← België

Arrest 244981 - Milieuvergunningen - 27/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.981 Rolnummer: A. 225263/VII-40274 Zaak: Arrest 244981 - Milieuvergunningen - 27/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-04 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:14 Fiche Arrest nr 244.981 van 27 juni 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.981 van 27 juni 2019 in de zaak A. 225.263/VII-40.274 In zake : de VZW NATUURPUNT BEHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Kapucijnenstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 mei 2018, strekt tot de nietig- verklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 maart 2018 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde van 16 oktober 2017 waarbij aan Ann Veldeman de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een rundveehouderij, gelegen aan de Oudegemstraat te Dendermonde. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 242.878 van 8 november 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-40.274-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft met toepassing van artikel 11/4, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State, een mededeling opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen Vanpraet, die loco advocaat Bram Vandromme verschijnt voor de verzoekende partij, en organisatiemedewerker Fanny Cocriamont die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 13 juni 2017 dient Ann Veldeman een milieuvergunnings- aanvraag in voor het exploiteren van een melkveebedrijf aan de Oudegemstraat in VII-40.274-2/12 Dendermonde. De beoogde percelen liggen volgens het gewestplan Dendermonde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, in agrarisch gebied, en grenzen aan natuurgebied. In een deel van dat natuurgebied beheert de verzoekende partij het private natuurreservaat Porrebeek-Paddebeek (nr. E-395), erkend bij ministerieel besluit van 4 november
  6. Er ligt een poel deels op het beoogde bedrijfsterrein en deels in het erkende natuurreservaat. 3.
  7. Op 16 oktober 2017 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde de milieuvergunning voor het houden van 115 runderen, met bijzondere voorwaarden. 3.
  8. De verzoekende partij dient een bestuurlijk beroep in. 3.
  9. Volgende adviezen worden verleend: - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig onder voorwaarden; - de directie Omgevingsprojecten Milieu adviseert gunstig, mits een in een sub-advies van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) voorgestelde bijzondere voorwaarde ter bescherming van de poel wordt opgelegd; - de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseert stilzwijgend gunstig; - de provinciale milieudeskundige adviseert gunstig onder voorwaarden, waaronder de voorgestelde voorwaarde ter bescherming van de poel; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig onder voor- waarden, waaronder de voorgestelde voorwaarde ter bescherming van de poel. 3.
  10. Met het thans bestreden besluit van 15 maart 2018 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het ingediende beroep en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen milieuvergunningsbeslissing, met toevoeging van volgende bijzondere voorwaarden: VII-40.274-3/12 “
  11. Vrijwaren poel in het nabijgelegen natuurgebied De poel moet gevrijwaard blijven. Daartoe dient een buffer gerespecteerd te worden van 5 meter tot de randen van de poel (te bepalen in overleg met de gemeentelijke milieudienst en de bevoegde bos/natuurwachter van het Agentschap voor Natuur en Bos). In deze buffer worden geen verhardingen, constructies of opslag van materiaal voorzien en wordt niet bemest en geen pesticiden gebruikt. De vegetatie kan op die manier evolueren naar een typische oeverbegroeiing. Om de zone duidelijk af te bakenen moet een afsluiting geplaatst worden (palen met gladde draden).
  12. Grondwater In afwijking van artikel 5.53.4.3 van Vlarem II - ook al is het debiet er dient vermeden te worden dat het peil in de put onder dit niveau daalt; daarvoor zijn er 3 mogelijkheden, nl: 1) de pomp wordt boven voormeld niveau opgehangen; 2) er wordt een afslagmechanisme voorzien dat de pomp stillegt wanneer voormeld niveau bereikt wordt; 3) het debiet van de pomp wordt zo geregeld dat het peil in werking boven voormeld niveau blijft. [...]”. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen
  13. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), artikel 4.3.3, § 2, en bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 9, § 5bis, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieu- vergunningsdecreet), de artikelen 5, § 5, en 35 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-40.274-4/12 Het middel komt er, samengevat, op neer dat de project-MER-screeningsnota duidelijk gebrekkig was zodat de aanvraag niet ontvankelijk en volledig mocht worden bevonden. In de bestreden beslissing wordt erkend dat de screeningsnota onvolledig is zodat de verwerende partij niet tot de door haar genomen beslissing kon komen. Voorts neemt de verwerende partij, naar het standpunt van de verzoekende partij, de beoordeling van de screeningsnota niet voldoende ernstig. Ze verschuilt zich achter het -in het tweede onderdeel bekritiseerde- advies van ANB en laat na zelf een beoordeling uit te voeren. De aangewende motieven vormen loutere stijlformules en elke concrete beoordeling ontbreekt. Het louter verwijzen naar “hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten” kan niet worden aanvaard. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 13 en 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuur- behouddecreet), de artikelen 9, 10 en 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer (hierna: soortenbesluit), artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van de nadere regels ter uitvoering van het decreet natuurbehoud, artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 5, 30bis, § 1, eerste lid, en 35 van Vlarem I, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat wat in de bestreden beslissing de natuurtoets wordt genoemd, “behoudens de vermelding van de voortoets, en het niet vereist zijn van een passende beoordeling op basis daarvan”, eigenlijk neerkomt op een citaat van het aanvullend ingewonnen advies van ANB, waarop de verzoekende partij veel kritiek heeft. Vooreerst betoogt de verzoekende partij dat zij in haar beroepschrift had gewezen op de onvolledigheid van de aanvraag, waarna de aanvrager een aanvullende nota heeft bezorgd, die niet aan enig openbaar onderzoek is onderworpen geweest en die de verzoekende partij onbekend is gebleven, maar die blijkbaar wel decisief is geweest voor het VII-40.274-5/12 bijkomend advies, en daardoor voor het verlenen van de vergunning. Voorts stelt de verzoekende partij dat, voor zover de verwerende partij de motivering in dat bijkomend advies tot de hare heeft gemaakt, de gebreken ervan ook gelden voor de motivering van de bestreden beslissing. In het bijzonder voert de verzoekende partij aan dat

(1)de motieven uitgedrukt in het advies intern tegenstrijdig zijn en niet concreet genoeg, omdat erin gesteld wordt “dat er in de aanvraag en de screening inderdaad geen informatie zit over de aanwezige poel (die een voortplantingsplaats kan vormen voor amfibieën) en het natuurreservaat”, maar vervolgens meteen dat er “voldoende informatie aanwezig” zou zijn “in de aanvraag” om de effecten op fauna en flora te kunnen inschatten, zonder dat wordt verduidelijkt of vermijdbare schade wordt uitgesloten;
(2)de concrete grieven in het beroepschrift met betrekking tot de gevreesde schade, niet worden ontmoet, zoals: de eutrofiëring van de reservaatpercelen door de N-uitstoot en de impact ervan op de graslanden, de impact op de geldende beheersdoelstellingen en de verwezenlijking ervan van het maaibeheer op deze graslanden, de verzuring van de reservaatpercelen dat uit de aanvraag zelf kan blijken (21 ZEQ/ha/jaar), de gevolgen voor de poel door de schaduweffecten van de inplanting van de exploitatie, ook de migratieroutes van de amfibieën worden afgesloten, een simulatie van de impact van het oppompen van hoogwaardig water en de impact ervan op reservaatpercelen en de poel in de onmiddellijke omgeving;
(3)de opgelegde voorwaarde met betrekking tot de poel niet volstaat, omdat deze enkel gericht is op die poel en niet op de rest van het erkende natuurreservaat, en er ook niet is onderzocht of deze voorwaarde voldoende zinvol is en voldoende zekerheid biedt voor de bescherming van de poel; dat de precieze ligging van de poel en de afstand ervan tot de stallen blijkbaar nog onduidelijk is en dat die onzekerheid op zich de voorwaarde onwettig maakt;
(4)de aanvraag en de bestreden beslissing zonder meer voorbijgaan aan de uit de biologische waarderingskaart blijkende aanwezigheid van waardevolle natuur rond de percelen;
(5)in de bestreden beslissing wordt erkend dat de poel “mogelijk een voortplantingsplaats voor amfibieën” is, en dat “deze informatie niet in de screening is opgenomen”, maar vervolgens elke concrete motivering ontbreekt betreffende de impact van de VII-40.274-6/12 geplande exploitatie op de aanwezigheid in de poel en errond van soorten die onder de toepassing van het soortenbesluit vallen.
  1. Wat het eerste onderdeel betreft repliceert de verwerende partij dat met betrekking tot de runderen er zelfs geen project-MER-screeningsnota diende te worden opgemaakt, wel met betrekking tot de aangevraagde grondwaterwinning. Ze betoogt dat “de aangereikte nota [...] evenwel bijkomende info [kon] bezorgen” zodat ANB en zijzelf op de hoogte waren van de aanwezigheid van een reservaat en een poel en hiermee rekening hielden bij de beoordeling van de aanvraag. Het wel vermelden ervan in de MER-screeningsnota zou geen verschil hebben uitgemaakt want de verwerende partij zou tot dezelfde conclusie gekomen zijn. Voorts repliceert de verwerende partij dat zij zich niet heeft beperkt tot stijlformules, omdat deze moeten worden samengelezen met de bespreking onder de “Milieuhygiënische aspecten”. Wat het tweede onderdeel betreft citeert de verwerende partij de passage over de natuurtoets uit de bestreden beslissing, en stelt ze dat zij zich wel degelijk bewust is van de aanwezigheid van de poel en het natuurreservaat en van het feit dat er zich in de toekomst misschien conflictsituaties zouden kunnen voordoen maar zij eveneens van mening is dat er met de huidige aanvraag en mits het naleven van passende voorwaarden, geen reden toe bestaat om de vergunning voor deze inrichting te weigeren. Deze redenering is duidelijk weergegeven in de bestreden beslissing. Voorts repliceert de verwerende partij op het argument als zou zij niet hebben geantwoord op de grieven die de verzoekende partij formuleerde tijdens het openbaar onderzoek, dat zij niet verplicht is hierop te antwoorden aangezien in beroep de volledige aanvraag opnieuw dient te worden beoordeeld, wat zij ook zou hebben gedaan. Met betrekking tot de natuurtoets heeft zij zich voornamelijk gebaseerd op het advies van ANB aangezien dit nu eenmaal de gespecialiseerde instantie is in deze materie. VII-40.274-7/12 Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Het staat te dezen niet ter betwisting dat de aanvraag betrekking heeft op “een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het Besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2013 inzake de nadere regels van de project-MER-screening (B.S. 29 april 2013) in uitvoering van het decreet van 23 maart 2012 over de MER-screening (B.S. 20 april 2012)”. In het bestreden besluit wordt dienaangaande overwogen dat: “De aanvraag werd getoetst aan de selectiecriteria zoals opgenomen in bijlage II van het DABM [...] [en] [i]n het licht van de concrete kenmerken van het project, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van zijn potentiële milieueffecten [...] geen aanzienlijke milieueffecten verwacht [moeten] worden”, en “[g]elet op hetgeen voorafgaat alsook hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten, [...] gesteld [kan] worden dat geen MER moet worden opgemaakt”. Daargelaten de vraag, gelet op de niet betwiste onvolledigheid van de screeningsnota gevoegd bij de aanvraag, welke informatie nog in de aanvraag vervat zat om de milieueffecten van de inrichting te kunnen beoordelen, stelt de Raad vast dat blijkens voornoemde motivering de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan de eigenheid van de voorafgaande screening. Deze houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet a priori kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport (hierna: MER) worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. “Hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten” waarvan sprake in voornoemde motivering, kadert binnen het onderzoek dat de bevoegde overheid overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten dient te voeren om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in VII-40.274-8/12 omstandigheden die vanuit het oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke concrete motivering, die in dit geval ontbreken. Het eerste middel, eerste onderdeel, is gegrond. Tweede onderdeel
  3. Artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet luidt: “In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat met “vermijdbare schade” wordt bedoeld: “die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bvb. met andere materialen, op een andere plaats, ...)”. Onvermijdbare schade is dan “de schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert” (Parl.St. Vl.Parl. 2001-02, nr. 967/1, p. 17). Uit de bestreden beslissing, of minstens uit de stukken van het dossier, moet blijken dat de vergunningverlenende overheid de haar door voormeld artikel opgelegde zorgplicht is nagekomen. Overeenkomstig de aangehaalde bepaling, dient elke overheid die wordt gevat door een vergunningsaanvraag er zorg voor te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. VII-40.274-9/12 De bestreden beslissing bevat volgende motivering inzake de “natuurtoets”: “Via het online-instrument „Voortoets depositiescan‟ wordt de mogelijkheid geboden om de mogelijke implicaties in te schatten van een vergunnings- plichtige activiteit op een speciale beschermingszone (SBZ). Volgens de resultaten van de voortoets, die bij de aanvraag werd gevoegd, is er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele en mogelijke habitats in habitatrichtlijngebied. De uitwerking van een passende beoordeling is niet nodig. Gezien de ligging van het bedrijf werd er advies gevraagd aan Agentschap voor Natuur en Bos. Het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos vermeldt het volgende: „Het perceel waar de nieuwe exploitatie wordt gerealiseerd is gelegen net naast natuurgebied en erkend reservaat. Aan de perceelgrens met het natuurreservaat ligt een poel. De realisatie van een nieuw bedrijf naast een natuurreservaat is niet zo gelukkig en leidt mogelijk tot conflicten. De aanvrager geeft in een aanvullende nota aan dat gezocht is naar alternatieven maar dat het nu voorgestelde perceel de enige optie is en er momenteel geen ander alternatief te realiseren is. Als de best beschikbare technieken gebruikt worden binnen het bedrijf is er geen sprake van vermijdbare natuurschade. In de screeningnota en de aanvraag wordt inderdaad niet ingegaan op de ligging naast een reservaat en een poel. De poel is mogelijk een voortplantingsplaats voor amfibieën. Niettegenstaande deze informatie niet in de screening is opgenomen, is het Agentschap voor Natuur en Bos niet van oordeel dat hierdoor de opmaak van een milieueffectenrapport noodzakelijk is. Er is voldoende informatie aanwezig in de aanvraag om de effecten op fauna en flora te kunnen inschatten. Binnen de natuurreservaten gelden een groot aantal verboden. Deze verboden kunnen evenwel geen erfdienstbaarheden opleggen op de omliggende gebieden. Wel moeten de nodige maatregelen genomen worden om de integriteit van de poel te vrijwaren gezien het volgens artikel 14 van het soortenbesluit verboden is om voortplantingsplaatsen van beschermde soorten te beschadigen. In de aanvraag staan evenwel geen concrete maatregelen beschreven. Het Agentschap voor Natuur en Bos stelt een buffer voor van vijf meter. In deze buffer worden geen verhardingen, constructies of opslag van materiaal voorzien en wordt niet bemest en geen pesticiden gebruikt. De vegetatie kan op die manier evolueren naar een typische oeverbegroeiing. Conclusie: Op basis van bovenstaande uiteenzetting verleent het Agentschap voor Natuur en Bos een gunstig advies mits naleving van de volgende bijzondere voorwaarden: De poel moet gevrijwaard blijven. Daartoe dient een buffer gerespecteerd te worden van 5 meter tot de randen van de poel. In deze buffer worden geen verhardingen, constructies of opslag van materiaal voorzien en wordt niet bemest en geen pesticiden gebruikt. De vegetatie kan op die manier evolueren VII-40.274-10/12 naar een typische oeverbegroeiing. Om de zone duidelijk af te bakenen moet een afsluiting geplaatst worden (palen met gladde draden).‟ Er kan dus gesteld worden dat niettegenstaande de ongelukkig gekozen inplanting van het nieuwe bedrijf en de mogelijkheid tot het ontstaan van conflictsituaties, de activiteiten tevens van die aard zijn, dat niet dient gevreesd voor een nadelige impact ervan, mits het opleggen van de voorgestelde voorwaarde”. Uit deze motivering kan worden afgeleid dat uit een -niet voorgelegde- aanvullende nota zou blijken dat “er momenteel geen ander alternatief te realiseren is”, en dat er geen sprake is van vermijdbare natuurschade “als de best beschikbare technieken gebruikt worden binnen het bedrijf”. Deze motivering is nietszeggend en weinig concreet. Er wordt geen enkel antwoord geboden op de beroepsargumenten van de verzoekende partij betreffende de te verwachten impact door eutrofiëring, verdroging en verzuring op het erkende natuurreservaat, en de impact van de inplanting van de bedrijfs- gebouwen dicht bij de poel, die een paaiplaats is voor amfibieën. De verzoekende partij stelt daarbij terecht dat niet is aangetoond dat de opgelegde voorwaarde van het aanleggen van een buffer zinvol zal zijn en tot bescherming kan dienen, maar integendeel onzeker is dat de voorwaarde ertoe zal leiden dat vermijdbare schade kan worden voorkomen. De verzoekende partij maakt aannemelijk dat de verwerende partij te kort is geschoten aan de ingeroepen zorgplicht. Het eerste middel, tweede onderdeel, is eveneens gegrond. BESLISSING
  4. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 15 maart 2018 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde van 16 oktober 2017 VII-40.274-11/12 waarbij aan Ann Veldeman de milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een rundveehouderij, gelegen aan de Oudegemstraat te Dendermonde.
  5. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  6. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, verschuldigd aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.274-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.981 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.