id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.962 Rolnummer: A. 219183/XIV-37026 Zaak: Arrest 244962 - Politie - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 23:14 Fiche Arrest nr 244.962 van 26 juni 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.962 van 26 juni 2019 in de zaak A. 219.183/XIV-37.026 In zake : Tom VAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5362 HEIST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Heist van 3 april 2016 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. XIV-37.026-1/26 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marlies De Raeve, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Els Gypen, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de lokale politiezone Heist (PZ 5362). 3.2. Met het inleidend verslag van 24 februari 2016 stelt de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, voor om verzoeker de lichte straf van de blaam op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming ervan, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot lichte tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.026-2/26 3.3. De korpschef beslist op 3 april 2016 om de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…] 2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen: Op vrijdag 7 februari 2014 was hoofdinspecteur Tom Vaes van dienst als OGP, zijnde van 22 u tot de volgende ochtend. De nachtploeg wordt geroepen in de Oude Godstraat waar vernomen wordt dat een minderjarige zou verkracht zijn. De ploeg neemt met U contact en u beslist om betrokkene, die minderjarig is en haar vader uit te nodigen op het commissariaat op zaterdag tegen 22 uur. Op zaterdag 8 februari 2014 ontvangt hoofdinspecteur Tom Vaes de vader en zijn minderjarige dochter. U opent een dossier met nummer ME 37 L 0007[XXXXX]014. Dit dossier wordt op maandag 10 februari 2014 overgeheveld naar onze dienst jeugd en gezin voor verdere opvolging. Maandag 10 februari 2014 wordt het dossier overgenomen door hoofdinspecteur [P.], (thans met pensioen) toenmalige verantwoordelijke van de dienst jeugd en gezin. Er volgt dan een audiovisueel videoverhoor van de minderjarige door het TAM netwerk van het toenmalige arrondissement, thans afdeling, Mechelen. Op het commissariaat op 8 februari 2014 spreekt hoofdinspecteur Tom Vaes in de inkomhal (wachtruimte) dreigende/intimiderende taal naar/tegenover de minderjarige en dit in het bijzijn van de vader. Op dat ogenblik waren ook collega’s aanwezig in aangrenzende lokalen. Het incident met de minderjarige wordt ter kennis gebracht van de procureur des Konings te Mechelen die bij brief van 9 april 2014, toegekomen op 16 april 2014, meldt dat de Algemene inspectie van de federale en lokale politie werd gelast met een onderzoek. Mevrouw de procureur stelt in de brief gericht aan de korpschef dat het niet aangewezen is om een intern onderzoek te starten. 3. Datum van kennisneming van de feiten De korpschef kreeg kennis van de feiten via een interne nota opgesteld door commissaris [V.] (thans met pensioen) op 18 februari 2014. Gelet op de verschillende brieven tussen de procureur en de korpschef, zoals vervat in het samengestelde dossier, werd voorbehoud gemaakt van het voeren van een intern onderzoek. De vervangende korpschef beslist op 11 juli 2014 tot de schorsing van de verjaring overeenkomstig art. 56 2de van de tuchtwet dat hem wordt betekend bij aangetekend schrijven en voor ontvangst wordt getekend op 19 juli 2014 door hoofdinspecteur Tom Vaes. Met een schrijven van de procureur gericht aan de korpschef, toegekomen op 27 augustus 2015, wordt toelating gegeven tot het voeren van een intern onderzoek. Hierop verzoekt de korpschef om bijkomende informatie aan de procureur. Hoofdinspecteur Vaes wordt evenwel de gelegenheid geboden om zijn versie weer te geven van de feiten en wordt gehoord door de korpschef in het administratief dossier op 15 september 2015. Tom Vaes ontkent de feiten van mogelijke beledigingen jegens een minderjarige bij de aangifte van een mogelijke verkrachting/afpersing op 8 februari 2014. De korpschef beschikt derhalve op 15 september 2015 over geen bekentenis en bijgevolg is het wachten op bijkomende informatie ten einde op daadkrachtige wijze hetzij ten laste hetzij ten ontlaste verder te kunnen beslissen over het te geven gevolg. Op 4 december 2015 ontvangt de burgemeester een schrijven van de XIV-37.026-3/26 Procureur-generaal met daaraan gehecht een schrijven van de procureur en wordt het gevoerde onderzoek in opdracht van het parket, overgemaakt. De burgemeester besluit om dit over te maken aan de korpschef op 8 december 2015. Aangezien wordt vastgesteld dat er pagina’s ontbreken in het overgemaakt dossier door het parket (-generaal) wordt contact genomen en maakt de Procureur-generaal middels zijn schrijven van 29 januari 2016 toegekomen op 3 februari 2016 de ontbrekende pagina’s over. De korpschef beschikt derhalve sinds 3 februari 2016 over de volledige inhoud van het onderzoek dat gevoerd werd en dat een mogelijke beslissing in tucht daadkrachtig kan maken. As datum voor het opstellen van een inleidend verslag geldt de termijn van zes maanden dan ook met ingang van 3 februari 2016. 4. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten. Behandeling van de argumenten van verweer Gelet op mijn onderzoek van de feitelijke elementen vervat in het samengestelde dossier na verweer: 4.1. meen ik dat het professioneel handelen als OGP bij het vernemen van een mogelijke verkrachting/afpersing ten nadele van een minderjarige - waarvan de feiten zich ruime tijd voordien voordeden - en waarbij een uitstel werd gemaakt tot het opnemen van een aangifte en het opstellen van een proces-verbaal in dit concreet dossier, hieraan geen tuchtrechtelijk gevolg wordt gegeven. In de toekomst dient U evenwel rekening te houden dat een mogelijk audio visueel verhoor van een minderjarige ook kan op zaterdag en dat die beslissing toekomt aan een parketmagistraat, die hierover dient ingelicht te worden en niet aan een OGP (hoofdinspecteur). 4.2. meen ik dat het niet-professioneel handelen en reageren op 08.02.2014 in het commissariaat […] naar de minderjarige vaststaat en u kan worden toegerekend. Zoals toegelicht in het inleidend verslag dd. 24.02.2016 heeft u door op een niet professionele wijze een minderjarige, (mogelijk) slachtoffer van o.a. zedenzaken, in de wachtruimte te woord te staan en haar te hebben aangesproken met bewoordingen die op een intimiderende wijze overkomen, de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht. 4.3. Met betrekking tot de feiten in 4.2 stelt u in uw verweer dd. 30.03.2016, toegelicht door uw tuchtverdediger tijdens de hoorzitting, dat de feiten louter boude veronderstellingen zijn die voor waar worden genomen maar niet bewezen zijn omdat er geen getuigen zijn die de beweerde feiten bevestigen. Het is volgens u een kwestie van woord tegen woord. De aangehaalde bronnen brengen volgens u niets bij : o het verslag van CP ]V.] wordt betwist, o de verklaring van vader [P.] is het woord van de tegenpartij en aldus woord tegen woord, o het proces-verbaal van een parketmagistraat is enkel de registratie van de versie van tegenpartij, o de verklaring van [P.] brengt niets bij omdat het onderzoek heeft uitgewezen dat hij niets gehoord kan hebben, o de verklaring van [L.] brengt niets bij omdat dit enkel een herhaling is van de versie ven tegenpartij. 4.4. Uw argumentatie kan echter niet weerhouden worden en dit om navolgende redenen. Het is inderdaad een feit dat er geen getuigen waren die woordelijk kunnen herhalen wat u op 08.02.2014 tegen een minderjarige, (mogelijk) slachtoffer van o.a. zedenzaken, heeft gezegd. Dit belet de tuchtoverheid evenwel niet om op grond van ernstige, met elkaar overeenstemmende vermoedens, de feiten als bewezen te XIV-37.026-4/26 beschouwen. De tuchtoverheid moet in casu beoordelen of zij op basis van alle elementen in het dossier naar alle redelijkheid tot het besluit kan komen dat de feiten voldoende bewezen zijn. De omstandigheid dat u op 08.02.2014 op onprofessionele intimiderende wijze een minderjarige, (mogelijk) slachtoffer van o.a. zedenzaken, te woord hebt gestaan en hierdoor de waardigheid van het ambt in het gedrang hebt gebracht, komt vast te staan uit volgende met elkaar overeenstemmende elementen: ° uw eigen verklaringen U stelt in uw verklaring d.d. 15 09 2015: […] - dat u inderdaad met uw armen gezwaaid kan hebben Dit wordt bevestigd door de verklaring van een inspecteur, die aanwezig was in de interventieruimte die grenst aan de wachtruimte. […] - dat u de morele en ethische vraag stelt: op citaat ‘een verklaring van een puberende tiener versus het uitoefenen van het ambt van een politieman’. Uit beide kan een onprofessionele houding/gedrag worden afgeleid. Het feit dat u een minderjarige, die (mogelijk) slachtoffer is van o.a. zedenzaken, aanspreekt met zwaaiende armen kan inderdaad intimiderend overkomen en getuigt niet van professioneel gedrag doch het tegendeel. De ethische vraag die door u gesteld wordt, getuigt van een zeer sceptische houding t.a.v. de minderjarige die niet getuigt van de nodige onpartijdigheid. U geeft in deze blijk dat volgens u inderdaad weinig tot geen waarde kan (moet?) gehecht worden aan de verklaring van ‘een puberende tiener’. Het gegeven dat u deze vooringenomenheid zelf niet inziet, ook niet tijdens het verhoor, getuigt van normvervaging schept een ernstig vermoeden dat u deze sceptische houding inderdaad ook tegenover de minderjarige heeft getoond, wat bij deze intimiderend kan zijn overgekomen in uw hoofde een onprofessioneel, niet tolereerbaar gedrag inhoudt. Het verslag van CP [V.] Het intern verslag van CP [V.] dd. 18.02-2014, waardoor de tuchtoverheid kennis kreeg van de feiten. CP [V.] verklaart in deze nota dat u zelf zou hebben meegedeeld de minderjarige onder druk te hebben gezet maar dat zij niettegenstaande bij haar verklaring van afpersing en verkrachting is gebleven. In het verslag wordt dit weergegeven als volgt : ‘Tom vertelde dat hij druk had gezet doch dat zij bij haar uitleg over de afpersing en verkrachtingen bleef’ U stelt dat hiermee geen rekening kan gehouden worden omdat u, in het latere onderzoek door de Algemene Inspectie, heeft betwist dat u dergelijke verklaring zou hebben afgelegd t.a.v. CP [V.]. Er zijn echter geen redenen om aan de juistheid van het verslag te twijfelen. U heeft deze niet van valsheid beticht noch in concreto weerlegd. CP [V.] heeft er geen belang bij om in dit verslag leugenachtige verklaringen te noteren. De inhoud van het verslag stemt ook overeen met uw eigen verklaringen en uw gehele houding in dit dossier zoals hierboven werd uiteengezet. De verklaring van vader [X] Op citaat : ‘Met betrekking tot wat ik ga verklaren, wens ik duidelijk te maken dat ik geen klacht heb ingediend lastens die hoofdinspecteur. Die zaterdagavond, terwijl wij zaten te wachten in de wachtzaal is, op een gegeven moment, HINP Tom Vaes naar ons toegestapt. Het eerste wat hij deed was voor mijn dochter komen staan met zijn wijsvinger in de lucht. Hij zei met verheven stem tegen mijn dochter. Denkt goed na, hé meiske. Denkt goed na, hé meiske. Niet liegen of ik rij met jou naar de gevangenis.’ Tweede citaat: Enkele weken later heeft mijn vriendin gebeld … en kreeg hinp Vaes Tom aan de lijn die haar zei : ‘A ja, dat gevalleke’. Mijn vriendin was geschokt door zijn taalgebruik. XIV-37.026-5/26 Derde citaat: ‘Mijn dochter [I] was zeer verbouwereerd door wat HINP VAES Tom haar had gezegd, zij had het gevoel niet te worden geloofd door de bedreiging die hij had geuit.’ Het betreft in casu inderdaad de vader van de betreffende minderjarige die u als ‘puberende tiener’ bestempelde. Niettegenstaande dit in uw ogen als de ‘tegenpartij’ wordt beschouwd, moet in deze opgemerkt worden dat noch vader [X] noch de minderjarige er enig belang bij heeft belastende verklaringen jegens u af te leggen. Zij hebben geen klacht lastens u neergelegd noch is uw optreden voor hen van enig belang in het dossier afpersing en verkrachting. De samenlezing van uw eigen verklaring en de verklaring van vader [X] versterkt anderzijds andermaal het ernstig vermoeden dat u op 08.02.2014 de minderjarige in kwestie inderdaad op een dusdanige wijze hebt aangesproken dat dit intimiderend is overgekomen en van een onprofessioneel, ambt onwaardig gedrag, getuigt. Verklaring van [P.] Deze verklaring werd in het inleidend verslag niet weerhouden als feitelijk argument. De verklaring werd door de tuchtoverheid onderzocht daar ze een element à décharge kon bevatten en waarvan het resultaat werd vermeld in het inleidend verslag. Het verweer ter zake is dan ook niet relevant. Verklaring [L.] Mevrouw [L.] heeft in het kader van het TAM netwerk van het toenmalig arrondissement Mechelen, op 10.02.2014 het audiovisueel verhoor afgenomen van de betreffende minderjarige. Zij verklaarde ten aanzien van de Algemene inspectie Op citaat : ‘Los van de feiten, op het moment, dat ik na het videoverhoor in de regiekamer binnen kwam, hadden wij alle drie zoiets van: ‘dees kan nu toch niet’. Ik ([L.]) bedoel hiermee de opvang die zij (minderjarige) de zaterdagavond had gekregen. Tweede citaat : Dat was echt secundaire victimisering ten top’ Einde citaat. Deze verklaring is inderdaad géén getuigenverklaring met betrekking tot de feiten van 08.02.2014 zelf maar geeft wel weer - hoe de betreffende minderjarige uw bejegening heeft ervaren, - dat haar verklaring oprecht overkwam. Op geen enkel ogenblik geeft [L.], die een bijzondere opleiding heeft genoten inzake het verhoor van minderjarigen, blijk dat aan de verklaring van de minderjarige geen of weinig geloof kan worden gehecht, integendeel. De verklaring van mevrouw [L.], die duidelijk verontwaardigd is, versterkt om deze redenen het vermoeden dat u de desbetreffende minderjarige op een intimiderende, onprofessionele wijze, het ambt onwaardig, te woord heeft gestaan. Opstellen van het navolgend PV 9XXX/2014 door een parketmagistraat dd. 30.10.2014 Op basis van het audiovisueel verhoor werd lastens u een afzonderlijk proces verbaal opgesteld met betrekking tot uw handelswijze ten aanzien van de betreffende minderjarige. Ook deze handeling kan niet beschouwd worden als een getuigenverklaring met betrekking tot de feiten - dit wordt door de tuchtoverheid ook niet op deze wijze weerhouden - maar geeft eens te meer weer: - dat het parket zeer veel waarde en geloof hecht aan de verklaring van de betreffende minderjarige en ook geen reden ziet om aan de oprechtheid ervan te twijfelen; - dat het parket een dergelijke houding van een politieambtenaar onaanvaardbaar vindt. XIV-37.026-6/26 Om deze redenen mag de tuchtoverheid terdege het opstellen van een proces-verbaal lastens u zeer ernstig nemen en versterkt dit opnieuw het vermoeden dat u op 08.02.2014 ten opzichte van betreffende minderjarige een onprofessioneel en intimiderend gedrag hebt vertoond dat de waardigheid van het ambt in het gedrang heeft gebracht en binnen de politieorganisatie niet kan toegelaten worden. 4.5 Al deze elementen maken voor mij als tuchtoverheid ontegensprekelijk ernstige, met elkaar overeenstemmende vermoedens uit op grond waarvan ik besluit a. dat de feiten die u ten laste worden gelegd zich concreet hebben voorgedaan op 8 februari 2014; b. dat deze feiten u kunnen worden toegerekend. 4.6 Deze feiten maken volgend tuchtvergrijp uit: de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht door op een niet-professionele wijze een minderjarige te woord hebben gestaan en haar aangesproken te hebben als (mogelijk) slachtoffer van o.a. zedenzaken met bewoordingen die op een intimiderende wijze overkomen en erop neerkomen dat de minderjarige goed moest nadenken en niet mocht liegen of dat ze dan wel naar de gevangenis kon. Dit is in strijd met :
- a)punt 21 van de deontologische code die de dienstverlening door de personeelsleden onder meer omschrijft als: ‘Ze wordt ook gekenmerkt door luisterbereidheid, het tonen van begrip, het ernstig nemen van de bekommernissen van de personen die op hen een beroep doen’
- b)punt 41 van de deontologische code inzake houding en gedrag dat luidt als volgt: ‘De personeelsleden zijn weloverwogen in hun handelingen en woorden en weren grof taalgebruik, vrijpostigheden en misplaatste gebaren. De personeelsleden behandelen eenieder op beleefde, tactvolle en hoffelijke wijze. Ze bewaren hun zelfbeheersing en vermijden elke vorm van vijandig, agressief, provocerend, minachtend of vernederend gedrag.’ 5. Motivering : lichte tuchtstraf In mijn hoedanigheid van tuchtoverheid deel ik u mee dat er een tuchtdossier ten uwe laste werd samengesteld; Aangezien ik meen dat de feiten punt 4.2 vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 4.3 en volgende, een tuchtvergrijp uitmaken; Gezien het te woord staan van een slachtoffer van o.a. (mogelijke) zedenzaken met bewoordingen die op een intimiderende wijze overkomen; Overwegende dat die feiten zich hebben voorgedaan ten overstaan van een minderjarige waarvan de minderjarigheid niet wordt betwist; Overwegende dat uit het samengestelde dossier op generlei wijze naar voren komt dat U ook maar enig inzicht noch begrip toont Aangezien een dergelijk gedrag en houding van een politieambtenaar met een voorbeeldfunctie niet aanvaardbaar is en dient te worden afgekeurd; 6. Beslissing oplegging van lichte tuchtstraf Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999; Gelet op de feiten vervat in punt 2 en toegelicht in punt 4 en gemotiveerd Gelet op de motivatie tot het opleggen van een tuchtstraf zoals beschreven in punt 5 voor de feiten beschreven in punt 4.2 dan wel het verlenen van enig andere gevolg aan deze feiten; Beslis ik, in mijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, U de lichte tuchtstraf van blaam op te leggen. […].” XIV-37.026-7/26 Dit is de bestreden beslissing. IV. Aanwijzing van de verwerende partij 4. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij vast dat verzoeker de ééngemeentezone Heist aanwijst als verwerende partij, terwijl die geen eigen, van de gemeente onderscheiden rechtspersoonlijkheid bezit. Dit gebrek aan rechtspersoonlijkheid impliceert volgens de verwerende partij dat het beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de politiezone, niet-ontvankelijk is. 5. Nadat de verwerende partij in het auditoraatsverslag mocht lezen dat deze exceptie niet kan worden aangenomen, verzaakt zij aan de mogelijkheid om dit nog tegen te spreken in een laatste memorie. Integendeel, zij stelt uitdrukkelijk dat zij zich dienaangaande gedraagt naar de wijsheid van de Raad van State. De Raad van State concludeert hieruit dat de verwerende partij niet langer op deze exceptie aandringt en terecht inziet dat de correcte aanwijzing van de verwerende partij geen ontvankelijkheidsvoorwaarde is. De exceptie wordt verworpen. XIV-37.026-8/26 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Excepties inzake de ontvankelijkheid van het middel Uiteenzetting van de excepties 6. In een eerste exceptie betwist de verwerende partij het belang bij het middel. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker expliciet in kennis werd gesteld van de beslissing, om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en dat verzoeker hierop niet heeft gereageerd. Zulks heeft volgens de verwerende partij de niet-ontvankelijkheid van het middel tot gevolg. In de laatste memorie verwijst de verwerende partij ter adstructie van haar standpunt, naar rechtspraak van de Raad van State waarin eveneens werd besloten tot niet-ontvankelijkheid van bepaalde grieven op grond van het feit dat de betrokkene die niet eerder aan de tuchtoverheid zelf voorlegde. Zij benadrukt dat verzoeker, die tot tweemaal toe expliciet in kennis werd gesteld van de beslissing van de tuchtoverheid om in toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet het strafdossier af te wachten, daartegen op geen enkel ogenblik ook maar enig bezwaar heeft geformuleerd. Zo heeft verzoeker de verwerende partij in het bijzonder er niet op gewezen dat hij meende dat hij diende te worden gehoord vooraleer de tuchtoverheid die beslissing zou kunnen nemen. Evenmin heeft hij die grief gemeld tijdens zijn verhoor, noch in het verweerschrift, terwijl - volgens de verwerende partij - verzoeker op dat moment wel zijn verweermiddelen diende te laten gelden tegen de voorgenomen tuchtsanctie. De verwerende partij wijst er voorts op dat verzoeker toen ook werd bijgestaan door een tuchtverdediger. 7. In een tweede exceptie voert de verwerende partij in de memorie van antwoord aan dat het middel niet ontvankelijk is in de mate dat het zou XIV-37.026-9/26 berusten op de schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Zij doet gelden dat verzoeker de schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet niet uitdrukkelijk in het middel heeft aangevoerd. Beoordeling 8. Inzake de eerste exceptie waarin de verwerende partij in wezen doet gelden dat verzoeker heeft nagelaten enig bezwaar te maken tegen het feit dat zij de resultaten van het strafonderzoek heeft afgewacht en aldus toepassing maakte van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, bemerkt de Raad van State dat ter beoordeling van deze exceptie in tuchtzaken moet worden uitgegaan van het gegeven dat verzoeker in tuchtzaken het recht van verdediging geniet. Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging houdt te dezen onder meer in dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht heeft om vrij zijn verdediging te organiseren zoals hij dat verkiest. Hij beschikt aldus in het bijzonder over het recht te zwijgen en stil te zitten in de eigen zaak (Arbitragehof 25 januari 2001, nr. 4/2001, punt B.5.5.). Behoudens wanneer de verdediging door de tuchtrechtelijk vervolgde persoon precies de grenzen van het recht van verdediging overschrijdt, mag derhalve in het licht van dat beginsel, de enkele omstandigheid dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon stilzit in zijn eigen zaak en zich onthoudt op grond van redenen die hem eigen zijn, om reeds in de loop van de tuchtprocedure procedurele bezwaren aan te voeren, hem niet worden toegerekend. Dat verzoeker te dezen niet heeft gewezen op mogelijke onwettigheden of onregelmatigheden bij de toepassing van artikel 56 van de tuchtwet, of op het ogenblik dat hij in kennis werd gesteld van de toepassing ervan geen bezwaar heeft gemaakt, ontzegt hem derhalve niet het recht die grief in een latere procedure aan de Raad van State voor te leggen. XIV-37.026-10/26 Voorts doet de verwerende partij niet blijken dat verzoekers handelen te dezen de grenzen van het fundamenteel recht op het vrij organiseren van zijn wijze van verdediging overschrijdt, noch dat de rechtspraak waarnaar zij verwijst, is uitgegaan van het hiervoor toepasselijk bevonden fundamenteel recht op het vrij organiseren van de wijze van verdediging in tuchtzaken - en dus op het voorliggende geschil toepasselijk is. De eerste exceptie wordt verworpen. 9. Wanneer inzake de tweede exceptie de verwerende partij in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen, dat de door haar opgeworpen tweede exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop inhoudelijk te reageren, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het middel verzet. De tweede exceptie wordt verworpen. Uiteenzetting van het middel 10. Verzoeker voert in het eerste middel, onder het kopje “beginsel van de redelijke termijn”, de schending aan van het beginsel van de redelijke termijn doordat, ten eerste, de tuchtoverheid al kennis nam van het mogelijk tuchtvergrijp op 18 februari 2014 en verzoeker pas op 15 september 2015 voor het eerst werd gehoord over de feiten, terwijl de tuchtoverheid verzoeker veel eerder had moeten horen over het mogelijk tuchtvergrijp, minstens om te vragen of hij de feiten al dan niet erkent. Ten tweede is volgens verzoeker de redelijke termijn geschonden doordat de tuchtoverheid al kennis had van de feiten op 18 februari 2014 terwijl verzoeker pas op 4 april 2016 in kennis werd gesteld van de tegen hem genomen tuchtstraf, hetgeen gelet op de beperkte complexiteit van de zaak, getuigt van een onredelijke termijn. Ten derde meent verzoeker dat de redelijke termijn is geschonden doordat de tuchtoverheid zelf geen enkel initiatief heeft genomen om klaarheid in de zaak te brengen, terwijl zij toch, los van het strafonderzoek, een XIV-37.026-11/26 eigen onderzoek had kunnen voeren zodat zij binnen een redelijke termijn de tuchtvordering had kunnen instellen. Verzoeker licht toe dat de tuchtoverheid op 18 februari 2014 door een interne nota in kennis werd gesteld van een mogelijk tuchtvergrijp en dat de tuchtoverheid tot 15 september 2014 wacht om hem voor het eerst te horen. Volgens verzoeker moeten de inspanningen die de tuchtoverheid moet leveren, ten minste het verhoor van het betrokken personeelslid inhouden. Verweerder doet een beroep op artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, maar zulks mag enkel wanneer het niet mogelijk is om de feiten te bewijzen op basis van een administratief intern onderzoek. Daarom is het nodig dat de tuchtoverheid het personeelslid hoort om te weten hoe het zich verdedigt tegenover de feiten die het wordt verweten. De in artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet voorziene mogelijkheid neemt niet weg dat het bestuur ook de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn klaarheid te brengen in de toestand van het personeelslid. Bovendien heeft de tuchtoverheid zelf geen enkel initiatief genomen om een eigen onderzoek te voeren en heeft zij nagelaten de voor de hand liggende onderzoekingen te verrichten. 11. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en betwist hij de door de verwerende partij opgeworpen niet-ontvankelijk- heid van het middel in de mate dat het zou zijn gebaseerd op een schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat hem horen een voor de hand liggende onderzoeking is die de verwerende partij had kunnen doen en wijst hij erop dat het niet is omdat de tuchtwet niet in een verplichting voorziet om hem voorafgaand aan de opmaak van een inleidend verslag te horen, dat er geen sprake kan zijn van een schending van de redelijke termijn door niet over te gaan tot de voor de hand liggende onderzoeking die volgens hem het horen van verzoeker uitmaakt. Voorts benadrukt hij dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet is geschonden aangezien de tuchtoverheid zes maanden heeft gewacht om verzoeker voor het eerst te horen en aangezien de tuchtoverheid zelf geen voor de XIV-37.026-12/26 hand liggende onderzoeksdaden heeft verricht die mogelijks klaarheid in de zaak zouden hebben kunnen brengen. Voor het overige herneemt verzoeker hetgeen in het verzoekschrift is gesteld. Beoordeling 12. Verzoeker voert de schending aan van de redelijke termijn. Beginselen van behoorlijk bestuur prevaleren niet op duidelijke wetsbepalingen. Staat bij de beoordeling van de verplichting van het bestuur, om in tuchtzaken binnen een redelijke termijn na de kennisneming van de feiten tot een eindbeslissing te komen, de wijze waarop de tuchtprocedure is afgehandeld centraal dan mag daarbij niet worden voorbijgegaan aan de wettelijke regeling, zoals die in politietuchtzaken is vervat in de tuchtwet. Te dezen moet derhalve de beoordeling van de redelijke termijn worden ingepast in de wettelijke regeling zoals die is vervat in artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet. Uit de ontwikkeling van het middel blijkt overigens dat ook verzoeker die schending inzonderheid plaatst in het kader van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. 13. Het eveneens door verzoeker geschonden geachte artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt: “Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt XIV-37.026-13/26 met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek XIV-37.026-14/26 er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd. 14. Uit wat voorafgaat, volgt dat de beoordeling van het beginsel van de redelijke termijn zich aandient indien de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn - en de tuchtoverheid dus niet over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen - en de tuchtoverheid derhalve de gerechtelijke eindbeslissing afwacht om de tuchtvordering in te stellen. Beschikt de overheid XIV-37.026-15/26 daarentegen over voldoende gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, dan vergt dit geen beoordeling van de vraag of door dit afwachten er een schending is van het beginsel van de redelijke termijn, maar wel van de vraag of de tuchtvordering alsnog tijdig is ingesteld. Voorts bemerkt de Raad van State dat er, wat de schending betreft van de redelijketermijnvereiste, geen absolute drempel bestaat waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt immers in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen. De enkele kritiek dat een procedure lang heeft geduurd en, meer algemeen, de absolute tijdsduur ervan, volstaat aldus op zich niet om te besluiten tot het onredelijk karakter ervan. Te dezen komt het aan verzoeker toe voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is. 15. In een eerste kritiek voert verzoeker aan dat de redelijke termijn is geschonden doordat de tuchtoverheid, die kennisnam van het mogelijke tuchtvergrijp op 18 februari 2014, verzoeker reeds veel vroeger had moeten horen. In een tweede kritiek is die redelijke termijn geschonden doordat de tuchtoverheid al kennis had van de feiten op de voormelde datum, terwijl hij pas op 4 april 2016 in kennis werd gesteld van de tuchtstraf. Deze grieven overtuigen niet. Op zich miskent het enkele gegeven dat verzoeker pas op 15 september 2015 werd gehoord niet de redelijke termijn, vermits dit onderzoek zich slechts aandient als de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn en de tuchtoverheid derhalve niet over XIV-37.026-16/26 voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Wel kan die grief worden ingepast in het onderzoek of artikel 56, tweede lid, wettig werd toegepast en inzonderheid in het hiervoor geschetste onderzoek dat de Raad van State desgevraagd voert omtrent de vraag of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Deze grief wordt daarom vanuit dat oogpunt hierna (punt 16) bij het onderzoek betrokken. Hetzelfde geldt op overeenkomstige wijze wat verzoekers tweede grief betreft: op zich miskent het enkele gegeven dat verzoeker pas op 4 april 2016 in kennis werd gesteld van de tuchtstraf - terwijl de tuchtoverheid al kennis had van de feiten op 18 februari 2014 - niet de redelijke termijn, vermits dit onderzoek zich eveneens slechts aandient als de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn en de tuchtoverheid derhalve niet over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. De bestreden beslissing neemt 3 februari 2016, zijnde de datum waarop de korpschef over de inhoud van het volledige strafonderzoek beschikt om dat te gebruiken binnen de tuchtprocedure (zie supra, punt 3.4., punt 3 van de bestreden beslissing), als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Niet wordt betwist dat de tuchtoverheid aldus toepassing maakte van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker betwist dit overigens niet. Hij betoogt weliswaar dat de tuchtoverheid op 18 februari 2014 door een interne nota in kennis werd gesteld van een mogelijk tuchtvergrijp gepleegd door verzoeker, maar hij voert ter zake geen enkel concreet gegeven aan waaruit zou moeten blijken dat er op dat ogenblik reeds sprake was van een kennisneming of XIV-37.026-17/26 vaststelling van tuchtfeiten in de zin van het hiervoor nader toegelichte artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet (zie supra, punt 13). Evenmin doet, tweede grief, het loutere tijdsverloop tussen de kennisneming op 18 februari 2014 van een mogelijk tuchtvergrijp en de kennisgeving op 4 februari 2016 van de tuchtstraf, op zich blijken van een onredelijke termijn. Dat, naar verzoeker beweert, de zaak een beperkte complexiteit kent belet niet de vaststelling dat de tuchtoverheid kan oordelen dat zij pas bij de kennisneming van de inhoud van het strafonderzoek over voldoende gegevens beschikt om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen - met andere woorden pas op dat ogenblik zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar. Dat verzoeker het te dezen anders ziet dan de tuchtoverheid doet weliswaar blijken van een eigen feitelijke beoordeling hiervan, doch die maakt niet aannemelijk dat de tuchtoverheid, door te wachten op de kennisgeving door de gerechtelijke overheid van het gehele strafdossier, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. 16. In een derde grief voert verzoeker in wezen aan dat de redelijke termijn is geschonden omdat de tuchtoverheid onvoldoende inspanningen heeft ondernomen door geen eigen onderzoek te voeren en bepaalde, volgens verzoeker, voor de hand liggende onderzoeksdaden te stellen. Deze grief overtuigt evenmin. Anders dan hoe verzoeker het ziet, behoort het tuchtrechtelijk horen van verzoeker niet noodzakelijk tot de door de tuchtoverheid te leveren inspanningen om zelf klaarheid in de zaak te brengen indien er, zoals te dezen, een strafonderzoek lopende is. Of zulks te dezen het geval is, staat ter beoordeling van de tuchtoverheid en, zoals hiervoor is gesteld, vermag de Raad van State, desgevraagd enkel na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste XIV-37.026-18/26 feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het komt derhalve aan verzoeker toe dit aan te voeren en aannemelijk te maken. Te dezen beperkt verzoeker zich tot een algemene kritiek dat de tuchtoverheid verzoeker (vroeger) had moeten horen. Zulke blote bewering volstaat niet. Vooreerst geeft verzoeker niet concreet aan waarom de door hem voorgestane parallelle uitvoering van de - volgens hem voor de hand liggende - tuchtrechtelijke onderzoeksdaad om hem te horen, het lopende strafonderzoek niet hindert en zou toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Evenmin maakt verzoeker hiermee aannemelijk dat hij gedurende het lopende strafonderzoek aan de tuchtoverheid klaarheid had willen geven over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, zodat zijn tuchtrechtelijk verhoor redelijkerwijs een te dezen voor de hand liggende onderzoeksdaad zou zijn geweest. Tot slot volstaat de enkele bewering, dat de tuchtoverheid geen enkel (ander) initiatief heeft genomen om een eigen onderzoek te voeren naar de feiten waarvan verzoeker werd beschuldigd, evenmin om te besluiten dat de tuchtoverheid haar verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen heeft miskend nu verzoeker niet aannemelijk maakt welke voor de hand liggende tuchtrechtelijke onderzoeksdaden de tuchtoverheid of de desgevallend aangestelde voorafgaande onderzoeker konden stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen gedurende de periode waarbinnen het strafonderzoek aanhangig was. 17. Het is aan verzoeker om het bewijs te leveren dat de redelijke termijn en de eisen van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet niet werden nageleefd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker het bewijs hiervan niet levert. XIV-37.026-19/26 18. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 19. In een tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van het vermoeden van onschuld, de zorgvuldigheidsplicht en de materiëlemotiveringsplicht, doordat de tuchtoverheid zich voor het nemen van haar beslissing enkel heeft gebaseerd op geruchten en het woord van de klagers heeft laten prevaleren op het woord van verzoeker, terwijl de tuchtoverheid zich enkel mag steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording voor die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Volgens verzoeker steunt de tuchtoverheid voor haar beslissing op onvoldoende bewezen feiten en werd er bovendien geen rekening gehouden met zijn verweer. Hij licht toe dat hem wordt verweten dat hij de waardigheid van het ambt in het gedrang heeft gebracht door “op een niet professionele wijze, een minderjarige, (mogelijk) slachtoffer van o.a. zedenzaken, in de wachtruimte te woord te staan en haar te hebben aangesproken met bewoordingen die op een intimiderende wijze overkomen”. Hij ontkent evenwel de misdragingen die de minderjarige en haar vader hem ten laste leggen en stelt dat het gaat over woord tegen woord, waarbij het duidelijk is dat de verwerende partij resoluut partij kiest voor de versie van de klagers, terwijl er geen enkele getuigenis is die het verhaal van vader en dochter kan bevestigen. Ten eerste doet verzoeker gelden dat er een volstrekte afwezigheid is van getuigen uit de eerste hand. Volgens verzoeker blijkt uit het administratief dossier dat er absoluut geen getuigen waren van de feiten waarvan hij wordt beschuldigd en zulks blijkt volgens hem ook uit de verklaring van de vader van de minderjarige zelf. Ook heeft de Algemene inspectie van de Federale XIV-37.026-20/26 en van de Lokale politie onderzocht of, gelet op de plaatsen waar eenieder zich bevond, men gesprekken die met verheven stem gebeuren in de wachtruimte kan horen of niet en de conclusie was dat zulks niet mogelijk was omdat de deur van de wachtruimte naar de sas dicht was. De korpschef treedt zelf de stelling bij van de Algemene inspectie van de Federale en van de Lokale politie dat de aanwezige inspecteurs onmogelijk iets zouden kunnen horen. Ten tweede betwist verzoeker op omstandige wijze de vijf elementen die in de bestreden beslissing zijn genoemd en op grond waarvan wordt besloten dat is bewezen dat verzoeker een tuchtvergrijp heeft begaan: - Ten eerste bekritiseert verzoeker het feit dat de verwerende partij uit verzoekers eigen verklaringen - namelijk dat hij inderdaad met zijn armen kan hebben gezwaaid en zich op het einde van het verhoor de vraag stelde over de verhouding tussen een verklaring van een puberende tiener versus het uitoefenen van het ambt van een politieman - een onprofessionele houding van verzoeker afleidt. Volgens verzoeker is het normaal om lichaamstaal te gebruiken in conversaties en wijzen armbewegingen niet perse op een intimiderend karakter. Hij weet dat hij correct heeft gehandeld en hij is gefrustreerd dat het woord van een minderjarige en haar vader toch verkozen wordt boven zijn woord. Hierin kadert zijn verklaring van een puberende tiener versus het uitoefenen van het ambt van een politieman; - Ten tweede ontkent verzoeker formeel dat hij zou verklaard hebben dat hij de minderjarige onder druk zou hebben gezet, zoals in het verslag van commissaris V. van 18 februari 2014 wordt gesteld. Het is dus volgens hem terug een kwestie van woord tegen woord en alvast was die commissaris geen getuige van verzoekers gesprek met de minderjarige op 8 februari 2014; - de verklaring van de vader is natuurlijk een verklaring van de betrokken partij zelf waarin deze zijn standpunt verkondigt en dat verzoeker formeel tegenspreekt; - wat de verklaring betreft van L., die op 10 februari 2014 het audiovisueel verhoor heeft afgenomen, merkt verzoeker op dat zij geen getuige was van het gesprek tussen verzoeker en de minderjarige en enkel voortgaat op hetgeen de minderjarige tijdens het videoverhoor heeft verklaard. De verklaring van L. is volgens verzoeker dan ook een loutere herhaling van het standpunt van de minderjarige; XIV-37.026-21/26 - het navolgend proces-verbaal nr. XX8/2014 van de parketmagistraat van 30 oktober 2014, - waarin de procureur des Konings verklaart dat de minderjarige bepaalde zaken heeft verklaard in haar audiovisueel verhoor - betreft slechts de versie van de minderjarige zelf en die verzoeker formeel ontkent. De parketmagistraat heeft slechts de woorden op papier gezet die uit de mond van de minderjarige komen tijdens het audiovisueel verhoor, maar het is geenszins zo dat dit plots meer gewicht zou krijgen omdat deze woorden figureren in een proces-verbaal van een procureur des Konings. Verzoeker concludeert dat de verwerende partij “getuigen” ten tonele voert die slechts het standpunt van de klagende partij herhalen, er soms zelfs standpunt over innemen en conclusies trekken zonder wederwoord. Deze elementen kunnen volgens verzoeker absoluut niet worden gekwalificeerd als ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens. De verwerende partij heeft zich enkel gesteund op geruchten en heeft het woord van de klagers laten prevaleren. Zij heeft niet in redelijkheid vastgesteld dat de feiten als voldoende bewezen voorkomen. Bovendien wordt geen rekening gehouden met de elementen die ten zijne gunste zijn aangevoerd, namelijk de verklaring van inspecteur van politie D., volgens dewelke het haar zou verbazen dat verzoeker zo iets zou hebben gedaan, alsook het feit dat hij een blanco tuchtverleden heeft. 20. In de laatste memorie herneemt verzoeker woordelijk het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en hernomen in de memorie van wederantwoord. Hij beklemtoont dat de verwerende partij, door de versie van het slachtoffer voor waarheid te houden zonder dat er sprake is van enige getuige uit de eerste hand, onzorgvuldig is geweest in de feitenvinding en aldus niet binnen de perken van de redelijkheid tot een besluit is gekomen. XIV-37.026-22/26 Beoordeling 21. In de mate dat verzoeker in het middel aanvoert dat er geen rekening werd gehouden met zijn verweer, beperkt verzoeker zich tot een blote bewering die geen steun vindt in het dossier. De omstandigheid dat aan verzoekers verweer niet het door hem gewenste (positieve) gevolg wordt gekoppeld, toont op zich niet aan dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest bij de feitenvinding. Het middel is in die mate ongegrond. 22. Het auditoraat besluit voorts tot de ongegrondheid van het tweede middel op grond van de volgende overwegingen: “De tuchtoverheid komt tot het besluit dat de eigen verklaringen van verzoeker, het verslag van CP [V.], de verklaring van de vader van het slachtoffer, de verklaring van [L.] en het proces-verbaal van een parketmagistraat van 30 oktober 2014 met elkaar overeenstemmende vermoedens uitmaken op grond waarvan de feiten die zich hebben voorgedaan aan verzoeker ten laste kunnen worden gelegd en aan hem kunnen worden toegerekend. Wat betreft zijn eigen verklaringen, betoogt verzoeker dat armbewegingen maken normale lichaamstaal zijn in een conversatie en niet perse wijzen op een intimiderend karakter. Verzoeker geeft hiermee blijk van een eigen feitelijke beoordeling maar toont op deze wijze niet aan dat de tuchtoverheid tot een beoordeling is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. Ook betwist hij niet dat hij verwezen heeft naar ‘de verklaring van een puberende tiener versus het uitoefenen van het ambt van een politieman’. Het feit dat hij hierdoor gefrustreerd was, doet hieraan geen afbreuk. De overige argumenten van verzoeker, die overigens dezelfde zijn als aangehaald in zijn verweerschrift voor de tuchtoverheid, zijn door de gewone tuchtoverheid uitvoerig beantwoord. Verzoeker beperkt zich tot het louter ontkennen van deze verklaringen en betoogt dat het een kwestie van woord tegen woord is aangezien ze steunen op verklaringen van de minderjarige of haar vader. Verzoeker voert geen enkele concrete kritiek aan tegen de beoordeling van de tuchtoverheid en toont op deze wijze niet aan dat de gewone tuchtoverheid de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid te buiten is gegaan door te oordelen dat de feiten aan verzoeker ten laste kunnen worden en aan hem kunnen worden toegerekend. De hoger aangehaalde verklaringen zijn gelijkluidend en eenduidig wat betreft de ten laste gelegde feiten dat verzoeker op niet-professionele wijze een minderjarige, mogelijk slachtoffer van o.a. zedenzaken, heeft aangesproken met bewoordingen die op een intimiderende wijze overkomen. In de gegeven omstandigheden kon de gewone tuchtoverheid redelijkerwijze oordelen dat er voldoende overeenstemmende vermoedens zijn om een tuchtstraf op te leggen. Het feit dat verzoeker een blanco tuchtverleden heeft en de verklaring van XIV-37.026-23/26 inspecteur [D.] dat het haar zou verbazen dat verzoeker zoiets zou hebben gedaan, toont de onredelijkheid van de bestreden beslissing niet aan. Uit het voorgaande blijkt dat in de loop van de tuchtprocedure op zorgvuldige wijze werd onderzocht of de ingeroepen feiten aan verzoeker ten laste konden worden gelegd en dat de verwerende partij zich in de uiteindelijke tuchtbeslissing heeft gesteund op de gegevens die in de loop van dit onderzoek werden onderzocht en die volgens haar het bewijs vormen dat de feiten aan verzoeker ten laste moeten worden gelegd.” 23. Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennis- neming van het verslag van het auditoraat, tot het poneren dat door de versie van het slachtoffer voor waarheid te houden zonder dat er sprake is van enige getuige uit de eerste hand, de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest in de feitenvinding en aldus niet binnen de perken van de redelijkheid tot een besluit is gekomen. Hij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. Aldus heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 24. In een derde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, doordat de tuchtoverheid verzoeker pas op 15 september 2014 voor het eerst heeft gehoord over de feiten waarvan hij wordt beschuldigd, terwijl het parket de tuchtoverheid reeds op 19 februari 2014 hierover had verwittigd. Door het parket meteen aan te schrijven alvorens verzoeker eerst te horen over de feiten, minstens te vragen of hij de feiten al dan niet erkent, blijkt duidelijk dat de tuchtoverheid er al van uitgaat dat de versie van de minderjarige klopt. XIV-37.026-24/26 In de laatste memorie herneemt verzoeker woordelijk het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en hernomen in de memorie van wederantwoord. Hij beklemtoont dat er volgens hem wel degelijk concrete aanwijzingen zijn die de partijdigheid van de verwerende partij aantonen. Het gegeven dat de korpschef heeft geoordeeld zelf niet over gegevens te beschikken en zich daarom tot de procureur des Konings te richten, is te wijten aan de korpschef zelf. Beoordeling 25. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen: Verzoeker beroept zich op de subjectieve partijdigheid van de gewone tuchtoverheid. Die wordt evenwel niet vermoed en ze mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze aantonen. De loutere vaststelling dat de korpschef eerst een voorafgaand onderzoek laat voeren door de procureur des Konings, laat op zich niet toe te besluiten dat hij onvoldoende objectieve waarborgen biedt voor een onbevooroordeelde beoordeling van de tuchtzaak. De korpschef kan immers oordelen zelf niet over gegevens te beschikken en zich naar de procureur des Konings te richten (zie eerste middel). 26. Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het poneren van zijn standpunt of mening zonder evenwel op enige wijze nog inhoudelijk te reageren. Hij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. Aldus heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. XIV-37.026-25/26 De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.026-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div