewezen administratieve functie uitoefent, doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan zijn recht op toegang tot de rechter.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker geen nuttige gegevens ter beoordeling aanvoert die kunnen aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak nog een belang bij de nietigverklaring heeft. De ambtshalve exceptie is gegrond.
- Het beroep is niet ontvankelijk. XIV-37.464-8/10 V. Anonimisering
- Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
- Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-37.464-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.464-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div