← België

Arrest 244966 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.966 Rolnummer: A. 220571/X-16772 Zaak: Arrest 244966 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-05 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:20 Fiche Arrest nr 244.966 van 26 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 244.966 van 26 juni 2019 in de zaak A. 220.571//X-16.

  1. In zake :
  2. de NV BELVU
  3. Steven RONSMANS
  4. Erlijn VAN HOVE
  5. Frédérique LIPPENS
  6. Rudy MASSCHELIN
  7. Frieda LAFORCE-JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristiaan Caluwaerts en Yannick Grauwels kantoor houdend te 2600 Berchem Potvlietlaan 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE EDEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Christophe Smeyers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  8. Het beroep, ingesteld op 21 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Edegem van 20 juni 2016 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vrijetijdscentrum”. II. Verloop van de rechtspleging
  9. Bij arrest nr. 237.251 van 31 januari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-16.772-1/15 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni
  10. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yannick Grauwels, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jean-Christophe Beyers, die loco advocaten Floris Sebreghts en Christophe Smeyers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. III. Feiten
  12. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar ’s Raads arrest nr. 237.251 van 31 januari
  13. X-16.772-2/15 IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  14. De derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij hebben na de betekening van het onder randnummer 3 vermelde verwerpingsarrest niet om de voortzetting van de procedure verzocht. Ten aanzien van deze partijen wordt met toepassing van artikel 11/3, § 1, laatste lid, van het algemeen procedurereglement de afstand van het geding vastgesteld. 4.
  15. Onder “de verzoekende partijen” worden hierna enkel de eerste en de tweede verzoekende partij bedoeld. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 5.
  16. De verzoekende partijen stellen in hun verzoekschrift, wat hun belang betreft, dat zij als “bewoners/eigenaars” van woningen die zich in de onmiddellijke omgeving van het plangebied situeren “allen persoonlijk en op een rechtstreekse wijze de (nadelige) gevolgen van de realisatie van het plangebied, alsmede het project an sich” zullen ondervinden. Zij menen de nadelige gevolgen van de volledig onderschatte mobiliteitsimpact van het beoogde project te zullen ondervinden en wijzen daarbij onder meer op “het verdwijnen van de huidige parkeergelegenheid, de (niet nader onderzochte) schrapping van de parkeergarage voor de woongelegenheden die men wenst te realiseren, het gebrek aan alternatieve parkeergelegenheid”. Tweede verzoeker, die in de Boerenlegerstraat woont, stelt bijkomend “door de toelating van de constructie van (inpandige) terrassen aan [de] zijde van de Boerenlegerstraat een rechtstreekse inkijk [te zullen] ondervinden in o.a. de tuinen”. X-16.772-3/15 Specifiek wat de eerste verzoekende partij betreft, wordt er verder op gewezen dat zij “geconfronteerd wordt met het gegeven dat de (geringe) parkeerruimte voor haar kledingszaak dient plaats te maken voor een Vrijetijdscentrum”. 5.
  17. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoekende partijen bij het beroep. 5.2.
  18. Volgens de verwerende partij zorgt het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vrijetijdscentrum” (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP) niet voor de mobiliteits- en parkeereffecten waar de verzoekende partijen melding van maken. De verwerende partij werpt op dat de eerste verzoekende partij op haar website aangeeft “over een ruim aanbod van gratis parkeermogelijkheden rondom de winkel te beschikken” en goed bereikbaar te zijn. Zij wijst er verder op dat de kledingzaak van de eerste verzoekende partij over twee ingangen beschikt, die elk in een andere straat gelegen zijn. Aan de ingang gelegen in de Strijdersstraat zijn er voldoende parkeergelegenheden in de straat. Ter hoogte van de ingang gelegen in de Doelveldstraat is er een gratis openbare parking. De eerste verzoekende partij kan haar belang evenmin baseren op een vermeend gebrek aan alternatieve parkeergelegenheden of op het gegeven dat een parkeergarage voor woongelegenheden wordt geschrapt. Een vernietiging op grond van dat belang kan de eerste verzoekende partij geen voordeel opleveren. 5.2.
  19. Wat tweede verzoeker betreft, acht de verwerende partij het uiterst twijfelachtig en geenszins bewezen dat hij op de thans binnen het plangebied bestaande parkeergelegenheid een beroep zou doen. De verwerende partij stelt niet in te zien op welke manier een vernietiging op grond van het ingeroepen belang aan tweede verzoeker een voordeel kan opleveren. Volgens de verwerende partij is de vrees voor inkijk in de tuin van tweede verzoeker onterecht, rekening houdend met de stedenbouwkundige voorschriften die bepalen dat de realisatie van de bestemming pas is toegelaten voor zover de X-16.772-4/15 werken “qua schaal en ruimtelijke impact verenigbaar zijn met de omgeving” en die naar de omwonenden toe “voorzien in een groene buffer”. Voorts meent de verwerende partij dat op het eigendom van tweede verzoeker een “afdoende groenscherm” aanwezig is “om inkijk van een eventueel terras te verhinderen”. 5.
  20. In de memorie van wederantwoord repliceert de eerste verzoekende partij dat de argumentatie van de verwerende partij “weinig ernstig is”. Zij betoogt sterk afhankelijk te zijn van de “manifest onvoldoende” parkeerplaatsen “zowel achteraan al[s] bij de sporthal” en wijst onder meer op de “synthesenota van het mobiliteitsplan van de gemeente Edegem”, waaruit blijkt dat de parking Doelveldstraat “op een representatieve weekavond” voor 67 % is bezet en op een zaterdagvoormiddag “voor 111 % (oversaturatie)” is bezet. Tweede verzoeker repliceert dat hij voor parkeergelegenheid op het openbaar domein is aangewezen. Hij verwijst naar de mobiliteitsstudie van architect-stedenbouwkundige H.V., waaruit blijkt dat de parkeerproblematiek ingevolge het bestreden gemeentelijk RUP “merkbaar [zal] worden in de omliggende straten”. Verder stelt hij dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP toelaten “om op de zuidwesthoek een inpandig terras van 4m te bouwen”, zodat hij geconfronteerd zal worden “met twee verdiepingen met terrassen tegen de perceelsgrens” en een rechtstreekse inzage in zijn tuin/woning. De terrassen kunnen “vlakbij de perceellijn” gebouwd worden en het is volgens hem “feitelijk incorrect” dat er op zijn eigendom “een afdoende groenscherm aanwezig is [waardoor] inkijk zou kunnen verhinderd worden”. 5.
  21. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij bijkomend het actueel belang van de verzoekende partijen omdat zij de op 19 mei 2017 in uitvoering van het bestreden gemeentelijk RUP verleende stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van het vrijetijdscentrum niet met een annulatieberoep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen hebben bestreden. De “ceremoniële eerste steenlegging” daarvan is inmiddels op 3 april 2019 geschied. X-16.772-5/15 5.
  22. De verzoekende partijen repliceren in hun laatste memorie dat hun belang nog steeds actueel is, nu de verschillende woongelegenheden die in het bestreden gemeentelijk RUP worden voorzien “niet in de vergunning of de aanvraag [werden] opgenomen”. Bij “gebreke aan een vernietiging zou verweerster perfect in staat zijn om een nieuwe aanvraag in te dienen […] om zodoende de appartementen (opnieuw) te voorzien”. Beoordeling 6.
  23. De eerste verzoekende partij baat een kledingzaak uit, en tweede verzoeker woont, in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. 6.
  24. De verzoekende partijen hebben zich in hun verzoekschrift op de parkeerproblematiek ingevolge het bestreden gemeentelijk RUP beroepen. Bij de beoordeling van het eerste middel zal blijken dat de verwerende partij in de screeningsnota bij dit RUP de parkeerproblematiek als pijnpunt heeft erkend. In redelijkheid moet aangenomen worden dat de verzoekende partijen als bewoners/eigenaars van panden gelegen in de onmiddellijke omgeving van het plangebied van die parkeerproblematiek een nadeel kunnen ondervinden en dat zij derhalve een voordeel bij de nietigverklaring van het bestreden gemeentelijk RUP hebben. 6.
  25. Het betoog in de laatste memorie van de verwerende partij dat de verzoekende partijen niet langer het vereiste actueel belang bij hun beroep bezitten omdat zij de op 19 mei 2017 in uitvoering van het bestreden gemeentelijk RUP voor de bouw van het vrijetijdscentrum verleende stedenbouwkundige vergunning niet hebben bestreden, kan geen bijval vinden. De verzoekende partijen wijzen er in dit verband immers terecht op dat die vergunning niet de verschillende woongelegenheden omvat die in het plan zijn voorzien en dat de verwerende partij “perfect in staat [is] om een nieuwe aanvraag in te dienen […] om zodoende de appartementen […] te voorzien”. 6.
  26. De excepties zijn ongegrond. X-16.772-6/15 VI. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen 7.
  27. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel onder meer de schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In hun eerste middelonderdeel zetten zij uiteen dat in de screeningsnota op de noodzaak van bijkomende parkeerplaatsen wordt gewezen, en dat zijzelf in hun bezwaarschrift hebben opgemerkt dat de parkeernood niet binnen het plangebied kan worden opgevangen. Zij betogen dat de screeningsnota het voorzien van ondergrondse parkeerplaatsen als milderende maatregel oplegt. Volgens de verzoekende partijen gaat de screeningsnota van verkeerde gegevens uit en heeft de plannende overheid bij de vaststelling van het bestreden gemeentelijk RUP niet op een realistische en zorgvuldige wijze met de werkelijke parkeerbehoeften rekening gehouden. Ook heeft zij de later aangebrachte wijzigingen – bijkomende appartementen, verdwijnen van parkeerplaatsen, schrapping van de ondergrondse parking – niet in rekening gebracht. Bij de definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP werd ondanks de wijzigingen aan het ontwerp en het voorlopig vastgestelde uitvoeringsplan geen aanvullend onderzoek naar de mogelijke milieueffecten van deze aanpassingen gedaan. De verwerende partij heeft volgens de verzoekende partijen ook ten onrechte rekening gehouden met delen van haar grondgebied die niet in het bestreden gemeentelijk RUP opgenomen zijn. Zo worden de parkeerbehoeften afgewenteld op delen van het grondgebied die niet tot het plangebied behoren. De verwerende partij heeft niet correct en minstens niet afdoende op hun bezwaren in verband met de parkeerproblematiek geantwoord. Op geen enkele wijze werd aangegeven dat hun argumenten werden onderzocht, noch blijkt op welke grond het bestuur van oordeel is dat geen aanvullende parkeerplaatsen zijn vereist. X-16.772-7/15 7.
  28. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord onder meer dat de mogelijke milieueffecten van het bestreden gemeentelijk RUP in de milieuscreening “zorgvuldig en correct [werden] beschreven en onderzocht”. Bij het bestuderen van de mogelijke effecten werd wel degelijk uitgegaan van een uitbreiding van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen met een woonfunctie. Naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het bestreden gemeentelijk RUP was geen aanvullend onderzoek vereist, nu bij die definitieve vaststelling “het maximaal aantal bovengrondse bouwlagen [werd] gereduceerd van 4 naar 3, waardoor de mogelijke milieueffecten van de woonfunctie logischerwijze kleiner worden”. Het onderzoek van de milieueffecten van de eventuele bouw van appartementen “zal logischerwijze in de project-MER(-screening) in het kader van de vergunningscontext gebeuren”. De verwerende partij betoogt verder, wat de beoordeling van de mobiliteitseffecten betreft, dat de milieuscreening wel degelijk gebruik maakt van actuele gegevens, te weten het op 9 februari 2015 goedgekeurde mobiliteitsplan. De mogelijke milieueffecten werden in de milieuscreening “ruim onderzocht”. Bij de beoordeling van die mogelijke effecten werd “specifiek stilgestaan” bij de parkeervoorzieningen, waarbij “[m]en is […] uitgegaan van 12 woningen en gemeenschapsvoorzieningen met een maximale oppervlakte van 1600 m²” en men verder “een quota [hanteert] van 1,5 parkeerplaatsen per woning, waarbij 1 parkeerplaats noodzakelijk is en de overige 0,5 parkeerplaats kan ingevuld worden d.m.v. een bergruimte voor materiaal en fietsen”. Belangrijk volgens de verwerende partij is dat de milieuscreening mogelijke maatregelen voorstelt die het plan verder kunnen verbeteren, maar die “niet noodzakelijk zijn om significante effecten te vermijden”. Deze “milderende maatregelen” werden zoveel als mogelijk in de stedenbouwkundige voorschriften geïntegreerd. Inzake mobiliteit heeft de gemeente voor een andere beleidsoptie geopteerd: “i.p.v. te voorzien in een ondergrondse parking heeft men het maximum aantal bovengrondse bouwlagen teruggebracht van 4 naar 3, X-16.772-8/15 waardoor de mobiliteits- en parkeerdruk sowieso kleiner wordt”. Nu er bij een eventuele bouw van twaalf appartementen al geen significant negatieve effecten te verwachten zijn, en de voorgestelde milderende maatregelen dan ook niet noodzakelijk zijn, is dit volgens de verwerende partij een afdoende gemotiveerde beleidskeuze, die aan het advies van de Gecoro tegemoet komt. De gemeenteraad zet net als de Gecoro op een duurzame mobiliteit in. De stedenbouwkundige voorschriften voorzien in een verplichte fietsenberging, alsook in de mogelijkheid om parkeerplaatsen binnen het plangebied te voorzien. Indien op projectniveau zou blijken dat bijkomende parkeerplaatsen nodig zouden zijn, kunnen die nog steeds ingepland worden. 7.
  29. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord dat een “post factum wijziging naar een duurzaam parkeerbeleid tezamen met een schrapping van de ondergrondse parkeergarage […] – mede gelet op het gebrek aan een openbaar onderzoek of voorafgaandelijk gepubliceerde rechtsbron die zulks vooropstelt – geen deugdelijke oplossing voor het probleem [vormt]”. 7.
  30. De verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat er geen noodzaak was om in een ondergrondse parkeerruimte te voorzien. Ook het terugbrengen van het maximum aantal bovengrondse bouwlagen van 4 naar 3 zal volgens haar het mobiliteitsaspect van het bestreden gemeentelijk RUP verbeteren. Door de reductie van het aantal bouwlagen “zal men logischerwijze niet komen tot 12 appartementen, en zal de mobiliteits- en parkeerdruk sowieso nog kleiner zijn”. Een aanvullend onderzoek naar de mogelijke milieueffecten van de planaanpassingen was volgens de verwerende partij dan ook niet vereist. 7.
  31. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie dat de parkeernood, die ontegensprekelijk aan het planinitiatief is gekoppeld, ondanks de uitdrukkelijke erkenning ervan door de verwerende partij, volstrekt ten onrechte als aanvaardbaar werd beschouwd “en onder het mom van een gewijzigd beleid [werd] gerechtvaardigd”. Zij vraag zich af waarom de plannende X-16.772-9/15 overheid in een ondergrondse parkeergarage zou voorzien indien daartoe geen noodzaak zou bestaan. Ook maakt het verweer van de verwerende partij volgens haar abstractie van het feit dat de screeningsnota van verkeerde gegevens vertrekt. Beoordeling 8.
  32. In haar besluit van 22 januari 2016 beslist de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (hierna: de dienst Mer) dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een planmilieueffectrapport (plan-MER) niet nodig is. Deze beslissing is genomen na onderzoek van het screeningsdossier. In de screeningsnota wordt erop gewezen dat het centrum van Edegem een hoge parkeerdruk kent: “Gezien er in het centrum van Edegem reeds een hoge parkeerdruk is, kunnen enkel functies met lage parkeerbehoefte en lage verkeersgeneratie worden toegestaan.” 8.
  33. In verband met de mogelijke effecten op vlak van mobiliteit wordt in de screeningsnota het volgende geconcludeerd: “Voor parkeren moeten er voor 12 meergezinswoningen (18 parkeerplaatsen) en een bibliotheek van 1600m² (3-12 parkeerplaatsen), min. 21 en max. 30 bijkomende parkeerplaatsen voorzien te worden. De parkeerplaatsen voor de woningen dienen onder het bijkomend volume te worden aangebracht. Voor de verkeersgeneratie van de woningen (35 mvt/etmaal) en van de bibliotheek (tussen 33-111) wordt het aantal voertuigbewegingen per etmaal op minimum 68 en maximum 148 geschat. Aangezien een bibliotheek open is tijdens gespreide uren zal de verkeersgeneratie hiervan slechts zeer beperkt samenvallen met de ochtend- en/of avondspits. Naast het gebouw wordt de bestaande parking (capaciteit +/- 50 wagens) behouden. Aangezien gemeenschapsvoorzieningen (zoals een bibliotheek) voornamelijk op lokaal niveau functioneren, zullen er naast de parkeerplaatsen voor gemotoriseerd tevens fietsstalplaatsen moeten worden voorzien. Voldoende voorzieningen voor de zachte weggebruiker zorgen X-16.772-10/15 voor een incentive om de auto te laten staan voor eerder korte verplaatsingen. Dit kan de verkeersgeneratie enkel ten goede komen.” 8.
  34. Onder de in de screeningsnota opgenomen “milderende maatregelen” wordt het volgende vermeld: “- Omwille van de verkeersgenererende functies zijn extra parkeerplaatsen nodig. Omdat een deel van de huidige parkeerplaatsen ingenomen kunnen worden door nieuwe ontwikkelingen, is het noodzakelijk om ondergrondse parkeerruimte te voorzien voor de nieuwe wooneenheden (minimum 18 parkeerplaatsen).” 8.
  35. Zodoende heeft de verwerende partij in de screeningsnota zelf op de noodzaak aan extra parkeerplaatsen gewezen, alsook op de vereiste om voor de nieuwe wooneenheden in een ondergrondse parkeerruimte te voorzien. Rekening houdend met het aanvankelijke planopzet om in 12 bijkomende meergezinswoningen te voorzien, werd in “minimum” 18 ondergrondse parkeerplaatsen voorzien. 8.
  36. Naar aanleiding van een aantal bezwaren over de mogelijke onherstelbare schade die ingevolge bemaling kan ontstaan, heeft de Gecoro vervolgens een aanpassing van het plan voorgesteld. Die aanpassing wordt in het advies van de Gecoro als volgt verwoord: “Gecoro adviseert geen ondergrondse parking te voorzien zodat een verhoogd gelijkvloers kan gecreëerd worden (= profiel wedstrijd[…]ontwerp). Deze ontwerpkeuze betekent echter ook dat er geen ondergrondse parking kan gerealiseerd worden. Gecoro stelt dat de realisatie van een ondergrondse parking voor de bouw van 6 appartementen echter niet realistisch is. Veel belangrijker is in te zetten op […] comfortabele fietsenstallingen voor personeel, bewoners en bezoekers in de onmiddellijke nabijheid van het VTC. Er kan ook overwogen worden achter de sporthal private parkeerplaatsen te voorzien. De ruime én handige fietsenstallingen en ruimte voor kinderwagens, rollators, afval, ... dienen ruimtelijk goed geïntegreerd te worden en waar mogelijk in of gekoppeld aan het hoofdgebouw voorzien [te] worden.” X-16.772-11/15 8.
  37. Naar aanleiding van een aantal bezwaren met betrekking tot de verminderde parkeercapaciteit, stelt de Gecoro een gedeeltelijke planaanpassing voor, en wel op grond van de volgende motieven: “Gecoro stelt dat dit project juist structureel inzet op duurzame mobiliteit. Het bouwen midden in het centrum is immers een goede keuze vanuit het oogpunt duurzame mobiliteit. De locatie van het vrijetijdscentrum is doelbewust gepland in het centrum van Edegem. Dit omwille van de goede ligging ten opzichte van de openbaar vervoersverbindingen en clustering van functionele fietsroutes. Bijgevolg kan er voor het vrijetijdscentrum worden uitgegaan van een duurzaam parkeerbeleid conform het Vademecum Duurzaam Parkeerbeleid. Een duurzaam parkeerbeleid is een expliciete doelstelling binnen het herziene mobiliteitsconvenantenbeleid. Een duurzaam parkeerbeleid wil dan ook ongewenst autogebruik verminderen en bewerkstelligt de selectieve bereikbaarheid (te voet, met de fiets, met het openbaar vervoer) van centra. Hierbij wordt uitgegaan van een sturend parkeerbeleid waarbij overbodig en ongewenst autogebruik wordt ontmoedigd ten voordele van andere verplaatsingsmodi. Dit kan door middel van het beperken van de parkeercapaciteit en door middel van parkeerregulering. Parkeerplaatsen hoeven dan ook niet voor de deur. Daarnaast beperkt parkeerregulering de behoefte aan extra parkeerplaatsen. De architect koos bij de vastlegging van de footprint van het gebouw ook bewust om de tuin van Huis Hellemans maximaal te behouden (alleen aan de noordzijde verdwijnt een gedeelte). Deze keuze werd van bij het wedstrijdontwerp geprezen; niet alleen omdat op deze wijze de tuin grotendeels kan behouden worden, maar ook omdat zo een ruimtelijk geheel wordt gecreëerd tussen Huis Hellemans, het nieuwe VTC en de sporthal. De parking zal een minder dominante aanwezigheid hebben in dit mooie stukje centrum. Het klopt dat hierdoor [het] aantal parkeerplaatsen vermindert op de parking van de sporthal zelf. Het ontwerp openbaar domein moet uitwijzen hoeveel plaatsen nog gerecupereerd kunnen worden (bv voor de sporthal en aan de andere zijde van de sporthal). Het is echter duidelijk dat het origineel aantal parkeerplaatsen niet gehaald zal kunnen worden[...]. Gecoro adviseert om de parking tussen VTC en sporthal zelf in te richten voor kortparkeren (ook tijdens de avonduren) zodat handelaars, bezoekers van het VTC en sporthalbezoekers makkelijk kunnen parkeren. De verschillende parkings voor langparkeren (waarbij de parking aan het Hof ter Linden nog moet gerealiseerd worden), kunnen beter bekend gemaakt worden en waar mogelijk geoptimaliseerd. Uiteraard moet dit principe ook formeel vertaald worden naar een gewijzigd parkeerbeleid in het centrum (waarbij bv ook de regeling van de compensatoire vergoedingen gewijzigd moet worden). De bewoners van de appartementen zullen net als één ieder in het centrum kunnen gebruik maken van de parkings voor langparkeren. Zij worden echter gestimuleerd om de fiets te nemen door een comfortabele fietsparking vlakbij.” X-16.772-12/15 8.
  38. In het bestreden besluit oordeelt de gemeenteraad als volgt over het advies van de Gecoro: “De gemeenteraad volgt geheel het standpunt van de gecoro […], met uitzondering van het advies van de parking tussen sporthal en VTC en paste het RUP (en uiteraard ook het ontwerp zelf) hieraan aan. Gecoro adviseerde om de parking tussen sporthal en VTC geheel voor kortparkeren in te richten. De regeling van kort en langparkeren wordt niet geregeld in het RUP, maar zal later [het] onderwerp [uit]maken van specifieke besluitvorming. De aanpassingen aan het RUP zijn aanzienlijk. Ook werden er verschillende bezwaren ingediend die de onduidelijkheid van de voorschriften aankaarten. Beide aspecten samen maken dat de voorschriften ernstig wijzigden. Inhoudelijk werd echter uitsluitend tegemoet gekomen aan het advies van de Gecoro en zijn er geen inhoudelijke wijzigingen aan het plan aangebracht die het nodig maken opnieuw een openbaar onderzoek te voeren.” 8.
  39. De verzoekende partijen voeren aan dat de verwerende partij niet op een zorgvuldige wijze heeft gehandeld door geen rekening te houden met de werkelijke parkeerbehoeften, en door de later aangebrachte planwijzigingen, waaronder het schrappen van de ondergrondse parking, niet in rekening te brengen. 8.
  40. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen. 8.
  41. De wijzigingen na het openbaar onderzoek gaan in beginsel terug op, onder meer, het advies van de Gecoro, maar missen iedere verantwoording in het licht van de aanvankelijk door de verwerende partij in de screeningsnota vastgestelde parkeerproblematiek en in het bijzonder de daarin vastgestelde noodzaak aan ondergrondse parkeerplaatsen voor de nieuwe wooneenheden. X-16.772-13/15 De verwerende partij heeft, voor wat de parkeerproblematiek betreft, haar visie gewijzigd en voor het overige de oplossingen zonder meer naar latere “specifieke besluitvorming” doorgeschoven. Een dergelijke handelwijze getuigt niet van een zorgvuldige besluitvorming. 8.
  42. In haar verweer bevestigt de verwerende partij dat finaal voor een andere beleidsoptie werd gekozen om de vastgestelde parkeerproblematiek op te lossen en dat ingevolge die gewijzigde keuze geen significante negatieve effecten te verwachten zijn: “i.p.v. te voorzien in een ondergrondse parking heeft men het maximum aantal bovengrondse bouwlagen teruggebracht van 4 naar 3, waardoor de mobiliteits- en parkeerdruk sowieso kleiner wordt”. 8.
  43. Dit verweer vermag aan de onder het randnummer 8.10 vastgestelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel geen afbreuk te doen. De vraag of er al dan niet significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn, dient in eerste instantie immers onderzocht te worden in de milieuscreening, die door de dienst Mer dient goedgekeurd te worden. 8.
  44. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  45. De Raad van State stelt de afstand vast ten aanzien van de derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij.
  46. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Edegem van 20 juni 2016 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vrijetijdscentrum”.
  47. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-16.772-14/15
  48. De derde, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partij worden, elk voor een vierde, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 800 euro. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 juni 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.772-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.966 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.251 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.