← België

Arrest 244959 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.959 Rolnummer: A. 223748/XIV-37565 Zaak: Arrest 244959 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-24 01:19 Fiche Arrest nr 244.959 van 26 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.959 van 26 juni 2019 in de zaak A. 223.748/XIV-37.565 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 november 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 193.338 van 9 oktober 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.621 van 28 november
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.565-1/10 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
  4. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Denys, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend op 28 april 2010 doch hij wordt met een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) van 30 juni 2014, die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt bevestigd met een arrest van 6 februari 2015, uitgesloten van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. XIV-37.565-2/10 3.
  7. Verzoeker dient op 10 oktober 2016 een aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De staatssecretaris voor Asiel en Migratie verklaart die aanvraag met een beslissing van 30 januari 2017 ontvankelijk doch ongegrond. Op 10 maart 2017 stelt verzoeker tegen de voornoemde beslissing van 30 januari 2017 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring met een arrest van 9 oktober
  8. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) en “voor zoveel als nodig van het gezag van gewijsde en van artikel 149 van de Grondwet”. Verzoeker voert aan dat het bestreden arrest slechts één determinerend motief bevat om het in het annulatieberoep opgeworpen eerste middel, gesteund op de schending van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en artikel 3 van het EVRM, af te wijzen, namelijk dat verzoeker in Irak misdrijven tegen de mensheid heeft gepleegd, dat een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet een gunst is en dat verzoeker zulke gunst niet verdient ten gevolge van zijn gedrag in Irak. Weliswaar stelt de Raad voor XIV-37.565-3/10 Vreemdelingenbetwistingen op pagina 9 van het bestreden arrest dat verzoeker voorbijgaat aan het motief in de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende zijn beperkte integratie maar op pagina 10 stelt hij dat “de overige motieven van de bestreden beslissing, te weten […], ondersteunende motieven [zijn] die in hun geheel gelezen dienen te worden”, dit “naast de vaststelling dat slechts een beperkte integratie wordt aangetoond”. Verzoeker leidt hieruit af dat de weigering omwille van de beperkte integratie geen determinerend motief is. Indien de passus op pagina 9 betrekking heeft op een determinerend motief terwijl de passus op pagina 10 aantoont dat dit niet zo is, gaat het volgens verzoeker om een tegenstrijdige motivering, hetgeen gelijk staat met een afwezigheid van motivering. Verzoeker merkt op dat het determinerend motief, namelijk dat verzoeker de gunst van een machtiging tot verblijf niet verdient omwille van de in Irak begane misdaden tegen de menselijkheid, een dwingend motief wordt om de aanvraag in geen geval gegrond te kunnen verklaren. Artikel 9bis van de vreemdelingenwet bevat echter geen criteria om een aanvraag gegrond of ongegrond te verklaren en dergelijk dwingend motief ontneemt aan de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid, hetgeen in het bestreden arrest wordt overgenomen. Verzoeker laat vervolgens gelden dat artikel 3 van het EVRM een absoluut karakter heeft en dus primeert op het interne recht, met inbegrip van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Artikel 9bis geeft de verwerende partij een discretionaire bevoegdheid om de machtiging tot verblijf al dan niet te kennen maar het toepassingsgebied is niet beperkt tot de vreemdeling die van onberispelijk gedrag is. Waar verzoeker zich voor de aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet in de eerste plaats steunt op artikel 3 van het EVRM, moet worden uitgelegd waarom de niet betwiste onmogelijkheid tot terugkeer niet leidt tot de toekenning van een machtiging tot verblijf. Dit gebeurt niet in het bestreden arrest en verzoeker acht daardoor artikel 3 van het EVRM geschonden. Met het bestreden arrest wordt ten onrechte beslist dat de verwerende partij verzoekers XIV-37.565-4/10 aanvraag mocht verwerpen, zonder de motieven te beoordelen die op grond van artikel 3 van het EVRM werden ingeroepen, althans door die motieven te verwerpen op grond van redenen die volledig vreemd zijn aan artikel 3 van het EVRM. Daardoor is volgens verzoeker ook aangetoond dat, voor zover het gebrek aan integratie een determinerend motief van het bestreden arrest zou zijn, dit motief in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker had voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uiteengezet dat het op zich een schending van artikel 3 van het EVRM vormt door te beslissen dat ingevolge een zeer ernstig misdrijf de gunstmaatregel van artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet kan worden verleend. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft hierop geantwoord dat verzoeker dit niet aantoont, dat hij niet aannemelijk maakt dat een verblijfsonzekere toestand een onmenselijke en vernederende behandeling uitmaakt en dat bovendien slechts sprake is van een beperkte integratie. Volgens verzoeker moet een artikel uit het EVRM zo worden geïnterpreteerd dat de daarin vervatte rechten op een concrete en effectieve wijze worden gewaarborgd. Het volstaat dus niet dat een staat zich ervan onthoudt een vreemdeling uit te wijzen. Verzoeker besluit dat de omstandigheid dat de aanvankelijk bestreden beslissing een weigering van verblijf en geen formele verwijderingsmaatregel inhoudt, niet ter zake doet zodat hij een schending van artikel 3 van het EVRM kan inroepen.
  10. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij is van oordeel dat de verwerende partij het bestreden arrest parafraseert maar niet concreet antwoordt op zijn argumentatie. Beoordeling
  11. Verzoeker gaat ervan uit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de aanvankelijk bestreden beslissing één determinerend motief ziet, namelijk dat verzoeker misdaden tegen de mensheid heeft gepleegd in Irak, dat een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van XIV-37.565-5/10 de vreemdelingenwet een gunst is en dat verzoeker tengevolge van zijn gedrag in Irak dergelijke gunst niet verdient. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in het bestreden arrest inderdaad eerst in op de onmogelijkheid tot terugkeer naar Irak en de kwestie van de door verzoeker in Irak gepleegde misdrijven. Hij overweegt dat “het toekennen van een machtiging om verblijf wel degelijk een gunstmaatregel is en dat het de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij is om te oordelen of het plegen van zware misdrijven al dan niet in België een reden is om deze gunstmaatregel toe te kennen”, dat verzoeker “niet gevolgd [kan] worden in [zijn] impliciete redenering dat zodra er een onmogelijkheid tot terugkeer naar het herkomstland bestaat er steeds een machtiging om verblijf in toepassing van artikel 9bis moet worden toegestaan”, dat “de verwerende partij zeer in concreto heeft nagegaan welk misdrijf [verzoeker] heeft gepleegd en niet is overgegaan tot de conclusie dat elke uitsluiting van de vluchtelingenstatus een toekenning van een machtiging om verblijf in de weg staat” en dat “het […] de verwerende partij toe[komt] dergelijk element af te wegen tegenover het feit dat [verzoeker] in België nog geen gevaar voor de openbare orde vormde, waarbij meteen wordt opgemerkt dat dit element op zich nog niet een recht levert op een machtiging om verblijf”. Vervolgens stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter dat verzoeker “voorbij[gaat] aan een ander motief van de [aanvankelijk] bestreden beslissing”, namelijk de zeer beperkte bewijzen van integratie niettegenstaande zijn verblijfsduur met een taalkennis die “eerder beperkt blijkt te zijn”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt uit dit motief dat de aanvraag “ook” wordt afgewezen “omdat slechts zeer beperkt elementen worden aangegeven van de integratie zodat een goede integratie geenszins bewezen voorkomt”. Hij besluit dat “ook dit motief […] steun [vindt] in het administratief dossier en […] kennelijk redelijk [is]”. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog dat “de verwerende partij heeft uitgelegd dat door onder meer het plegen van een zeer ernstig misdrijf de gunstmaatregel vervat in artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet kan verleend worden”. Na te hebben overwogen dat verzoeker wat dat betreft geen schending van artikel 3 van het EVRM aantoont, merkt de Raad voor XIV-37.565-6/10 Vreemdelingenbetwistingen nog op dat “bovendien is vastgesteld dat de integratie maar in beperkte mate kan worden aanvaard”. Uit het voorgaande, in het bijzonder uit het gebruik van de woorden “ook”, “onder meer” en “bovendien” wanneer naast de door verzoeker in Irak gepleegde misdrijven de beperkte integratie van verzoeker wordt vermeld, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meerdere motieven ziet waarop de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund. Verzoekers stelling dat in het bestreden arrest wordt bevestigd dat de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund op één determinerend motief, namelijk dat hem geen gunstmaatregel kan worden toegekend omwille van de misdaden in Irak, gaat derhalve uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Anders dan verzoeker voorhoudt, blijkt het tegendeel niet uit de zinsnede in het bestreden arrest dat “de overige motieven van de [aanvankelijk] bestreden beslissing, te weten dat de langere duur van de asielprocedure geen grond is om de verzoekende partij te machtigen tot verblijf, dat het ontbreken van een gevaar te betekenen voor de openbare orde, dat gelet op het gepleegde misdrijf [verzoeker] geen profijt hieruit kan halen, […] ondersteunende motieven [zijn] die in hun geheel dienen gelezen te worden”. “Ondersteunende motieven” gaan in dezelfde richting en bevestigen in die zin het eerst behandelde motief betreffende de door verzoeker in Irak gepleegde misdrijven, doch uit niets blijkt dat het na dit eerste motief om overtollige motieven zou gaan. Daarenboven wordt dit alles in het bestreden arrest vermeld “naast de vaststelling dat slechts een beperkte integratie wordt aangetoond”, hetgeen dus eveneens als een afzonderlijk motief wordt beschouwd.
  12. Vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker in Irak gepleegde misdrijven niet heeft beschouwd als een dwingend motief om verzoeker enkel op die grond uit te sluiten van de gunst van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, zonder de andere elementen van de aanvraag te XIV-37.565-7/10 behandelen, is het voornoemde artikel 9bis wat dat betreft niet geschonden met het bestreden arrest.
  13. Gezien de verkeerde lezing die verzoeker geeft aan het bestreden arrest, is er ook geen sprake van tegenstrijdige motieven die elkaar zouden opheffen. Een schending van de in artikel 149 van de Grondwet van de vreemdelingenwet is wat dat betreft niet aangetoond.
  14. Verzoeker is nog van oordeel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft beslist dat zijn aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet mocht worden verworpen, zonder de elementen te beoordelen die verzoeker op grond van artikel 3 van het EVRM had ingeroepen. In antwoord op verzoekers kritiek “dat de verwerende partij op de elementen betreffende artikel 3 van het EVRM dient te antwoorden en dat rekening diende gehouden te worden met de onmogelijkheid tot terugkeer”, herhaalt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat, zoals hoger gesteld, de verwerende partij een beoordeling heeft gemaakt van [verzoekers] onmogelijkheid tot terugkeer en rekening heeft gehouden met de in de aanvraag aangehaalde elementen” en overweegt hij dat, “in de mate dat [verzoeker] suggereert dat dit antwoord en de weigeringsbeslissing op zich een schending uitmaken van artikel 3 van het EVRM, [verzoeker] dit niet aan[toont] en […] niet aannemelijk [maakt] dat het verblijven in een verblijfsonzekere situatie een onmenselijke en vernederende behandeling uitmaakt” doch dat dit “een loutere bewering” is. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest niet overwogen dat het volstaat dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel inhoudt, maar wordt dus geoordeeld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat het verblijf in een verblijfsonzekere situatie een onmenselijke en vernederende behandeling uitmaakt. Ook wat dat betreft gaat verzoeker uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Verder vermag de XIV-37.565-8/10 Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden en komt het hem dus niet toe om zelf in de plaats van de eerste rechter te oordelen of deze of gene verblijfssituatie een onmenselijke of vernederende behandeling uitmaakt.
  15. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. V. Kosten – bedrag van de rechtsplegingsvergoeding
  16. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij verzoeker te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Vermits verzoeker als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.565-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.565-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.959 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.