id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.967 Rolnummer: A. 220501/X-16760 Zaak: Arrest 244967 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-05 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Arrest nr 244.967 van 26 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 244.967 van 26 juni 2019 in de zaak A. 220.501/X-16.
(2004)de keuze maakt voor centrum- en randparkeren. Het voorzag een nieuwe X-16.760-27/62 centrumparking op de Hertogensite (ziekenhuissite). Omdat deze niet kan worden gerealiseerd, wordt deze site in de structuurplanherziening geschrapt en vervangen door parking Den Bruul en (behoud van) parking Sint-Jacobsplein. Het is dus niet correct om te stellen dat het vorige structuurplan focuste op de afbouw van centrumparkeren. Het bezwaar is ongegrond. […] De gemeenteraad heeft de bezwaren over de gedeeltelijke structu[ur]planherziening inderdaad nog niet behandeld op het moment waarop dit bezwaar werd geformuleerd. Het openbaar onderzoek over de gedeeltelijke structuurplanherziening liep af in december 2015. De gecoro behandelde de bezwaren en het advies, en bracht hierover in februari 2016 advies uit aan de gemeenteraad van de stad Leuven. De gemeenteraad kan pas daarna zelf haar standpunt over de bezwaren op de gedeeltelijke structuurplanherziening formuleren. Het is onduidelijk of deze opmerking een bezwaar inhoudt. Het bezwaar is onduidelijk. […] Het openbaar onderzoek over de gedeeltelijke structuurplanherziening liep af op 17/12/2015. Tegen deze procedure kunnen geen bezwaren meer worden ingediend. Bezwaren die betrekking hebben op de keuzes die ook door het RUP Den Bruul worden vastgelegd, worden binnen deze procedure door de gecoro nog behandeld. Voor zover het bezwaren betreft die in de procedure van de gedeeltelijke structuurplanherziening reeds werden besproken, zal de gecoro uiteraard naar haar advies in deze procedure verwijzen. Het is echter niet mogelijk om volledig nieuwe punten van bezwaar die niks met RUP Den Bruul te maken hebben en niet in de structuurplanherziening werden ingediend, hier nog te behandelen.” 11.4. Verzoekers betrekken dit antwoord niet bij de uiteenzetting van hun middel. Hun algemene kritiek volstaat niet om een schending van de motiveringsplicht aan te tonen. 11.5. Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 12.1. Verzoekers roepen in een vijfde middel de schending in van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’ X-16.760-28/62 (hierna: DIWB) juncto de artikelen 2/1 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: het watertoetsbesluit) juncto het motiverings-, zorgvuldigheids- en voorzorgsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 12.1.1. Vooreerst blijkt volgens verzoekers uit de motivering van het bestreden besluit niet dat de plannende overheid een eigen watertoets heeft uitgevoerd. Er wordt hoofdzakelijk verwezen naar de screeningsnota. Daarbij worden, in strijd met de verplichtingen inzake de waterparagraaf, de verschillende schadelijke effecten niet uitdrukkelijk opgesomd, noch blijkt duidelijk waaruit deze schadelijke effecten bestaan en wat hun omvang is. 12.1.2. Verzoekers betwisten de conclusie in het bestreden besluit dat er geen mogelijk schadelijk effect op de bodemverontreiniging zou zijn. Uit de screeningsnota blijkt dat er wel degelijk een schadelijk effect te bepalen is, doordat bemalingswater vervuild kan zijn. Ook lijkt het bestreden besluit over het hoofd te zien dat er nog andere bodemverontreiniging mogelijk is, die niet door een “correct uitgevoerde bemaling” kan vermeden worden. Maatregelen om deze schadelijke effecten te voorkomen, te beperken en te herstellen, worden niet vermeld. Enkel wordt de stijlformule gebruikt dat de negatieve impact van de bestreden beslissing in de stedenbouwkundige voorschriften voldoende wordt opgevangen. Concreet wijzen verzoekers op het feit dat in de screeningsnota wordt gesteld dat bemaling in de Dijle kan geloosd worden, maar dat dit bemalingswater niet vervuild mag zijn. Er moet gecontroleerd worden op verontreiniging voordat het bemalingswater wordt geloosd. In de toelichtende nota beroept de plannende overheid zich op deze controle van het bemalingswater, maar die wordt nergens in de stedenbouwkundige voorschriften opgelegd. X-16.760-29/62 12.1.3. Tevens stelt de screeningsnota vast dat tijdens de aanlegfase van de parking een mogelijk negatief effect zal optreden op het grondwater nu de bouwput van de parking tot op een diepte van 10,6 meter beneden maaiveld (m-
- mv)zou gaan en het grondwater op een diepte zit van 1,6 m-mv. Gelet op de hoge grondwaterstand van het gebied en de grote diepte van het project zal de bouwput tijdens de aanlegfase continu moeten drooggetrokken worden. Dit kan volgens verzoekers een daling van het grondwater tot gevolg hebben, wat risico’s inhoudt voor de gebouwen in de omgeving. Ondanks het belang om te garanderen dat er geen daling van het grondwater zal optreden, formuleert de screeningsnota geen duidelijke garanties in het kader van de uitvoering van de werken aan de parking. Uit deze nota blijkt dat er nog veel onzekerheden inzake dit mogelijk schadelijk effect en de remediëring ervan bestaan. Weliswaar wordt er gesteld dat er verschillende uitvoeringstechnieken zijn om de bouwput droog te houden, maar de effectieve haalbaarheid ervan wordt niet afgetoetst. Verzoekers wijzen er in dit verband op dat uit de screeningsnota blijkt dat het risico op zettingen van de gebouwen in de omgeving niet wordt uitgesloten. Naar dit potentieel schadelijke effect van de aanleg van de parking wordt verder geen onderzoek uitgevoerd. Het bestreden besluit laat na in effectieve maatregelen te voorzien om de daling van de grondwaterstand tijdens de aanlegfase te remediëren. 12.1.4. Nog stelt de screeningsnota dat tijdens de exploitatiefase een mogelijk negatief effect op het grondwater zal optreden, nu de ondoorlatende constructie in de ondergrond vanwege de ligging in grondwaterstromingsgevoelig gebied een afdammingseffect kan hebben. Zonder enig onderzoek of toetsing besluit de screeningsnota dat hieromtrent een eenvoudige remediëring bestaat door het plaatsen van een drain. In de stedenbouwkundige voorschriften kan een dergelijke voorwaarde evenwel niet teruggevonden worden. 12.1.5. Gelet op de enorme verharding van de ondergrondse parking en van de bovengrondse constructies zal er volgens verzoekers een vermindering van de infiltratiecapaciteit van het hemelwater in de bodem optreden. De parking X-16.760-30/62 bevindt zich slechts één meter onder de grond en de screeningsnota stelt duidelijk dat het hemelwater van deze constructie zal “afstromen”. Er kan aldus niet worden betwist dat de ondergrondse constructie de infiltratiecapaciteit van de bodem vermindert. Noch de screeningsnota, noch het bestreden besluit leggen enige maatregel op om het verlies aan infiltratiecapaciteit te voorkomen, te beperken of te herstellen. Deze onzorgvuldigheid staat volgens verzoekers in schril contrast met het feit dat de verhardingen in van nature overstroombaar gebied gelegen zijn. In dergelijke gebieden dient het waterbergend vermogen van het gebied zo goed als mogelijk bewaard te worden. Dit gegeven werd niet bij het onderzoek betrokken. Bovendien worden de ondergrondse verhardingen onder de grondwatertafel aangelegd, een aspect dat evenmin bij het onderzoek omtrent de infiltratiecapaciteit wordt betrokken. 12.2. In hun memorie van wederantwoord betogen verzoekers dat er wegens mogelijk historische verontreiniging een risico op verontreiniging van de bovenste lagen van het grondwater door het bemalingswater bestaat. Zij zetten in dit verband uiteen dat de “VEL-site” tussen 1967 en 1996 door de stadsdiensten als opslagplaats voor verf en ander afval werd gebruikt en dat het gebouw zelf asbest bevatte. De site werd gesaneerd naar aanleiding van de bouw van sociale koopwoningen aan de Leerlooierijstraat en de Pereboomstraat, maar het is volgens hen niet uitgesloten dat de bodem op grotere diepte nog wel verontreinigd is. Dit werd niet onderzocht. Verder voegen zij nog toe dat er in realiteit slechts één proefboring werd gedaan in 2011, op basis van de toenmalige plannen voor een parking met slechts twee bouwlagen onder de grond. In augustus 2016 werden nieuwe boringen uitgevoerd. De resultaten ervan zijn in de watertoets niet meegenomen, hoewel de stad Leuven heeft geoordeeld dat nieuwe boringen noodzakelijk waren. X-16.760-31/62 Met betrekking tot de infiltratiecapaciteit wijzen verzoekers er op dat er in het bestek sprake is van de aanleg van kunstgras. Kunstgras moet gedraineerd worden en moet dus als een verharding worden beschouwd, wat volgens hen ten onrechte niet is gebeurd. 12.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat de “omschrijving van verschillende scenario’s om mogelijke effecten op het grondwaterniveau te adresseren in een plan-MER […] bezwaarlijk [kunnen] worden vergeleken met de bepalingen in de […] screeningsnota”, dat de wettigheidskritiek die zij formuleren ruimer is dan louter het aanduiden van de meerdere scenario’s die in de screeningsnota worden omschreven, en dat het algemeen voorschrift met betrekking tot de waterhuishouding een “loutere stijlformule” betreft. Beoordeling 13.1. De waterproblematiek wordt in opdracht van de plannende overheid in de milieuscreening onderzocht en geëvalueerd, zodat deze wel degelijk een “eigen watertoets” heeft uitgevoerd. In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP wordt inzake de watertoets naar de screeningsnota verwezen en worden de grote lijnen daarvan herhaald. Beide stukken zijn als bijlagen bij het bestreden besluit gevoegd. Anders dan verzoekers dit zien, kan een en ander als een voldoende formele motivering gelden. 13.2. In tweede instantie bekritiseren verzoekers enkele aspecten van de watertoets. In dit verband dient vooreerst opgemerkt dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht zijn beoordeling inzake de watertoets niet in de plaats van die van de bevoegde administratieve X-16.760-32/62 overheid mag stellen. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, namelijk of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 13.3. Artikel 8, § 1, eerste lid, DIWB bepaalt onder meer dat de overheid die, zoals te dezen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Uit deze bepaling volgt dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan “schadelijke effecten”, in de zin van artikel 3, § 2, 17° DIWB doet ontstaan, en niet inhoudt dat ook moet worden onderzocht hoe het voorgenomen plan een reeds bestaande toestand kan remediëren. Hoewel de plannende overheid, om te voldoen aan de voornoemde zorgplicht, er niet mee kan volstaan om de verantwoordelijkheid ter zake door te schuiven naar de vergunningverlenende overheid, kan zij bij het doorvoeren van de watertoets redelijkerwijze enkel rekening houden met elementen en omstandigheden die haar op dat ogenblik reeds bekend zijn of kunnen zijn. Wordt de uitgevoerde watertoets betwist, dan moet concreet worden aangegeven op grond van welke elementen deze in twijfel kan worden getrokken. 13.4. Een eerste punt van verzoekers’ kritiek heeft betrekking op het lozen van vervuild bemalingswater. Volgens verzoekers worden ten onrechte geen verordenende voorschriften opgenomen met betrekking tot de controle van het bemalingswater voorafgaand aan de lozing in de Dijle. 13.5. In de screeningsnota leest men desbetreffend het volgende: “Afvalwater Aanlegfase X-16.760-33/62 Tijdens de aanlegfase van de ondergrondse parking die het RUP mogelijk maakt, zal afhankelijk van de gekozen uitvoeringstechniek (tijdelijk) een bemaling noodzakelijk zijn om de bouwput droog te trekken of om te kunnen werken in den droge. Eventueel bemalingswater kan geloosd worden in de Dijle. Er mag geen verontreinigd bemalingswater geloosd worden in oppervlaktewater. Het bemalingswater zal daarom gecontroleerd worden op de aanwezigheid van verontreiniging alvorens het geloosd wordt in het oppervlaktewater. Indien het bemalingswater verontreinigd is, dient het gesaneerd te worden voor de lozing. Elk project van deze omvang zal onderworpen worden aan een project-m.e.r.- screening, waardoor er geen aanzienlijke effecten worden verwacht omwille van het RUP. [...] Overstromingsrisico’s en gevolgen voor de grondwaterstand Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zal (tijdelijk) een bemaling noodzakelijk zijn om de bouwput droog te trekken of om te werken in den droge. Een inschatting van het bemalingsdebiet en de perimeter kan gedaan worden op basis van de hydrogeologische bouw en de hydraulische parameters van de verzadigde bodemlagen. De hydrogeologische bouw, hierboven vermeld, wordt hier hernomen en aangevuld met boorinformatie van een diepe boring: • een zwakke, plaatselijk veenhoudende, kleigrond in de eerste 4,5 à 5,5 m–mv; • matig gepakt zand tot een diepte van 7,0 à 8,5 m–mv; • dicht tot zeer dicht silt- of glauconiethoudend zand over de verdere sondeerdiepte (16,6 à 18,6 m-mv). Vanaf de einddiepte van de sondering begint normaliter een 18 m dikke kleilaag die licht zandhoudend is met daar onder een 17 m massieve kleilaag. Beide behoren tot het “kleihoudend facies van de Formatie van Kortrijk”. De glauconiethoudende silthoudende zandlaag in het onderste gedeelte van de sonderingen behoort tot het “zandig facies van de Formatie van Kortrijk” en is ter plaatse 8 tot 10 m dik. De bouwput gaat tot een diepte van 10,6 m-mv en het grondwater zit op en diepte van ca. 1,6 m-mv. Dit betekent dat de lokale waterstijghoogte ongeveer 9,5 m verlaagd dient te worden, en dit over een bouwoppervlak van ongeveer 4.000 m². Binnen het RUP zijn verschillende uitvoeringstechnieken mogelijk. Momenteel is het nog niet duidelijk welke uitvoeringstechniek gebruikt zal worden. Daarom worden in de voorliggende screeningsnota 2 opties en hun mogelijke effecten besproken. De bouwput wordt eerst afgezet met grond- en waterkerende secanspalen. Bij een ondiepere installatie dan 18 m (optie 1) zal de bodem van de bouwput in het goed doorlatende zandig facies zitten en zal tijdens de werken een bemaling nodig zijn om te kunnen werken in den droge. Debiet en invloedsfeer kunnen met de volgende formule geraamd worden: [...] X-16.760-34/62 De dikte van het zandig facies wordt, in de situatie waarbij de secanspalenwand op een diepte van 16 m geplaatst wordt, gelijkgesteld aan 2 m. Bij deze optie blijft de invloedsfeer door de geringe doorlatendheid van de watervoerende laag vrij beperkt. Op ca. 100 m afstand van het centrum van de bouwput is dit 1 m, op 180 m vanaf wordt nog 5 cm geraamd. Het debiet dat hiermee overeenkomt is ongeveer 330 m³/dag ( [...] Wanneer de secanspalenwand wordt geplaatst tot een diepte van 20 m (optie 2) zitten de palen ca 2 m verankerd in het slecht doorlatende, niet watervoerende kleiig facies en zal de bemaling beperkt zijn tot het droogtrekken van de bouwput. Effecten op de grondwatertafel buiten de bouwput zijn bij deze uitvoeringstechniek tot nagenoeg nul gereduceerd, zowel debiets- als perimetergewijs. Aangezien bij optie 2 het bemalingsdebiet minimaal is, en aangezien bij optie 1 een retourbemaling wordt opgelegd om de effecten op de grondwatertafel te vermijden, zullen de werkelijk af te voeren debieten in alle gevallen beperkt zijn. Enkel de restanten dienen geloosd te worden in de Dijle. Op die manier blijven de lozingsdebieten op de Dijle beperkt en worden er geen aanzienlijke effecten op het overstromingsregime verwacht. Door de secanswand tot in de kleihoudende facies te plaatsen (= optie 2), worden de bemalingsdebieten nagenoeg tot nul gereduceerd. In deze situatie dient er geen bemalingswater geloosd te worden, en zijn er geen aanzienlijke effecten op de grondwaterstand te verwachten. Aangezien de voorschriften garanderen dat er geen aanzienlijke daling van de grondwaterstand optreedt ten gevolge van de werken, is het risico op zettingen van gebouwen in de omgeving ook zeer beperkt. Tijdens de aanlegfase zijn er geen verharde oppervlakten of overdekte constructies gepland met een aanzienlijk effect op de afvoer van hemelwater. Exploitatiefase Het plangebied situeert zich niet in effectief overstromingsgevoelig gebied of in een risicozone voor overstromingen. Bovendien wordt de geplande parking volledig ondergronds voorzien. De mogelijke projecten binnen dit plan impliceren in de exploitatiefase bijgevolg geen effecten op het overstromingsregime van de Dijle. De rotatieparking die binnen het plangebied gerealiseerd zal worden, is volledig ondergronds. De bovengrondse delen beperken zich tot de toegangen en verluchtingsinstallaties. Bovenop de parking wordt een gronddekking van 1 meter voorzien. Het insijpelend hemelwater dat van de ondergrondse dakconstructie afstroomt, kan in de zones rond de parking in de bodem infiltreren. De bovengrondse delen zijn beperkt in oppervlakte waardoor het afstromend hemelwater er naast in de bodem kan sijpelen. Het hemelwater dat van de wegenis in de Brouwersstraat afstroomt, wordt gescheiden afgevoerd. De aanwezige hemelwaterafvoer in het park boven X-16.760-35/62 de parking wordt na de werken hersteld. Hemelwater dat van de paden en (semi)verharde sportterreinen in het park zal afstromen kan er naast in de bodem dringen. Er wordt bijgevolg geen aanzienlijke wijziging van de afvoer- en infiltratiekarakteristieken van het hemelwater verwacht. Tijdens de exploitatiefase is er geen bemaling noodzakelijk. De ondergrondse rotatieparking die [...] binnen het plangebied voorzien wordt, vormt een ondoorlatende constructie in de ondergrond. Vanwege de ligging in grondwaterstromingsgevoelig gebied is het zogenaamde afdammingseffect op de grondwaterstroming niet uit te sluiten. Dit kan eenvoudig geremedieerd worden door het plaatsen van een perifere drain rond het bouwproject, op basis van gemeten waterstandsgegevens. Deze voorwaarde wordt in de voorschriften mee opgenomen.” 13.6. Verzoekers’ kritiek dat de controle van het bemalingswater voorafgaand aan de lozing in de Dijle niet in de stedenbouwkundige voorschriften wordt opgelegd, volstaat niet om te besluiten dat de watertoets op dit punt niet zorgvuldig zou zijn gebeurd. Uit de milieuscreening blijkt dat bemaling enkel zal nodig zijn in de aanlegfase en dat afhankelijk van de gekozen uitvoeringstechniek (tijdelijk) een bemaling noodzakelijk zal zijn om de bouwput droog te trekken of om te kunnen werken in het droge. Er wordt verduidelijkt dat overeenkomstig het bestreden gemeentelijk RUP verschillende uitvoeringstechnieken mogelijk zijn en dat nog niet duidelijk is welke uitvoeringstechniek gebruikt zal worden. Bijgevolg worden twee opties onderzocht. Bij de eerste besproken uitvoeringstechniek dient een retourbemaling voorzien te worden waarbij de restanten in de Dijle dienen geloosd te worden, bij de tweede besproken optie dient er geen bemalingswater geloosd te worden. Verder wordt erop gewezen dat het project ook nog aan een project-MER- screening zal onderworpen worden. Gelet op deze elementen, en nu niet vaststaat dat bemalingswater in de Dijle zal dienen geloosd te worden, is het niet onredelijk om op planniveau geen specifieke stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot de controle van het bemalingswater voorafgaand aan de lozing in de Dijle te voorzien. X-16.760-36/62 13.7. Een tweede punt van kritiek heeft betrekking op mogelijke verontreiniging van het grondwater en een daling van de grondwaterstand ten gevolge van de uitvoering van het project. 13.8. In de milieuscreening wordt weliswaar aangegeven dat er tijdens de aanlegfase van het ondergrondse project accidentele bodemverontreiniging kan optreden ten gevolge van lekken en/of morsverliezen van voornamelijk olie en/of brandstoffen tijdens het gebruik en onderhoud van het machinepark, dit betekent evenwel nog niet dat het voorgenomen plan “schadelijke effecten” in de zin van artikel 3, § 2, 17°, DIWB zou doen ontstaan. Verzoekers zetten in hun verzoekschrift niet uiteen waarom zij, anders dan de screeningsnota, van mening zijn dat dit wel het geval is. 13.9. Waar verzoekers eerst in hun memorie van wederantwoord wijzen op een risico op verontreiniging van de bovenste lagen van het grondwater door het bemalingswater wegens mogelijk historische verontreiniging, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. Bovendien gaan verzoekers eraan voorbij dat in het kader van de watertoets niet dient onderzocht te worden hoe het voorgenomen plan een reeds bestaande toestand kan remediëren. 13.10. Wat het effect van het bestreden gemeentelijk RUP op de grondwaterstand betreft, menen verzoekers dat er ten onrechte geen duidelijke garanties in het kader van de uitvoering van de werken worden geformuleerd. 13.11. Uit de milieuscreening blijkt dat de effecten op de grondwatertafel buiten de bouwput bij de uitvoeringstechniek van optie 2 tot nagenoeg nul gereduceerd zijn, zowel debiets- als perimetergewijs, en dat bij optie 1 een retourbemaling voorzien moet worden om effecten op de grondwatertafel in de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Zoals reeds aangehaald blijkt uit de milieuscreening dat de gebruikte uitvoeringstechniek nog niet vaststaat. In het licht van die vaststelling is het niet onredelijk, noch onzorgvuldig om in de stedenbouwkundige X-16.760-37/62 voorschriften een algemeen voorschrift op te nemen dat bepaalt dat de parking zo wordt ontworpen en aangelegd dat een ernstige verstoring van de waterhuishouding wordt vermeden, zowel in de bouwfase als nadien. In de toelichting bij het voorschrift staat nog te lezen dat in de aanlegfase de nodige maatregelen getroffen worden om een aanzienlijke daling van de grondwaterstand in de omgeving te vermijden, bijvoorbeeld via retourbemaling of een waterkerende bouwput en dat de parking zo ontworpen wordt dat een permanente bemaling na ingebruikname onnodig is. 13.12. Wat de mogelijke zetting van gebouwen in de omgeving betreft, wordt geoordeeld dat het risico op zettingen van gebouwen in de omgeving zeer beperkt is, aangezien de voorschriften garanderen dat er geen aanzienlijke daling van de grondwaterstand ten gevolge van de werken optreedt. Verzoekers’ standpunt dat de stedenbouwkundige voorschriften niet garanderen dat het grondwater niet aanzienlijk zal dalen, wordt niet bijgetreden. Een aanzienlijke daling van de grondwaterstand dient immers in redelijkheid beschouwd te worden als een ernstige verstoring van de waterhuishouding, wat blijkens de stedenbouwkundige voorschriften bij het ontwerp en de bouw van de parking net vermeden moet worden. 13.13. Verzoekers bekritiseren voorts het afdammingseffect van de ondoorlatende constructie in de ondergrond, die in een grondwaterstromingsgevoelig gebied is gelegen. 13.14. In de milieuscreening leest men dat vanwege de ligging in grondwaterstromingsgevoelig gebied het zogenaamde afdammingseffect op de grondwaterstroming niet uit te sluiten is. Dit kan blijkens de screening echter eenvoudig geremedieerd worden door het plaatsen van een perifere drain rond het bouwproject, op basis van gemeten waterstandgegevens. X-16.760-38/62 13.15. Verzoekers bekritiseren voorts dat het plaatsen van een drain niet verordenend wordt opgelegd, hoewel daarvan in de milieuscreening wordt uitgegaan. In de screeningsnota leest men: “De nodige maatregelen worden genomen om potentiële verstoring van de grondwaterstroming te vermijden. De plaatsing van een perifere drain rondom de ondergrondse constructie, op basis van de gemeten waterstandgegevens, is een mogelijke maatregel.” Hieruit blijkt dat de plaatsing van een perifere drain rondom de ondergrondse constructie niet verplichtend in de stedenbouwkundige voorschriften moet opgenomen worden. Deze maatregel wordt enkel als voorbeeld aangehaald om potentiële verstoring van de grondwaterstroming te vermijden. 13.16. Verzoekers tonen in het licht van de voormelde elementen niet aan dat het stedenbouwkundig voorschrift dat bepaalt dat de parking zo wordt ontworpen en aangelegd dat een ernstige verstoring van de waterhuishouding zowel in de bouwfase als nadien wordt vermeden, niet zou volstaan om een mogelijk afdammingseffect op de grondwaterstroming te vermijden. 13.17. Een laatste element waar verzoekers kritiek op leveren, betreft de infiltratiecapaciteit. 13.18. In de screeningsnota is te lezen dat op de ondergrondse parking een gronddekking van één meter wordt voorzien en dat het insijpelend hemelwater dat van de ondergrondse dakconstructie afstroomt, in de zones rond de parking in de bodem kan infiltreren en dat de aanwezige hemelwaterafvoer in het park boven de parking na de werken wordt hersteld. Er wordt besloten dat geen aanzienlijke wijziging van de afvoer- en infiltratiekarakteristieken van het hemelwater verwacht wordt. X-16.760-39/62 In de stedenbouwkundige voorschriften wordt verordenend opgelegd dat de parking voldoende diep onder het maaiveld wordt ingeplant met een gronddekking van minstens één meter op de parking. 13.19. Verzoekers wijzen op de ligging in van nature overstroombaar gebied en onder de grondwatertafel om te besluiten dat de watertoets op dit punt onzorgvuldig is gebeurd. 13.20. Uit de screeningsnota blijkt dat het plangebied zich in het Dijlebekken situeert. De vallei van de Dijle is aangeduid als mogelijk en effectief overstromingsgevoelig. De vallei is een risicozone voor overstromingen maar is niet recent overstroomd (screeningsnota, p. 19 en volgende). De bestaande toestand met betrekking tot het watersysteem wordt in de screeningsnota beschreven (screeningsnota, p. 33 en volgende). Daaruit blijkt dat het regenwater van het park na buffering wordt geloosd in de riolering van de Brouwersstraat en dat er geen rechtstreekse lozing in de oppervlaktewateren is. Verder blijkt dat de bodem niet infiltratiegevoelig is, hetgeen betekent dat op basis van de bodemkaart infiltratie beperkt of niet mogelijk is omdat de bodems ter hoogte van het plangebied alluviale kenmerken vertonen. De grondwaterstand ter hoogte van het plangebied bevindt zich op een diepte van 1,6 m-mv. Waar verzoekers de ligging in overstromingsgevoelig gebied beklemtonen, wordt dit in de screening genuanceerd, hetgeen blijkt uit de opgenomen watertoetskaarten (screeningsnota, p. 20) en de vermelding dat het plangebied niet gelegen is in van nature overstroombare gebieden (screeningsnota, p. 22). 13.21. Met hun algemene kritiek in hun verzoekschrift tonen verzoekers niet aan dat de milieuscreening op het vlak van de infiltratiecapaciteit onzorgvuldig zou zijn gebeurd. 13.22. Het middel wordt verworpen. X-16.760-40/62 F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 14.1. Verzoekers leiden een zesde middel af uit de onwettigheid van de gedeeltelijke structuurplanwijziging van het GRS juncto het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 14.1.1. In een eerste middelonderdeel zetten verzoekers uiteen dat uit artikel 2.1.1 VCRO blijkt dat een ruimtelijk structuurplan één gehele, geïntegreerde visie op het ruimtelijk gebied dient te hebben. In casu heeft de gemeenteraad van de stad Leuven zeer specifieke deelaspecten van het GRS gewijzigd, zonder deze in de eerder ontwikkelde visie op het gehele ruimtelijke gebied te integreren. Zij menen dat het GRS werd herzien om één bepaald RUP mogelijk te maken, dat niet in het oude GRS kon worden ingepast omdat het in de bouw van een parking voorziet in een gebied dat voor dagrecreatie was aangeduid. Verzoekers menen dat de betrokken wijzigingen essentieel zijn voor een aantal beleidspunten van de stad Leuven, waaronder mobiliteit en parkeren, en dat ten onrechte geen nieuw GRS werd opgesteld. Het gedeeltelijk herziene GRS gaat volgens verzoekers tegen de zorgvuldigheidplicht in en schendt bovendien de motiveringsplicht, omdat niet wordt aangetoond dat deze wijzigingen de globale visie op het gebied niet verstoren en dat eventuele effecten van de wijzigingen tot het lokale vlak beperkt blijven. 14.1.2. In een tweede middelonderdeel betogen verzoekers dat de bepalingen van het bindend en richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) en van het ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant (hierna: RSVB) worden geschonden. Zij wijzen er op dat het stedelijk gebied van Leuven nog niet is afgebakend, zodat dit eerst diende te gebeuren alvorens een structuurplan voor het gebied kon worden uitgewerkt. X-16.760-41/62 Daarnaast gaat het gewijzigde beleid van de stad Leuven volgens verzoekers in tegen de beleidskeuzes die in het RSV voor een stedelijk gebied worden gemaakt en tegen de beleidskeuzes die in het RSVB worden gemaakt. 14.1.3. In een derde middelonderdeel argumenteren verzoekers dat de gedeeltelijke herziening van het GRS er voornamelijk op gericht is de ondergrondse parking “Den Bruul” mogelijk te maken, zodat dit plan gericht is op een project dat valt onder “de bijlagen I en II van de […] richtlijn 2014/52/EU”, en duidelijk het kader vormt waarbinnen de vergunning voor het betrokken project dient te worden afgeleverd. Op basis van de op onvolledige wijze omgezette Europese richtlijn 2001/42/EG is er volgens verzoekers een MER-plicht bij de gedeeltelijke herziening van het GRS. Minstens is het herziene GRS in strijd met het zorgvuldigheids- en voorzorgsbeginsel doordat geen milieueffectrapportage is uitgevoerd en de noodzaak daartoe niet is onderzocht. Ook is het GRS volgens hen in strijd met het motiveringsbeginsel nu hieromtrent geen motivering is terug te vinden. 14.1.4. Verzoekers menen in een vierde middelonderdeel dat bij de herziening van het GRS verschillende bezwaren niet of onvoldoende beantwoord zijn geworden. In het overzicht van de bezwaarschriften en de behandeling ervan door de Gecoro wordt verschillende keren gesteld dat een bezwaar gegrond is, maar geen aanleiding geeft tot wijzigingen. Dit maakt volgens verzoekers een contradictie en een schending van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel uit. Ofwel is een bezwaar gegrond en dan dienen hieromtrent de nodige maatregelen en wijzigingen te worden opgenomen, ofwel is een bezwaar ongegrond. Verzoekers bekritiseren voorts dat de Gecoro in haar rapport naar het openbaar onderzoek van het bestreden gemeentelijk RUP verwijst om een bezwaar te weerleggen. Het gaat volgens verzoekers tegen de X-16.760-42/62 zorgvuldigheidsplicht in om in het kader van het beoordelen van een bezwaar tegen het GRS te verwijzen naar een later gemeentelijk RUP, waarvan niet eens vaststaat dat dit zal goedgekeurd worden. 14.2.1. In hun memorie van wederantwoord betogen verzoekers, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat een punctuele herziening van het GRS voorligt, waarbij het van belang is dat het herziene deel nog binnen de algehele visie van het originele GRS past. 14.2.2. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stellen verzoekers dat de herziening van het GRS en het bestreden gemeentelijk RUP een voorafname van de afbakening van het regionaalstedelijk gebied uitmaken, nu het bestreden besluit de gewestplanbestemming wijzigt. 14.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat uit “het louter behoud van de grote lijnen van het structuurplan […] niet [kan] worden afgeleid dat geen betekenisvolle wijzigingen werden aangebracht”, dat zij de beleidskeuzes uit het RSV in hun verzoekschrift hebben aangeduid, dat “de herziening van een structuurplan voor een gebied dat nog niet op bindende wijze werd afgebakend ingaat tegen de planlogica en de zorgvuldigheidsplicht”, dat zij van mening zijn dat richtlijn 2001/42/EG op onvolledige wijze werd omgezet, en dat zij “indieners [zijn] van de bezwaren 12 en 21”. Beoordeling 15.1.1. Wat het eerste middelonderdeel betreft, voeren verzoekers in hun verzoekschrift slechts op algemene wijze aan dat de gedeeltelijke herziening van het GRS tegen de visie van het oorspronkelijke GRS ingaat en dat van een geïntegreerd beleid en duurzame ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is. Zij lichten niet toe van welke “duidelijke visies en principes” van het oorspronkelijke GRS wordt afgeweken en betrekken de toelichtende nota bij de gedeeltelijke structuurplanherziening niet bij hun middel. Hun te algemene kritiek dat het X-16.760-43/62 herziene GRS ter zake niet afdoende is gemotiveerd, kan niet worden aangenomen. 15.1.2. Er kan verder niet ingestemd worden met het standpunt van verzoekers dat het GRS enkel herzien is “om één bepaald RUP mogelijk te maken dat hoegenaamd niet ingepast kon worden onder het oude RPS van 2004”. Zoals in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt aangegeven (p. 14), is de vernieuwde visie op de bereikbaarheid van de benedenstad uitgebreid beschreven in de toelichtende nota bij de gedeeltelijke structuurplanherziening. Daaruit blijkt voldoende dat de herziening van het GRS niet uitsluitend gebeurd is om het bestreden gemeentelijk RUP mogelijk te maken. Er wordt verwezen naar de lopende projecten voor de benedenstad en het feit dat de herontwikkeling van de cruciale Hertogensite wordt aangegrepen om een aantal problemen in de verkeerstructuur op te lossen, waarbij er een aantal afwijkingen zijn ten aanzien van het oorspronkelijke GRS. Rond de bereikbaarheid van de benedenstad voor de verschillende modi werd een nota ‘Benedenstad Leuven: parkeerbeleid, openbaar domein en parking Den Bruul’ opgesteld en goedgekeurd, waarna het GRS gedeeltelijk in herziening werd gesteld om dit met de principes uit deze nota in overeenstemming te brengen. 15.1.3. Met hun algemene kritiek tonen verzoekers niet aan dat de gedeeltelijke herziening van het GRS niet binnen de gewenste ruimtelijke structuur van het totale GRS past, noch dat de plannende overheid onzorgvuldig zou hebben gehandeld. 15.1.4. Bovendien heeft de Gecoro in haar advies hieromtrent het volgende opgemerkt: “Het ruimtelijk structuurplan Leuven van 2004 bevat een geïntegreerde visie op de ruimtelijke ontwikkeling van het grondgebied Leuven. Deze gedeeltelijke herziening brengt inderdaad enkele wijzigingen aan in een beperkt gebied en op een beperkt aantal punten. De rest van het ruimtelijk structuurplan blijft onverminderd bestaan. De beperkte wijzigingen zijn niet van die aard dat ze de goede samenhang in het geheel van het structuurplan in het gedrang brengen. De grote lijnen van de opties van het oorspronkelijke ruimtelijk structuurplan X-16.760-44/62 worden immers behouden. De gecoro stelt vast dat de stad blijft kiezen voor organisatie van centrum-, rand- en voorstadsparkeren. De stad selecteert ook nog steeds routes voor busverkeer in de binnenstad. Voor het autoverkeer blijft de stad kiezen voor een lussensysteem en het voortschrijdend autoluw maken van de middeleeuwse stadskern. Met deze gedeeltelijke herziening worden een aantal keuzes verscherpt (verstrenging van het autoluwe karakter van de stadskern, afbouwen van het straatparkeren), en een aantal heel concrete gebiedsspecifieke keuzes of selecties gewijzigd (ligging van de centrumparking en ligging van een bustracé). De effecten van deze verscherpte of gewijzigde gebiedsspecifieke keuzes zijn niet van die aard dat ze de geldigheid van de keuzes voor de ontwikkelingen in een ruimer gebied, laat staan in de regio, teniet zouden doen. Ze zullen immers eerder lokaal tot gewijzigde situaties leiden. Samen met de behouden delen van het RS Leuven is er daarom wel degelijk nog sprake van een geïntegreerde visie.” 15.1.5. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 15.2.1. Wat het tweede middelonderdeel betreft, moet vastgesteld worden dat verzoekers geen bepaling uit het RSV aanduiden die verplicht dat “eerst een definitieve afbakening van het Stedelijk gebied van Leuven [dient] te gebeuren alvorens er een [GRS] kan worden uitgewerkt in dit stedelijk gebied”. Het staat niet aan de Raad van State om dit in de plaats van verzoekers te doen. 15.2.2. De Gecoro heeft in haar advies desbetreffend het volgende opgemerkt: “Een lokaal structuurplan moet zich richten naar een provinciaal en gewestelijk structuurplan. Om de conformiteit te toetsen, worden in verschillende fasen (vooroverleg, advies op het voorontwerp, advies op het ontwerp, goedkeuring) adviezen gevraagd aan de provincie en het Vlaams Gewest. Deze hebben in geen enkele fase ongunstig advies gegeven of opmerkingen gemaakt over het niet conform zijn. Er bestaat niet zoiets als een afbakenings-[GRS]. In het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt wel een gewestelijk stedelijk afbakenings-RUP voorbereid voor Leuven. Hierin is inderdaad geen sprake van een Bruulparking, noch van het vastleggen van verkeerslussen in de binnenstad of keuzes voor het openbaar domein in het centrum. Dit is echter geen reden om tegenspraak te veronderstellen met dit hoger plan. X-16.760-45/62 Deze thema’s zijn van lokale aard en worden gewoon niet behandeld in het afbakenings-RUP.” 15.2.3. Verder lichten verzoekers in hun verzoekschrift niet concreet toe op welke wijze het gewijzigde beleid ingaat tegen de beleidskeuzes die in het RSV of het RSVB voor het stedelijk gebied zijn gemaakt. 15.2.4. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. 15.3.1. De eerste verwerende partij wijst er aangaande het derde middelonderdeel terecht op dat volgens de regelgeving inzake ruimtelijke ordening – het toentertijd geldende artikel 2.1.2, § 7, VCRO – de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen vormen. Verzoekers brengen hier in hun memorie van wederantwoord geen enkel element tegen in. Zij maken niet aannemelijk dat het herziene GRS “het kader [beoogt te] vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten”. 15.3.2. In het document “Uitvoering van richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s” van het directoraat-generaal Milieu van de Europese Commissie wordt hieromtrent onder meer gesteld: “3.23. De betekenis van ‘het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen’ is voor de interpretatie van de richtlijn van cruciaal belang, hoewel deze zinsnede niet nader wordt omschreven in de tekst. De zinsnede zou normaalgesproken betekenen dat het plan of programma criteria of voorwaarden bevat op basis waarvan de vergunningverlenende instantie over een vergunningaanvraag beslist. Er zouden bijvoorbeeld beperkingen kunnen worden gesteld aan het soort activiteit of nieuwbouw dat in een bepaald gebied is toegestaan, of voorwaarden waaraan de aanvrager moet voldoen wil de vergunning worden verleend, of het plan zou criteria en voorwaarden kunnen bevatten die tot doel hebben om bepaalde kenmerken van het desbetreffende gebied te behouden (zoals het naast elkaar bestaan van verschillende vormen van grondgebruik, wat de economische levensvatbaarheid van het gebied vergroot).” X-16.760-46/62 Verzoekers maken niet aannemelijk dat het herziene GRS dergelijke criteria of voorwaarden bevat en derhalve te beschouwen is als een “plan” in de zin van de Europese richtlijn 2001/42/EG. Evenmin doen zij in hun verzoekschrift aannemen dat deze richtlijn op onvolledige wijze naar intern recht werd omgezet. 15.3.3. Besluitend tonen verzoekers niet aan dat het herziene GRS aan een milieueffectrapportage diende onderworpen te worden. 15.3.4. Het derde middelonderdeel wordt verworpen. 15.4.1. Met de eerste verwerende partij wordt aangenomen dat het vierde middelonderdeel onontvankelijk is in de mate dat niet concreet wordt toegelicht op welke bezwaren verzoekers’ kritiek betrekking heeft. Bovendien hebben verzoekers geen belang bij het middelonderdeel in zoverre dit op bezwaren van derden betrekking heeft. Het staat aan verzoekers om aan te geven welk bezwaar door henzelf werd ingediend. De uiteenzetting in hun laatste memorie desbetreffend is laattijdig en onontvankelijk. 15.4.2. Ten gronde dient opgemerkt dat er, zoals in het verzoekschrift louter geponeerd wordt, niet noodzakelijk een contradictie schuilt in het feit dat de Gecoro een bezwaar gegrond bevindt en tegelijk vaststelt dat het bezwaar niet tot een wijziging van de voorschriften van het gemeentelijk RUP aanleiding geeft. Dit is bijvoorbeeld het geval als de Gecoro meent dat de toelichtingsnota dient aangevuld te worden. 15.4.3. Het bezwaar 37g blijkt niet door verzoekers geformuleerd. Zij hebben dan ook geen belang bij een kritiek op de weerlegging van dit bezwaar. Verzoekers overtuigen er in hun verzoekschrift niet van dat dit antwoord onzorgvuldig zou zijn. 15.4.4. Het vierde middelonderdeel wordt verworpen. X-16.760-47/62 15.5. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 16.1. Verzoekers roepen in een zevende middel de schending in van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 16.1.1. In een eerste middelonderdeel betogen zij dat het bestreden besluit er ten onrechte van uitgaat dat het park in zijn originele staat kan worden hersteld en dat een volwaardig park zal kunnen worden heraangelegd. Omtrent een aantal essentiële aspecten ontbreekt een zorgvuldig onderzoek en een afdoende motivering. Verzoekers menen dat de heraanleg van het park en het herstel van de oorspronkelijke toestand onmogelijk te realiseren is omdat de ondergrond van het park slechts één meter diep zal zijn en er zich daaronder een zeer grote oppervlakte aan verharding zal bevinden. In dit verband halen ze het lastenboek van de stad Leuven inzake de overheidsopdracht voor het ontwerpen van de betrokken parking aan, waarin sprake is van een “daktuinopbouw”. Daarnaast argumenteren verzoekers dat het park kleiner wordt door de verplaatsing van de rooilijn aan de Brouwersstraat om de nieuwe weginrichting mogelijk te maken. Ten slotte wordt er volgens verzoekers geen rekening gehouden met het feit dat midden in de “daktuin” de schouwen van de verluchting met uitlaatgassen zullen oprijzen en zichtbaar zijn, zodat de beleving van het park danig zal veranderen. 16.1.2. In een tweede middelonderdeel bekritiseren verzoekers het onderzoek naar de mobiliteitseffecten, dat volgens hen onzorgvuldig is en niet afdoende gemotiveerd. X-16.760-48/62 16.1.2.1. Een eerste punt van kritiek betreft de doelstellingen en contouren van de verkeersgenererende werking van het bestreden gemeentelijk RUP, die volgens verzoekers veel ruimer zijn dan deze die in het MOBER worden gebruikt. Verzoekers menen dat het gemeentelijk RUP een totaal nieuw en verschillend verkeerspatroon teweegbrengt met invloeden en effecten op schaalniveau van de gehele stad. Ook komt het circulatieplan volgens hen slechts summier aan bod, terwijl dit alleen volledig kan worden ingevoerd op voorwaarde dat de kwestieuze parking, sluitstuk van het hele plan én het lussensysteem, wordt gebouwd. 16.1.2.2. Ten tweede menen verzoekers dat het aantal vervoersbewegingen in het MOBER danig wordt onderschat en menen zij dat het openbaar vervoer niet werd meegeteld. 16.1.2.3. In een derde punt van kritiek zetten verzoekers uiteen dat de capaciteitsbeoordeling in functie van de verkeersleefbaarheid en de daaruit afgeleide beoordeling van de leefbaarheid gebrekkig is. 16.1.2.4. Ten vierde stellen verzoekers dat de capaciteit van het kruispunt Brouwersstraat – Tessenstraat – Donkerstraat een potentieel knelpunt is, dat had moeten onderzocht worden. 16.1.2.5. Verder wordt in het MOBER volgens verzoekers nagelaten om de effecten van het bestreden gemeentelijk RUP in samenhang met overige plannen en projecten op zorgvuldige wijzen te beoordelen. In dit vijfde punt van kritiek wijzen zij concreet op de Hertogensite. 16.1.2.6. Tenslotte bekritiseren verzoekers in een zesde punt dat het MOBER uitgaat van slechts één inplantingvoorstel dat totaal verschillend is van de inplantingsvoorstellen uit de toelichtingsnota van het bestreden gemeentelijk RUP en uit de screeningsnota. X-16.760-49/62 16.2.1. In hun memorie van wederantwoord betogen verzoekers met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat met de afschaffing van het BPA, ook de rooilijnen die daarin vervat zitten, wegvallen. De stad heeft op deze wijze “carte blanche” om het Bruulpark te herbestemmen en de oppervlakte ervan te verkleinen. De onwettelijkheid ligt volgens verzoekers in het feit dat volgens het bestreden gemeentelijk RUP het parkachtig karakter moet worden hersteld, inclusief de oppervlakte ervan gevrijwaard. Concreet wil “herstellen” volgens hen zeggen dat in het park slechts 5% van de oppervlakte mag bebouwd zijn, terwijl in het gemeentelijk RUP de bebouwde oppervlakte tot boven 7% stijgt. Dat is ontoelaatbaar want doet afbreuk aan het parkkarakter van “De Bruul”. Verzoekers betogen voorts dat het bestreden gemeentelijk RUP erin voorziet dat aan de zijde van de Brouwersstraat een waardevolle houtkant wordt gekapt om de straat te verbreden en de ingang van de parking te bouwen. Alles samen gaat er zoveel van het park verloren dat ruim méér dan 7% verhard gaat zijn. Hierdoor wijkt de bebouwde oppervlakte méér dan 100% af van de toegelaten norm en zelfs van de door het gemeentelijk RUP zelf vooropgestelde norm. Ook de verluchting van de ondergrondse garage zal volgens verzoekers de beleving van het park danig veranderen, zodat niet kan worden ingezien hoe het bestreden besluit kan volhouden dat het park zal hersteld worden. 16.2.2. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stellen verzoekers in hun memorie van wederantwoord dat zij zich aangaande het eerste punt van kritiek vergist hebben van kruispunt. Zij bedoelen wel degelijk het kruispunt Tessenstraat – Brouwersstraat Voor dit kruispunt is in het MOBER geen beoordeling van de leefbaarheid opgenomen, ofschoon de mobiliteitseffecten van de parking op dit kruispunt wel degelijk een rechtstreeks effect hebben. X-16.760-50/62 16.2.3. Daarnaast bekritiseren verzoekers met betrekking tot hun eerste en tweede punt van kritiek dat er in het MOBER uitgegaan wordt van aannames. Er wordt uitgegaan van cijfers van 2004, geactualiseerd naar 2011. In 2015 wordt een MOBER gemaakt die het verkeer in het studiegebied anno 2018 en later moet voorspellen. Noch in de screeningsnota, noch in het MOBER is aangetoond dat de gebruikte redenering voldoende wetenschappelijk onderbouwd is om voorspellend te zijn. Ook stellen verzoekers dat het onmogelijk is om de gebruikte methodologie te verifiëren. Als op basis van de gepubliceerde cijfers in de screeningsnota het bijkomend verkeer ter hoogte van de Donkerstraat ingeschat wordt mét knip, zal er een bijkomende belasting van 244 voertuigen/uur zijn in de ochtendspits en 195 voertuigen/uur in de avondspits op een donderdag in de week. Dat is 439 extra voertuigen op twee uren spitsverkeer. Het is volgens verzoekers onmogelijk om vanuit de gepubliceerde tabel een exacte benadering van het extra verkeer per dag te maken. Toch lijkt het volgens verzoekers zeer onwaarschijnlijk dat de toename minder dan 850 bijkomende voertuigbewegingen/dag (de MER-drempel) zou bedragen. De simulatie van de verkeersgeneratie volgend uit het project wringt volgens hen met de logica van de drempelwaarden. Bijgevolg toont de screeningsnota niet aan dat de verkeersgeneratie door het project onder de MER-drempel blijft en toont het MOBER niet aan dat de capaciteit van de kruispunten en de wegen ruim voldoende is. Zelfs indien een correctiefactor wordt gebruikt, kan de predictieve waarde van de gebruikte cijfers in twijfel getrokken worden. Volgens verzoekers is ook geen rekening gehouden met een onderscheid tussen personenwagens en bussen of vrachtwagens. 16.2.4. Verzoekers betogen voorts dat de verkeerssimulatie van ver voor het ondertussen ingevoerde circulatieplan dateert. Qua gewijzigde verkeersstromen is volgens hen enkel het “knippen” of “niet knippen” summier bekeken. Zij betwisten dat het circulatieplan, het concept van het lussensysteem en het bestreden gemeentelijk RUP drie gescheiden zaken zijn. Verder stellen zij dat door dit RUP zo klein te houden, zowel de referentiesituatie, het gebied X-16.760-51/62 waarin de verkeersleefbaarheid werd beoordeeld, het beoordeelde mobiliteitsprofiel en de beoordeling van de verkeersafwikkeling volledig buiten het plangebied van het gemeentelijk RUP te situeren zijn. De conclusie die uit de beoordeling van de verkeersafwikkeling wordt getrokken, is volgens hen volledig fout. Er kan bezwaarlijk beweerd worden dat het verwijderen van bestaande bovengrondse (bezoekers)parkeerplaatsen, gelegen in het projectgebied, weinig nieuw verkeer genereert, als er in het projectgebied 600 nieuwe parkeerplaatsen bijkomen. 16.2.5. Verzoekers benadrukken dat hun situatie in het MOBER niet afdoende werd onderzocht. De effecten op de leefbaarheid – derde punt van kritiek – moesten in de Brouwersstraat beoordeeld worden. Niets toont volgens hen aan dat de intensiteitsmetingen die gebruikt worden ook in de Brouwersstraat van kracht zijn of dat eenzelfde capaciteitsbeoordeling toepassing vindt en dat de Brouwersstraat eenzelfde mobiliteitsprofiel heeft. Daarnaast baseert het MOBER de beoordeling op weinig realistische cijfers. 16.2.6. Inzake het onderzoek naar de samenhang van het bestreden besluit met het gemeentelijk RUP Hertogensite – vijfde punt van kritiek – wijzen verzoekers erop dat in een MOBER ook steeds de effecten van een “worst case”- scenario dienen bekeken te worden. Zij menen dat het niet nodig is dat de podiumkunstenzaal een besliste zaak zou zijn om een scenario dat uitgaat van de minst gunstige verontreinigingssituatie en omstandigheden te simuleren. De Vlaamse regering heeft op 3 maart 2017 officieel aangekondigd dat de subsidies voor de zaal er zullen komen; er komt zelfs een congrescentrum bij. 16.2.7. Met betrekking tot hun zesde punt van kritiek stellen verzoekers dat vormgeving belangrijker is dan dimensionering. Parkings voor kort parkeren (= rotatieparking zoals Bruulparking) hebben best een andere vormgeving dan verblijfparkings. Vormgeving van een parking bepaalt de veiligheid, de capaciteit, hoe conflicten te vermijden, of al dan niet tweerichtingsverkeer mogelijk is, en in welke vorm dat verkeer kan verlopen. Dat laatste bepaalt X-16.760-52/62 rechtstreeks de kwaliteit van de lucht want de wagens leggen in een slingersysteem veel afstand af. 16.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat zij uit verschillende passages van de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP konden afleiden dat dit plan voor de aanleg van het nieuwe park dicht bij de referentietoestand wenste te blijven en dat zij de afname in parkoppervlakte wel degelijk in hun verzoekschrift hebben opgeworpen. Verder betogen zij dat zij in hun middel niet “het bestaan van de vervoersbewegingen in de parking op zich, doch de inschatting van het aantal vervoersbewegingen” bekritiseren, dat het onderzoek van het kruispunt Brouwersstraat – Tessenstraat – Donkerstraat in het MOBER zelf diende te worden opgenomen en dat de capaciteitsbeoordeling in de screeningsnota verschilt van de beoordeling in het MOBER. Beoordeling 17.1.1. In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP wordt het volgende over de heraanleg van het park gesteld: “4.2.5 Heraanleg van Den Bruul met behoud huidig karakter De planvoorschriften voor het park zullen van die aard zijn, dat het huidige karakter van het park/recreatiedomein Den Bruul blijft behouden. Dit laat toe om de huidige inrichting grotendeels te benaderen bij een latere heraanleg, of een nieuwe inrichting met hetzelfde parkkarakter. Een aantal zaken zullen echter wijzigen. De bebouwing zal lichtjes veranderen. Zo kunnen een aantal kleine toegangsgebouwtjes naar de parking voor voetgangers in het park voorzien worden. Ook lagere constructies die zorgen voor verluchting van de parking zijn mogelijk. De toegelaten bebouwingsgraad van het park in de beide BPA’s, 5%, wordt in de huidige toestand al dicht benaderd. Door het lichtjes vergroten van het openbaar domein, zal de zone waarop het bebouwingspercentage wordt berekend, ook afnemen. Daarom wordt de bebouwingsgraad opgetrokken naar 7%. Gebouwen met 1 bouwlaag zijn toegelaten; het bestaande tweelaagse gebouw wordt behandeld als een constructie afwijkend van de planvoorschriften. Verhardingen zijn mogelijk in functie van het gebruik als park met recreatief medegebruik, en voor ontsluitingen van de parking voor zacht verkeer (niet voor auto’s). Ook fietsenstallingen zijn bovengronds mogelijk. Ook voor de herinrichting van het park werd een eerste mogelijk ontwerpvoorstel uitgewerkt, dat dient om af te toetsen of goede oplossingen mogelijk zijn binnen de gestelde randvoorwaarden. X-16.760-53/62 Opgelet: ook dit voorstel betreft enkel ontwerpend vooronderzoek: het RUP legt de keuzes van dit voorstel niet vast!” (toelichtingsnota, p. 27) 17.1.2. Hieruit blijkt dat het uitgangspunt van het eerste middelonderdeel, te weten dat het park in de originele staat moet worden hersteld, feitelijke grondslag mist. 17.1.3. In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt de bestaande toestand van het park als volgt beschreven: “Het gebied is momenteel in gebruik als openbare groene ruimte met recreatievoorzieningen; een polyvalent sportterrein van 15 bij 30 meter, een balsportmuur, een verhard speelterrein, een petanquebaan, een grote speeltuin,... Een groot grasveld doet dienst als trapveld en wordt regelmatig voor evenementen ingezet. Er staan ook twee gebouwen en enkele luifels: - centraal-oostelijk een recent gebouwd paviljoen voor gebruik bij activiteiten in het park - aan de zijde van de Pereboomstraat een gebouwtje met twee bouwlagen, in gebruik voor verschillende gemeenschapsvoorzieningen - een grote luifel naast het basketterrein zijde Pereboomstraat en enkele zitbanken met luifeltje - een golfplaten opslagruimte achter het gebouw zijde Pereboomstraat De gebouwen en luifels beslaan in de huidige toestand tezamen 675,01 m2. Tussen de recreatievoorzieningen en constructies liggen wandelpaden in een groen aangelegde, parkachtige omgeving. Ondanks de concentratie aan recreatievoorzieningen, heeft Den Bruul, sinds de heraanleg van de tweede helft van de jaren 2000, een groen en parkachtige karakter. Den Bruul kent het normale gebruik als park en recreatieruimte op het niveau van het stadsdeel en functioneert ook op niveau van de binnenstad.” (toelichtingsnota, p. 5) Blijkens de verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP is de zone voor publiek groen bestemd voor recreatie in een parkachtige omgeving. Ook wordt de maximale grondoppervlakte van gebouwen, constructies en overdekte ruimten beperkt tot 7% van de oppervlakte van het publieke groen in zones PG en P/OW. Verder dient de onbebouwde ruimte, zowel boven als naast de ondergrondse parking, ingericht te worden als groene ruimte met kleinschalige recreatievoorzieningen en wordt ze beplant met hoog- en laagstammig groen. De bestaande bomen die op het grafisch plan zijn aangeduid als meest waardevolle te behouden bomen, worden X-16.760-54/62 in de aanleg geïntegreerd. Bovenop de parking wordt een gronddekking van minstens 1 meter voorzien, om een groene aanleg mogelijk te maken. De inplanting van de ondergrondse garage is verder aan voorwaarden onderworpen, die onder andere garanderen dat een groene aanleg met hoogstammen in volle grond mogelijk blijft tussen de rooilijn en de ondergrondse parking over minstens 75% van de grens met het openbaar domein, en dat een voldoende afstand van de meest waardevolle te behouden bomen wordt verzekerd. Ook wordt een groennota verplicht bij de aanvraag van de vergunning voor de nieuwbouw van een ondergrondse parking, die beschrijft welke maatregelen er zullen getroffen worden om het overleven van de te behouden bomen te garanderen, zowel in de werffase als na de ingebruikname van de parking, en waarin de levensvatbaarheid van het nieuw aan te planten hoogstammig groen in zones PG en zones P/OW wordt aangetoond. 17.1.4. Gelet op de bestaande toestand van het park en de stedenbouwkundige voorschriften voor de toekomstige aanleg ervan, overtuigen verzoekers er met hun betoog in hun verzoekschrift niet van dat geen “volwaardig park” zou kunnen aangelegd worden. 17.1.5. In zoverre verzoekers zich erover beklagen dat het park kleiner wordt, moet met de eerste verwerende partij worden vastgesteld dat zij in hun verzoekschrift niet verduidelijken welke van de ingeroepen rechtsregels zij in dit verband geschonden achten en op welke wijze dit volgens hen het geval is. Voor het overige beperken verzoekers zich in hun verzoekschrift tot opportuniteitskritiek, die niet tot vernietiging kan leiden. Bovendien gaan verzoekers opnieuw van het foute uitgangspunt uit dat het park “op dezelfde wijze” aangelegd dient te worden. 17.1.6. Waar verzoekers voor het eerst in de memorie van wederantwoord op de mogelijk bijkomende verhardingen kritiek leveren, is dit laattijdig en is hun middel evenzeer onontvankelijk. X-16.760-55/62 17.1.7. Ten slotte mist verzoekers’ kritiek dat geen rekening is gehouden met “de schouwen van de verluchting met uitlaatgassen” in de daktuin feitelijke grondslag. De eerste verwerende partij wijst in dit verband terecht op de stedenbouwkundige voorschriften die vereisen dat bij de aanvraag van de vergunning voor de nieuwbouw van een ondergrondse parking, een nota toegevoegd wordt die beschrijft hoe de parking zal worden geventileerd en dat de vergunningverlenende overheid bij het beoordelen van de aanvraag dient na te kijken of dit systeem compatibel is met de recreatieve functies van het park. Voor het eerst in hun memorie van wederantwoord, en derhalve op laattijdige en onontvankelijke wijze, bekritiseren verzoekers deze bepalingen. 17.1.8. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 17.2.1.1. Verzoekers kunnen, wat het eerste punt van kritiek in hun tweede middelonderdeel betreft, niet gevolgd worden waar zij voorhouden dat het bestreden gemeentelijk RUP “een totaal nieuw en verschillend verkeerspatroon teweeg [brengt] met invloeden en effecten op schaalniveau van de gehele stad”. Blijkens het MOBER zal de in het bestreden gemeentelijk RUP voorziene rotatieparking dienen ter compensatie van het schrappen van bezoekersparkeerplaatsen in de middeleeuwse kern en binnen een straal van 300 meter rond de nieuw te bouwen parking. Dit uitgangspunt is in overeenstemming met de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP. 17.2.1.2. Evenmin kunnen verzoekers gevolgd worden in hun standpunt dat de bouw van de parking het “sluitstuk” is van het volledige circulatieplan en het lussensysteem voor de Leuvense binnenstad. Uit de toelichtingsnota blijkt duidelijk het kader waarbinnen het gemeentelijk RUP wordt opgesteld: X-16.760-56/62 “De vernieuwde visie op de bereikbaarheid van de Benedenstad is uitgebreid beschreven in de toelichtende nota bij deze gedeeltelijke structuurplanherziening. [...] In grote lijnen blijft de stad Leuven kiezen voor een verbeterde bereikbaarheid van de binnenstad voor fietsers en voetgangers, en een goede bediening van de binnenstad met openbaar vervoer. Voor de auto blijft de binnenstad bereikbaar langs de geselecteerde primaire verkeerslussen. Auto’s parkeren in randparkings, en in centrumparkings die op de primaire verkeerslussen ontsloten zijn. […] De toegankelijkheid van de binnenstad voor autoverkeer wordt daarom volgens het structuurplan Leuven georganiseerd via verkeerslussen. Het autoverkeer wordt gebundeld op de Ring, waarna de stad wordt binnengereden langs een van de primaire verkeerslussen die het juiste stadsdeel bedient. Het autoverkeer wordt geweerd uit de middeleeuwse stadskern, voor wat betreft de bezoekers (te beginnen bij kant Benedenstad). Het bezoekersparkeren wordt hier tegelijk afgebouwd. Relevant voor de omgeving van Den Bruul zijn de volgende verkeerslussen: [...] - Primaire lus Z18 Donkerstraat-Tessenstraat/Fonteinstraat- Brusselsestraat - Primaire lus Z19 Kapucijnenvoer-Sint-Jacobsplein-Tervuursestraat Het bezoekersparkeren voor de binnenstad wordt opgevangen in de centrumparkings, gelegen in de zone tussen de ring en de middeleeuwse stadskern, en direct ontsloten vanuit een primaire verkeerslus. [...] De centrum- en randparkings worden geïntegreerd in een parkeergeleidingssysteem. [...] Tegelijk selecteert het structuurplan een aantal rand- en centrumparkings die kunnen worden behouden of moeten worden toegevoegd. Relevant is uiteraard parking Den Bruul (P12a). Parking P12b Sint-Jacobsplein kan voorlopig behouden [blijven]; op termijn wordt hij ondergronds gebracht of vervangen door randparkeren.” (toelichtingsnota p. 14 en 16-17) 17.2.1.3. Hieruit blijkt dat de rotatieparking Den Bruul slechts één onderdeel vormt van het bezoekersparkeren in de Leuvense binnenstad, gericht op twee primaire lussen. Ook in het MOBER wordt gesteld dat de middeleeuwse kern via vijf rotatieparkings, net buiten deze kern, bediend zal worden. Deze parkings zullen de afbouw van bezoekersparkeren in het centrum opvangen, waardoor de verkeersdruk in de middeleeuwse kern sterk zal dalen ten voordele van de leefbaarheid. Nog blijkens het MOBER zal de rotatieparking onder het Bruulpark het bezoekersverkeer opvangen dat via de N2 – Brusselsesteenweg en N26 – Mechelsesteenweg de stad binnenrijdt. X-16.760-57/62 17.2.1.4. Het uitgangspunt van verzoekers’ kritiek, te weten dat de effecten op een te beperkte schaal en op een oppervlakkige wijze werden bestudeerd omdat het “plan [..] de mobiliteit bepaal[t] van een binnenstad met 45.000 bewoners in een stedelijk gebied met 98.000 gedomicilieerde bewoners en 55.000 residentiële studenten”, kan geen bijval vinden. 17.2.1.5. Dat de Brouwersstraat en de Pereboomstraat niet in de studie worden opgenomen voor de capaciteitsbeoordeling in functie van de verkeersleefbaarheid, is te verklaren door het feit dat luidens het MOBER de straten in de omgeving van het projectgebied wat de verkeersleefbaarheid betreft nog restcapaciteit hebben. De intensiteiten bereiken niet de helft van de capaciteit van de weg. Bovendien komt de verkeersafwikkeling in de Brouwersstraat wel degelijk aan bod in het MOBER. Voorts kan met de eerste verwerende partij worden vastgesteld dat de as Donkerstraat – Petermannenstraat – Brouwersstraat tesamen als Donderstraat worden benoemd en als één as beoordeeld wordt. 17.2.1.6. Verzoekers slagen er in hun verzoekschrift niet in, aan te tonen dat de te verwachten verkeerseffecten in het MOBER niet voldoende werden onderzocht. 17.2.1.7. Tenslotte wordt de belasting op het kruispunt Petermannenstraat – Donkerstraat – Tessenstraat in de screeningsnota zelf besproken (screeningsnota, p. 52 en volgende). Verzoekers betrekken deze beoordeling niet bij hun uiteenzetting in hun verzoekschrift. Het middel is in zoverre onontvankelijk. Dit gebrek kan niet in de laatste memorie worden rechtgezet. 17.2.1.8. De eerste kritiek wordt verworpen. 17.2.2.1. Verzoekers menen in hun tweede punt van kritiek dat het aantal voertuigbewegingen in het MOBER wordt onderschat. 17.2.2.2. Vooreerst kan het betoog dat er een discrepantie zou bestaan tussen het feit dat in het MOBER wordt besloten dat de parking op een werkdag X-16.760-58/62 op een ochtendpiekmoment (10
- u)een attractie van 118 personenwagens per uur zal kennen, terwijl in de screeningsnota wordt gesteld dat in de avondspits wordt verwacht dat maximaal 437 vte/u het centrum inrijden, geen bijval vinden. Met de eerste verwerende partij dient vastgesteld te worden dat het aantal voertuigen dat naar de parking rijdt niet gelijkgesteld kan worden met het aantal voertuigen dat in de Donkerstraat rijdt. 17.2.2.3. Verzoekers tonen niet aan dat het MOBER de verkeerseffecten foutief zou beoordeeld hebben. Hun bewering dat het openbaar vervoer niet wordt meegeteld, wordt niet gestaafd en mag niet uit het MOBER blijken. 17.2.2.4. Voor het eerst in hun memorie van wederantwoord betwisten verzoekers de actualiteit van de cijfers die gehanteerd worden in het MOBER en stellen zij de gebruikte rekenmethode niet te kunnen verifiëren. Ook gaan zij daarin voor het eerst in op de effecten van het “knippen” of “niet knippen”. Deze kritieken worden op laattijdige en onontvankelijke wijze aangevoerd. 17.2.2.5. Verzoekers’ tweede kritiek wordt evenzeer verworpen. 17.2.3.1. Volgens verzoekers’ derde kritiek is de capaciteitsbeoordeling in functie van de verkeersleefbaarheid gebrekkig. 17.2.3.2. Zoals reeds opgemerkt, wordt in het MOBER gesteld dat de straten in de omgeving van het projectgebied wat de verkeersleefbaarheid betreft nog restcapaciteit hebben, alsook dat de intensiteiten niet de helft van de capaciteit van de weg bereiken. Verzoekers tonen in hun verzoekschrift geen concrete tekortkomingen aan die tot de onwettigheid van de milieuscreening en het bestreden gemeentelijk RUP doen besluiten. 17.2.3.3. Het derde punt van kritiek wordt verworpen. X-16.760-59/62 17.2.4.1. Verzoekers stellen in hun vierde punt van kritiek dat de capaciteit van het kruispunt Brouwersstraat – Tessenstraat – Donkerstraat in het MOBER niet is onderzocht. Zij laten in hun verzoekschrift evenwel na de beoordeling van dit kruispunt in de screeningsnota bij hun kritiek te betrekken, zodat hun betoog niet volstaat om tot de onwettigheid van het bestreden gemeentelijk RUP te besluiten. 17.2.4.2. Het vierde punt van kritiek is evenmin aan te nemen. 17.2.5.1. Volgens verzoekers – in hun vijfde punt van kritiek – is het niet duidelijk of de Bruulparking de parkeervraag kan opvangen vanuit de Hertogensi